Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:970

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
200.206.109_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 349a Fw jo artikel 350 lid 3 aanhef en sub f (FW): appellanten hebben voldoende gemotiveerd aangegeven, op welke wijze zij de ontstane boedelachterstand gedurende een door hof te verlengen looptijd van de wettelijke schuldsanering denken in te kunnen lopen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 349a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 9 maart 2017

Zaaknummer : 200.206.109/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/02/14/174 R en C/02/14/175 R

in de zaak in hoger beroep van:

1 [appellant 1] ,

2. [appellante 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellante 2]

advocaat: mr. J.M. Veldman te Breda.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 20 december 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2016, hebben [appellant 1] en [appellante 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, naar het hof begrijpt, de toepassing van de schuldsaneringsregeling voort te zetten en eventueel te verlengen.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken, heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 maart 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant 1] en [appellante 2] , bijgestaan door mr. Veldman.

  • -

    de heer [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 6 december 2016;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 6 januari 2017;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 18 januari 2017;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 20 februari 2017;

- de ter zitting in hoger beroep met toestemming van dit hof door de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] overgelegde stukken, te weten een brief van mevrouw [klantmanager bij de Kredietbank West-Brabant] , klantmanager bij de Kredietbank West-Brabant, d.d. 7 februari 2017 met als bijlagen onder meer de door [appellant 1] en [appellante 2] op 14 februari 2017 ondertekende overeenkomst tot budgetbeheer.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnissen van 6 februari 2014 is ten aanzien van [appellant 1] en [appellante 2] , die met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c f Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 20 oktober 2016 tussentijds beëindigd, nu [appellant 1] en [appellante 2] een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen of door hun doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmeren dan wel frustreren.

Aangezien er baten beschikbaar zijn om daaruit de vorderingen op hen geheel of gedeeltelijk te voldoen, verkeren [appellant 1] en [appellante 2] van rechtswege in staat van faillissement zodra het vonnis (waarvan thans hoger beroep) in kracht van gewijsde is gegaan.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

De rechtbank stelt vast dat [appellant 1] en [appellante 2] een boedelachterstand hebben laten ontstaan

van € 7.613,40. Weliswaar hebben [appellant 1] en [appellante 2] verzocht om verlenging van de regelingen om alsnog de boedelachterstand in te lopen, maar de rechtbank zal hiertoe niet overgaan. De bewindvoerder heeft schuldenaren immers meerdere malen op de boedelachterstand gewezen, waarop zij niet hebben gereageerd. Ook ter zitting hebben [appellant 1] en [appellante 2] geen concreet aflossingsplan overgelegd, ondanks dat de bewindvoerder hen daar diverse keren om heeft verzocht. Derhalve is onvoldoende inzichtelijk of [appellant 1] en [appellante 2] tijdens een verlenging de boedelachterstand daadwerkelijk zouden kunnen inlopen.

3.4.

[appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij hiervan ieder voor zich in hoger beroep gekomen. [appellant 1] en [appellante 2] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellant 1] en [appellante 2] betwisten de boedelachterstand niet en zijn op dit moment - 23 december 2016 - de eerste stappen aan het zetten om hulp te krijgen bij het regelen en ordenen van hun financiën. Zij zullen hiertoe contact opnemen met de Gemeente Breda om de mogelijkheden van budgetbeheer te bespreken. [appellant 1] en [appellante 2] hebben tevens aangegeven een concreet aflossingsplan op te willen stellen. Met een verlenging van de schuldsaneringsregeling kunnen zij de ontstane boedelachterstand inlopen, zo stellen [appellant 1] en [appellante 2] .

[appellant 1] en [appellante 2] waren in de periode van oktober /november 2016 enigszins uit het veld geslagen vanwege medische persoonlijke omstandigheden. De heer [appellant 1] heeft twee keer een hartinfarct gehad en daartoe enkele opnames in het ziekenhuis moeten ondergaan. Het voorgaande neemt niet weg dat [appellant 1] en [appellante 2] zich niettemin aan de verplichtingen die voortvloeien uit de WSNP behoefden te houden, maar het verklaart wel waarom zij enigszins 'afwezig' waren in deze periode.

3.5.

De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij kan instemmen met een eventuele verlenging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant 1] en [appellante 2] .

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [appellant 1] en [appellante 2] voldoende gemotiveerd aangegeven, op welke wijze zij de ontstane boedelachterstand gedurende een door hof te verlengen looptijd van de wettelijke schuldsanering denken in te kunnen lopen. Daartoe hebben zij het hof een tweetal varianten voorgehouden. Beide varianten leiden er per saldo toe dat de, blijkens de brief van de bewindvoerder van die datum, op 20 februari 2017 bestaande boedelachterstand van (op dat moment) € 7.784,93 , als tijdens de behandeling in hoger beroep naar boven bijgesteld tot € 8.940,26 (op basis van de gegevens als verstrekt tot en met januari 2017) gedurende een materiële looptijd van maximaal vijf jaar, derhalve met een verlenging van twee jaar waarin uitsluitend het bewindvoerderssalaris verschuldigd zal zijn (vermeerderd met btw), kan worden ingelopen.

De bewindvoerder heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, dat met het door [appellant 1] en [appellante 2] voorgestelde plan van aanpak het in beginsel mogelijk moet zijn om de boedelachterstand (als thans becijferd) in te lopen gedurende een verlenging van de wettelijke schuldsanering als hierboven bedoeld. Dit, mede in combinatie met de omstandigheid dat [appellant 1] en [appellante 2] thans onder budgetbeheer staan, maakt dat de bewindvoerder niet langer van oordeel is dat de ontstane boedelachterstand zoals op dit moment bekend aan een verlenging van de wettelijke schuldsanering van zowel [appellant 1] als [appellante 2] in de weg behoort te staan.

3.6.2.

Al het voorgaande in combinatie met de omstandigheid dat betrokkenen na het vonnis waarvan beroep 2 x € 1000,-- naar de boedelafrekening hebben overgemaakt ter vermindering van de boedelachterstand leidt er dan ook toe dat het hof voldoende termen aanwezig acht om de materiële looptijd van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van zowel [appellant 1] als [appellante 2] te verlengen met de maximale termijn van twee jaar of zoveel eerder als de ontstane boedelachterstand door [appellant 1] en [appellante 2] integraal zal zijn ingelost. Dit ook onder de bepaling dat tijdens de verlenging alle overige uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen niet langer op [appellant 1] en [appellante 2] van toepassing zijn en zij zich derhalve uitsluitend dienen te houden aan de afdrachtverplichting teneinde de ontstane boedelachterstand volledig gedurende de verlengde termijn van de wettelijke schuldsanering in te lopen.

3.6.3.

Het hof overweegt echter ook nog het volgende.

3.6.4.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is aan de hand van de verklaringen van [appellant 1] en de bewindvoerder gebleken dat, naar het zich op dit moment laat aanzien, de oorzaak van de boedelachterstand kennelijk is gelegen in de omstandigheid dat [appellant 1] buiten medeweten van de bewindvoerder en de rechter-commissaris een arbeidsovereenkomst was aangegaan met een bedrijf dat zich bezighield met de verkoop van internetadvertenties. Volgens [appellant 1] wilde hij met dit bijbaantje extra gelden genereren om zoveel mogelijk te kunnen aflossen op de schulden. De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het (hem bij gebrek aan verstrekte informatie onvoldoende bekende) bedrijf waarmee [appellant 1] klaarblijkelijk een overeenkomst had gesloten telkens kleine bedragen op de betaalrekening van [appellant 1] en [appellante 2] inhield. [appellant 1] heeft daarop verklaard dat het bedrijf telkens, zonder dat hij dat van tevoren wist, de telefoonkosten van de telefonische acquisitie voor de verkoop van internetadvertenties bij hem in rekening bracht.

3.6.5.

Het hof is van oordeel dat zodra de bewindvoerder een inventarisatie heeft gemaakt van het totaalbedrag aan ingehouden telefoonkosten van de betaalrekening van [appellant 1] en [appellante 2] enerzijds en door [appellant 1] en [appellante 2] ontvangen vergoedingen – er is door tijdens de behandeling in eerste aanleg door [appellant 1] gesproken over een vergoeding van in totaal € 2.400,= - anderzijds, en nadat en indien de rechter-commissaris vervolgens heeft beslist dat een eventueel positief saldo ter zake deze bedragen alsnog ten goede zal dienen te komen van de boedel, [appellant 1] en [appellante 2] tijdens de verlenging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ook het positief saldo van deze bedragen, als ‘nog te blijken boedelachterstand’ naast de hierboven door de bewindvoerder becijferde boedelachterstand, aan de boedel dienen te voldoen.

3.6.6.

Verder dienen [appellant 1] en [appellante 2] de bewindvoerder en, in voorkomend geval, ook de rechter-commissaris alsnog voldoende inzicht te verschaffen over de gestelde gang van zaken met betrekking tot het bedrijf dat zich bezighield met de verkoop van internetadvertenties, mede waardoor inzichtelijk wordt wat de reden was van het inhouden door dit bedrijf van kleine bedragen op de rekening althans wat de reden is van de vreemde mutaties op de bankafschriften van [appellant 1] en [appellante 2] (zie reeds het proces-verbaal van eerste aanleg d.d. 6 december 2016, blz. 1). Dit inzicht heeft [appellant 1] noch [appellante 2] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep kunnen verschaffen.

3.6.7.

Met betrekking tot de verlenging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant 1] en [appellante 2] geldt dat, in het licht van enerzijds artikel 349a Fw en anderzijds de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2935), de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant 1] en [appellante 2] op een juiste wijze moet worden verlengd. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad daarover als volgt overwogen:
“ 3.6.2. De in de tweede afdeling van titel III Fw voorziene gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling treden op vanaf het moment waarop de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling onherroepelijk is geworden. Het vorenstaande brengt mee dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling”.

Nu een verlenging van (maximaal) twee jaar is geïndiceerd, zal de verlenging thans - gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw - duren tot 18 maart 2019, nu in de periode van 6 februari 2017 tot en met 17 maart 2017 gezien de uitspraak van de Hoge Raad de verplichtingen uit hoofde van afdeling II van de derde titel van de Faillissementswet voor Van Broekhoven in ieder geval niet hebben gegolden. Het hof zal aldus de thans aan de orde zijnde einddatum bepalen.

3.7.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van:

1 [appellant 1] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1957,

en:

2 [appellante 2] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1956;

verlengt de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling met (maximaal) twee jaar, derhalve tot en met uiterlijk 17 maart 2019, of zoveel eerder als de ontstane, vermeerderd met eventueel nog te blijken boedelachterstand door [appellant 1] en [appellante 2] integraal zal zijn ingelost;

verstaat dat de uit de schuldsaneringsregeling op [appellant 1] en [appellante 2] rustende verplichting om op de ontstane boedelachterstand in te lossen herleeft vanaf de datum dat dit arrest in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, derhalve vanaf 18 maart 2017;

bepaalt dat gedurende de verlengde termijn van de wettelijke schuldsanering op [appellant 1] en [appellante 2] enkel nog de verplichting rust de boedelachterstand vόόr uiterlijk 18 maart 2019 in zijn geheel af te lossen, naast maandelijkse betaling van het verschuldigde bewindvoerderssalaris vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting zolang de verlenging voortduurt;

verstaat dat [appellant 1] en [appellante 2] aan de bewindvoerder en, in voorkomend geval, de rechter-commissaris alsnog (afdoende) inlichtingen verstrekken zoals bedoeld in r.o. 3.6.6. van dit arrest;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, R.R.M. de Moor en J.J. Minnaar en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.