Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:979

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
20-003833-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

RAPTUS - Het hof bevestigt het beroepen vonnis waarbij verdachte ter zake van deelneming aan een criminele organisatie, het opzettelijk aanwezig hebben van 25 kilo XTC tabletten (bevattende MDMA) en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 9 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003833-13

Uitspraak : 17 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 22 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-991611-05 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van, kort weergegeven:

 deelneming aan een criminele organisatie (feit 1);

 opzettelijk aanwezig hebben van 25 kilo XTC tabletten (bevattende MDMA) (feit 2);

 voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (feit 3)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 9 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Procesverloop

Op 4 oktober 2005 is ter terechtzitting in eerste aanleg bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch het strafproces tegen verdachte aangevangen. Bij vonnis van 23 juli 2009 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.

Bij akte beroep d.d. 23 juli 2009 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

De strafprocedure tegen verdachte in hoger beroep is bij dit hof ter terechtzitting van

15 september 2009 aangevangen. Bij arrest van 23 januari 2012 heeft dit hof voormeld vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank, ten einde deze op de bestaande tenlastelegging te berechten en af te doen.

Op 25 september 2012 is de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant aangevangen met de behandeling van onderhavige strafzaak. Op 22 november 2013 heeft de rechtbank vonnis gewezen, zoals weergegeven onder het kopje “hoger beroep”.

Namens verdachte is bij akte beroep d.d. 26 november 2013 appel ingesteld tegen dit vonnis.

Ter terechtzitting van 18 januari 2016 is de behandeling van onderhavige strafzaak in hoger beroep aangevangen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust.

Naar aanleiding van de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijk termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank – kort en zakelijk weergegeven – in eerste aanleg reeds het navolgende overwogen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang heeft genomen op 21 juni 2005, de dag waarop verdachte in verzekering werd gesteld. De rechtbank heeft, in aanmerking nemende de aard en ernst van de tegen verdachte naar voren gebrachte beschuldigingen, de betrokkenheid van het grote aantal verdachten daarbij, de tijdens het onderzoek door de meeste verdachten ingenomen proceshouding alsmede de namens de verdachten successievelijk naar voren gebrachte onderzoekwensen en de voor vervulling daarvan benodigde tijd, bepaald dat het tijdsverloop tot aan de laatste verhoren (februari 2008) niet als onredelijk kan worden gekwalificeerd.

Voorts overweegt de rechtbank dat zij in de stukken geen bevredigende verklaring heeft kunnen vinden waarom eerst in mei 2009 de strafzaak tegen verdachte (en zijn medeverdachten) inhoudelijk werd behandeld. Nu het (eerste) eindvonnis in deze zaak is gewezen op 23 juli 2009 komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van (bijna) 11 maanden.

Ten aanzien van het procesverloop in hoger beroep is de rechtbank van oordeel dat – mede gelet op de proceshouding van de verdediging – van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is.

Tot slot overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat het tijdsverloop van de procedure bij de rechtbank na terugwijzing door dit hof, onredelijk lang heeft geduurd, te weten een jaar en 10 maanden. Hoewel dit formeel geen overschrijding van de redelijke termijn oplevert, is de rechtbank van oordeel dat de inhoudelijke behandeling en afdoening van de zaak in 2012 mogelijk moet zijn geweest, mede omdat er geen onderzoekhandelingen meer behoefden te worden verricht, hetgeen volgens de rechtbank leidt tot de vaststelling dat gezien het feitelijk verloop sprake is van een overschrijding met 11 maanden.

Resumerend komt de rechtbank tot het oordeel dat de redelijke termijn met een periode van 22 maanden is overschreden en verbindt aan deze constatering tevens gevolgen voor wat betreft de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf in die zin dat een korting wordt toegepast van 12 maanden en verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 9 maanden.

Nu namens verdachte op 26 november 2013 appel is ingesteld en het hof meer dan 2 jaren later, te weten op 17 februari 2017 in deze zaak uitspraak zal doen, is ook de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep geschonden en wel met een periode van een jaar en 3 maanden.

Gelet echter op de forse strafkorting die de rechtbank heeft toegepast naar aanleiding van de schending van de redelijke termijn, is het hof van oordeel dat thans kan worden volstaan met de enkele constatering hiervan en ziet het geen aanleiding om nog verder te compenseren in de opgelegde straf.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. P.T. Gründemann en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters en mr. S.J.F. Heirman, griffiers,

en op 17 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.