Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:981

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
20-003808-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

RAPTUS - Het hof bevestigt het beroepen vonnis waarbij verdachte ter zake van als leider deelnemen aan een criminele organisatie is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003808-13

Uitspraak : 17 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 22 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-089089-03 tegen een persoon gebruik makende van de identiteit:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van, kort weergegeven, als leider deelnemen aan een criminele organisatie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Procesverloop

Op 4 oktober 2005 is ter terechtzitting in eerste aanleg het strafproces tegen verdachte aangevangen. Bij vonnis van 23 juli 2009 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.

Bij akte beroep d.d. 23 juli 2009 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

De strafprocedure tegen verdachte in hoger beroep is bij dit hof ter terechtzitting van

15 september 2009 aangevangen. Bij arrest van 23 januari 2012 heeft dit hof voormeld vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank, ten einde deze op de bestaande tenlastelegging te berechten en af te doen.

Op 25 september 2012 is de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant aangevangen met de behandeling van onderhavige strafzaak. Op 22 november 2013 heeft de rechtbank vonnis gewezen, zoals weergegeven onder het kopje “Hoger beroep”.

Namens verdachte is bij akte beroep d.d. 25 november 2013 appel ingesteld tegen dit vonnis.

Ter terechtzitting van 18 januari 2016 is de behandeling van onderhavige strafzaak in hoger beroep aangevangen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met dien verstande dat het hof aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen nog twee na te vermelden tapgesprekken toevoegt.

In hoger beroep heeft de verdediging het navolgende aangevoerd.

De verdediging heeft bepleit dat het hof al het materiaal, althans dat deel dat zij in haar betoog heeft genoemd, van het bewijs dient uit te sluiten en verdachte dient vrij te spreken van het ten laste gelegde.

Hiertoe heeft de raadsvrouw onder verwijzing naar de zogenaamde Vidgen-jurisprudentie van het EHRM in de kern gezien allereerst betoogd dat het verdachte aan de mogelijkheid van een genoegzame bevraging van de medeverdachten heeft ontbroken, omdat die getuigen, mede als gevolg van de lange duur van de strafprocedure, inmiddels zijn uitgezet en buiten het zicht zijn geraakt. De medeverdachten zijn aldus over de kern van het bewijsmateriaal, te weten de tapgesprekken waaraan die medeverdachten gespreksdeelnemer zijn geweest en de daarop gebaseerde rol van verdachte als leider van de criminele organisatie, niet kunnen worden ondervraagd door de verdediging. Vanwege het ontbreken van die ondervragingsgelegenheid, is verdachte vergaand en onherstelbaar nadeel toegebracht, hetgeen volgens de verdediging op basis van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering tot bewijsuitsluiting noopt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor zover het verweer op de stelling berust dat het ontbreken van een adequate ondervragingsgelegenheid van getuigen ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering tot bewijsuitsluiting zou dienen te leiden, wordt het verweer reeds verworpen, omdat deze stelling geen steun vindt in het recht.

Voor zover het verweer op de stelling berust dat het ontbreken van een adequate ondervragingsgelegenheid van getuigen tot bewijsuitsluiting zou dienen te leiden van ander bewijsmateriaal dan de verklaringen van die getuigen, berust het verweer eveneens op een standpunt dat geen steun vindt in het recht. De zogenaamde Vidgen-jurisprudentie kan slechts leiden tot uitsluiting van het bewijs van een in het vooronderzoek afgelegde en de verdachte belastende verklaring van een getuige, indien deze getuige door de verdediging niet adequaat is kunnen worden ondervraagd en die belastende verklaring van de getuige voor het bewijs van beslissende betekenis is geweest, ofwel, anders gezegd, in onvoldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal. De Vidgen-jurisprudentie ziet dus niet op het uitsluiten van ander bewijsmateriaal dan belastende getuigenverklaringen. Het enkele feit dat het ontbreken van een adequate ondervragingsgelegenheid mogelijk mede te wijten is aan de lange duur van de strafprocedure, kan geen uitzondering op die regel in het leven roepen.

Ook overigens kan het verweer niet slagen. De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen – die worden bevestigd door het hof – behelzen geen door de medeverdachten afgelegde verklaringen die de verdachte rechtstreeks belasten ten aanzien van zijn betrokkenheid bij of rol in de ten laste gelegde criminele organisatie. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – van wie de rechtbank verklaringen heeft gebezigd tot het bewijs – hebben slechts verklaard over hun eigen rol binnen de organisatie. Hun verklaringen vinden bevestiging in de inhoud van de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, zodat hun verklaringen niet op zichzelf staan. Dat verdachte ook als deelnemer aan die organisatie en bovendien als leider daarvan kan worden aangemerkt, is door de rechtbank en het hof voornamelijk gestoeld op andere bewijsmiddelen, met name de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken waaraan verdachte heeft deelgenomen.

Het verweer faalt.

Voorts heeft de raadsvrouw – op gronden als verwoord in de pleitnota – betoogd dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. In de door de rechtbank tot het bewijs gebezigde telefoontaps komt volgens de raadsvrouw enkel naar voren dat verdachte informeert, adviseert en iemand maant tot voorzichtigheid, hetgeen hem nog geen betrokkene, laat staan leider van een criminele organisatie maakt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging, volgt dat [medeverdachte 3] de overige leden van de organisatie aanstuurde en dat zij verantwoording aan hem aflegden. Vastgesteld zal moeten worden of verdachte door middel van zijn contacten met [medeverdachte 3] leiding gaf aan de organisatie.

Ter beantwoording van de vraag of verdachte als leider van deze organisatie optrad, heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de navolgende, door de rechtbank tot het bewijs gebezigde telefoontaps.

Het telefoongesprek tussen verdachte (AP) en [medeverdachte 3] (AS) van

18 maart 2004 te 15.28.09 uur (pagina’s 3274 tot en met 3283 van het dossier), inhoudende, voor zover hier van belang:

AP: Wij moeten samen gaan zitten.

AS: Elke emmer is open geweest…

AP: Je moet niet confronterend tegen [betrokkene 1] praten. Hoe dan ook, wij zijn broers, begrijp je?

AS: Ja.

AP: Begrijp je wat ik nu zeg. Nu wij buiten zijn, moeten wij de rug tegen de rug praten (uitdrukking. Betekent: niet te confronterend/direct tegen de ander praten).

AS: ja.

AP: Nu dit probleem moet wij zelf binnenskamers regelen. Begrijp je wat ik bedoel?

AS: Mm.

AP: Wij moet niet iemand ander laten weten, dat bij ons zulke dingen gebeuren.

AS: Mm.

AP: Wij moeten samen gaan zitten en onderzoeken wie hier binnen dit heeft gedaan, of wie zulke dingen heeft uitgehaald. Als er iets is, wij moeten de deur dicht samen praten (uitdrukking: niet de vuile was buiten de deur hangen).

AS: Mmm.

AP: Als wij met elkaar gepraat hebben, moeten wij een beslissing nemen, dan praten wij nog met [betrokkene 2] .

AS: Waarom moeten wij met hem praten?

AP: Nu [betrokkene 2] wees naar [betrokkene 3] , maar [betrokkene 3] zegt dat zijn vrienden dat gedaan kunnen hebben.

AS: Mm.

AP: [betrokkene 3] is recht door recht aan (= direct). Mensen hebben hem bedrogen, hij vertrouwt mensen ook heel snel. Net als wij samen binnen een groep, begrijp je iedereen. Zoals wij samenwerken, weet je of het wel of niet goed gaat. Moet gewoon goed doen, geen gezichtsverlies lijden. Mensen kunnen denken, binnen ons groep kan goed resultaat verbouwen of niet. Als ze hun werk doen heb je wel resultaat of geen resultaat. Ze moeten wel hun verstand gebruiken. Ik ben Tai Loo, je helpend handen (= handlangers). De mensen zullen denken dat onze groep niet normaal de problemen kunnen oplossen.

AS: Mm.

AP: Hij moet niet aan de buitenwereld laten merken wat er binnen de groep speelt. Mensen zullen denken, wow, zijn groep is nu zeker dit of dat.... Begrijp je wat ik bedoel?

AS: (stem klinkt boos) Ik negeer hem al.

AP: Ja, dat weet ik, nu wil ik hem opvoeden. Begrijp je?

AP: Ik wil weten hoe wij het hier binnen gedaan hebben, ik ben nu teruggekomen, ik wil onderzoeken welke vergissing er is gemaakt.

AP: Eerst moet je niet praten. Laat hem eerst maar praten. Je moet jouw invloed niet laten merken.

AS: Mm

AP: Laat hem eerst praten. Daarna zeg je hem hoe het moet gebeuren, enz. Begrijp je?

AS: Ja.

AP: Ik wil dat deze dingen geregeld worden. Ik ken de problemen al, maar hij draait erom heen.

AS: Mm.

AP: Ik kan niet zeggen: [betrokkene 3] , je wilt elke keer geld erbij. Weet je met hoeveel mensen wij nu moeten delen?

AP: Ik wil weten wat er met onze samenwerking is gebeurd.

AP: Ik wil het nu goed regelen.

AP: Onze firma kan niet meer met jou samenwerken, als we nog samenwerken, moeten wij geld toevoegen.

AP: Ik wil dit probleem nu een keer met hem gaan bespreken.

AS: Mm.

AP: Straks maak je een afspraak, kijk wie met hem samen is.

AS: Ja.

AP: Om vijf uur kunnen wij samen komen zitten. Hoeven niet zoveel mensen bij te zijn…jij…ik en hem.

AP: Laat hem eerst zeggen dit of dat…tot hij genoeg heeft gezegd. Ok, Nu [bijnaam verdachte] hier, ik leg je uit hoe het was.

Het telefoongesprek tussen verdachte (AP) en [medeverdachte 3] (AS) van

28 september 2004 te 15.33.15 uur (pagina’s 5883 tot en met 5886 van het dossier), inhoudende, voor zover hier van belang:

AS: De jongens van [betrokkene 4] zijn bedreigd door….van twee groepen, [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , gaat over rode envelop.

AP: Jij moet vragen over wat voor soort vrienden. Tegenwoordig worden bergen en zee overgenomen door Wenzhou volk. Weet je dat ze geldleningen verstrekken van enorme bedragen? Ze hebben vijf of zes Turkse chauffeurs, er waren zeven of acht voertuigen in beslag genomen door hen. Jij moet hun ontwikkeling volgen…ben je op de hoogte?

AS: Dat weet ik niet.

AP: Vreemde neemt de leiding over. Deze groep komt misschien uit Italië, Frankrijk of Spanje. Ze hebben brein en ze zijn goed georganiseerd. Ze zijn Youbinshan (fon) en worden ontzettend hard. We weten niets over hun ontwikkeling. De Wenzhou volk neemt de geldlening over en andere lullen. Wat ze nu bezitten, kun je vergelijken met ons.

Jij moet nu een betrouwbare Wenzhou jongen sturen om informatie te verzamelen.

Misschien zijn ze nog niet aan het…mijn inschatting is gebaseerd op mijn info.

AP: Jij gaat meer informeren. Jij moet in eerste instantie de situatie van [betrokkene 4] meten.

AS: Ze zijn van binnen chaotisch.

AP: Als hij en de groep fuseert met Youbinshan, dan zijn wij uitgeschakeld. Ze kunnen mensen uit Italië, Frankrijk en Spanje laten komen en even afvuren.

AS: Hm…

AP: Daarom zeg ik dat ie 70% Wenzhou jongens in hun bezit hebben. Als wij 30% in ons bezit hebben, hoeven we niets te vrezen omdat wij ook Fuzhou jongens hebben. Nauwkeurige informaties zijn voor ons van groot belang.

AP: Jij moet een keer uittesten, dat als er iets gebeurd, hoeveel mannen kunnen ze laten komen. Gewoon doen alsof…begrijp je.

AS: Hm..

AP: Zo kunnen we zien hoe betrouwbaar zijn ze….maarr….houd het geheim, niet verklappen.

Het telefoongesprek tussen verdachte (AP) en [medeverdachte 3] (AS) van

28 september 2004 te 15.55.00 uur (pagina 5887 van het dossier), inhoudende, voor zover hier van belang:

AP: Jij nodigt hem uit en kijkt wat ie zegt. Als je hun probleem gaat oplossen, krijgen wij meer respect van beiden. Indien zij gaan botsen, hebben we niks gedaan, dan praat iedereen over ons, want men denkt dat die jongens horen tot ons.

AS: Hm…

AP: Jij moet sowieso de botsing niet laten gebeuren. Het mag absoluut niet, onze ledematen mogen niet ontbreken, een vinger of teen ontbreekt, doet zeer en is niet geheel, begrijp je wat ik hiermee bedoel.

AS: Hm..

AP: Met vrede van alle kanten kunnen we beter samen werken en geld verdienen. Wij staan er midden in, links is niet gehoorzaam, laat rechts het oplossen. Nu is de tijd om te testen wie gehoorzaam zijn.

Het telefoongesprek tussen verdachte (AP) en [medeverdachte 3] (AS) van

4 oktober 2004 te 17.31.07 uur (pagina’s 5901 tot en met 5903 van het dossier), inhoudende, voor zover hier van belang:

AP: Heb je de incident van [betrokkene 7] en diegene geregeld?

AS: Ik heb op die dag [betrokkene 4] gesproken…

AP: In de onderwereld moet je toch elkaar geen gezichtsverlies laten gaan.

AS: Hmm..

AP: Je zult in dit geval beiden moeten uitnodigen om te gaan eten op kosten van de Company. Beiden behouden hun trots en gezichten. Als bemiddelaar vooral in dit geval kunnen we niet permitteren dat een van de partij gewond is geraakt, want dat schaadt ons innerlijk, begrijp je?

Het hof voegt hier de navolgende bewijsmiddelen aan toe.

Het telefoongesprek tussen verdachte (AP) en [medeverdachte 3] (AS) van 18 maart 2004 te 13.49.18 uur (pagina’s 6872 tot en met 6874), inhoudende, voor zover hier van belang:

AP: Ik heb een paar dagen geleden de uitzending van tv 2 gezien, dat de stinkende mensen door de politie worden gefouilleerd.

AS: Ik heb ook gezien dat de politie met normale kleding aan, die kijkt of je er verdacht uitziet, dan gaan ze je fouilleren. Ik heb net het nieuws gezien.

AP: Nu onze rechterhand kwijt is, hebben wij weinig mensen, als niet belangrijk is, moeten ook niet in elke auto zo'n ding aanwezig hebben. Ik zeg het eerst tegen jou.

AS: Mmmm.

AP: Nu moet je dat ding niet bij jou op het lichaam dragen.

AS: M.

AP: Of dat ding verstop je ergens in je auto. Of het aan [betrokkene 8] geven, hun zijn misschien alleen verdacht.

AP: Nu tijdelijk bij [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en anderen die nog niets zijn overkomen. Dan mag dat ding bij hun daar achtergelaten worden.

AS: Ja.

AP: Zeker een of twee stuks moeten niet in dezelfde auto aanwezig zijn.

AS: Ja.

AP: [bijnaam medeverdachte 4] (het hof begrijpt: de medeverdachte bij de behandeling in eerste aanleg

[medeverdachte 4] ) heeft nog geen straf gehad. Wij geven dat ding niet aan hem. En aan [betrokkene 10] (fon) ook niet.

AS: Mmm.

AP: Wij moeten de mensen sorteren. Niet een goede appel samen met een rotte appel bij elkaar.

AS: Mmm.

AP: Willen wij dingen doen, moet we wel opletten, niet als er een gepakt wordt, de tweede moet praten, straks raken we iedereen kwijt.

AS: Ja, ja.

AP: Wij moeten zout water toevoegen, aansterken.

AP: Zoals [bijnaam medeverdachte 5] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5] ) heeft wel een straf gehad, die kan het niet doen.

AS: Ja, ja.

AP: Net als [betrokkene 11] , neemt dezelfde gun.

AS: Mm.

AP: [bijnaam medeverdachte 4] (het hof begrijpt: de medeverdachte bij de behandeling in eerste aanleg

[medeverdachte 4] ) hem moeten wij protect.

AS: Mm.

Het telefoongesprek waarbij verdachte wordt gebeld door [betrokkene 12] van 26 maart 2004 te 16.22.31 uur (pagina’s 3369 en 3370), inhoudende, voor zover hier van belang:

[bijnaam verdachte] : Als een van mij jongens hem stoort, dan is’t teveel voor hem, ja toch.

[betrokkene 12] : Dat is waar.

[bijnaam verdachte] : Hij moet gaan bidden dat hij beschermd wordt door onze kant.

[bijnaam verdachte] : Als wij geen regels noemen, denkt hij alsof dat het zo hoort. Heb je’t niet gehoord in de tempel, dat ik niet wilde dat [betrokkene 13] komt. Hij ging meteen naar buiten. Hij moet beseffen dat hij een restaurant heeft, hij betaalt belasting, maar in feite staat hij niet op het rechte pad. Wij hebben geen regels voor hem vastgesteld. Op de lange duur gaat hij te ver. Hij is te loslippig.

[bijnaam verdachte] : Hij moet wakker worden, hij kent zijn eigen situatie niet.

[betrokkene 12] : Ik neem aan dat hij heel snel met je contact zal nemen.

[bijnaam verdachte] : Dadelijk vraagt ie jou om met mij contact te nemen, dan moet je hem zeggen dat het om meerdere dingen gaat.

Ik beschuldig niemand, ik straf wel iemand. Als ik wil, neem ik mijn pistool mee. Er zijn ups en downs voor ons allemaal, zowel goede en slechte tijden. Ik ben oud, ik hoor eigenlijk te gaan genieten van het leven. Maar de jongens zijn nog niet rijp genoeg. Ondanks dat 't slecht gaat blijf ik geld erin pompen. In de hoop dat ze rijp zijn om over te nemen.

Op grond van vorenstaande tapgesprekken, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, ook met de overige bewijsmiddelen, is voor het hof komen vast te staan dat verdachte niet alleen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, maar ook dat hij hierbij als leider heeft opgetreden.

Het verweer faalt.

Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn overweegt het hof ambtshalve het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijk termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank – kort en zakelijk weergegeven – in eerste aanleg reeds het navolgende overwogen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang heeft genomen op 6 juni (het hof begrijpt juli) 2005, de dag waarop verdachte in verzekering werd gesteld. De rechtbank heeft, in aanmerking nemende de aard en ernst van de tegen verdachte naar voren gebrachte beschuldigingen, de betrokkenheid van het grote aantal verdachten daarbij, de tijdens het onderzoek door de meeste verdachten ingenomen proceshouding alsmede de namens de verdachten successievelijk naar voren gebrachte onderzoekwensen en de voor vervulling daarvan benodigde tijd, bepaald dat het tijdsverloop tot aan de laatste verhoren (februari 2008) niet als onredelijk kan worden gekwalificeerd.

Voorts overweegt de rechtbank dat zij in de stukken geen bevredigende verklaring heeft kunnen vinden waarom eerst in mei 2009 de strafzaak tegen verdachte (en zijn medeverdachten) inhoudelijk werd behandeld. Nu het (eerste) eindvonnis in deze zaak is gewezen op 23 juli 2009 komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van (bijna) 11 maanden.

Ten aanzien van het procesverloop in hoger beroep is de rechtbank van oordeel dat – mede gelet op de proceshouding van de verdediging – van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is.

Tot slot overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat het tijdsverloop van de procedure bij de rechtbank na terugwijzing door dit hof, onredelijk lang heeft geduurd, te weten een jaar en 10 maanden. Hoewel dit formeel geen overschrijding van de redelijke termijn oplevert, is de rechtbank van oordeel dat de inhoudelijke behandeling en afdoening van de zaak in 2012 mogelijk moet zijn geweest, mede omdat er geen onderzoekhandelingen meer behoefden te worden verricht, hetgeen volgens de rechtbank leidt tot de vaststelling dat gezien het feitelijk verloop sprake is van een overschrijding met 11 maanden.

Resumerend komt de rechtbank tot het oordeel dat de redelijke termijn met een periode van 22 maanden is overschreden en verbindt aan deze constatering tevens gevolgen voor wat betreft de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf in die zin dat een korting wordt toegepast van 12 maanden en verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Nu namens verdachte op 25 november 2013 appel is ingesteld en het hof meer dan 2 jaren later, te weten op 17 februari 2017 in deze zaak uitspraak zal doen, is ook de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep geschonden en wel met een periode van een jaar en 3 maanden.

Gelet echter op de forse strafkorting die de rechtbank heeft toegepast naar aanleiding van de schending van de redelijke termijn, is het hof van oordeel dat thans kan worden volstaan met de enkele constatering hiervan en ziet het geen aanleiding om nog verder te compenseren in de opgelegde straf.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. P.T. Gründemann en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters en mr. S.J.F. Heirman, griffiers,

en op 17 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.