Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:928

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
200.171.824_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2016 ECLI:NL:GHSHE:2016:2825. Bewijs niet geleverd maar mede naar aanleiding van nader overgelegde stukken (niet in strijd met twee-conclusie-regel noch met een goede procesorde) gelast het hof een comparitie van partijen, tegelijk met de samenhangende vrijwaringsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.171.824/01

arrest van 7 maart 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante]
beiden wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten,

hierna: [appellanten] ,

advocaat: mr. G.F. van den Berg te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.P.M.M. Heijkant te Dongen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 juli 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01262757/HAZA 13-341 gewezen vonnis van 4 maart 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 12 juli 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 9 november 2016;

  • -

    de memorie na enquête (aangeduid als antwoordconclusie na enquête) van 13 december 2016 met producties;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van 10 januari 2017.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.1.

Het hof roept in herinnering dat het hier gaat om een vordering van [appellanten] op [geïntimeerde] , de gewezen partner van hun dochter, [dochter] . [appellanten] hebben aan hun vordering een door hen aan [geïntimeerde] en aan [dochter] verstrekte geldlening ten grondslag gelegd. De geldlening is nader aangeduid in rov. 3.1.4 van het tussenarrest d.d. 12 juli 2016.

[geïntimeerde] heeft een vrijwaringsprocedure tegen [dochter] aanhangig gemaakt, waarin eveneens hoger beroep is ingesteld. Die procedure is bij dit hof aanhangig onder nummer 200.176.767/01.

6.1.2.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat hij met [appellanten] en [dochter] is overeengekomen dat de uit de geldlening voortvloeiende restantschuld evenals de daarop betrekking hebbende rentebetalingen enkel (nog) voor rekening van [dochter] komen.

6.1.3.

In de vrijwaringsprocedure is aan [geïntimeerde] eenzelfde bewijsopdracht gegeven. Ten aanzien van de onderhavige hoofdzaak en de vrijwaringsprocedure heeft een rolvoeging plaatsgevonden.

6.1.4.

[geïntimeerde] heeft zichzelf, [appellanten] en [dochter] doen horen. (De verklaringen van deze getuigen zijn ook in de vrijwaringsprocedure afgelegd.)

6.1.5.

De getuigen hebben onder meer het volgende verklaard.

[geïntimeerde] :

(…) Toen zijn we gaan kijken in [plaats 1] samen met de ouders van [dochter] . Zij hebben ons toen financiële hulp aangeboden. Bij de notaris in België is geld gestort. Dat was het geld dat de ouders van [dochter] aan ons, dus aan [dochter] en aan mijzelf, leenden. Het ging hier om een bedrag in de orde van grootte van 250.000 euro. [dochter] had een eigen woning in de [plaats 2] ( [plaats 2] ). In deze woning in de [plaats 2] zat eigen geld van [dochter] van zo’n 200.000 euro. De vader van [dochter] wilde het pand in de [plaats 2] graag in eigen eigendom verwerven, omdat hij dacht dat dat in waarde zou gaan stijgen. De vader van [dochter] heeft het pand van [dochter] in de [plaats 2] in eigendom gekregen. In ruil voor het eigen geld dat [dochter] in dat pand had zitten, hebben de ouders van [dochter] ons beiden een geldlening verstrekt in de orde van grootte van 250.000 euro. Als zekerheid hebben de ouders in overleg met de notaris of hun boekhouder een tweede hypotheek op de boerderij in [plaats 1] gekregen. In wezen ging het hier dus om het eigen geld van [dochter] dat van de woning in de [plaats 2] verhuisde naar de boerderij in [plaats 1] .

Met [dochter] en haar ouders zijn nooit afspraken gemaakt met betrekking tot de uit de geldlening voortvloeiende restantschuld en de rentebetalingen die daarop betrekking hebben. Ik heb het nu dus over de geldlening vanwege de boerderij in [plaats 1] . Achteraf zeg ik, hadden we die afspraken maar gemaakt, dan wisten we waar we aan toe waren. U vraagt mij waarom ik vind dat de restantschuld en de daarop betrekkende rentebetalingen enkel nog voor de rekening van [dochter] komen. Ik antwoord daarop dat ik dat vind omdat ik met de bank afspraken heb gemaakt. Deze afspraken zien op een overbruggingskrediet en een hypotheek met betrekking tot mijn woning aan de Hoge Ham in [woonplaats 2] . Dit overbruggingskrediet en deze hypotheek (…) staan op naam van [dochter] en mijzelf. (…) Op grond van de afspraken die ik met de bank heb gemaakt betaal ik iedere maand meer dan 1000 euro aan de bank. (…).

De vader van [dochter] heeft haar woning in de [plaats 2] gekocht. Daar ga ik ten minste vanuit. Bij mijn weten is er in het kader van deze koopovereenkomst nooit door de vader van [dochter] een koopsom aan [dochter] betaald. Daarop ziet dus de geldlening voor de boerderij in [plaats 1] en de tweede hypotheek. (…)

[appellant] :

(…) U vraagt mij of de heer [geïntimeerde] met mijn vrouw en mij en met [dochter] is overeengekomen dat de uit de geldlening voortvloeiende restantschuld en de daarop betrekking hebbende rentebetalingen enkel nog voor rekening van [dochter] zouden komen. Ik antwoord daarop dat met mij helemaal niets is afgesproken. Mijn vrouw en ik hebben meer kinderen. Als we iets hadden afgesproken, dan zouden we het op papier hebben gezet bij een notaris of accountant. Dat is niet gebeurd.

[dochter] en de heer [geïntimeerde] hadden een huis met bijgebouwen in [plaats 1] op het oog en konden de aankoop bij de bank niet gefinancierd krijgen. Toen zijn zij bij ons geweest. Mijn vrouw en ik zijn vervolgens samen met [dochter] en met [geïntimeerde] bij het pand in [plaats 1] gaan kijken en toen heb ik gezegd: ik wil wel helpen. Daarmee bedoel ik dus samen met mijn vrouw. Het ging erom dat mijn vrouw en ik [dochter] en [geïntimeerde] financieel wilden helpen. We hebben toen de geldlening afgesproken. Het ging hier om een bedrag van de orde van grote van 250.000 euro. Als zekerheid zou er een tweede hypotheek worden verstrekt. U vraagt mij hoe het zat met de woning in de [plaats 2] . (…) Voor de aankoop van de woning in de [plaats 2] heeft [dochter] geld geleend van mijn vrouw en mij. (…)

Er is niets afgelost op de lening die wij hebben verstrekt voor de aankoop van de woning in [plaats 1] . Er is ook nooit rente betaald. Ook voor de woning in de [plaats 2] heeft [dochter] geen rente betaald.

[appellante] :

(…) U vraagt mij of mijn man en ik met [dochter] en met [geïntimeerde] hebben afgesproken dat de uit de geldlening voortkomende restantschuld en de rentebetalingen die daarop betrekking hebben enkel nog voor rekening van [dochter] zouden komen. Ik antwoord daarop dat wij zo iets niet met elkaar hebben afgesproken.

(…) De woning in de [plaats 2] stond aanvankelijk op naam van [dochter] . Dat was ook nog zo toen wij de lening voor de aankoop van de woning in [plaats 1] verstrekten. Daarna, dat was nadat de relatie tussen [dochter] en [geïntimeerde] was verbroken, is de woning in de [plaats 2] op naam gekomen van mijn man en mij.

(…) Toen [dochter] , ik meen in 2007, de woning in de [plaats 2] wilde kopen, hebben wij haar 220.000 euro geleend. Er is toen aan ons door [dochter] geen hypothecaire zekerheid verstrekt. [dochter] heeft toen wel rente aan ons betaald. (…) [dochter] had iets meer dan een ton aan eigen geld in die woning zitten. Toen de woning in de [plaats 2] door ons van [dochter] werd gekocht en op onze naam werd gezet hebben wij niets aan [dochter] betaald. De ton die [dochter] aan eigen geld in de woning aan de [plaats 2] had zitten staat los van het bedrag dat wij aan [dochter] en [geïntimeerde] hebben geleend voor het huis in [plaats 1] . Toen in 2009 de relatie tussen [dochter] en haar vorige partner werd beëindigd, kon zij geen rente meer aan ons betalen. Dat heeft zij nadien ook niet meer gedaan. Op die manier heeft zij een renteschuld naar ons toe opgebouwd. De ton die [dochter] aan eigen geld had zitten in de [plaats 2] viel als het ware weg tegen deze renteschuld die ze aan ons had. [dochter] woont nog steeds in de [plaats 2] en ze heeft nooit rente betaald. We hebben het dan over de rente voor de geldlening voor de aankoop van die woning.

(…) De geldlening die wij hadden verstrekt voor de woning aan de [plaats 2] bedroeg een bedrag van 220.000 euro. Deze geldlening staat volledig los van de geldlening die wij hebben verstrekt voor de aankoop van de woning in [plaats 1] . Die geldlening betrof een bedrag van 250.000 euro. In april 2011 heb ik een bedrag van 255.000 euro overgemaakt naar de notaris in België. Ik heb dus iets meer overgemaakt dan de 250.000 euro, dit in verband met kosten van de Belgische notaris. (…) De woning aan de [plaats 2] hebben wij voor de taxatiewaarde gekocht. Dit is met gesloten beurzen gegaan, omdat er al een groot deel van ons eigen geld in zat. (…) Toen mijn man en ik de woning aan de [plaats 2] in eigendom verwierven, is daarmee de lening aan [dochter] van 220.000 euro afgelost. De restantschuld van de lening vanwege [plaats 1] ter grootte van 250.000 euro staat nog steeds.

[dochter] :

(…) U vraagt mij of [geïntimeerde] met mijn ouders en met mij is overeengekomen dat de uit de geldlening voortvloeiende restantschuld en de rentebetalingen die daarop betrekking hebben, enkel nog voor mijn rekening zouden komen. Ik antwoord daarop dat zo iets dergelijks nooit is afgesproken. (…)

U vraagt mij naar de woning in de [plaats 2] . Ik woon daar nog steeds. Deze woning stond aanvankelijk op mijn naam, maar staat nu op naam van mijn ouders. (…) Voor de aankoop van de woning in de [plaats 2] had ik van mijn ouders een bedrag geleend. Dit bedrag staat los van het bedrag dat mijn ouders aan [geïntimeerde] en mij hadden geleend toen we de woning in [plaats 1] kochten. (…) Ik weet niet hoeveel eigen middelen ik heb ingebracht bij de aankoop van mijn woning aan de [plaats 2] . (…) In mijn verklaring bij de rechtbank staat dat ik met de overdracht van de woning aan de [plaats 2] aan mijn ouders ook eigen middelen inbracht. Ik weet echt niet meer wat daarmee wordt bedoeld. (…)

De lening wat betreft het pand aan de [plaats 2] is aan mij verstrekt. De lening voor [plaats 1] is aan ons beiden verstrekt. (…)

6.1.6.

In zijn na de getuigenverhoren genomen memorie heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de geldlening niet aan hem en aan [dochter] is verstrekt maar alleen aan [dochter] .

[geïntimeerde] heeft afschriften van twee in het Kadaster ingeschreven aktes overgelegd. Het eerste betreft een afschrift van een hypotheekakte van 31 maart 2011, opgemaakt door notaris [notaris 1] te [plaats 3] , waarbij [dochter] ten behoeve van [appellanten] een hypotheek heeft gevestigd op een door haar op 3 mei 2007 in eigendom verkregen boerderij in [plaats 2] (hof: aan de [adres 2] ; de getuigen spreken in dit verband over “de woning in de [plaats 2]”), tot zekerheid voor de (terug)betaling van een door [appellanten] op 3 mei 2007 aan [dochter] verstrekte geldlening (voor de verkrijging van de boerderij in [plaats 2] ) van € 220.000,--, alsmede van een op 31 maart 2011 door [appellanten] aan [dochter] verstrekte geldlening van € 250.000,-- voor de verkrijging van de woning in [plaats 1] , totaal dus € 470.000,--, tegen 3 % rente per jaar, ingaande op 1 mei 2011. In de akte is voorts opgenomen dat ten behoeve van [appellanten] eveneens zekerheid zal worden verstrekt op de woning in [plaats 1] .

Het tweede afschrift betreft een leveringsakte van 26 augustus 2011, opgemaakt door genoemde notaris, waarbij [dochter] (als verkoper) aan [appellanten] (als koper) de boerderij in [plaats 2] (“de woning in de [plaats 2]”) levert voor een bedrag van

€ 380.000,--. De akte vermeldt tevens dat de koopprijs is voldaan door verrekening met een gedeelte van een vordering uit geldlening, zoals vastgelegd in de hiervoor genoemde akte van 31 maart 2011.

[geïntimeerde] heeft er verder op gewezen dat getuige [appellante] heeft verklaard dat [dochter] in de boerderij in [plaats 2] (de woning aan de [adres 2] ) € 100.000,-- aan eigen geld had zitten en dat [appellanten] bij de overdracht van deze woning door [dochter] aan hen, niets aan [dochter] hebben betaald.

[geïntimeerde] heeft betoogd dat hierdoor het volledige bedrag van de geldlening aan [appellanten] is voldaan en dat, zou [geïntimeerde] nog enig bedrag aan [appellanten] verschuldigd zijn, [appellanten] overgecompenseerd zouden worden, ook omdat de WOZ-waarde van de boerderij in [plaats 2] , zonder het bijbehorende perceel landbouwgrond, op peildatum 1 januari 2015 is vastgesteld op € 395.000,--. Het hof leidt uit hetgeen [geïntimeerde] onder randnummer 5 van zijn memorie na enquête aanvoert af dat hij stelt dat de geldlening van in totaal € 470.000,-- feitelijk geheel aan [appellanten] is afgelost namelijk uit de betaling van € 380.000,-- voor de boerderij in [plaats 2] en de € 100.000,-- eigen geld van [dochter] die in die woning zat.

[geïntimeerde] concludeert dat hij heeft bewezen dat hij met [appellanten] en [dochter] is overeengekomen dat de uit de geldlening voortvloeiende restantschuld evenals de daarop betrekking hebbende rentebetalingen enkel (nog) voor rekening van [dochter] komen, althans dat [appellanten] en [dochter] niets meer van [geïntimeerde] te vorderen hebben.

6.1.7.

[appellanten] hebben, samengevat, het volgende betoogd. [geïntimeerde] neem steeds wisselende standpunten in. [geïntimeerde] heeft eerder in de procedure uitdrukkelijk erkend dat de geldlening ook aan hem is verstrekt. Op die gerechtelijke erkentenis kan [geïntimeerde] niet terugkomen. Verder is hetgeen [geïntimeerde] na de getuigenverhoren heeft aangevoerd in strijd met de twee-conclusie-regel en in ieder geval in strijd met een goede procesorde. Daarom moet aan het gestelde in dat laatste processtuk voorbij worden gegaan. Subsidiair hebben [appellanten] betoogd dat met de aankoop door [appellanten] van de boerderij in [plaats 2] slechts de lening van € 220.000,-- is afgelost en niet ook de lening van € 250.00,--. Volgens [appellanten] is met de resterende koopsom (hof: kennelijk doelen [appellanten] op het verschil tussen de koopprijs van € 380.000,-- en de lening van € 220.000,--) de vanaf 2009 door [dochter] opgebouwde renteschuld (over het geleende bedrag van € 220.000,--) voldaan en verder allerlei uitgaven die [appellanten] ten behoeve van [dochter] hadden voldaan, zoals boodschappen en de aanschaf van een auto. Ook worden de door [dochter] verschuldigde huurpenningen (hof: kennelijk is bedoeld ten behoeve van het voortgezet gebruik door [dochter] van de boerderij in [plaats 2] ) hiermee afgedekt, aldus [appellanten] Zij concluderen dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs.

6.2.1.

Het hof oordeelt als volgt.

[appellanten] wijzen er terecht op dat [geïntimeerde] eerder in dit geding uitdrukkelijk heeft erkend (en ook als getuige heeft verklaard) dat de geldlening van € 250.000,-- aan zowel hem als aan [dochter] is verstrekt. Het hof verwijst naar de conclusie van antwoord van [geïntimeerde] onder 7. Dat feit blijkt ook uit de bij de inleidende dagvaarding als productie 2 overgelegde, op 1 april 2011 door notaris [notaris 2] te [vestigingsplaats] , België, opgemaakte akte. Daarin is, voor zover van belang, opgenomen dat [geïntimeerde] en [dochter] , die gezamenlijk als “schuldenaar” worden aangeduid, hoofdelijk een bedrag van € 470.000,-- verschuldigd zijn aan [appellanten] , ten titel van geldlening, welk bedrag werd verstrekt bij onderhandse lening van 3 mei 2007 voor een bedrag van € 220.000,-- en op 31 maart 2011 voor een bedrag van € 250.000,--. Tot zekerheid voor de voldoening van de schuld van

€ 250.000,-- (in hoofdsom) werd bij deze akte een tweede hypotheek op de woning in [plaats 1] gevestigd (zie ook rov. 3.1.4 tussenarrest 12 juli 2016). Dat in de op 31 maart 2011 tussen [appellanten] en [dochter] verleden akte (rov. 6.1.6) [geïntimeerde] niet als schuldenaar is vermeld, doet er niet aan af dat tussen partijen vaststaat dat [geïntimeerde] en [dochter] hoofdelijk schuldenaar zijn van de door [appellanten] aan hen verstrekte geldlening van

€ 250.000,--.

Het hof verwerpt dan ook de later - in strijd met de gerechtelijke erkentenis van [geïntimeerde] alsook met de twee-conclusie-regel - ingenomen stelling van [geïntimeerde] dat de geldlening enkel aan [dochter] was verstrekt.

6.2.2.

[geïntimeerde] heeft in deze procedure niet alleen gesteld dat hij met [appellanten] en [dochter] heeft afgesproken dat de uit de geldlening voortvloeiende restantschuld en de daarop betrekking hebbende rentebetalingen enkel nog voor rekening van [dochter] komen, maar ook dat hij dan de lasten zou dragen voortvloeiende uit de door hem en [dochter] afgesloten overbruggingskredieten en voorts, dat hij geen aanspraken zou maken op, kort gezegd, door hem betaalde gezamenlijke kosten. Ook heeft [geïntimeerde] gewezen op het door [dochter] in verband met de aankoop door haar van de boerderij in [plaats 2] van [appellanten] geleende bedrag van € 220.000,-- en het feit dat die boerderij later “op naam van [appellanten] is gesteld” (cva 5,6, cvp 13 mei 2014, mva 1,5,7 en p. 4 twee laatste alinea’s).

Naar het oordeel van het hof is hetgeen [geïntimeerde] in zijn memorie na enquête heeft aangevoerd te beschouwen als een uitwerking van zijn eerdere verweer en niet in strijd met de twee-conclusie-regel. [geïntimeerde] heeft zich er immers niet alleen op beroepen dat verrekening van de schuld krachtens afspraak heeft plaats gehad, maar ook dat partijen feitelijk aan die verrekening uitvoering hebben gegeven. Hoewel het wenselijk was geweest dat de daarbij overgelegde stukken eerder in de procedure waren overgelegd – hetgeen, gelet op het bepaalde in artikel 21 Rv, ook [appellanten] regardeert – is naar het oordeel van het hof evenmin sprake van strijd met een goede procesorde.

6.2.3.

De door [geïntimeerde] overgelegde afschriften zijn versies/uittreksels van aktes zoals die in het Kadaster zijn ingeschreven. Het hof acht het wenselijk dat afschriften van de originele notariële aktes (de minuut) worden overgelegd, aangezien niet kan worden uitgesloten dat niet alle bepalingen in de aktes zijn opgenomen in de in het Kadaster ingeschreven versie. [appellanten] dienen deze afschriften van de minuut alsnog in het geding te brengen.

6.2.4.

Op basis van de vier hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] met [appellanten] en [dochter] is overeengekomen dat de uit de geldlening voortvloeiende restantschuld evenals de daarop betrekking hebbende rentebetalingen enkel (nog) voor rekening van [dochter] komen. In zoverre is [geïntimeerde] niet geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs. Dat betekent echter niet zonder meer dat de vordering van [appellanten] toewijsbaar is. Daartoe overweegt het hof het volgende.

6.2.5.

Uitgangspunt is de op 31 maart 2011 door [appellanten] aan [geïntimeerde] en [dochter] verstrekte geldlening van 250.000,--. Uit het thans door [geïntimeerde] als productie 8 overgelegde afschrift blijkt dat op 26 augustus 2011 de boerderij in [plaats 2] door [dochter] aan [appellanten] is geleverd en dat de koopsom van € 380.000,-- door [appellanten] is voldaan door verrekening met de vordering van [appellanten] op [dochter] uit hoofde van een geldlening zoals vastgelegd in de akte van geldlening met hypotheekstelling van 31 maart 2011, waarvan [geïntimeerde] een afschrift als productie 7 heeft overgelegd. Laatstbedoelde geldlening bestaat blijkens genoemd afschrift uit een op 3 mei 2007 verstrekte geldlening van € 220.000,-- en de op 31 maart 2011 verstrekte geldlening van € 250.000,--. Afgezien van over deze geldleningen verschuldigde rente zou dat impliceren dat op 26 augustus 2011 een bedrag van € 160.000,-- (€ 380.000,-- - € 220.000,--) door [dochter] is afgelost op de geldlening van € 250.000,--. Dan zou – nog steeds afgezien van verschuldigde rente – resteren een bedrag van € 90.000,--. Tussen partijen staat vast dat na de verkoop van de woning in [plaats 1] (augustus 2012) aan [appellanten] ter aflossing op de geldlening is overgemaakt een bedrag van € 91.847,03 en een bedrag van € 29.400,-- (rov. 3.1.6 tussenarrest d.d. 12 juli 2016), dus € 31.247,03 meer dan de nog resterende hoofdsom van € 90.000,--. Aldus beschouwd zou de schuld van [geïntimeerde] en [dochter] aan [appellanten] in augustus 2012 volledig zijn afgelost. Gelet op het rentepercentage van 3 % per jaar, zou de verschuldigde rente voorshands immers beduidend minder dan het “overschot” van

€ 31.247,03 bedragen.

6.2.6.

Het hof volgt [appellanten] voorshands niet in hun betoog dat de koopsom van

€ 380.000,-- ook is verrekend met allerlei uitgaven die [appellanten] ten behoeve van [dochter] hadden voldaan, zoals boodschappen en de aanschaf van een auto en voorts met door [dochter] verschuldigde huurpenningen. De in het afschrift van de leveringsakte genoemde verrekening vermeldt immers enkel de vorderingen uit de geldleningen van

€ 220.000,-- en € 250.000,-- en niet ook mogelijke andere vorderingen van [appellanten] op [dochter] .

6.2.7.

Maar ook indien met voormelde verrekening en latere aflossing na de verkoop van de woning in [plaats 1] de schuld van [geïntimeerde] en [dochter] aan [appellanten] volledig zou zijn afgelost, betekent dat niet zonder meer dat [geïntimeerde] volledig is gekweten van zijn uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen. Op grond van artikel 6:10 lid 1 BW is [geïntimeerde] immers voor het gedeelte van de schuld dat hem in zijn verhouding tot [dochter] aangaat (in dit geval de helft) verplicht in de schuld (en in de kosten) bij te dragen. Weliswaar is dit in beginsel enkel relevant in de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en [dochter] , maar in dit stadium kan niet worden uitgesloten dat dit een rechtens relevante rol heeft gespeeld bij de hiervoor genoemde verrekening van de koopsom van

€ 380.000,--.

6.2.8.

Daarnaast spelen de kwesties van de door [geïntimeerde] gestelde, voor hem en [dochter] uit de overbruggingskredieten (volgens [geïntimeerde] ten belope van, thans nog,

€ 115.000,--; cva 5,6,7) voortvloeiende verplichtingen en de door hem gedragen gezamenlijke lasten alsook de gestelde verbouwingskosten. Ook dit is in beginsel enkel relevant in de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en [dochter] , maar ook hier kan niet worden uitgesloten dat dit een rechtens relevante rol heeft gespeeld bij de hiervoor genoemde verrekening van de koopsom van € 380.000,--.

6.2.9.

Het hof acht een comparitie van partijen gewenst, waarbij bovenstaande (vraag)punten alsmede de in de vrijwaringsprocedure spelende kwesties tegelijk aan de orde kunnen komen en waarbij tevens de mogelijkheid van een minnelijke regeling kan worden onderzocht. In het geval zou moeten worden voort geprocedeerd, kan immers niet worden uitgesloten dat nadere bewijslevering noodzakelijk is. Het lijkt in het belang van alle vier de betrokken partijen dat de hen verdeeld houdende kwesties in één keer door middel van een regeling in der minne worden opgelost. Uiterlijk twee weken voor de datum van de comparitie dienen [appellanten] aan de advocaat van [geïntimeerde] en aan de raadsheer-commissaris afschriften toe te zenden van de originele aktes van 31 maart 2011 en 26 augustus 2011 (rov. 6.2.3).

Het staat partijen uiteraard vrij om reeds in dit stadium van verder procederen af te zien en/of alvast met elkaar in overleg te treden omtrent een minnelijke regeling.

6.3.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

7 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. M.A. Wabeke als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 6.2.9 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 21 maart 2017 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt [appellanten] de hiervoor in 6.2.3 en 6.2.9 genoemde afschriften uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.A. Wabeke en J.F.M. Pols en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 maart 2017.

griffier rolraadsheer