Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:923

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
20-000381-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:487
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afpersing. Uitleg begrip ' bevoordeling' als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000381-16

Uitspraak : 27 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 1 februari 2016 in de strafzaak met parketnummer

02-700159-15 tegen:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij dit vonnis is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 4 en is hij veroordeeld ter zake van feit 1 primair (afpersing), feit 2 (mishandeling begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd) en feit 3 (handelen in strijd met art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III), tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, proeftijd twee jaren, met bijzondere voorwaarden.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de inhoud van de ‘akte rechtsmiddel’ d.d. 10 februari 2016 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is daarna niet beperkt door een partiële intrekking.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, Sv staat er voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal derhalve de verdachte ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep met betrekking tot de vrijspraak van feit 4. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aldus onderworpen aan het oordeel van het hof, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal bewezen verklaren en de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouwe van verdachte heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, en zo begrijpt het hof, zich voor wat betreft feit 3 gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsvrouwe heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de gronden met betrekking het onder 1 bewezen verklaarde feit, doch met uitzondering van de opgelegde straf en de strafmotivering en de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen.

Aanvulling overwegingen m.b.t. het onder 1 bewezen verklaarde feit:

Onder 1 is ten laste gelegd dat de verdachte de autosleutels van [aangeefster] heeft afgeperst.

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat verdachte niet het oogmerk had om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen met de autosleutels, nu de verdachte enkel en alleen in de auto van [aangeefster] wilde kijken of zijn kluis zich daar bevond, en zich niet de sleutels of de auto – dan wel een ander goed van economische waarde – wilde toe-eigenen. Voorts volgt, aldus de raadsvrouwe, uit het dossier niet dat de verdachte geweld heeft toegepast of aangeefster [naam] heeft bedreigd om de autosleutels te verkrijgen, omdat de verdachte zelf de autosleutels van de tafel heeft gepakt.

Het hof overweegt in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank als volgt:

Ten eerste overweegt het hof dat voor een bewezenverklaring van het onder dwang doen afgeven van enig goed niet vereist is dat dit goed ook fysiek wordt overgedragen door degene die tot afgifte wordt gedwongen. De gedwongen afgifte kan ook bestaan uit het onder dwang gedogen dat een goed wordt meegenomen dat zich niet in handen van degene bevindt die tot afgifte wordt gedwongen. De verklaring van [de minderjarige dochter van verdachte] bij de politie dat zij zag dat verdachte (haar vader) de sleutelbos van [aangeefster] van de tafel pakte (en deze dus niet direct uit handen van [aangeefster] ontving), doet daar niet aan af.

Naar het oordeel van het hof dient hierbij het geheel van de gedragingen van verdachte in aanmerking te worden genomen, te weten het zonder toestemming de woning en de slaapkamer van [aangeefster] binnen stormen, het vervolgens in haar slaapkamer dreigend tonen van een mes en met luide stem tegen [aangeefster] roepen dat zij dood moest of woorden van gelijke dreigende strekking. Vervolgens heeft verdachte, blijkens de verklaring van [aangeefster] , naar [aangeefster] geroepen dat zij de autosleutels moest geven en dat deed hij op zeer indringende toon, zodat [aangeefster] die sleutels maar heeft gegeven in de hoop dat verdachte weg zou gaan. Aldus heeft verdachte jegens [aangeefster] een zodanig dreigende sfeer gecreëerd dat het kort daarop wegnemen van haar autosleutels moet worden gezien als een gedwongen afgifte van die sleutels.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte het oogmerk had zich wederrechtelijk te bevoordelen door [aangeefster] te dwingen tot afgifte van haar autosleutels. Onder bevoordeling als bedoeld in artikel 317 Sr verstaat het hof: elke verbetering van de positie, mits deze verbetering (dit voordeel) economische waarde heeft.

In het onderhavige geval heeft de verdachte zich onder bedreiging meester gemaakt van de autosleutels van [aangeefster] teneinde toegang te krijgen tot haar auto, opdat hij kon nagaan of zijn kluis (die uit zijn huis was ontvreemd) zich in de auto bevond. Dit laatste kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een voordeel met enige economische waarde. Immers, verdachte had – in zijn eigen voorstelling van zaken – daarmee een kans om zijn kluis met inhoud (volgens verdachte: o.a. spaargeld) terug te halen.

De verdachte heeft door middel van eigenrichting, te weten door het zonder toestemming betreden van de woning van [aangeefster] , door het dreigen met een mes en het

bedreigen van [aangeefster] met de dood, deze bevoordeling op wederrechtelijke wijze nagestreefd. Het hof acht dan ook het voor afpersing vereiste oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling bewezen verklaard.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing, mishandeling van zijn kind, en het voorhanden hebben van een pistool.

Verdachte heeft zijn destijds 12-jarige dochter [naam] midden op de dag van school gehaald en is met haar naar de woning van zijn ex-partner ( [aangeefster] ) gereden. Onderweg heeft hij haar er van beschuldigd dat zij, [de minderjarige dochter van verdachte] , er voor gezorgd had dat haar moeder ( [aangeefster] ) een kluis met inhoud uit zijn woning kon stelen. Toen [de minderjarige dochter van verdachte] dit niet wilde bevestigen, heeft hij haar hard met de vuist op haar knie geslagen. In de woning van zijn ex-partner heeft verdachte, al zwaaiend met een mes, geroepen om zijn kluis en de autosleutels van zijn ex-partner. Ook stak hij het mes in het plafond en riep hij dat zijn ex-partner dood moest of woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Hierop heeft hij de autosleutels van de tafel weggenomen. Dit alles vond plaats in de nabijheid van [de minderjarige dochter van verdachte] , hetgeen, in het bijzonder gelet op haar jonge leeftijd, een grote impact op haar gehad moet hebben. Verdachte heeft [naam minderjarige dochter] voorts tegen de lip geslagen en stevig vastgepakt en ten val gebracht. Verbalisant [naam] relateert ook dat zij [de minderjarige dochter van verdachte] in paniek aantreffen en dat [de minderjarige dochter van verdachte] zei bang te zijn voor haar vader (dossierpagina 6). Het hof rekent verdachte het zwaar aan dat hij zijn dochter, die juist aan zijn zorg was toevertrouwd omdat zij niet bij moeder kon wonen, heeft meegesleept in de situatie rond de gestolen kluis.

Het hof heeft ten aanzien van de persoon van verdachte in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2016, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld door de strafrechter;

  • -

    de reclasseringsadviezen d.d. 25 september 2015 en 8 december 2015;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof ziet evenals de advocaat-generaal geen aanleiding om aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 300, 304 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. H.A.W. Vermeulen en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 27 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.