Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:90

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
16/00103
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van een herzieningsverzoek door de Rechtbank. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof oordeelt dat, in het onderhavige geval, niet voldaan wordt aan de voorwaarden uit art. 8.119 Awb op grond waarvan een uitspraak herzien kan worden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/19.10.4
V-N Vandaag 2017/628
Belastingblad 2017/193
FutD 2017-0697
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00103

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant te 's-Hertogenbosch (hierna: de Rechtbank) van 12 januari 2016, nummer SHE 15/1947 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oss,

hierna: de Heffingsambtenaar,

inzake onderstaand verzoek om herziening.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] 2 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2003, voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 vastgesteld op een bedrag van € 394.000. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de waarde gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37. De Rechtbank heeft het beroep bij haar uitspraak van 2 april 2007 (AWB 06/343) gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de waarde van de woning vastgesteld op een bedrag van € 365.938 en bepaald dat de gemeente Oss aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

1.3.

Bij brief van 3 juli 2015 heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht de uitspraak van 2 april 2007 te herzien. De Rechtbank heeft het verzoek om herziening afgewezen in haar uitspraak van 12 januari 2016, nummer SHE 15/1947.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Nadien hebben partijen nog verschillende schriftelijke reacties ingediend, die over en weer door de griffier aan partijen zijn gezonden.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 10 november 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn dochter mevrouw [A] , alsmede, namens de Heffingsambtenaar mevrouw [B] en de heer [C] .

1.5.

Het Hof heeft na het onderzoek ter zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. Tegen de in onderdeel 1.1. vermelde uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende bij de Rechtbank beroep ingesteld. In haar in onderdeel 1.2. genoemde uitspraak heeft de Rechtbank, voor zover van belang, het volgende overwogen (waarbij onder “eiser” belanghebbende en onder “verweerder” de Heffingsambtenaar dient te worden verstaan):

“Nu eiser verweerder echter niet in de gelegenheid heeft gesteld de woning inpandig op te nemen, stelt verweerder zich op het standpunt dat na vergelijking met de marktcijfers is gebleken dat eisers woning veel lager is getaxeerd en dat, hoewel dit door eisers opstelling niet is te controleren door verweerder, voldoende rekening is gehouden met de schade als gevolg van het grondwaterprobleem door het souterrain niet bij de waardebepaling te betrekken. De taxateurs hebben het pand nooit van binnen gezien.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in deze redenering. Hierbij acht de rechtbank van belang dat in eerder gevoerde procedures met betrekking tot het grondwaterprobleem is vastgesteld door deskundigen dat de woning een zeer aanzienlijke en blijvende schade heeft. (…)

De rechtbank merkt hierbij op dat de weigering van eiser om medewerking te verlenen aan het bezoek van verweerders taxateurs en landmeter niet tot gevolg heeft dat daarmee de bewijsvoeringslast met betrekking tot het bestaan van overlast/schade als gevolg van de grondwaterproblemen op eiser is overgegaan. (…)

Dit betekent dat voor zover de door verweerder voor de woning bepleite waarde inhoudt dat met een lagere waardeverminderende invloed is rekening gehouden dan voorheen, deze waarde in zoverre niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft voorts met zijn stelling dat met de schade voldoende rekening is gehouden door het souterrain niet bij de waardebepaling te betrekken een onjuiste grondslag gehanteerd. Uit het dossier is immers deze waarderelatie in het geheel niet af te leiden. Evenmin komt daaruit naar voren dat de waardevermindering daartoe beperkt is. (…)

De rechtbank is van oordeel dat eiser de door hem gestelde waarde van de woning evenmin aannemelijk heeft gemaakt. (…)

Nu geen van beide partijen de door hen gestelde waarde aannemelijk hebben gemaakt ziet de rechtbank in het voorgaande aanleiding de waarde van eisers woning per waardepeildatum 1 januari 2003 zelf in goede justitie vast te stellen op een bedrag van € 365.938. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van de in de vorige procedure vastgestelde waardevermindering voor het grondwaterprobleem van € 106.091 vermenigvuldigd met 110%, hetgeen een waardevermindering van € 116.700 betekent.”

2.2.

Naar aanleiding van belanghebbendes verzoek om herziening van de uitspraak waarnaar in onderdeel 1.2. gerefereerd wordt, heeft de Rechtbank in haar in 1.3. genoemde uitspraak het volgende overwogen (waarbij onder Awb de Algemene wet bestuursrecht dient te worden verstaan):

“3. Wat verzoeker tegen de uitspraak van 2 april 2007 heeft aangevoerd, behelst geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb. Dat de wateroverlast in het souterrain een waardedrukkend effect had op de WOZ-waarde van de woning van verzoeker in de jaren 2005 en 2006 was ten tijde van de uitspraak bekend en deze omstandigheid is kenbaar bij de uitspraak betrokken. Dat de wateroverlast, zoals verzoeker stelt, niet alleen door de hoge stand van het grondwater, maar ook door hemelwater werd veroorzaakt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de uitspraak van 2 april 2007, indien dit bekend zou zijn geweest, anders zou hebben geluid. Wat betreft de wateroverlast die verzoeker in 2013, 2014 en 2015 heeft ervaren, is de rechtbank van oordeel dat deze feiten zich hebben voorgedaan ná de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.

4. Verzoeker lijkt meer de juistheid van deze uitspraak te betwisten. Naar vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1945, en 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Het betoog van verzoeker is er in wezen op gericht om op basis van al bekende gegevens een hernieuwde discussie te voeren over de in de uitspraak van 2 april 2007 besliste rechtsvragen. Daarvoor is het bijzondere rechtsmiddel van herziening, gelet op het vorenstaande, echter niet bedoeld.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de Rechtbank ten onrechte het verzoek om herziening van haar uitspraak van 2 april 2007 (AWB 06/343) heeft afgewezen.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank van 12 januari 2016 en tot herziening van de uitspraak van de Rechtbank van 2 april 2007.

3.3.

De Heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1. – vermelde vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank van 12 januari 2016.

3.4.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.5.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat de wateroverlast die hij en zijn vrouw in hun woning ervaren vele malen groter is geworden door de, in de jaren 1980-1990 aangelegde, wijk [E] . Met deze wateroverlast die bovenop de reeds bestaande overlast, die veroorzaakt wordt door problemen bij de afvoer van grondwater, is gekomen, is in de in onderdeel 1.2. genoemde uitspraak geen rekening gehouden. Belanghebbende heeft verklaard dat met deze extra wateroverlast wel rekening gehouden had kunnen worden. Belanghebbende heeft voorts ter zitting verklaard dat hij, gelet op deze structurele wateroverlast, een WOZ-waarde van de woning van € 0 bepleit. Belanghebbende heeft er in dit kader op gewezen dat de wateroverlast grote financiële gevolgen heeft gehad voor zijn gezin. Voorts heeft belanghebbende gewezen op de gevolgen van de wateroverlast voor zijn gezondheid en die van zijn vrouw. Hij heeft voorts zijn onvrede geuit over de opstelling van de gemeente Oss bij de afhandeling van de door deze wateroverlast veroorzaakte schade. Bovendien heeft belanghebbende erop gewezen dat de gemeente Oss onvoldoende gedaan heeft om de wateroverlast op te lossen. In dit kader heeft belanghebbende met name gewezen op het uitblijven van reacties op door hem aan de gemeente Oss gerichte brieven.

Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar aangegeven dat het feit dat de wijk [E] , die gebouwd is in de jaren 1980-1990, kennelijk enige wateroverlast met zich meebrengt, ten tijde van het doen van de in onderdeel 1.2. genoemde uitspraak bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. De Heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat belanghebbende zich in betreffende procedure niet op dit feit heeft beroepen en dat het rechtsmiddel van herziening niet geschikt is om feiten aan te dragen die reeds eerder aangedragen hadden kunnen worden. Voorts heeft de Heffingsambtenaar verklaard dat in de in onderdeel 1.2. genoemde uitspraak reeds rekening gehouden is met betreffende wateroverlast, doordat de waarde van het souterrain niet meegenomen is bij de waardering van de woning. De Heffingsambtenaar heeft verklaard dat het niet waarderen van het souterrain de enige mogelijkheid was om rekening te houden met de wateroverlast, aangezien belanghebbende geen inpandige opname van de woning toestond. Dat tijdens een inpandige opname in 2015 is gebleken dat de woning in gedateerde staat verkeert, was ten tijde van het doen van betreffende uitspraak door de Rechtbank nog niet bekend. Voorts heeft de Heffingsambtenaar betwist dat de gemeente Oss onvoldoende actief is geweest. De Heffingsambtenaar heeft met name verwezen naar een brief van de heer [D] , gebiedsbeheerder [F] , met dagtekening 29 juli 2016. De Heffingsambtenaar heeft, desgevraagd, toegezegd er bij de gemeente Oss op aan te dringen om (opnieuw) contact op te nemen met belanghebbende. Voor het overige hebben partijen ter zitting gepersisteerd bij hun reeds ingenomen standpunten.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) (tot 31 december 2012: artikel 8:88 van de Awb) bepaalt dat de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2.

Met haar hiervoor – in onderdeel 2.2 – weergegeven oordeel heeft de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof, op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt de desbetreffende overwegingen tot de zijne.

4.3.

Dat de wateroverlast is blijven bestaan respectievelijk is vergroot door de in de tachtiger, dan wel negentiger jaren, van de vorige eeuw aangelegde wijk [E] , vormt geen grond voor herziening. Aangezien belanghebbende vóór het wijzen van de in onderdeel 1.2. genoemde uitspraak op 2 april 2007 redelijkerwijs bekend kon zijn met de (extra) wateroverlast die veroorzaakt wordt door de wijk [E] , is niet voldaan aan de in onderdeel 4.1. opgenomen voorwaarden voor herziening.

4.4.

Ook belanghebbendes argument dat de verzekeraar in 2015 heeft aangegeven belanghebbende niet meer te willen verzekeren kan niet tot herziening leiden. Reeds niet omdat deze gebeurtenis niet vóór de uitspraak van de Rechtbank van 2 april 2007 heeft plaatsgevonden.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten en het verzoek om schadevergoeding

4.7.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Evenmin bestaat er recht op vergoeding van schade aangezien het hoger beroep ongegrond is.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 12 januari 2017 door A.J. Kromhout, voorzitter, T.A. Gladpootjes en D.A. Hofland, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.