Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:988

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
15/00164 tot en met 15/00179
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8722, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bank Zonder Naam. In geschil zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 - 2005 en VB 1996 - 2000. De aanslagen IB/PVV 1995 - 2001, IB/PVV 2003 en VB 1996 - 2000 zijn voldoende voortvarend opgelegd. Belanghebbende heeft in 2015 bekend rekeninghouder te zijn bij Van Lanschot Bankiers te Luxemburg. Hierdoor is het hoger beroep deels gegrond en dienen de boeten verminderd te worden aangaande de jaren 1995 en 1997-2005. Belanghebbende kan geen vertrouwen ontlenen aan de niet ondertekende vaststellingsovereenkomst dat de boeten op 60% van de enkelvoudige belasting worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1061
FutD 2017-1169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 15/00164 tot en met 15/00179

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 december 2014, nummers AWB 13/7207 tot en met 13/7211, AWB 13/7213 tot en met 13/7215, AWB 13/7217, AWB 13/7219 tot en met 13/7221 en AWB 13/7223 tot en met 13/7226, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende opgelegde belastingaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening respectievelijk 28 december 2007, 29 november 2008, 30 januari 2009 en 3 februari 2009 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd over de jaren 1995 tot en met 2005 (IB/PVV) en 1996 tot en met 2000 (VB). De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met verhogingen dan wel boeten (hierna ook gezamenlijk aangeduid als: boeten). Tevens is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen respectievelijk op 8 januari 2008 (IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996), 10 december 2008 (IB/PVV 1996 tot en met 2000 en VB 1997 tot en met 2000) en 16 februari 2009 (IB/PVV 2001 en 2003 tot en met 2005) bezwaar gemaakt. Op 15 januari 2014 heeft de Inspecteur ter zake van alle genoemde bezwaren uitspraak op bezwaar gedaan; daarbij is de navorderingsaanslag VB 1996 verminderd evenals de daarbij behorende beschikking heffingsrente, zijn de overige navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd en zijn de boeten met 20% verminderd wegens undue delay.

1.3.

Belanghebbende is bij schrijven van 18 december 2013 tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmalig een griffierecht geheven van € 44.

1.4.

De Rechtbank heeft bij de in de aanhef genoemde uitspraken van 22 december 2014 de beroepen ongegrond verklaard en aan belanghebbende een vergoeding wegens immateriële schade toegekend ten bedrage van € 750.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op 28 januari 2015 hoger beroep ingesteld en heeft zijn hoger beroep bij schrijven van 13 april 2015 gemotiveerd. De Inspecteur heeft bij schrijven van 17 juni 2015 een verweerschrift ingediend. Ter zake van dit hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123.

1.6.

Op 10 juni 2016 heeft het onderzoek ter zitting van het Hof plaatsgehad te ’s‑Hertogenbosch. Dit betrof een pro-forma behandeling van genoemde zaken alsmede van de zaken van belanghebbende geregistreerd onder nummers 15/00180 tot en met 15/00182 en van de zaken van de echtgenote van belanghebbende geregistreerd onder de nummers 15/00183 tot en met 15/00190. Op deze zitting zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heren [A] , [B] , [C] en [D] . De heer [E] , als gemachtigde van belanghebbende, is niet ter zitting verschenen. Het Hof heeft ter zitting te kennen gegeven dat het het onderzoek ter zitting schorst en het vooronderzoek hervat.

1.7.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende met dagtekening 5 januari 2017 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Op 26 januari 2017 heeft het nadere onderzoek ter zitting van het Hof plaatsgehad te ’s‑Hertogenbosch. Op deze zitting zijn alle zaken als vermeld in punt 1.6 gezamenlijk behandeld. Op deze zitting zijn verschenen en gehoord de heer [E] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [F] en de heer [G] . Namens belanghebbende is te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en zijn exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9.

Aan het einde van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 1] 1928, is gehuwd met [H] , geboren [geboortedatum 2] 1931 (hierna: de echtgenote). Het sofinummer van belanghebbende is [aanslagnummer] .

2.2.

Bij brief van 18 februari 2005 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie (hierna: BBI) een brief met bijlagen gezonden aan het Hoofd van Belastingdienst/FIOD ECD/Team Internationaal te [plaats] , met als onderwerp:

Inkomstenbelastingen. Spontane uitwisseling van inlichtingen met Nederland. VAN LANSCHOT BANKIERS LUXEMBOURG SA.

Voor de regeling inzake de spontane uitwisseling van inlichtingen verwijst de brief naar artikel 7 van de EG-Richtlijn van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/7799/EEG), en voorts naar artikel 27 van het Nederlands-Belgische Belastingverdrag van 19 oktober 1970.

2.3.

Bij de onder 2.2 vermelde brief van 18 februari 2005 is een, door de Belastingdienst geanonimiseerde, nota gevoegd met daarbij twaalf bijlagen (hierna: de Nota). In de Nota is het volgende, voor zover hier van belang, vermeld:

(…) VERSTREKTE INLICHTINGEN

De hierna volgende inlichtingen zijn gesteund op stukken die het Belgisch gerecht in beslag heeft genomen bij een huiszoeking bij een verdachte van andere misdrijven.

Het betreft gegevens van de Bank van Lanschot Bankiers Luxembourg. (…)”.

2.4.

De twaalf bijlagen bevatten gegevens over rekeningstanden per respectievelijk 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 (hierna: de rekeningstandenlijsten). Daarnaast bevatten de bijlagen namen, adreslijsten en getallen. Meerdere bijlagen hebben als aanhef “F. van Lanschot Bankiers Luxembourg SA.” dan wel “FvL Cliënts (amounts in mio LUF)” of bevatten het logo van de bank van F. van Lanschot Bankiers.

2.5.

In maart 2007 is binnen de Belastingdienst het project Bank Zonder Naam (hierna: het Project) van start gegaan. Doel van het Project is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens, door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken.

2.6.

Ten behoeve van het Project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het Draaiboek) opgesteld. Het Draaiboek bevat alle aspecten van het Project. Het Draaiboek, versie 7 maart 2007, is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de website van de belastingdienst en het Ministerie van Financiën.

2.7.

Op de rekeningstandenlijsten, bijlage 3.1 bij het verweerschrift van de Inspecteur in eerste aanleg, zijn onder meer de volgende gegevens vermeld:

Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA [adres] , [postcode] Luxembourg, date: 9/05/96 prog: [nummer 1] page: 13, portfolio evaluation

Racine

Name

CCY

Current

Accounts

Deposits

Bonds

Shares/

options

Inv. Funds

Total

Account manager: 0000005

(...)

[rekeningnummer 1]

[belanghebbende] - [H]

NLG

118.69

.00

872,810.00

.00

182,197.36

1,055,126.05

Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA [adres] , [postcode] Luxembourg, date: 11/28/96 prog: [nummer 1] page: 14, portfolio evaluation

Racine

Name

CCY

Current

Accounts

Depo-sits

Bonds

Shares/

options

Inv. Funds

Total

Account manager: 0000005

(...)

[rekeningnummer 1]

[belanghebbende] - [H]

NLG

667.52

.00

878,940.00

99,500.00

51,674.40

1,030,781.92

5

[rekeningnummer 1]

[belanghebbende] - [H]

[nummer 2]

NLG

1032797,36

1782,08

662253,18

0

138380

0 A

18 364

2.8.

De Inspecteur heeft belanghebbende en de echtgenote geïdentificeerd als rekeninghouders van bovengenoemde rekening bij de Van Lanschot bank in Luxemburg en heeft aan belanghebbende een vragenbrief gedagtekend 16 maart 2007 gestuurd. Met dagtekening 29 maart 2007 stuurt de Inspecteur aan belanghebbende een rappelbrief. In beide brieven is gewezen op de omkering van de bewijslast en heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om vóór 23 maart 2007, respectievelijk vóór 4 april 2007, nadere informatie te verstrekken.

2.9.

Bij brief van 30 maart 2007 heeft de gemachtigde zich als zodanig gepresenteerd. De gemachtigde heeft de Inspecteur verzocht om nadere informatie te verstrekken. Dit verzoek is aangemerkt als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB). De Inspecteur heeft het WOB-verzoek bij brief van 2 juli 2007 gedeeltelijk afgewezen. Op 15 oktober 2007 heeft de Inspecteur aan belanghebbende en de echtgenote (met een kopie naar de gemachtigde) een laatste herinnering gezonden, waarin hij hen voor de laatste maal in de gelegenheid stelt de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. De gemachtigde noch belanghebbende en de echtgenote hebben op deze brief gereageerd.

2.10.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 23 november 2007 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV over 1995 en 2002 en VB over 1996 met boeten op te leggen. Met betrekking tot de andere jaren na 1995 schrijft de Inspecteur:

“Voor de jaren na 1995 die in deze kennisgeving niet zijn opgenomen zal ik op een later moment aanslagen en navorderingsaanslagen opleggen indien de mij bekende feiten niet wijzigen.”.

De Inspecteur heeft belanghebbende in deze brief in de gelegenheid gesteld om voor 7 december 2007 schriftelijk te reageren en - indien gewenst - vóór genoemde termijn een afspraak te maken voor een mondelinge toelichting. De gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2007 hierop gereageerd met de mededeling dat belanghebbende vooralsnog niet in staat is op het voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag te reageren. Hij heeft daarin zijn verzoek om informatie herhaald. De navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996, de boeten en de beschikkingen heffingsrente zijn opgelegd respectievelijk vastgesteld met dagtekening 28 december 2007.

2.11.

Bij brief van 8 januari 2008 heeft de gemachtigde pro-forma bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996. Bij brief van 23 april 2008 heeft de gemachtigde de bezwaren gemotiveerd. In laatstgenoemde brief is vermeld dat de belanghebbende ontkent in het buitenland een bankrekening te hebben dan wel te hebben aangehouden. De gemachtigde heeft de Inspecteur daarbij verzocht om de bezwaren betreffende het onderdeel of de twaalfjaarstermijn in strijd is met Europees recht, aan te houden in verband met de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen hierover.

2.12.

Omdat de gemachtigde - voor alle tot zijn kantoor behorende cliënten - één standaard bezwaarschrift heeft opgesteld en toegestuurd aan de Inspecteur, heeft de leiding van het Project in het voorjaar van 2008 daarin aanleiding gevonden om te gaan werken met standaardteksten, welke op 21 mei 2008 aan de inspecteurs ter beschikking zijn gesteld. Voorts is in de zomer van 2008 ten behoeve van de identificatie van ontkenners en weigeraars nog een ‘hercheck’ uitgevoerd van rekeningen die op dubbele naam stonden.

2.13.

De Inspecteur heeft, bij brief van 26 juni 2008 aan de gemachtigde, zijn voornemen om de ingediende bezwaarschriften af te wijzen kenbaar gemaakt. Bij brief van 30 juni 2008 heeft de gemachtigde aangegeven dat belanghebbende gehoord wil worden. Hierop is voor verschillende belastingplichtigen, waaronder belanghebbende en de echtgenote, afgesproken dat de hoorgesprekken zullen plaatsvinden op 16 september 2008. Op 2 oktober 2008 heeft de gemachtigde aan de Inspecteur meegedeeld dat hij afziet van het houden van de hoorgesprekken. De Inspecteur heeft dit bij brief van 2 oktober 2008 aan de gemachtigde bevestigd. In deze brief heeft de Inspecteur eveneens bevestigd dat hij met instemming van de gemachtigde de Awb-termijn voor het doen van uitspraak verlengt tot 1 januari 2009.

2.14.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 21 oktober 2008 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 2001, IB/PVV 2003 tot en met 2005, VB 1997 tot en met 2000 met boeten op te leggen. Genoemde navorderingsaanslagen, boeten en beschikkingen heffingsrente zijn opgelegd met dagtekening respectievelijk 29 november 2008, 30 januari 2009 en 3 februari 2009. Bij brieven van 10 december 2008 en 16 februari 2009 heeft de gemachtigde pro-forma bezwaar gemaakt tegen genoemde navorderingsaanslagen. Hij heeft daarbij de Inspecteur verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan “in het hoogste resort in het Rekeningenproject Bank Zonder Naam”.

2.15.

Bij brief van 10 maart 2009 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde geschreven dat hij het verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar afwijst. Voorts heeft hij de gemachtigde in deze brief verzocht de bezwaarschriften binnen vier weken te motiveren en vermeld dat de termijn voor de afhandeling van de bezwaren wordt opgeschort tot de dag waarop het vormverzuim is hersteld. Daarop heeft de gemachtigde bij brief van 17 maart 2009 aan de Inspecteur verzocht om uitstel in verband met een te voeren kortgedingprocedure om de belastingdienst te gelasten alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan verschillende belastingplichtigen ter hand te stellen.

2.16.

Bij brief van 30 mei 2011 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde geschreven dat hij voornemens is alle bezwaren van belanghebbende af te wikkelen. Hij heeft daarbij opgemerkt dat nog niet alle bezwaren zijn gemotiveerd. Tevens heeft hij de gemachtigde gevraagd om te laten weten of hij wil worden gehoord en of hij de bezwaren nader wenst te motiveren. Daarop heeft de gemachtigde bij brief van 7 juni 2011 aan de Inspecteur meegedeeld dat belanghebbende de bezwaarschriften nader wenst te motiveren en in dat kader heeft de gemachtigde de door hem op 23 april 2008 ingediende gronden nogmaals aan de Inspecteur verstrekt en verzocht deze gronden voor alle bezwaren van belanghebbende in aanmerking te nemen.

2.17.

Op 27 september 2011 heeft de Inspecteur een brief met als onderwerp “informatie met betrekking tot de uitspraak op bezwaar” betreffende belanghebbende gezonden aan de gemachtigde. Daarin bevestigt de Inspecteur dat de gemachtigde op 19 september 2011 telefonisch heeft aangegeven op dat moment geen aanleiding te zien om gehoord te willen worden. Op 26 oktober 2011 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde een algemene brief gezonden waarin hij de gemachtigde heeft gevraagd welke bescheiden hij nog wenst te ontvangen.

2.18.

Vervolgens is tot en met 15 oktober 2012 tussen partijen gecorrespondeerd over de te voeren hoorgesprekken. Op verzoek van de gemachtigde zijn de data van de hoorgesprekken acht keer uitgesteld. Tijdens telefonisch contact tussen partijen op 15 oktober 2012 heeft de gemachtigde aan de Inspecteur meegedeeld dat hij afziet van het houden van de hoorgesprekken. De Inspecteur heeft dit bij brief van 15 oktober 2012 aan de gemachtigde bevestigd.

2.19.

Bij brief van 12 december 2013 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde een “Kennisgeving/uitspraak op de bezwaarschriften” gezonden betreffende alle bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 1995 tot en met 2005 en VB 1996 tot en met 2000. Deze brief is voorzien van een rechtsmiddelverwijzing. De Inspecteur meldt in deze brief dat wegens ‘undue delay’ de boeten worden verlaagd met 20% en dat er aan belanghebbende een proceskostenvergoeding groot € 352,50 wordt toegekend. De verminderingsbeschikkingen zijn gedagtekend 15 januari 2014.

2.20.

Bij brieven van 25 september 2015 geven belanghebbende en de echtgenote aan de Inspecteur openheid van zaken betreffende genoemde rekening bij Van Lanschot bank in Luxemburg met nummer [rekeningnummer 1] . Daarop stuurt de Inspecteur begin januari 2016 aan belanghebbende en de echtgenote een vaststellingsovereenkomst met bijlagen (kenmerk [kenmerk] ) die door de Inspecteur is ondertekend op 6 januari 2016. De vaststellingsovereenkomst vermeldt onder meer:

U heeft in de brieven van 25 september 2015 alsnog volledige openheid van zaken gegeven over uw buitenlandse bankrekeningen. U heeft verklaard gerechtigd te zijn (geweest) tot niet eerder aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen (…).

Deze vaststellingsovereenkomst is gesloten onder de navolgende voorwaarden:

(…)

- De (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting / premieheffing 1995 t/m 2005 en vermogensbelasting 1996 t/m 2000 zijn opgelegd met een boete van 100%. Gelet op het feit dat partij 1 alsnog openheid van zaken heeft gegeven en vanwege undue delay zal in de vaststellingsovereenkomst voor de inkomstenbelasting / premieheffing 1995 t/m 2005 en vermogensbelasting 1996 t/m 2000 de boete materieel worden teruggebracht tot 60%.

Tot en met 26 januari 2017 heeft belanghebbende noch de echtgenote deze vaststellingsovereenkomst ondertekend.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat het geschil zich uitsluitend beperkt tot het antwoord op de volgende vragen:

I. Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 tot en met 2001, IB/PVV 2003 en VB 1996 tot en met 2000 voldoende voortvarend opgelegd;

II. Zijn de boeten tot de juiste bedragen vastgesteld?

Belanghebbende is van mening dat deze beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 tot en met 2001, IB/PVV 2003 en VB 1996 tot en met 2000, de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen, en subsidiair tot vermindering van alle boetebeschikkingen. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar doch uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boeten.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag I

4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde namens belanghebbende verklaard dat de grief betreffende de voortvarendheid uitsluitend ziet op de tijd gemoeid met de extra controle op de identificatie (‘hercheck’) als bedoeld in punt 2.12. Gemachtigde betoogt dat niet is gebleken dat in het concrete geval van belanghebbende in de zomer van 2008 bedoelde hercheck is uitgevoerd. Nu dat niet is gebleken, zo begrijpt het Hof de stelling van belanghebbende, is de vertraging als gevolg van de hercheck in het geval van belanghebbende onnodig geweest en heeft de Inspecteur onvoldoende voortvarend gehandeld. Dit moet volgens belanghebbende leiden tot vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 tot en met 2001, IB/PVV 2003 en VB 1996 tot en met 2000.

4.2.

De Inspecteur heeft betoogd dat de ‘hercheck’ in de zomer van 2008 is uitgevoerd om met betrekking tot houders van rekeningen die op twee namen stonden meer zekerheid te krijgen over de juistheid van de identificatie die had plaatsgevonden aan de hand van persoonsgegevens zoals die in het jaar 2005 waren geregistreerd. De Inspecteur heeft toegelicht dat dit verband hield met huwelijksontbindingen van vóór 2005. Als gevolg daarvan zou uit de bevolkingsgegevens over het jaar 1995 kunnen blijken dat toen (ook) andere personen met dezelfde combinatie van namen (als gehuwden) geregistreerd waren dan in 2005. Op zichzelf bezien vormt de hercheck een aanvaardbare verklaring voor de vertraging van enkele maanden die met deze hercheck waren gemoeid (vgl. Hoge Raad 2 mei 2014, nr. 13/04723, ECLI:NL:HR:2014:1032).

De Inspecteur heeft verklaard dat ten aanzien van belanghebbende deze hercheck is uitgevoerd. Belanghebbende heeft betwist dat belanghebbende bij de hercheck was betrokken.

4.3.

De gemachtigde heeft het Hof ter zitting van 26 januari 2017 verzocht om door middel van getuigenverklaringen bewijs te mogen leveren voor de stelling dat bedoelde hercheck in het concrete geval van belanghebbende in de zomer van 2008 niet is uitgevoerd. In diens reactie op het verzoek van gemachtigde aangaande het leveren van bewijs door middel van getuigenverklaringen heeft de Inspecteur ter zitting te kennen gegeven zich overvallen te voelen door het verzoek. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.4.

Desgevraagd door het Hof heeft de gemachtigde verklaard dat hij bedoeld verzoek niet eerder heeft gedaan omdat hij in afwachting was van een beslissing van het Gerechtshof ’s‑Gravenhage inzake een andere belanghebbende maar over eenzelfde kwestie. Het Gerechtshof ’s‑Gravenhage heeft, aldus de gemachtigde, eind 2016 beslist en toen was de gemachtigde pas bekend met de beslissing van dat gerechtshof. Uit die beslissing zou blijken dat niet in alle gevallen bedoelde hercheck heeft plaatsgehad.

4.5.

Gelet op het voorgaande had de gemachtigde in ieder geval 10 dagen voorafgaand aan de zitting van 26 januari 2017, zijn verzoek aan het Hof kunnen doen toekomen. Het Hof vermag niet in te zien waarom de gemachtigde dit niet heeft gedaan. Honorering van het verzoek van de gemachtigde zou leiden tot een heropening van het vooronderzoek en belemmert naar het oordeel van het Hof een doelmatige procesgang. Het belang van een doelmatige procesgang acht het Hof, alles afwegende, zwaarwegender dan het belang van belanghebbende om door middel van getuigenverklaringen nader bewijs te leveren. Het Hof acht belanghebbendes bedoelde verzoek daarom tardief en wijst mitsdien het verzoek af.

4.6.

De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg (pagina 50) gesteld dat de projectleiding in 2008, na de ontvangst van het pro-forma bezwaar, standaardteksten heeft geformuleerd, omdat gemachtigde voor alle tot zijn kantoor behorende cliënten één standaard bezwaarschrift heeft opgesteld (punt 2.12). De projectleiding heeft deze standaardteksten op 21 mei 2008 aan de inspecteurs ter beschikking gesteld. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur voor wat betreft zijn standpunten verwezen naar zijn in eerste aanleg ingediende processtukken. Belanghebbende heeft dit alles niet weersproken. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat in ieder geval geen vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld. Derhalve kan in het midden blijven of belanghebbende is betrokken in de hercheck in de zomer van 2008.

4.7.

Gelet op het voorgaande beantwoordt het Hof de in geschil zijnde vraag I bevestigend.

Ten aanzien van vraag II

4.8.

Het Hof stelt voorop dat op de Inspecteur de bewijslast rust dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat over de saldi op de bankrekening en de inkomsten daaruit in elk van de jaren 1995 tot en met 2005 te weinig inkomstenbelasting en in de jaren 1996 tot en met 2000 te weinig vermogensbelasting is geheven. Het Hof stelt voorts voorop dat met betrekking tot de litigieuze navorderingsaanslagen de volgende bedragen betreffende de (enkelvoudig) door belanghebbende verschuldigde belasting, tussen partijen niet meer in geschil zijn (zie de vaststellingsovereenkomst met bijlagen als bedoeld in punt 2.20):

Betreffende de IB/PVV:

Bel.srt.

Jaar

Aanslagnr.

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Enkelvoudige belasting

IB

1995

H.57

15/00164

€ 15.001

IB

1996

H.67

15/00165

€ 15.296

IB

1997

H.77

15/00166

€ 12.361

IB

1998

H.87

15/00167

€ 13.303

IB

1999

H.97

15/00168

€ 10.419

IB

2000

H.07

15/00169

€ 14.302

IB

2001

H.17

15/00170

€ 5.562

IB

2002

H.27

15/00171

€ 5.041

IB

2003

H.37

15/00172

€ 5.002

IB

2004

H.47

15/00173

€ 4.984

IB

2005

H.57

15/00174

€ 5.003

Betreffende de VB:

Bel.srt.

Jaar

Aanslagnr.

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Enkelvoudige belasting

VB

1996

K.67

15/00175

€ 3.628

VB

1997

K.77

15/00176

€ 3.619

VB

1998

K.87

15/00177

€ 3.242

VB

1999

K.97

15/00178

€ 3.211

VB

2000

K.07

15/00179

€ 3.584

4.9.

In het arrest van 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207, heeft de Hoge Raad ten aanzien van de vraag of sprake is van opzet, het volgende geoordeeld:

3.11.3. In een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige een bankrekening aanhoudt in een land met een bankgeheim en aanzienlijke tegoeden daarop en de rente-inkomsten daaruit ten onrechte niet in zijn aangifte heeft vermeld, kan in het algemeen reeds op grond daarvan worden aangenomen dat hij die aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het voor jaren als de onderhavige van algemene bekendheid was dat banktegoeden en rente-inkomsten daaruit die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, waren onderworpen aan heffing van vermogensbelasting dan wel inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en daarom aangegeven moesten worden als vermogen respectievelijk inkomsten uit vermogen.”.

4.10.

Het Hof overweegt, gelet op de tussen partijen vaststaande bedragen aan enkelvoudig door belanghebbende verschuldigde belasting (punt 4.8), dat belanghebbende in de onderhavige jaren de relevante vrijgestelde bedragen reeds volledig heeft benut. Verder staat, gelet op de informatie die belanghebbende betreffende genoemde buitenlandse rekening aan de Inspecteur heeft verstrekt, vast dat op de bewuste bankrekening in de jaren 1994 tot en met 2009 sprake was van een tegoed variërend van grofweg € 273.000 tot ca. € 475.000, dus ruim boven het als aanzienlijk aangemerkte bedrag van € 45.378 (vgl. Hoge Raad 27 september 2013, 12/00721, ECLI:NL:HR:2013:713, BNB 2013/260). Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij vermogen en inkomsten uit vermogen, ook van buitenlandse bankrekeningen, moest aangeven. Het Hof acht voorts aannemelijk dat belanghebbende dat vermogen en die inkomsten bewust niet heeft aangegeven.

4.11.

Nu belanghebbende het saldo van de buitenlandse bankrekening en de daarop ontvangen rente dan wel dividenden willens en wetens niet in zijn aangiften IB/PVV over de jaren 1995 tot en met 2005 en VB over de jaren 1996 tot en met 2000 heeft opgenomen, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur is geslaagd in zijn bewijs en dat belanghebbende voor elk van de thans in geding zijnde jaren opzet kan worden verweten. Gelet op de omstandigheden als in het onderhavige geval aan de orde, zoals hiervoor geschetst, is het Hof van oordeel dat boeten van honderd percent als uitgangspunt passende en ook geboden sancties zijn voor de begane vergrijpen.

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook het Hof gaat daarvan uit, dat met betrekking tot de boeten de redelijke termijn is overschreden. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat, overeenkomstig de uitgangspunten als vermeld in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 2 juli 2009, nummer 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7, de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn gematigd dienen te worden met 20%. Voor een verdergaande matiging vanwege overschrijding van de redelijke termijn, in afwijking van voormelde uitgangspunten, ziet het Hof geen aanleiding.

4.13.

Gelet op het feit dat de enkelvoudige belastingbedragen als genoemd in punt 4.8 tot stand zijn gekomen op basis van de openheid van zaken die belanghebbende aan de Inspecteur heeft gegeven betreffende genoemde rekening bij Van Lanschot bank, zijn de boeten, anders dan belanghebbende betoogt, niet opgelegd met omkering van de bewijslast. Er is naar het oordeel van het Hof daarom geen reden voor een verdergaande matiging van de boeten (vgl. HR 18 januari 2008, nr. 41832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, BNB 2008/165).

4.14.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij aan de in punt 2.20 bedoelde vaststellingsovereenkomst het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de boeten worden vastgesteld op 60% van het bedrag aan enkelvoudige belasting. Dienaangaande oordeelt het Hof als volgt. Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst (punt 2.20) blijkt onmiskenbaar dat de boeten verlaagd worden tot 60% als zijnde een onderdeel van de tot stand te komen vaststellingsovereenkomst. Nu belanghebbende bedoelde vaststellingsovereenkomst niet heeft ondertekend is tussen partijen geen overeenkomst tot stand gekomen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende aan de tekst van de vaststellingsovereenkomst geen in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de boete ook op 60% wordt bepaald in het geval de overeenkomst niet tot stand zou komen. Het Hof acht aannemelijk dat ook voor belanghebbende duidelijk was dat de bedoelde matiging een onverbrekelijk onderdeel was van het in de vaststellingsovereenkomst vervatte compromis.

4.15.

Gelet op het voorgaande beantwoordt het Hof de in geschil zijnde vraag II ontkennend. Het Hof berekent het bedrag van de boeten op de volgende bedragen (afgezet tegen de bedragen van de boeten zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar):

Betreffende de IB/PVV:

Bel.srt.

Jaar

Aanslagnr.

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Enkelvoudige belasting

Boete

(80%)

Boete bij uitspraak op bezwaar

IB

1995

H.57

15/00164

€ 15.001

€ 12.000

€ 12.016

IB

1996

H.67

15/00165

€ 15.296

€ 12.236

€ 9.060

IB

1997

H.77

15/00166

€ 12.361

€ 9.888

€ 10.953

IB

1998

H.87

15/00167

€ 13.303

€ 10.642

€ 14.764

IB

1999

H.97

15/00168

€ 10.419

€ 8.335

€ 15.716

IB

2000

H.07

15/00169

€ 14.302

€ 11.441

€ 20.322

IB

2001

H.17

15/00170

€ 5.562

€ 4.449

€ 4.619

IB

2002

H.27

15/00171

€ 5.041

€ 4.032

€ 5.096

IB

2003

H.37

15/00172

€ 5.002

€ 4.001

€ 5.674

IB

2004

H.47

15/00173

€ 4.984

€ 3.987

€ 6.202

IB

2005

H.57

15/00174

€ 5.003

€ 4.002

€ 6.977

Betreffende de VB:

Bel.srt.

Jaar

Aanslagnr.

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Enkelvoudige belasting

Boete

(80%)

Boete bij uitspraak op bezwaar

VB

1996

K.67

15/00175

€ 3.628

€ 2.902

€ 2.912

VB

1997

K.77

15/00176

€ 3.619

€ 2.895

€ 2.796

VB

1998

K.87

15/00177

€ 3.242

€ 2.593

€ 2.962

VB

1999

K.97

15/00178

€ 3.211

€ 2.568

€ 3.443

VB

2000

K.07

15/00179

€ 3.584

€ 2.867

€ 3.916

4.16.

Aangezien bij uitspraken op bezwaar de boeten betreffende de IB/PVV 1996 en VB 1997 op een lager bedrag zijn vastgesteld dan de door het Hof berekende boetebedragen, zal het Hof in zoverre de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur bevestigen.

Slotsom

4.17.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is met betrekking tot de IB/PVV 1995 en 1997 tot en met 2005 en de VB 1996 en 1998 tot en met 2000, en dat de uitspraak van de Rechtbank in zoverre dient te worden vernietigd. Het hoger beroep met betrekking tot de IB/PVV 1996 en VB 1997 is ongegrond en de uitspraak van de Rechtbank moet in zoverre worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 respectievelijk € 123 te vergoeden. Het Hof zal deze vergoeding toekennen in de zaak met kenmerknummer 15/00164.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19.1.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.19.2.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.485. Het Hof zal deze vergoeding toekennen in de zaak met kenmerknummer 15/00164.

4.19.3.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.485. Het Hof zal deze vergoeding toekennen in de zaak met kenmerknummer 15/00164.

5 Beslissing

Het Hof:

Ten aanzien van kenmerk 15/00164 (IB/PVV 1995)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 12.000;

  • -

    Gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 167 vergoedt;

  • -

    Veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.970.

Ten aanzien van kenmerk 15/00165 (IB/PVV 1996)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond, en

  • -

    Bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Ten aanzien van kenmerk 15/00166 (IB/PVV 1997)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 9.888.

Ten aanzien van kenmerk 15/00167 (IB/PVV 1998)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 10.642.

Ten aanzien van kenmerk 15/00168 (IB/PVV 1999)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 8.335.

Ten aanzien van kenmerk 15/00169 (IB/PVV 2000)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 11.441.

Ten aanzien van kenmerk 15/00170 (IB/PVV 2001)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 4.449.

Ten aanzien van kenmerk 15/00171 (IB/PVV 2002)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 4.032.

Ten aanzien van kenmerk 15/00172 (IB/PVV 2003)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 4.001.

Ten aanzien van kenmerk 15/00173 (IB/PVV 2004)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 3.987.

Ten aanzien van kenmerk 15/00174 (IB/PVV 2005)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 4.002.

Ten aanzien van kenmerk 15/00175 (VB 1996)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 2.902.

Ten aanzien van kenmerk 15/00176 (VB 1997)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond, en

  • -

    Bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Ten aanzien van kenmerk 15/00177 (VB 1998)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 2.593.

Ten aanzien van kenmerk 15/00178 (VB 1999)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 2.568.

Ten aanzien van kenmerk 15/00179 (VB 2000)

  • -

    Verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de boete;

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft de boete;

  • -

    Vermindert de boete tot € 2.867.

Aldus gedaan op 10 maart 2017 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.C. van der Vegt en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.