Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:891

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
20-001901-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3518, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verstek
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van belastingfraude tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek. De verdachte heeft gedurende ongeveer 6 jaren opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan, door steeds te hoge bedragen aan voorbelasting op te geven. Hierdoor is een belastingnadeel van € 914.170,00 geleden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0632
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001901-16

Uitspraak : 7 maart 2017

VERSTEK (dnip)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 15 juni 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-996030-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met

31 januari 2014 in de gemeente(n) Etten-Leur en/of Apeldoorn en/of Roosendaal en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van hem, verdachte, over het/de aangiftetijdvak(ken)
- 1e kwartaal 2008 en/of
- 1e kwartaal 2009 en/of
- 1e kwartaal 2010 en/of
- 1e kwartaal 2011 en/of
- 1e kwartaal 2012 en/of
- 1e kwartaal 2013 en/of
- 4e kwartaal 2013
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben hij en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar - zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of Roosendaal, in elk geval in Nederland, ingeleverde en/of ingediende aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), (telkens) een te hoog en/of onjuist bedrag aan voorbelasting en/of een te hoog en/of onjuist bedrag aan terug te vragen omzetbelasting opgegeven en/of doen of laten opgeven, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 januari 2014 in de gemeente(n) Etten-Leur en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, meermalen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van hem, verdachte, over de aangiftetijdvakken
- 1e kwartaal 2008 en
- 1e kwartaal 2009 en
- 1e kwartaal 2010 en
- 1e kwartaal 2011 en
- 1e kwartaal 2012 en
- 1e kwartaal 2013 en
- 4e kwartaal 2013
onjuist heeft gedaan, immers heeft hij toen aldaar - zakelijk weergegeven - telkens opzettelijk op de bij de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde en/of ingediende aangiften omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken, telkens een te hoog en onjuist bedrag aan voorbelasting en een te hoog en onjuist bedrag aan terug te vragen omzetbelasting opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs

Ten aanzien van het bewezen verklaarde volstaat het hof, gelet op de bekennende verklaring van verdachte daaromtrent, met de volgende opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.1

1.

De volgende geschriften:

  • -

    schermprinten met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2008,
    dossierpagina 34;

  • -

    schermprinten met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2009,
    dossierpagina 38;

  • -

    schermprinten met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2010,
    dossierpagina 42;

  • -

    schermprinten met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2011,
    dossierpagina 46;

  • -

    schermprinten met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2012,
    dossierpagina 50;

  • -

    schermprinten met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2013,
    dossierpagina 54;

  • -

    schermprinten met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2013,
    dossierpagina 57.

2.

Een geschrift d.d. 23 oktober 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [naam 1] , ambtenaar van de Belastingdienst, onderdeel Centrale administratie, dossierpagina 29, inhoudende de ambtsedige verklaring van voornoemde ambtenaar dat over de tijdvakken 1e kwartaal 2008 tot en met het 4e kwartaal 2013 aangiften omzetbelasting betreffende de verdachte elektronisch zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst.

3.
Een geschrift d.d. 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door [naam 2] , boete-fraudecoördinator van de Belastingdienst, kantoor Breda/Roosendaal, dossierpagina 114, inhoudende de ambtsedige verklaring van voornoemde boete-fraudecoördinator dat het als gevolg van het onjuist doen van aangiften door de verdachte geleden belastingnadeel over de tijdvakken 1e kwartaal 2008 tot en met het 4e kwartaal 2013 voor de Staat der Nederlanden € 914.170,00 bedraagt.

4.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 december 2014, opgesteld door verbalisanten [naam 3] en [naam 4] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD te Roosendaal, dossierpagina’s 133-138, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte [verdachte] .

5.

Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 1 juni 2016, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, voor zover bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude. Gedurende een periode van ongeveer 6 jaren heeft hij opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan, door steeds te hoge bedragen aan voorbelasting op te geven. Per saldo kreeg de verdachte hierdoor altijd omzetbelasting terug van de fiscus. Op deze wijze hebben de Staat der Nederlanden en de Europese Unie een belastingnadeel van
€ 914.170,00 geleden.

De verdachte leefde van de door middel van de belastingfraude ontvangen gelden. Hij deed naar de buitenwereld voorkomen dat hij directeur van een goed lopend bedrijf was. De verdachte was echter in werkelijkheid werkloos en dreef geen onderneming meer. Naar eigen zeggen heeft hij het ontvangen geld besteed aan vakanties, etentjes, auto’s, theaterbezoeken, bezoeken aan nachtclubs en bordelen en aan de maandelijkse gezinslasten. Met dit uitgavenpatroon wilde hij een gevoel van luxe creëren. De enige drijfveer voor de verdachte was eigen financieel gewin. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Daarbij komt dat de verdachte, nadat hem in april 2013 door een belastingambtenaar was gevraagd om inlichtingen te verstrekken in verband met een aankomend boekenonderzoek, is doorgegaan met het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting. De verdachte heeft toen zelfs, om het boekenonderzoek te vertragen, de belastingambtenaren voorgelogen dat hij een ernstig ongeluk had gehad, waarbij hij in coma zou zijn geraakt. Het hof houdt met deze omstandigheden in strafverzwarende zin rekening bij de straftoemeting.

Bij belastingheffing zijn in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt immers beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelswijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de belastingdienst op basis daarvan in beginsel tot uitbetaling overgaat. Daarvan heeft de verdachte grof misbruik gemaakt. Door aangiften te doen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven.

Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 december 2016, betrekking hebbende op de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude. Het hof zal daarbij uitgaan van een benadelingsbedrag van ruim € 900.000,00. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een dergelijk benadelingsbedrag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden.

Alles afwegende acht het hof, evenals de rechtbank, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 7 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Roosendaal, onderzoeknummer 55222, afgesloten d.d. 29 januari 2015, op ambtseed opgesteld door verbalisanten [naam 4] en [naam 3] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD te Roosendaal, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-228.