Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:927

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
200.166.056_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1249
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3800
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1057
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Prijsafspraak? Prijsindicatie? Bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.166.056/01

arrest van 7 maart 2017

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. Baby Village,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. D.M. Schipper te Eindhoven,

tegen

[accountants en belastingadviseurs] Accountants en Belastingadviseurs B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M. Veldhuis te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 september 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg onder zaaknummer 3019812/14-3656 gewezen vonnis van 14 januari 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 29 september 2015;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 8 december 2015 en de daarin genoemde producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

In overweging 1.2. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

a. a) Op 12 maart 2012 heeft [appellant] een schriftelijke “Opdrachtbevestiging Samenstellingsovereenkomst” van [accountants en belastingadviseurs] (onderdeel van prod. 1 bij dagvaarding in eerste aanleg, hierna: “de schriftelijke opdrachtbevestiging”) voor akkoord ondertekend. Daarin is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“(…) Naar aanleiding van ons prettig gesprek op 2 maart jl., bevestigen wij hierbij de door u aan ons, [accountants en belastingadviseurs] Accountants & Belastingadviseurs B.V., verstrekte opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening van Baby Village te [vestigingsplaats] . De inhoud en de wijze van uitvoering van deze opdracht zijn reeds met u besproken met onze heer [de directeur van accountants en belastingadviseurs] AA VA. Deze brief dient ter bevestiging van dit gesprek.

Gaarne aanvaarden wij de opdracht en verzoeken u, ter bevestiging dat deze brief een correcte weergave is van hetgeen wij zijn overeengekomen, het bijgaande exemplaar voor akkoord te tekenen en aan ons te retourneren. (…)

De samenstellingsopdracht heeft betrekking op het verslagjaar 2010, eindigend op 31 december 2010.

De opdracht is aangegaan voor de periode van een jaar en zal na afloop van dat jaar stilzwijgend telkens met een jaar worden verlengd.(…)

De hoogte van ons honorarium is gebaseerd op het tijdsbeslag van de opdracht, alsmede eventueel direct aan de opdracht toe te rekenen kosten. De daarbij gehanteerde tarieven variëren op basis van de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de betrokkenen. Het honorarium zal in principe maandelijks in rekening worden gebracht op basis van de voortgang van de werkzaamheden. (…)

Op deze opdracht zijn tevens onze algemene leverings- en betalingsvoorwaarden van toepassing. In de bijlage, behorende bij deze opdrachtbevestiging, vindt u een exemplaar van deze algemene leverings- en betalingsvoorwaarden (…) Door ondertekening en retournering van de opdrachtbevestiging verklaart u tevens akkoord te gaan met deze algemene leverings- en betalingsvoorwaarden”. (…)”

b) [de directeur van accountants en belastingadviseurs] (hierna: [de directeur van accountants en belastingadviseurs] ) is directeur van [accountants en belastingadviseurs] . [echtgenote van appellant] is de echtgenote van [appellant] . [de directeur van accountants en belastingadviseurs] is getrouwd met een nicht van [echtgenote van appellant] .

c) [accountants en belastingadviseurs] heeft ten aanzien van de verslagjaren 2010 en 2011 werkzaamheden met betrekking tot de financiële administratie en de jaarrekening van [appellant] verricht. Daarnaast heeft [accountants en belastingadviseurs] aan [appellant] een applicatie voor internetboekhouden ter beschikking gesteld.

d) [accountants en belastingadviseurs] heeft aan [appellant] facturen (onderdeel van prod. 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) verstuurd, waarin werkzaamheden op uurbasis worden gefactureerd.

e) Op 15 oktober 2012 heeft [appellant] een voorstel van [accountants en belastingadviseurs] tot automatische incasso (prod. 3 bij dagvaarding in eerste aanleg) ondertekend.

f) Bij brief van 25 september 2013 (prod. 5 bij dagvaarding in eerste aanleg en prod. 13 memorie van grieven) heeft [appellant] onder meer aan [accountants en belastingadviseurs] geschreven:

“(…) U ontvangt van mij dit schrijven omdat ik NIET akkoord ga met de facturen zoals door u verzonden.

Zoals meermaals door mij en [naam] aangegeven zijn deze niet correct.(…)
Ik ga dus absoluut NIET AKKOORD met de facturen zoals deze door Baby Village zijn ontvangen, betwist deze en ontvang graag per omgaande een correctie zodat het totaalbedrag MAXIMAAL 5000 euro voor 2 jaar zal zijn.(…)”

6.2.

[accountants en belastingadviseurs] heeft in eerste aanleg veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van:

  • -

    een hoofdsom van € 13.857,03,

  • -

    een bedrag aan rente tot 2 april 2014 van € 1.213,35,

  • -

    rente vanaf 2 april 2014 en

  • -

    € 913,57 aan buitengerechtelijke incassokosten.

6.3.

[accountants en belastingadviseurs] heeft daartoe -samengevat- aangevoerd dat zij in opdracht en voor rekening van [appellant] accountancy diensten heeft geleverd, zoals omschreven in de aan [appellant] gezonden facturen. [appellant] heeft de bewuste facturen niet betaald.

6.4.

Nadat [appellant] verweer had gevoerd, heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling aan [accountants en belastingadviseurs] van een bedrag van in hoofdsom € 13.799,58 en een bedrag van € 913,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, plus rente en proceskosten.

De rechtbank is voorbij gegaan aan het verweer van [appellant] over een mondeling overeengekomen maximaal per jaar te berekenen bedrag van € 2.500,-- excl. BTW. Voorts heeft de rechtbank als vaststaand aangenomen dat partijen hebben afgesproken dat de werkzaamheden van [accountants en belastingadviseurs] op basis van de bestede uren zouden worden afgerekend en dat ook opdracht is gegeven voor het verslagjaar 2011. Volgens de rechtbank heeft [appellant] zijn verweer dat [accountants en belastingadviseurs] meer dan de daadwerkelijk bestede uren in rekening heeft gebracht, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft alleen het totaalbedrag van € 57,45 incl. BTW voor het scannen van door [appellant] aangeleverde documenten niet toegewezen. De rechtbank oordeelde dat als onvoldoende weersproken vaststond dat deze werkzaamheden niet onder de opdracht vielen.

6.5.

[appellant] heeft 6 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van alle vorderingen van [accountants en belastingadviseurs] . [accountants en belastingadviseurs] heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. De grieven zijn gericht tegen de toewijzing van de in 6.4. genoemde bedragen en posten en tegen de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. De grieven lenen zich deels voor gezamenlijke behandeling. Daarbij overweegt het hof nog dat de enkele vermelding (memorie van grieven nr 2) dat [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen, niet voldoende is om aan te nemen dat enig door [appellant] niet vermeld geschilpunt in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld.

6.6.

Er is geen incidenteel beroep ingesteld tegen de afwijzing van de kosten voor het scannen van documenten. Het hoger beroep betreft dan ook het toegewezen deel van de vordering van [accountants en belastingadviseurs] jegens [appellant] van in hoofdsom € 13.799,58 incl. BTW. Hieraan legt [accountants en belastingadviseurs] ten grondslag nakoming van de in de schriftelijke opdrachtbevestiging overeengekomen afspraken over betaling van de door [accountants en belastingadviseurs] voor [appellant] verzorgde werkzaamheden.

6.7.

Het verweer van [appellant] houdt -kort weergegeven- het volgende in. [appellant] stelt primair dat hij mondeling met [accountants en belastingadviseurs] is overeengekomen dat de kosten voor de werkzaamheden van [accountants en belastingadviseurs] maximaal een bedrag van € 2.500,-- excl. BTW per verslagjaar zouden bedragen. Subsidiair voert hij aan dat, indien dit bedrag slechts als een prijsindicatie zou hebben te gelden, [accountants en belastingadviseurs] hem had moeten waarschuwen dat de kosten dit bedrag zouden gaan overstijgen. Een overschrijding zoals hier aan de orde, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus [appellant] . Voorts voert hij aan dat [accountants en belastingadviseurs] (i) buitenproportioneel veel uren in verhouding tot de verrichte werkzaamheden in rekening heeft gebracht, (ii) kosten in rekening heeft gebracht voor werkzaamheden die niet verricht zijn of waarbij fouten zijn gemaakt, (iii) zijn facturen onvoldoende heeft gespecificeerd en (iv) ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht voor het programma voor internetboekhouden.

6.8.

Bij de beoordeling van de vordering van [accountants en belastingadviseurs] stelt het hof het volgende voorop. Tussen partijen staat vast dat de opdracht van [appellant] in elk geval verslagjaar 2010 betrof.

In rechtsoverweging 5 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de schriftelijke opdrachtbevestiging zich weliswaar beperkte tot verslagjaar 2010 maar dat het er voor gehouden moest worden dat ook opdracht is gegeven voor het verslagjaar 2011. Grief II is gericht tegen rechtsoverweging 5. Het hof kan de toelichting op deze grief echter slechts zo lezen dat [appellant] niet betwist dat hij ook voor 2011 opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de bewuste werkzaamheden. In de toelichting op de grief (memorie van grieven nr 33) heeft [appellant] immers gesteld dat hij mondeling met [accountants en belastingadviseurs] is overeengekomen dat [accountants en belastingadviseurs] de jaarrekening van 2010 zou opstellen voor een bedrag van

€ 2.500,-- excl. BTW per verslagjaar: “Eerst voor het boekjaar 2010 en vervolgens voor 2011.” Een soortgelijke stelling, maar dan over de totale boekhouding, heeft [appellant] naar voren gebracht in de toelichting op grief I (memorie van grieven nr. 1). Ook in de rest van de memorie van grieven en in de bijgevoegde prod. 13 (zie hierboven 6.1. sub f)) komt duidelijk naar voren dat ook [appellant] zich op het standpunt stelt dat zijn opdracht aan [accountants en belastingadviseurs] uiteindelijk ook het verslagjaar 2011 betrof. Het hof zal dan ook tot uitgangspunt nemen dat de opdracht van [appellant] aan [accountants en belastingadviseurs] zowel betrekking had op verslagjaar 2010 als op verslagjaar 2011.

6.9.1.

De meest verstrekkende reactie van [accountants en belastingadviseurs] op het verweer van [appellant] houdt in dat de klachten van [appellant] dienen te worden verworpen omdat [appellant] pas voor het eerst in zijn brief van 25 september 2013 en dus te laat heeft geklaagd. Hiertoe beroept [accountants en belastingadviseurs] zich op schending van de klachtplicht van artikel 6:89 BW en artikel 14 van de volgens haar op de opdracht toepasselijke algemene voorwaarden (prod. 9 bij memorie van antwoord, hierna: de algemene voorwaarden). In laatstgenoemd artikel is bepaald: “Voor zover in deze algemene voorwaarden niet anders is bepaald, vervallen vorderingsrechten en andere bevoegdheden van Opdrachtgever uit welke hoofde ook jegens Opdrachtnemer in verband met het verrichten van Werkzaamheden door Opdrachtnemer, in ieder geval na één jaar na het moment waarop Opdrachtgever bekend werd of redelijkerwijs bekend kon zijn met het bestaan van deze rechten en bevoegdheden.(…)”
[appellant] stelt dat hij al vóór het schrijven van de brief van 25 september 2013 regelmatig mondeling heeft geklaagd bij [accountants en belastingadviseurs] en dat deze hem dan geruststelde. Ook voert hij aan dat het in het begin moeilijk was om het te bekijken omdat [accountants en belastingadviseurs] de werkzaamheden verspreid over verschillende boekjaren factureerde.

6.9.2.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 6:89 BW heeft geen betrekking op het opstellen en verzenden van een factuur. Dit geldt immers niet als prestatie in de zin van genoemd artikel (HR 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1565). Alleen al daarom kan het beroep van [accountants en belastingadviseurs] op dit artikel niet slagen.

6.9.3.

Ten aanzien van het beroep op artikel 14 van de algemene voorwaarden wordt het volgende overwogen. [accountants en belastingadviseurs] stelt in haar memorie van antwoord dat het gaat om de Algemene Voorwaarden NIVRA/NOvAA 2008. Dit is niet te zien op het als productie 9 bij memorie van antwoord overgelegde exemplaar. Hier staat boven: “Algemene Voorwaarden van….”. Bij brief van 4 december 2015 heef [accountants en belastingadviseurs] voorafgaand aan de comparitie in hoger beroep als productie 13 opnieuw een exemplaar van algemene voorwaarden overgelegd en daarbij vermeld dat dit een leesbaar exemplaar was van de reeds bij productie 9 overgelegde, wellicht moeilijk leesbare, algemene voorwaarden van [accountants en belastingadviseurs] . Het hof heeft bij nadere bestudering echter geconstateerd dat de tekst van deze productie 13 niet overeenstemt met productie 9 (bijvoorbeeld de aanhef en het aantal definities in artikel 1 verschilt). Nu een nadere toelichting op dit punt ontbreekt, zal het hof bij beoordeling van het beroep van [accountants en belastingadviseurs] op algemene voorwaarden uitgaan van de als productie 9 overgelegde algemene voorwaarden.

6.9.4.

Nog daargelaten de vraag of [accountants en belastingadviseurs] zich kan beroepen op de algemene voorwaarden en of artikel 14 betrekking heeft op klachten over facturen, geldt het volgende. Anders dan [accountants en belastingadviseurs] lijkt te betogen, stelt [appellant] (naar het hof begrijpt) niet dat [accountants en belastingadviseurs] ten onrechte op basis van gewerkte uren factureerde. [appellant] stelt slechts dat de aldus gefactureerde bedragen niet hoger mochten zijn dan € 2.500,-- excl. BTW per jaar. Zoals ook [accountants en belastingadviseurs] (memorie van antwoord nr 19) erkent, kon [appellant] pas na enige tijd zien dat de factuurbedragen in totaal wel hoger werden dan die € 2.500,--. Dit was niet zoals [accountants en belastingadviseurs] stelt het geval in december 2012, maar pas begin januari 2013. De in april en mei 2012 in rekening gebrachte bedragen in verband met het boekhoudprogramma tellen niet mee bij de berekening wanneer voor [appellant] zichtbaar werd dat er sprake was van een overschrijding. Zoals namelijk hierna in 6.10.2. aan de orde komt, had ook volgens [appellant] het gestelde maximumbedrag van € 2.500,-- geen betrekking op het boekhoudprogramma.

In elk geval bij brief van 25 september 2013 heeft [appellant] over de overschrijding geklaagd en over het “niet correcte factureringsgedrag”. Derhalve heeft [appellant] binnen de termijn van een jaar geklaagd en dus binnen de in artikel 14 genoemde termijn. Dit wordt niet anders ten aanzien van de klacht over de wijze van specificatie van de facturen, indien [appellant] hierover pas in de conclusie van antwoord voor het eerst expliciet heeft geklaagd. Dit is een uitvloeisel van [appellant] ’ eerdere, tijdige klacht.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [accountants en belastingadviseurs] op overschrijding van de termijn van een jaar niet slaagt.

6.9.5.

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. [appellant] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep nadrukkelijk en gemotiveerd gesteld dat hij regelmatig mondeling heeft geklaagd en uitleg heeft gevraagd over de facturen. In dat verband voert hij aan dat [accountants en belastingadviseurs] ( [de directeur van accountants en belastingadviseurs] ) vaak langskwam, mede tegen de achtergrond van de tussen partijen bestaande familieband en vertrouwensrelatie. Volgens [appellant] heeft [de directeur van accountants en belastingadviseurs] hem en zijn echtgenote dan steeds gerustgesteld en gezegd dat het totaalbedrag het overeengekomen bedrag van € 2.500,-- niet zou overstijgen. [appellant] heeft daarbij nog een schriftelijke verklaring van zijn zoon ( [zoon van appellant] ) overgelegd waarin ook een dergelijke gang van zaken wordt beschreven. Tegen die achtergrond had het op de weg van [accountants en belastingadviseurs] gelegen om in elk geval in hoger beroep deze stellingen over de bezoekjes van [de directeur van accountants en belastingadviseurs] aan [appellant] en de gestelde toen geuite zorgen en klachten van [appellant] nader en gemotiveerd te betwisten. Dit heeft zij onvoldoende gedaan, ook niet tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep (waar [de directeur van accountants en belastingadviseurs] slechts heeft betwist een bepaalde uitspraak te hebben gedaan). Het in de memorie van antwoord bij herhaling slechts stellen dat [appellant] te laat heeft geklaagd en het aanvoeren dat [appellant] wel in 2012 de incasso-opdracht heeft getekend, is onvoldoende. Ook de summiere reactie (mva nr 33) op de verklaring van [zoon van appellant] vormt een onvoldoende betwisting. Daarin wordt alleen gesteld dat [zoon van appellant] niet aanwezig was toen [accountants en belastingadviseurs] ( [de directeur van accountants en belastingadviseurs] ) en [appellant] hebben besproken over de wijze waarop het honorarium zou worden berekend (naar het hof uit de context van de stellingen van [accountants en belastingadviseurs] begrijpt: bij het verlenen van de opdracht). Het hof neemt dan ook als onvoldoende betwist aan dat [appellant] al vóór het verzenden van de brief van 25 september 2013 klachten of op zijn minst zorgen heeft geuit over de (hoogte van de) facturen.

Gelet op al het bovenstaande faalt het beroep op artikel 14 van de algemene voorwaarden.

6.10.1.

Dan komt het hof toe aan de beoordeling van de vorderingen van [accountants en belastingadviseurs] tot betaling.

6.10.2.

Uit de stellingen en berekeningen van [appellant] in hoger beroep (memorie van grieven nrs 11 en 12) blijkt dat zijn bezwaren over het overschrijden van het bedrag van € 2.500,-- excl. BTW (per jaar) en de wijze van facturering betrekking hebben op de voor werkzaamheden door [accountants en belastingadviseurs] gefactureerde posten tot een hoogte van € 7.138,77 excl. BTW (voor 2010) en € 3.731,01 excl. BTW (voor 2011).
De daarnaast door [accountants en belastingadviseurs] in rekening gebrachte kosten voor de opstart en het abonnement op de applicatie voor internetboekhouden bedragen € 785,76 incl. BTW (€ 655,-- excl. BTW). Ten aanzien van dit punt heeft [appellant] slechts naar voren gebracht dat het gaat om een programma dat door [accountants en belastingadviseurs] wordt gehanteerd en dat achteraf is gebleken dat het niet gebruikelijk is dat klanten voor een boekhoudprogramma dienen te betalen (memorie van grieven nr 56). Naar het oordeel van het hof is dit een onvoldoende betwisting van het verschuldigd zijn van kosten voor het boekhoudprogramma. Bovendien kan deze enkele stelling van [appellant] ook niet dienen als grief tegen de overwegingen hierover in r.o. 6.1. van het bestreden vonnis. Daarin heeft de rechtbank op dit punt overwogen dat [appellant] geen bezwaren heeft geuit tegen de facturering door [accountants en belastingadviseurs] van het ter beschikking stellen van het boekhoudprogramma en geoordeeld dat de vordering van [accountants en belastingadviseurs] in zoverre toewijsbaar is. Weliswaar is grief III gericht tegen de gehele rechtsoverweging 6.1. maar in de toelichting gaat [appellant] niet in op het punt van verschuldigdheid van kosten voor het boekhoudprogramma. Het voorgaande houdt in dat ook het hof tot uitgangspunt zal nemen dat [appellant] kosten voor het boekhoudprogramma verschuldigd was.

Het oordeel over de stelling dat de hierbij door [accountants en belastingadviseurs] toegepaste indexering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, komt later in de procedure aan de orde.

6.10.3.

Vervolgens ligt de vraag voor of [appellant] nog aan [accountants en belastingadviseurs] dient te betalen voor de door [accountants en belastingadviseurs] verrichte werkzaamheden en zo ja, hoeveel. Nu [appellant] concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [accountants en belastingadviseurs] , stelt hij zich kennelijk op het standpunt dat hij in het geheel niets meer verschuldigd is aan [accountants en belastingadviseurs] . Tussen partijen is echter niet in geschil dat [accountants en belastingadviseurs] werkzaamheden heeft verricht voor [appellant] en dat [appellant] hiervoor nog niet heeft betaald. [appellant] heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan hij niets, ook niet het volgens hem overeengekomen bedrag van tweemaal € 2.500,-- excl. BTW verschuldigd is. Weliswaar heeft hij gesteld dat [accountants en belastingadviseurs] fouten heeft gemaakt bij de werkzaamheden en dat [accountants en belastingadviseurs] daarnaast zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Echter, ter comparitie in hoger beroep is hierover desgevraagd van de zijde van [appellant] geantwoord: “Aan de stelling dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [accountants en belastingadviseurs] worden in dit stadium geen juridische consequenties verbonden. Er kan nu ook geen vordering in reconventie worden ingediend. Het is om aan te geven dat de werkzaamheden niet naar wens zijn verricht. [accountants en belastingadviseurs] dient rekening te houden met de redelijkheid en billijkheid en niet te factureren voor iets dat niet goed is uitgevoerd. (…) Aan het punt van het schenden van de geheimhoudingsplicht worden op dit moment geen juridische consequenties verbonden.”

Gelet hierop, geldt dat [appellant] in elk geval voor de door [accountants en belastingadviseurs] verrichte werkzaamheden het volgens [appellant] overeengekomen bedrag van € 5.000,-- excl. BTW voor de twee verslagjaren 2010 en 2011dient te betalen en dat er geen grondslag is aangevoerd op grond waarvan tot een ander oordeel kan worden gekomen.

6.10.4.

Vervolgens dient zich de vraag aan of [accountants en belastingadviseurs] en [appellant] daadwerkelijk voorafgaand aan de schriftelijke opdrachtbevestiging mondeling zijn overeengekomen dat [accountants en belastingadviseurs] de werkzaamheden voor [appellant] zou verrichten voor maximaal € 2.500,-- excl. BTW per verslagjaar. Indien dit zou komen vast te staan, is [appellant] naar het oordeel van het hof voor de verrichte werkzaamheden niet méér verschuldigd dan genoemd bedrag van € 5.000,-- excl. BTW. Het enkele feit dat [appellant] daarna een opdrachtbevestiging heeft ondertekend waarin genoemd maximum niet is genoemd, doet hier dan naar het oordeel van het hof niet aan af.

Voor alle duidelijkheid wordt nog overwogen dat het hier niet gaat om uitleg van de schriftelijke opdrachtbevestiging maar om een door [appellant] gestelde afzonderlijke afspraak die daarvóór zou zijn gemaakt. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast van deze gestelde afspraak op [appellant] . Hij zal in de gelegenheid worden gesteld dit bewijs te leveren.

6.10.5.

Indien genoemde afspraak niet zou komen vast te staan, is de vraag welk bedrag [appellant] dan verschuldigd is aan [accountants en belastingadviseurs] . Hiervoor is relevant of, zoals [appellant] subsidiair stelt, [accountants en belastingadviseurs] een prijsindicatie heeft gegeven van € 2.500,-- excl. BTW per verslagjaar. Indien komt vast te staan dat dit het geval is geweest, had naar het oordeel van het hof niet het gehele gefactureerde en gevorderde bedrag toegewezen dienen te worden. Dit geldt te meer omdat (i) het totaal gefactureerde bedrag substantieel hoger ligt dan de gestelde indicatie en ii) als onvoldoende betwist vast staat, dat [accountants en belastingadviseurs] niet voor overschrijding van de bewuste indicatie heeft gewaarschuwd. Een oordeel over de exacte consequentie van de gestelde prijsindicatie wordt in dit stadium nog aangehouden. Vanwege de proceseconomie acht het hof het wel gewenst om voor deze gestelde prijsindicatie bewijs op te dragen tegelijkertijd met de bewijsopdracht over de gestelde maximum prijs.

6.10.6.

Het voorgaande betekent dat [appellant] zal worden toegelaten tot het bewijs zoals hierna in het dictum vermeld en dat voor het overige iedere beslissing wordt aangehouden.

6.11.

Tot slot geeft het hof, nu al bepaalde (definitieve en voorlopige) oordelen zijn gegeven, partijen in overweging om alsnog te trachten een minnelijke regeling te bereiken, mede gelet op de familieband en de omvang van de in deze procedure spelende bedragen.

7 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe te bewijzen:

a)

dat hij voorafgaand aan het ondertekenen van de schriftelijke opdrachtbevestiging met [accountants en belastingadviseurs] heeft afgesproken dat [accountants en belastingadviseurs] voor de voor [appellant] te verrichten boekhoudkundige werkzaamheden over de jaren 2010 en 2011 maximaal € 2.500,-- excl. BTW per verslagjaar in rekening zou brengen,

òf

b)

dat voorafgaand aan het ondertekenen van de schriftelijke opdrachtbevestiging, [accountants en belastingadviseurs] aan [appellant] een prijsindicatie heeft afgegeven die inhield dat voor de voor [appellant] te verrichten boekhoudkundige werkzaamheden over de jaren 2010 en 2011 ongeveer

€ 2.500,-- excl. BTW per verslagjaar in rekening zou worden gebracht;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. P.M. Arnoldus-Smit als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 21 maart 2017 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, P.M. Arnoldus-Smit en J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 maart 2017.

griffier rolraadsheer