Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:890

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
200 182 007_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:4269
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7073
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:6217
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:3917
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2160, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2047, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen de vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam d.d. 9 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7073 en van de rechtbank Amsterdam d.d. 24 september 2014,

ECLI:NL:RBAMS:2014:6217 en rechtbank Amsterdam d.d. 17 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3917 in de zaak van een advocaat tegen een oud-rechter en de Staat. Misbruik van procesbevoegdheid door de oud-rechter. Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Onrechtmatige publicatie door de Staat. Rectificatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 167
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2017/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.182.007/01

arrest van 7 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.R.J. Croiset van Uchelen te Amsterdam,

en van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in hoger beroep,

advocaat: mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden,
gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde in hoger beroep,

advocaat: mr. G.H.J. Houtzagers te Den Haag,

als vervolg op het door het gerechtshof Amsterdam gewezen arrest van 13 oktober 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4269) waarbij de zaak ter verdere behandeling en beslissing is verwezen naar dit hof. Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk [appellant] , [geïntimeerde] en de Staat.

4 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/13/461948/HA ZA 10-1929)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep – het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats rechtbank Amsterdam, van 9 maart 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7073) en de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2014 en 17 juni 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2014:6217 en ECLI:NL:RBAMS:2015:3917) – gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] en de Staat als gedaagden.

5 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 oktober 2015;

  • -

    de oproepingsexploten van 9 december 2015 van [appellant] ;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] , met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerde] , met producties;

  • -

    de memorie van antwoord van de Staat, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellant] , met producties;

  • -

    de brief van 23 mei 2016 van [geïntimeerde] ;

  • -

    de akte in het principaal appel van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De beoordeling

6.1.1.

In het bestreden vonnis van 9 maart 2011 heeft de rechtbank de volgende feiten vastgesteld.

“Inleiding

2.1.

In 1994 trad [appellant] op als advocaat in twee bij deze rechtbank aanhangige zaken inzake Chipshol.

2.2.

Op 12 december 1994 heeft [appellant] procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt een brief geschreven aan mr. A.H. van Delden, destijds president van deze rechtbank, over het optreden van [geïntimeerde] , destijds vice-president in deze rechtbank, tijdens een in die zaken gehouden zitting. Bij die brief was een brief gevoegd, gedateerd 12 december 1994, van [appellant] aan mr. Von Schmidt auf Altenstadt, waarin [appellant] , voor zover hier van belang, heeft geschreven:

“Mr [geïntimeerde] , vice-President van de Rechtbank, had op 8 december jl., toen bij de Rechtbank in bovengenoemde zaken werd gepleit, de leiding van de zitting in handen.

(…)

5. Op 6 december jl. zocht ik telefonisch contact met de Griffier van Mr [geïntimeerde] met het verzoek Mr [geïntimeerde] te vragen of het zou zijn toegestaan om, in plaats van 90 minuten, langer te mogen pleiten in verband met de produkties van gedaagden. De Griffier heeft toen telefonisch contact tot stand gebracht tussen Mr [geïntimeerde] en mij. Bij die gelegenheid vernam ik – bij toeval – dat Mr [geïntimeerde] verschillende keren telefonisch contact heeft gehad met de raadslieden van gedaagden. Mr [geïntimeerde] noemde mij enkele door die raadslieden gemakte opmerkingen over mij, die buiten het strikt zakelijke karakter gaan van overleg over de orde tijdens pleidooien.”

2.3.

Bij verzoekschrift van 3 februari 1997 heeft mr. R.E. Gerritsen, opvolgend advocaat van Chipshol Holding B.V. c.s., deze rechtbank verzocht te bewerkstelligen dat de meervoudige kamer die zal hebben te beslissen over de in dat verzoekschrift vermelde Chipshol-zaak zal zijn samengesteld uit rechters die op generlei wijze in de Chipshol-zaken betrokken zijn geweest.

2.4.

Bij brief van 3 maart 1997 heeft mr. Gerritsen bij mr. Van Delden zijn zorg uitgesproken over de kwaliteit en de integriteit van de rechtspleging c.q. de rechtsgang in de hiervoor onder 2.3 bedoelde Chipshol-zaak. In die brief wordt [geïntimeerde] genoemd.

2.5.

Met een in NRC Handelsblad van 2 april 1997 gepubliceerde ingezonden brief heeft mr. E.J. Numann, destijds persrechter bij deze rechtbank, gereageerd op een op 25 maart 1997 in die krant gepubliceerd bericht, getiteld “Uitspraken over macht Chipshol Forward”.

2.6.

Naar aanleiding van een reactie op die brief heeft mr. Numann in een in NRC Handelsblad van 19 april 1997 gepubliceerde brief, voor zover hier van belang, geschreven:

“Mr. [geïntimeerde] houdt staande dat hij de raadsman van de heer [bedrijfsjurist Chipshol] , toen hij hem telefonisch op de hoogte stelde van de samenstelling van de kamer die op de pleidooien zou zitten, te kennen heeft gegeven dat hij zich aan de zaak zou onttrekken indien aan de zijde van [bedrijfsjurist Chipshol] bezwaren mochten bestaan tegen zijn optreden als voorzittend rechter”.

Topadvocatuur

2.7.

Begin 2004 verscheen bij uitgeverij Memory Productions Publications B.V. (hierna: Memory) van de hand van de journalist [journalist] (hierna: [journalist] ) een boek getiteld “Topadvocatuur. In de keuken van de civiele rechtspraktijk”. Dit boek bevat opstellen/interviews met tien advocaten, onder wie [appellant] , die in zijn interview de volgende opmerking heeft gemaakt:

“Tenslotte: hoe is het mogelijk dat zowel Rechtbank, Hof als Hoge Raad het ongekend onrechtmatig handelen van Coopers ongemoeid hebben gelaten en de schadeclaim hebben afgewezen? Had [appellant] hier niet meer uit moeten of kunnen halen? Hij zoekt naar een verklaring: ‘Het lijkt wel of onze rechterlijke macht mentaal niet is toegerust om te oordelen over dit soort financiële megabelangen. Bij rechter heerst een enorme vrees voor “Amerikaanse toestanden”. Op zichzelf is dat best een goede grondhouding; zelf ben ik ook geen voorstander van extreem hoge schadevergoedingen. Maar soms, zoals in het geval van Chipshol, een bedrijf dat nota bene bewust bijna kapot is gemaakt door de eigen accountant kan inderdaad schade optreden van honderden miljoenen. En dat moet een rechter niet bang zijn om doortastend op te treden en het recht toe te passen. Maar bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die uitvoering met advocaten gaan bellen over de zaak. In de Chipsol-zaak is dat ook gebeurd met mr. [geïntimeerde] van de Haagse Rechtbank. Nederland lijkt wel te klein voor grote claims. Iedereen kent elkaar. Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel.”

2.8.

[appellant] was destijds advocaat en senior partner bij [advocatenkantoor] te [kantoorplaats] .

2.9.

Bij brief van 2 april 2004 heeft mr. H.J.M. Boukema (hierna: Boukema), voor zover hier van belang, namens [geïntimeerde] aan [appellant] , [journalist] en Memory geschreven:

“Mr [geïntimeerde] maakt bezwaar tegen beweringen in het boek Topadvocaten met de strekking dat hij zich niet als onafhankelijk en onpartijdig rechter heeft opgesteld in procedures, waarbij Mr [appellant] betrokken was. Mr [geïntimeerde] werpt die aantijging verre van zich. Hij maakt bezwaar tegen de aantasting van zijn eer en goede naam.

Ik nodig u uit mij met een termijn van tien dagen aan te geven op grond waarvan u een rechtvaardiging voor de gesignaleerde aantijgingen meent te hebben.”

2.10.

Bij gelijkluidende dagvaardingen van 19 april 2004 en 20 april 2004 heeft [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Boukema, bij de rechtbank Rotterdam een geding aanhangig gemaakt tegen [appellant] , Memory en [journalist] . Die – onder meer ten kantore van [appellant] betekende – dagvaarding luidt, voor zover hier van belang:

Feiten

1. [journalist] is journalist. Hij heeft een boek geschreven dat Memory Productions

Publications in 2004 heeft uitgegeven onder de titel Topadvocatuur. In de keuken van de civiele

rechtspraktijk.

Dit boek bevat een weergave van gesprekken met negen advocaten. Op p. 73-90 staat het relaas van Mr [appellant] over zijn behandeling van procedures in verband met grond bij de Luchthaven Schiphol (…) Mr [appellant] wordt geciteerd op o.m. pp. 89 en 90:

(..) rechtbank: zie citaat hiervoor onder 2.1

2. Mr [geïntimeerde] is vice-president van de Rechtbank ’s-Gravenhage. Hij heeft pleidooien in een Chipshol-zaak voorgezeten en heeft nadien in de zaak gecompareerd. Verder is te zijnen overstaan in een parallelle zaak een kort geding gevoerd.

3. Mr [geïntimeerde] heeft nimmer met advocaten gebeld in verband met de voormelde procedures. Eventueel telefonisch contact zijdens de griffie van de rechtbank betrof overleg aangaande (verhinder)data.

4. De geciteerde aantijging over Mr [geïntimeerde] trekt diens onpartijdigheid en onafhankelijkheid als rechter in twijfel, doordat Mr [appellant] in strijd met de waarheid suggereert dat Mr [geïntimeerde] onderonsjes met advocaten zou hebben in zaken waar hij als rechter bij betrokken is.

5. De bestreden publicatie levert een aantasting op van de eer en goede naam van Mr [geïntimeerde] .

(..)

Argumenten

7. De bestreden aantijgingen zijn naar formulering en strekking onjuist. Aan een Nederlandse rechter wordt op goede gronden de eis gesteld dat bij onpartijdig, onafhankelijk en bekwaam is. De aantijgingen en suggesties van Mr [appellant] , opgeschreven en gepubliceerd door [journalist] , in een door Memory Productions Publications B.V. uitgegeven boek, zijn geschikt schade toe te brengen aan Mr [geïntimeerde] door aantasting van zijn reputatie.

De onderwerpelijke publicatie is jegens Mr [geïntimeerde] onrechtmatig te achten. Hij heeft recht en rechtens te respecteren belang bij toewijzing van de vordering. Deze vordering is functioneel en proportioneel, en voldoet aan de maatstaven die de op art. 10 EVRM gebaseerde rechtspraak stelt.

Bewijsmiddelen en getuigen

8. (..)

Aangezien de gedaagden een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van Mr [geïntimeerde] , resp. diens eer en goede naam, levert de publicatie van de uitlatingen in het boek Topadvocaten jegens Mr [geïntimeerde] een onrechtmatige daad op. Het zijn derhalve de gedaagden die de bewijslast dragen voor de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

In het onverhoopte geval uw rechtbank Mr [geïntimeerde] met het bewijs zou belasten dat hij niet heeft gebeld met de advocaten in de door hem behandelde Chipshol-zaken, dan kan Mr [geïntimeerde] die advocaten als getuige oproepen. Ten aanzien van zodanige bewijslastverdeling reserveert Mr [geïntimeerde] al zijn rechten.

Standpunt gedaagden

9. Namens Mr [geïntimeerde] zijn de drie gedaagden bij brief van 2 april 2003 uitgenodigd met een termijn van tien dagen aan te geven op grond waarvan zij menen een rechtvaardiging voor de onderwerpelijke aantijging te hebben (…) Binnen deze termijn hebben gedaagden geen inhoudelijke reactie gegeven.

mitsdien:

vordert eiser dat de rechtbank bij vonnis, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

i verklaart voor recht dat de aantijging van Mr [appellant] , advocaat te [vestigingsplaats] , gepubliceerd door [journalist] in het boek Topadvocaten, en uitgegeven door Memory Productions Publications B.V., met de strekking dat Mr [geïntimeerde] niet onafhankelijk, niet onpartijdig, resp. niet bekwaam is, onrechtmatig jegens Mr [geïntimeerde] is.

ii. de gedaagden te veroordelen tot het vergoeden van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

iii. de gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.”

2.11.

Het proces-verbaal van de op 8 oktober 2004 in dat geding gehouden comparitie van partijen luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Mr. [appellant] verklaart als volgt:

Ik heb op 6 december 1994 met mevrouw [medewerker van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag] van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag getelefoneerd over de Chipsol-zaak. Ik had een groot aantal producties van de wederpartij ontvangen voorafgaand aan het pleidooi en wilde, om daar adequaat op te kunnen ingaan tijdens het pleidooi, extra spreektijd. Bovendien wilde ik tijdens het pleidooi een maquette laten zien. Mevrouw [medewerker van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag] heeft toen gezegd dat mr. [geïntimeerde] het maar druk had met de zaak en dat hij ook al verschillende andere advocaten daarover had gesproken. Ik heb toen gevraagd of mr. [geïntimeerde] dan ook mij wilde terugbellen. Dat is later op die dag ook gebeurd. Tot mijn verbazing gaf mr. [geïntimeerde] in het telefoongesprek aan dat hij helemaal geen behoefte had aan een pleidooi. Hij gaf mij een analyse van de zaak. Hij zei dat het wellicht ongebruikelijk was dat hij zo op de zaak inging, maar dat hij modern was in dat opzicht en een voorstander was van mediation. Ik heb wel een kwartier met hem gesproken. In dit telefoongesprek heeft mr. [geïntimeerde] ook gezegd dat hij met de andere advocaten telefonisch had gesproken. Mijn secretaresse die in de kamer naast mij zat met de deur open, kan hieromtrent verklaren.

De gewraakte passage in het boek van [journalist] geeft juist weer wat ik tegen [journalist] heb gezegd. Dat neemt niet weg, dat ik het betreur dat die passage in het boek is opgenomen. Het boek had nooit met daarin opgenomen het interview met mij gepubliceerd mogen worden zonder mijn toestemming. Ik heb vóór de publicatie van het boek aan [journalist] / de beoogde uitgever duidelijk gemaakt dat ik geen toestemming voor publicatie gaf.

(…)

Mr. [geïntimeerde] verklaart als volgt:

Ik betwist met klem dat ik met mr. [appellant] of met andere advocaten in de Chipsol-zaak heb getelefoneerd voorafgaande aan het pleidooi. Hetgeen mr. [appellant] zojuist heeft verklaard, is pertinent onjuist. Het is juist dat mr. [appellant] heeft gesproken met mevrouw [medewerker van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag] over het pleidooi in de Chipsol-zaak, maar ik heb hem nooit teruggebeld.

(…)

De heer [journalist] verklaart als volgt:

(..) Het boek is in een oplage van 2000 stuks in 2004 verschenen. Die oplage is goeddeels verkocht. Het boek vindt gretig aftrek onder advocaten, vooral onder advocaten van de kantoren van geïnterviewden.”

2.12.

Het op 14 december 2005 in dat geding gewezen tussenvonnis luidt, voor zover hier van belang:

8. De beoordeling

in alle procedures

8.1

De vordering van [geïntimeerde] berust vooreerst op de stelling dat de onder 2.3 geciteerde passage (rechtbank: zie het citaat hiervoor onder r.o. 2.1) zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid als rechter in twijfel trekt. Blijkens zijn nadere stellingname heeft dit in het bijzonder betrekking op het gedeelte van de passage waar staat dat bij grote claims Nederlandse rechters nerveus worden, dat er dan opeens gekke dingen gaan gebeuren, zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak en dat dit ook is gebeurd in de Chipshol-zaak met [geïntimeerde] . Nog meer toegespitst gaat het erom dat [geïntimeerde] uitvoerig met advocaten zou zijn gaan bellen over de Chipshol-zaak.

8.2

Het boek Topadvocatuur en dus ook het hoofdstuk over de Chipshol-zaak van [appellant] was kennelijk bestemd voor lezers met belangstelling voor het werk van (top)advocaten en de door hen behandelde zaken. Aan te nemen valt dat deze lezers onder meer gevonden zullen worden onder advocaten en mensen betrokken bij de beschreven zaken of bij soortgelijke zaken. Dit vindt bevestiging in de (onweersproken) verklaring van [journalist] op de comparitie van partijen van 8 oktober 2004 dat het boek in 2004 is verschenen in een oplage van 2000 stuks, dat die oplage goeddeels is verkocht en dat het boek gretig aftrek vindt onder advocaten, vooral advocaten van de kantoren van de geïnterviewden.

8.3

Naar het oordeel van de rechtbank ligt in de speciaal aangevochten passage de bewering besloten dat [geïntimeerde] zich als rechter in de Chipshol-zaak vreemd heeft gedragen door met de betrokken advocaten te telefoneren en daarbij uitvoerig, inhoudelijk, over de zaak te spreken en houdt deze voorts de voldoende duidelijke suggestie in dat een dergelijk gedrag twijfel wekt ten aanzien van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van [geïntimeerde] als rechter. Gelet ook op de aard van het lezerspubliek waarvoor het boek was bestemd en dat het boek ook heeft gekocht, is aannemelijk te achten dat een belangrijk deel van de lezers deze passage aldus zal hebben opgevat.

8.4

Naar tussen partijen ook niet werkelijk is omstreden, is het openlijk in twijfel trekken van de onpartijdigheid en onzelfstandigheid van een bepaalde, met name genoemde rechter een ernstige zaak, niet alleen omdat het een aantasting vormt van het gezag van en het vertrouwen in de rechterlijke macht, maar ook en in het bijzonder voor de betreffende rechter. De bewering of suggestie dat daarvan in een specifiek geval sprake is, kan de goede naam en reputatie van deze rechter (aanzienlijke) schade toebrengen. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een uitspraak van een ervaren advocaat in verband met een door hem behandelde zaak waarbij deze rechter betrokken was. [appellant] , [journalist] en Memory zullen zich hiervan bewust zijn geweest. Anderzijds is een gebrek aan onpartijdigheid en onzelfstandigheid bij een rechter eveneens een ernstige aangelegenheid en is er een maatschappelijk belang dit in de openbaarheid te brengen.

8.5

De rechtbank acht het doen van een dergelijke bewering door een advocaat in een boek als Topadvocatuur in beginsel onrechtmatig. Datzelfde moet in de gegeven omstandigheden gelden voor de hier aan de orde zijnde suggestie dat bij [geïntimeerde] sprake was van een gebrek aan onpartijdigheid en onzelfstandigheid, ook al werd dit door [appellant] in de bewuste passage niet uitdrukkelijk gezegd en ook al werden daarin geen scherpe bewoordingen gebruikt. Blijkens zijn eigen stellingen had [appellant] niet de bedoeling om een misstand aan het licht te brengen, te weten een onvoldoende onpartijdigheid en onzelfstandigheid van [geïntimeerde] . Dit betekent echter niet dat de onrechtmatige uitlating niet aan [appellant] zou kunnen worden toegerekend.

Indien evenwel mocht blijken dat de bewering of de suggestie op voldoende feitelijk juiste gronden berust, zal daarin een rechtvaardiging voor de uitlating zijn gelegen, die daaraan het onrechtmatige karakter ontneemt. Van bijzondere bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zoals een onnodig grievende formulering, is hier geen sprake.

8.6

Aan een oordeel dat [appellant] toerekenbaar onzorgvuldig heeft gehandeld staat niet in de weg dat [appellant] in deze procedure heeft meegedeeld dat hij het betreurt dat de bewuste passage in het boek is opgenomen. Vaststaat dat [appellant] heeft willen meewerken aan de totstandkoming van het boek, dat hij daartoe gesprekken heeft gevoerd met [journalist] en dat hij de bewuste uitspraken heeft gedaan. Uit productie 3a van Memory en [journalist] blijkt dat [appellant] deze uitspraken per e-mail van 6 september 2001 aan [journalist] zelfs letterlijk zo heeft voorgeschreven.

8.7

Uit het vorenstaande volgt dat [appellant] toerekenbaar onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld, tenzij hij aantoont dat voor zijn uitlating een voldoende feitelijk juiste onderbouwing bestond, waarbij het moet gaan om de in de gewraakte uitlating bedoelde feiten waarin de suggestie van twijfel aan de onpartijdigheid van [geïntimeerde] besloten lag.

In dit verband is het navolgende van belang.

In de brief d.d. 12 december 1994 van [appellant] aan zijn Haagse procureur staat onder meer:"Op 6 december j.l. zocht ik telefonisch contact met de griffier van [geïntimeerde] met het verzoek [geïntimeerde] te vragen of het zou zijn toegestaan om, in plaats van 90 minuten, langer te mogen pleiten in verband met de produkties van gedaagden. De griffier heeft toen telefonisch contact tot stand gebracht tussen [geïntimeerde] en mij. Bij die gelegenheid vernam ik - bij toeval - dat [geïntimeerde] verschillende keren telefonisch contact heeft gehad met de raadslieden van gedaagden. [geïntimeerde] noemde mij enkele door die raadslieden gemaakte opmerkingen over mij, die buiten het strikt zakelijke karakter gaan van overleg over de orde tijdens pleidooien".

Op de comparitie van 8 oktober 2004 heeft [appellant] onder meer verklaard: "Ik heb op 6 december 1994 met mevrouw [medewerker van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag] van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag getelefoneerd over de Chipshol-zaak. Ik had een groot aantal producties van de wederpartij ontvangen voorafgaand aan het pleidooi en wilde, om daar adequaat op te kunnen ingaan tijdens het pleidooi, extra spreektijd. Bovendien wilde ik tijdens het pleidooi een maquette laten zien. Mevrouw [medewerker van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag] heeft toen gezegd dat [geïntimeerde] het maar druk had met de zaak en dat hij ook al verschillende andere advocaten daarover had gesproken. Ik heb toen gevraagd of [geïntimeerde] dan ook mij wilde terugbellen. Dat is later op die dag ook gebeurd. Tot mijn verbazing gaf [geïntimeerde] in het telefoongesprek aan dat hij helemaal geen behoefte had aan een pleidooi. Hij gaf mij een analyse van de zaak. Hij zei dat het wellicht ongebruikelijk was dat hij zo op de zaak inging, maar dat hij modern was in dat opzicht en een voorstander was van mediation. Ik heb wel een kwartier met hem gesproken. In dit telefoongesprek heeft [geïntimeerde] ook gezegd dat hij met de andere advocaten telefonisch had gesproken".

[geïntimeerde] heeft met klem betwist dat hij met [appellant] of met de andere advocaten in de Chipshol-zaak heeft getelefoneerd voorafgaande aan het pleidooi en dat de verklaring van [appellant] ter comparitie juist is. Blijkens de overgelegde, in december 1994 gevoerde correspondentie met de president van de rechtbank 's-Gravenhage was [geïntimeerde] het eveneens volstrekt oneens met de inhoud en de strekking van de brief van [appellant] d.d. 12 december 1994.

in de procedure van [geïntimeerde] tegen [appellant]

8.8

en [geïntimeerde] hebben ieder enkele stukken overgelegd ter staving van hun respectievelijke standpunt. Mede gelet daarop, kan niet - ook niet voorshands - worden aangenomen dat de door [appellant] aangevoerde feiten juist zijn. Dat betekent dat [appellant] , zoals hij heeft aangeboden, zal worden toegelaten tot bewijslevering.

De rechtbank schort haar oordeel over de vraag of de uitlating van [appellant] tegenover [journalist] voldoende rechtvaardiging vindt in de feiten op tot na de bewijslevering.

(..)

8.11

Deze omstandigheden tegen elkaar afwegende, komt de rechtbank tot het oordeel dat de geciteerde uitlating van [appellant] niet van dien aard was dat deze niet aldus - als weergave van een interview - door [journalist] en Memory had mogen worden gepubliceerd, zonder onderzoek naar de juistheid van de beweringen en zonder vermelding van het standpunt van [geïntimeerde] . Dit geldt ook indien mocht blijken dat [appellant] door het doen van de uitlating jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld wegens het ontbreken van een voldoende feitelijk juiste basis.

De vordering in conventie moet worden afgewezen.

8.12

De in reconventie gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. Niet valt in te zien dat Memory en [journalist] bij deze vordering - het spiegelbeeld van hetgeen [geïntimeerde] zelf heeft gevorderd - onvoldoende belang zouden hebben. Door het instellen van de conventionele vordering heeft [geïntimeerde] de zorgvuldigheid van de handelwijze van Memory en [journalist] als uitgever, respectievelijk als journalist ter discussie gesteld. Zij hebben er voldoende belang bij dat in rechte wordt uitgesproken dat het publiceren en uitgeven van de gewraakte uitlating niet onrechtmatig was tegenover [geïntimeerde] .

9. De beslissing

De rechtbank,

in de procedure van [geïntimeerde] tegen [appellant]

alvorens verder te beslissen:

laat [appellant] toe te bewijzen dat diens gewraakte uitlating op feitelijk juiste gronden berust;

(…)

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

in de procedures tussen [geïntimeerde] enerzijds en Memory en [journalist] anderzijds

in conventie:

wijst de vordering af;

(…)

in reconventie:

verklaart voor recht dat de publicatie en uitgave van het boek Topadvocatuur en meer in het bijzonder de weergave daarin van de citaten van [appellant] op pagina 90 van hoofdstuk IV, door [journalist] en Memory niet onrechtmatig zijn jegens [geïntimeerde] ;

(…).”

2.12.

Het op 23 januari 2008 in dat geding gewezen eindvonnis luidt, voor zover hier van belang:

“3 De stukken en verklaringen zoals deze thans voorhanden zijn

3.1

Inventarisatie van de standpunten die in de loop van dit geding door partijen zijn genomen, van de inhoud van de overlegde stukken, en van de door getuigen afgelegde verklaringen leidt in het kader van de bewijsopdracht tot het volgende.

Behandelend advocaten

3.2

Bij de behandeling van het deel van de Chipshol-zaak waar het in dit geding om gaat, en meer in het bijzonder het pleidooi dat op 8 december 1994 ten overstaan van een meervoudige kamer van de Haagse rechtbank onder voorzitterschap van [geïntimeerde] is gehouden, waren naast [appellant] als advocaten betrokken de mrs T.D. de Groot, S.E. Eisma, A.M. van Herk en C.N. Peijster, alsmede H.W.E. Vermeer, die enkele jaren geleden is overleden.

Brief aan de president

3.3

Bij brief van 12 december 1994 heeft [appellant] zich tot zijn procureur in Den Haag gewend met klachten over de wijze waarop hij en zijn cliënten waren bejegend door [geïntimeerde] bij gelegenheid van het pleidooi op 8 december 1994.

Voorts wordt daarin nader de aandacht gevestigd op een vijftal punten. De eerste vier betreffen: de tijd die de rechtbank had gereserveerd voor dat pleidooi, het feitelijke aanvangstijdstip daarvan, het toelaten van de inbreng van nieuwe producties ter gelegenheid van het pleidooi, en de beperkte tijd die beschikbaar was voor

kennisneming van door de wederpartij bij die gelegenheid overgelegde nieuwe producties.

Het vijfde punt luidt:

“5. Op 6 december jl. zocht ik telefonisch contact met de Griffier van Mr [geïntimeerde] met het verzoek Mr [geïntimeerde] te vragen of het zou zijn toegestaan (…) langer te mogen pleiten (…). De Griffier heeft toen telefonisch contact tot stand gebracht tussen Mr [geïntimeerde] en mij.

Bij die gelegenheid vernam ik – bij toeval – dat Mr [geïntimeerde] verschillende keren telefonisch contact heeft gehad met de raadslieden van gedaagden. Mr [geïntimeerde] noemde mij enkele door die raadslieden gemaakte opmerkingen over mij, die buiten het strikt zakelijke karakter gaan van overleg over de orde tijdens pleidooien.”.

3.4

[appellant] heeft bij deze brief zijn procureur de wens van zijn cliënten kenbaar gemaakt aan de president van de Haagse rechtbank, destijds mr. A.H. van Delden, het verzoek te doen [geïntimeerde] de Chipshol-zaak niet verder te laten behandelen. Deze procureur heeft zich vervolgens bij brief van 12 december 1994 gericht tot mr Van Delden en aan deze de brief van [appellant] ter kennis gebracht.

3.5

Mr Van Delden heeft bij brief van 16 december 1994 aan de procureur van [appellant] meegedeeld dat hij de brief van [appellant] van 12 december 1994 met [geïntimeerde] had besproken en dat deze het volstrekt oneens was met de inhoud en de strekking daarvan. Mr Van Delden heeft daarbij verder meegedeeld dat hij kennis had genomen van het verslag van de bewuste zitting op 8 december 1994 en dat dit hem geen aanleiding gaf te veronderstellen dat het optreden van [geïntimeerde] in de weg heeft gestaan aan een goede rechtspleging.

[appellant]

3.6

Als getuige heeft [appellant] onder meer verklaard:

“Dinsdag heb ik mijn secretaresse naar de Haagse rechtbank laten bellen en zij heeft mij in contact gebracht met een griffier of secretaresse aldaar werkzaam. (…) Zij vertelde dat [geïntimeerde] het maar druk had met de zaak. Ik begon over de producties. Zij zei dat over die producties [geïntimeerde] ook al contact had gehad met de andere advocaten. Ik moet u zeggen daar kreeg ik een beetje kippenvel van. Ik had in 1987 al eens eerder ervaring gehad met een rechter die buiten de procedure om contact had gehad met de advocaten en dacht dat gaan we toch niet opnieuw beleven. Ik heb toen die mevrouw (…) gezegd dat ik het wel op prijs zou stellen om zo snel mogelijk van [geïntimeerde] te horen. Een paar uur daarna (…) werd er teruggebeld. (…) Ik meen mij te herinneren dat mijn secretaresse door middel van woord en gebaar aan mij duidelijk maakte dat zij [geïntimeerde] zelf aan de telefoon had. Vervolgens kreeg ik hem inderdaad aan de lijn. Hij begon heel vriendelijk. Hij zei dat hij het nuttig vond om over de zaak van gedachten te wisselen. Maar nadat ik mijn verzoek tot extra spreektijd had herhaald veranderde hij van toon. Hij zei dat hij het nut van een pleidooi eigenlijk helemaal niet inzag. Toen ik op die mededeling verbaasd reageerde, volgde er een waterval van woorden van de kant van [geïntimeerde] . Hij gaf te kennen dat de affaire commercieel moest worden opgelost. Het ging allemaal over cijfers. Het was eigenlijk helemaal geen zaak voor een rechtbank. Het was eigenlijk meer een zaak voor een arbiter, maar zei [geïntimeerde] , dat ben ik niet. [geïntimeerde] zei ook dat de zaak zich goed leende voor mediation. (…)

Ik heb toen tijdens dat telefoongesprek verbaasd gereageerd en gezegd: “Dit kan toch niet.” We hadden toch afspraken over het pleidooi. Vervolgens begon [geïntimeerde] in te gaan op de merites van de zaak. Hij zei: “laten we het nu eens over de samenwerkingsovereenkomst hebben.” (…) Er ontstond een twist gesprek over de zaak zelf. Ik ging daar in mee. Op een gegeven moment zei [geïntimeerde] dat hij de argumenten van de andere advocaten eigenlijk heel plausibel vond en dat ik (Chipsol) naar zijn mening eigenlijk helemaal geen zaak had. [geïntimeerde] stuurde in dat telefoongesprek aan op een informele bespreking/comparitie op de rechtbank met de betrokkenen.

Ik heb gezegd dat ik het fundamenteel oneens was met zijn visie (…). Ik zei toen nog dat ik wilde vasthouden aan de afspraken die over het pleidooi waren gemaakt. In de hoop dat ik [geïntimeerde] kon overtuigen van het gelijk van mijn cliënte. [geïntimeerde] reageerde daarop ironisch met de opmerking: “Nou dan moet u van goede huize komen.”, of woorden van gelijke strekking.

(…)

Ik heb het telefoongesprek als ontstellend ervaren en onmiddellijk contact gezocht met mijn cliënte.

(…)

U neemt met mij door paragraaf 5 van mijn brief van 12 december 1994 aan mijn procureur (…). U vraagt mij welke opmerkingen [geïntimeerde] noemde die andere raadslieden over mij zouden hebben gemaakt. [geïntimeerde] antwoordde dat mijn cliënten van die ruziemakers waren en dat ze aan mij dus een hele goeie hadden. (…)

Mr. Boukema vraagt mij wie die andere advocaten waren die [geïntimeerde] in de telefoongesprekken zou hebben genoemd. Hij heeft geen namen genoemd. Die niet met name genoemde advocaten zouden mij hebben afgeschilderd als iemand die voortdurend ruzie maakt en overbodige procedures voert.

Op een vraag van mr. Boukema antwoord ik dat [geïntimeerde] tijdens dat telefoongesprek geen reden heeft opgegeven voor het feit dat hij met andere advocaten had gesproken. Hij heeft wel gezegd dat hij net zo open met hen heeft gesproken als met mij.

(…).”.

De getuige [secretaresse van appellant]

3.7

Mevrouw [secretaresse van appellant] , van mei 1993 tot mei 2005 secretaresse van [appellant] , heeft als getuige onder meer verklaard dat zij blijft bij de verklaring die zij op 7 mei 2004 op schrift heeft gesteld en die zich bij de processtukken bevindt.

Deze verklaring houdt onder meer in als volgt:

“Op 6 december 1994 heeft mr [appellant] gebeld met de secretaresse van mr. [geïntimeerde] om te vragen of hij op 8 december iets langer mocht pleiten dan was afgesproken, vanwege de vele producties van de gedaagden (…).

Mr. [geïntimeerde] heeft enige tijd later via zijn secretaresse teruggebeld en ik heb mr. [geïntimeerde] toen met mr. [appellant] doorverbonden, die verbaasd reageerde toen ik hem zei dat ik mr. [geïntimeerde] aan de lijn had. (…)

De tussendeur van de kamer van mr. [appellant] en mijn kamer stond open en ik hoorde dat mr. [appellant] steeds harder ging praten gedurende het telefoongesprek. Na het gesprek, dat zeker tien minuten geduurd heeft, kwam mr. [appellant] onthutst mijn kamer binnen en vertelde dat hij inderdaad mr. [geïntimeerde] zelf had gesproken en daar geen goed gevoel aan over had gehouden, omdat volgens mr. [appellant] mr. [geïntimeerde] het pleidooi eigenlijk niet wilde laten doorgaan en ook al met de wederpartijen hierover had gesproken. Mr. [appellant] is daarna met de cliënten gaan bellen om over het telefoongesprek te vertellen.”.

Als getuige heeft mevrouw [secretaresse van appellant] verder, voor zover thans van belang, verklaard:

“(…) het pleidooi heeft plaatsgevonden (…) op 8 december 1994 (…). Ik wist dat de week daar aan voorafgaand mr. [appellant] niet op kantoor was omdat hij in het buitenland verbleef. Tijdens zijn afwezigheid is er een hele stapel producties gekomen waarop de wederpartij tijdens het pleidooi een beroep wilde doen. Ik weet dat mr. [appellant] (…) op dinsdag terug gekomen is op kantoor. In mijn beleving is hij meteen toen hij die stapel producties zag gaan bellen met de Haagse rechtbank. Hij vond dat hij zeker gelet op die stapel producties meer spreektijd toebedeeld moest krijgen. (…)

(…)

Ik weet (…) zeker dat mevrouw [medewerker van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag] (de secretaresse van [geïntimeerde] , opm. rb.) dezelfde dag mij heeft terug gebeld met de mededeling dat mr. [geïntimeerde] zelf met mr. [appellant] wilde spreken. (…) Toen ik wilde doorverbinden met mr. [appellant] en hem zei dat ik mr. [geïntimeerde] aan de lijn had, zei mr. [appellant] , je bedoelt zeker de griffier van mr. [geïntimeerde] . Ik heb toen gezegd: nee mr. [geïntimeerde] wil u zelf spreken. Toen heeft mr. [appellant] iets gezegd in de trant van: nou kom maar op dan, waarna het contact tot stand is gebracht.

De tussendeur tussen de kamer van mr. [appellant] en mijn kamer stond open. (…)

Het telefoongesprek tussen mr. [appellant] en mr. [geïntimeerde] heeft wel 10 minuten geduurd. (…) Ik hoorde op de achtergrond de stem van mr. [appellant] , die steeds luider begon te praten.

(…)

Ik herinner mij dat na afloop van het telefoongesprek mr. [appellant] zijn kamer kwam uitstormen. Hij maakte een ongeruste en verbijsterde indruk. Hij vertelde mij dat mr. [geïntimeerde] over de zaak met andere advocaten had gesproken, dat mr. [geïntimeerde] wilde dat het pleidooi niet zou doorgaan, en dat hij, mr. [appellant] , geen goed gevoel had over het telefoongesprek. Hij vroeg mij meteen de cliënten in de Chipsol zaak te bellen. Dat heb ik toen gedaan.

Ik heb hetgeen mr. [appellant] in het telefoongesprek met mr. [geïntimeerde] heeft gezegd niet woordelijk verstaan”.

De getuige Gerritsen

3.8

Bij de stukken van het geding bevinden zich twee schriftelijke verklaringen van mr Gerritsen van respectievelijk 18 januari 2005 en 26 april 2006.

3.9

In deze verklaringen zet mr Gerritsen, die vanaf 1995 als advocaat bij de Chipshol-zaak is betrokken geweest, uiteen dat en waarom hij verbaasd was over het verloop van het bodemgeschil en de rol van [geïntimeerde] daarbij, en dat hij telefonisch bij [geïntimeerde] bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken bij de vaststelling van een pleidooidatum in februari 1997 en in het bijzonder ook tegen de omstandigheid dat [geïntimeerde] voorzitter zou zijn van de betreffende kamer, hoewel hij ook in kort geding de zaak al had behandeld. Onjuist is daarom, aldus mr Gerritsen, dat mr [geïntimeerde] nimmer met advocaten heeft gebeld in de Chipshol-zaak, zoals hij in de dagvaarding in deze zaak heeft gesteld.

3.10

Mr Gerritsen heeft als getuige verklaard bij de inhoud van zijn schriftelijke verklaringen te blijven. Hij heeft daaraan, voor zover thans van belang nog toegevoegd:

“Ik wist ervan dat [appellant] in 1994 een telefoongesprek met de heer [geïntimeerde] heeft gevoerd. Die wetenschap ontleen ik uit de tweede hand. (…).

Ik moet daar wel aan toevoegen dat ik dat toentertijd niet echt een belangrijk punt vond.”.

De getuige Numann

3.11

E.J. Numann bekleedde destijds onder meer de functie van persrechter bij de Haagse rechtbank. Als getuige heeft Numann verklaard over de totstandkoming van de tekst van twee ingezonden brieven van zijn hand die op 2 april 1997 en 19 april 1997 in NRC Handelblad zijn geplaatst. Deze betreffen hetgeen in 1997 in de Chipshol-zaak is voorgevallen rond het terugtreden van [geïntimeerde] als voorzitter van de kamer waarvoor in februari 1997 in die zaak pleidooien waren bepaald.

De getuige Van Delden

3.12

De getuige Van Delden, destijds president van de Haagse rechtbank, heeft onder meer, mede naar aanleiding van vragen over punt 5 van de onder 3.3 bedoelde brief, verklaard dat hij deze met [geïntimeerde] heeft besproken en dat hij de klachten van [appellant] destijds vooral heeft opgevat als klachten omtrent de gang van zaken tijdens de pleidooizitting. Mr Van Delden kent naar zijn zeggen [geïntimeerde] niet als rechter die met een advocaat telefonisch inhoudelijk zaken bespreekt of mededelingen van andere advocaten over deze advocaat zou doorgeven.

Achteraf bezien, aldus de getuige Van Delden, zou het misschien wel verstandig zijn geweest in zijn reactie van 16 december 1994 aan de procureur van [appellant] ook expliciet te vermelden dat [geïntimeerde] ontkende dat die telefonische contacten hadden plaatsgevonden.

De getuige [getuige 1]

3.13

De getuige [getuige 1] heeft verklaard over een wrakingsverzoek dat zij, in een zaak die geen verband hield met de Chipshol-zaken, op 19 april 1996 tegen [geïntimeerde] heeft ingediend en een telefoongesprek dat zij met [geïntimeerde] daarover heeft gevoerd.

De getuigen [voormalig medewerker van de griffie van de Haagse rechtbank 1] en [voormalig medewerker van de grffie van de Haagse rechtbank 2]

3.14

De getuigen [voormalig medewerker van de griffie van de Haagse rechtbank 1] en [voormalig medewerker van de grffie van de Haagse rechtbank 2] hebben als (voormalig) medewerkers van de griffie van de Haagse rechtbank verklaard over de gebruikelijke handelwijze bij de verdeling van zaken voor comparitie na antwoord, de planning van getuigenverhoren en pleidooien, en de procedure die geldt bij het doorverbinden van inkomende telefoongesprekken.

Schriftelijke verklaringen van behandelend advocaten

3.15

Bij brieven van 1 november 2004 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan mr T.D. de Groot, mr S.E. Eisma, mr A.H. van Herk en mr C.N. Peijster de vraag gesteld:

“Namens Mr [geïntimeerde] verzoek ik u mij schriftelijk te verklaren of u al dan niet vóór of omstreeks 6 december 1994 met Mr [geïntimeerde] per telefoon over de Chipsol-zaak heeft gesproken.”.

Mr De Groot heeft daarop bij brief van 2 november 2004 geantwoord dat hij zich de gang van zaken rond het pleidooi en de daarvoor aangeleverde producties herinnert. Mr [appellant] liet een paar dagen voor de pleidooien op 6 december 1994 lijvige ordners met producties bezorgen. Daarover is mr De Groot één- of hooguit tweemaal gebeld door de rechtbank Den Haag. Contacten verliepen met de griffier/secretaresse van [geïntimeerde] . Mr De Groot kan niet volledig uitsluiten dat hij ook nog kort met [geïntimeerde] zelf heeft gesproken. De inhoud van de Chipshol-zaak is bij die telefonische contacten zeker niet aan de orde geweest, doch alleen kwesties die de regie van de zitting en de producties betroffen.

Mr Eisma kan zich, zo blijkt uit zijn schriftelijke antwoord aan mr Boukema bij brief van 3 november 2004, het betreffende pleidooi nog levendig herinneren. Hij kan zich niet herinneren dat hij met [geïntimeerde] telefonisch over de zaak heeft gesproken. Als [geïntimeerde] dat wel zou hebben gedaan zou mr Eisma zich dat stellig hebben herinnerd.

Mr Van Herk heeft op 15 november 2004 schriftelijk gereageerd met de mededeling dat het verloop van de betreffende zitting hem nog zeer helder voor ogen staat, maar dat hij zich niet kan herinneren telefonisch met [geïntimeerde] over de Chipshol-zaak te hebben gesproken. Mr Van Herk voegt daar aan toe dat hij zich de in Nederland ongebruikelijke démarche van een rechter om hem als een bij de procedure betrokken advocaat op te bellen zou moeten herinneren.

Mr Peijster ten slotte heeft te kennen gegeven dat hij, gelet op het tijdsverloop van tien jaren, noch bevestigen noch ontkennen kan dat zo een telefoongesprek heeft plaatsgevonden; hij kan het zich gewoon niet meer herinneren.

Schriftelijke verklaring van [bedrijfsjurist Chipshol]

3.16

Op 11 oktober 2005 heeft mr. [bedrijfsjurist Chipshol] , destijds bedrijfsjurist Chipshol, een verklaring ondertekend, die onder meer het volgende inhoudt:

“Indien rechter [geïntimeerde] stelt dat hij mr. [appellant] niet heeft gebeld voorafgaande aan de zitting van 8 december 1994, dan spreekt hij niet de waarheid. Ik kan mij nog zeer goed herinneren dat mr. [appellant] geschrokken aan ons meedeelde dat hij door rechter [geïntimeerde] was gebeld en dat rechter [geïntimeerde] ook had gebeld met de advocaten van de tegenpartij. Mr. [appellant] was zo geschrokken omdat rechter [geïntimeerde] uitlatingen had gedaan, die zeer ongunstig voor ons waren, zoals dat wij niet hadden bewezen dat [Groep] c.s. wanprestatie hadden gepleegd en dat rechter [geïntimeerde] geen behoefte had aan een pleidooi van mr. [appellant] ”.

[geïntimeerde]

3.17

[geïntimeerde] heeft in de dagvaarding aangevoerd dat hij nimmer met advocaten heeft gebeld in de Chipshol-zaak. Dat standpunt heeft [geïntimeerde] ter comparitie en bij repliek herhaald. Bij antwoordconclusie na enquête heeft [geïntimeerde] dit standpunt in zoverre genuanceerd, dat deze uitspraak moet worden bezien tegen de achtergrond van het meervoudige verwijt dat besloten ligt in de omstreden passage in het boek Topadvocatuur.

3.18

Als getuige heeft [geïntimeerde] , voor zover thans van belang, ook nadat hij met verklaringen van de getuigen [appellant] en [secretaresse van appellant] was geconfronteerd, verklaard dat hij zeker weet dat het door die getuigen genoemde telefoongesprek tussen hem en [appellant] op 6 december 1994 niet heeft plaatsgevonden en dat hij dat ook naar aanleiding van de onder 3.3 bedoelde brief aan mr Van Delden heeft kenbaar gemaakt.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Geoordeeld moet worden dat [appellant] niet in het bewijs is geslaagd. Aan dat oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

4.2

Uit de stellingen van [appellant] in dit geding volgt dat aan de basis van zijn omstreden uitlatingen in het boek van [journalist] een telefoongesprek heeft gelegen, dat op 6 december 1994 tussen hem en [geïntimeerde] zou hebben plaatsgevonden in verband met de Chipshol-zaak.

4.3

Aangenomen moet daarom ook worden dat [appellant] met de passage onder 5 van de onder 3.3 bedoelde ‘brief aan de president’ doelde op dat telefoongesprek.

In antwoord op die brief heeft mr Van Delden meegedeeld dat [geïntimeerde] het volstrekt oneens was met de inhoud en de strekking van die brief en dat hij, Van Delden, geen aanleiding heeft gevonden om aan te nemen dat er sprake was van gegronde klachten over [geïntimeerde] . De stelling van [appellant] dat zijn beschrijving onder 5 van zijn brief van 12 december 1994, bij gebreke van voldoende weerwoord van de president, thans als feitelijk juist en vaststaand moet worden aangemerkt en dat hij ook destijds uit het zwijgen op dit punt te goeder trouw mocht afleiden dat daarmee werd ingestemd, moet reeds daarom als ongegrond worden verworpen.

4.4

Het beschikbare bewijsmateriaal houdt duidelijke aanwijzingen in dat op 6 december 1994 telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen [appellant] en [geïntimeerde] , nadat [appellant] de Haagse rechtbank had gebeld om extra spreektijd te vragen voor het pleidooi op 8 december 1994 in verband met de grote hoeveelheid nieuwe producties van de wederpartij in de Chipshol-zaak. Maar dit laat onverlet dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat dit telefonische contact heeft plaatsgevonden, onvoldoende feiten zijn komen vast te staan om de gewraakte uitlating van [appellant] over [geïntimeerde] te rechtvaardigen.4.5 Zo is niet bewezen dat [geïntimeerde] (uitvoerig) met de andere advocaten in de Chipshol-zaak is gaan bellen.

Mrs Eisma en Van Herk hebben verklaard dat zij zich een telefoongesprek met [geïntimeerde] over de Chipshol-zaak voor of omstreeks 6 december 1994 wel zouden hebben kunnen herinneren indien dit zou hebben plaatsgevonden, en dat van zo een herinnering geen sprake is.

Mr De Groot herinnert zich dat hij is gebeld door een medewerker van de rechtbank naar aanleiding van een grote hoeveelheid nieuwe producties voor de pleidooien in december 1994, en hij kan niet volledig uitsluiten dat hij ook nog kort met [geïntimeerde] zelf heeft gesproken. De inhoud van de Chipshol-zaak is bij die telefonische contacten echter zeker niet aan de orde geweest, doch alleen kwesties die de regie van de zitting en de producties betroffen.

Mr Peijster heeft als enige te kennen gegeven zich niet te kunnen herinneren of een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden.

Hoewel de betreffende vraag niet meer aan mr Vermeer kon worden voorgelegd, is uit overgelegde correspondentie van zijn hand in ieder geval gebleken dat hij zich ertegen heeft verzet dat de onder 3.3 bedoelde brief mede namens hem zou worden verzonden omdat hij het met de inhoud daarvan niet eens was.

4.6

Belangrijker is dat niet de juistheid is komen vast te staan van de ernstige aantijging die in de omstreden passage ligt besloten, namelijk dat [geïntimeerde] met [appellant] of met andere destijds in de Chipshol-zaak betrokken advocaten, telefonisch, dus buiten de behandeling ter (pleidooi)zitting om, inhoudelijk over de (merites van de) Chipshol-zaak heeft gesproken.

Waar niet bewezen is dát [geïntimeerde] voorafgaand aan het pleidooi met andere advocaten over de Chipshol-zaak telefonisch contact heeft gehad, geldt uiteraard dat omtrent de inhoud van die vermeende gesprekken evenmin iets kan worden vastgesteld. Maar ook ten aanzien van het telefonische contact dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] op 6 december 1994 plaatsgehad zou kunnen hebben, geldt dat niet is komen vast te staan dat daarin inhoudelijk over de zaak is gesproken. Voor zover de verklaringen van mevrouw [secretaresse van appellant] al betrekking hebben op wat in het bewuste telefoongesprek inhoudelijk zou zijn besproken, betreft het telkens informatie die is verkregen van [appellant] zelf. Hetzelfde geldt voor de schriftelijke verklaring van mr [bedrijfsjurist Chipshol] . Daarom leggen deze verklaringen tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerde] onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] met [appellant] in het veronderstelde telefoongesprek inhoudelijk over de zaak heeft gesproken. Daar komt bij dat de brief die [appellant] kort na het pleidooi, op 12 december 1994, heeft geschreven naar aanleiding van zijn klachten over het optreden van [geïntimeerde] in de Chipshol-zaak, nu juist geen melding maakt van de inhoudelijke opmerkingen over de zaak die [geïntimeerde] volgens [appellant] zou hebben gemaakt in het telefoongesprek dat zij met elkaar zouden hebben gevoerd. Dat is opmerkelijk. Die brief - die is opgesteld in bewoordingen die op een goudschaaltje zijn gewogen, zoals [appellant] heeft aangevoerd - had immers ten doel de president van de Haagse rechtbank ertoe te bewegen [geïntimeerde] van de behandeling van de Chipshol-zaak af te halen. Indien [geïntimeerde] nu inderdaad in het telefoongesprek waaraan [appellant] refereert, inhoudelijk op de zaak zou zijn ingegaan, is onbegrijpelijk waarom [appellant] daarvan in die brief geen gewag heeft gemaakt. Het zou een ernstig verwijt zijn geweest dat beduidend verder strekt dan de klachten die [appellant] wel in de brief heeft geuit. De omstandigheid dat, wat betreft de inhoud van het telefonische contact, [appellant] in die brief heeft volstaan met te vermelden dat [geïntimeerde] opmerkingen van andere advocaten over hem, [appellant] , heeft genoemd, vormt een aanwijzing voor de onjuistheid van [appellant] latere bewering dat [geïntimeerde] tijdens dat telefoongesprek uitvoerig over de inhoud van de zaak zou hebben gesproken.

4.7

De rechtbank is van oordeel dat [appellant] er niet in is geslaagd aan te tonen dat zijn bewering dat [geïntimeerde] als rechter in de Chipshol-zaak een voorbeeld is van rechters die bij grote claims nerveus worden, en die dan uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak, op voldoende feitelijk juiste gronden berust.

5 Slotsom

5.1

Bij deze stand van zaken is, gelet op hetgeen in het vonnis van 14 december 2005 reeds is overwogen, het onrechtmatige karakter niet ontnomen aan de omstreden uitlating van [appellant] in het boek van [journalist] .

5.2

Dat brengt met zich dat de vordering, die voor het overige niet, althans niet voldoende gemotiveerd is weersproken, toewijsbaar is op de wijze zoals hierna is vermeld, zowel wat betreft de gevraagde verklaring voor recht, als wat betreft de gevorderde nader vast te stellen schadevergoeding.

5.3

[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] , vastgesteld op na te noemen bedragen.

6 De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat de uitspraak van [appellant] , gepubliceerd door [journalist] in het boek Topadvocatuur, uitgegeven door Memory, dat bij grote claims Nederlandse rechters nerveus worden, dat er dan opeens gekke dingen gaan gebeuren, zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak en dat dit ook is gebeurd in de Chipshol-zaak met [geïntimeerde] , onrechtmatig is jegens [geïntimeerde] ;

veroordeelt [appellant] tot betaling van een schadevergoeding aan [geïntimeerde] , op te maken bij staat;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op (…);

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.”

Hof ‘s-Gravenhage

2.13.

In het door [appellant] tegen de vonnissen van de rechtbank Rotterdam ingestelde hoger beroep is [geïntimeerde] opnieuw bijgestaan door Boukema.

2.14.

Bij arrest van 23 juni 2009 heeft het hof te ‘s-Gravenhage, voor zover hier van belang, overwogen en beslist:

“(..)

3.3

Het hof stelt het volgende voorop.

3.3.1.

Anders dan [geïntimeerde] meent, ligt in de (sub)passage (rechtbank: zie hiervoor r.o. 2.1)naar het oordeel van het hof niet de suggestie besloten dat op grond van het daarin beschreven gedrag van [geïntimeerde] aan diens onpartijdigheid en/of onafhankelijkheid moet worden getwijfeld. Gezien tegen de achtergrond van hetgeen aan de subpassage vooraf gaat (“een enorme vrees voor ‘Amerikaanse toestanden’ en “moet een rechter niet bang zijn doortastend op te treden”) alsook wat daarop volgt (“Nederland lijkt wel te klein voor grote claims” en “Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel”) en gelet voorts op de tekst van de subpassage zelf (“dat Nederlandse rechters nerveus worden” en “Er gaan opeens gekke dingen gebeuren”) is de connotatie veeleer die van een zekere schroom ten opzichte van het toewijzen van (zeer) grote schadeclaims en, daarmee samenhangend, van onhandigheid c.q. niet goed weten hoe “mega zaken” moeten worden aangepakt. Tegen die achtergrond moet dan ook, naar het oordeel van het hof, het zinsdeel “zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak” begrepen worden. Dit betekent dat de (sub)passage weliswaar kritiek uit op (de professionaliteit van) rechters en - als voorbeeld - op [geïntimeerde] , maar ook dat de door [geïntimeerde] gestelde aantasting van zijn eer en goede naam minder ver strekt, althans een ander karakter heeft dan hij aanvoert.

3.3.2

Het hier overwogene neemt niet weg dat het voeren van telefoongesprekken als in de subpassage bedoeld risico's mee brengt voor de (objectieve) onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter. De stelling dat dergelijke gesprekken gevoerd zijn, kan weliswaar bij de lezer – vaak mede afhankelijk van welk standpunt deze uitgaat, zie hierna onder 3.3.3. - de gedachte oproepen dat dit risico zich ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd, maar die enkele mogelijkheid maakt de uiting nog niet onrechtmatig.

3.3.3

Over het antwoord op de vraag of (en zo ja, hoe en waarover) een rechter in een zaak een telefonisch gesprek kan voeren met een advocaat kan verschillend worden gedacht. De bewoordingen waarin men zich over zodanige contacten uit zullen – en mogen ook – variëren naar gelang de positie die men over die kwestie inneemt. Dat maakt dat bij de beoordeling van de vraag die in dit geding voorligt een zekere vrijheidsmarge moet worden aangehouden.

3.3.4

De positie van de rechter, en zeker van een individuele rechter, in het openbaar debat is een delicate. Die positie vrijwaart de rechter - noch in het algemeen noch in het individuele geval - echter niet van kritiek, ook niet waar het gaat om diens (objectieve) onpartijdigheid en/of onafhankelijkheid.

3.4

Dat [geïntimeerde] zelf in de subpassage twijfel over zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid las (en leest) is, gelet op de brief die [appellant] op 12 december 1994 - via zijn procureur - aan de toenmalige de president van de Haagse rechtbank, mr. A.H. van Delden (hierna: Van Delden), had doen toekomen (waarin [appellant] zich had beklaagd over de wijze waarop [geïntimeerde] zich in een door hem voor Chipshol behandelde zaak had opgesteld), op zich niet onbegrijpelijk. Het gaat er in deze zaak echter om hoe de lezers van het bewuste hoofdstuk uit het boek “Topadvocatuur” – die, naar mag worden aangenomen, genoemde brief niet kennen – (de passage en) de subpassage verstaan c.q. hebben verstaan. Daarvoor verwijst het hof naar hetgeen onder 3.3 is overwogen.

3.5

Met betrekking tot de vraag of [appellant] al dan niet is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen bewijs overweegt het hof als volgt.

3.6

Het hof acht – behoudens (nader) tegenbewijs: zie onder 3.14 - bewezen dat [geïntimeerde] voorafgaand aan de pleidooien op 8 december 1994 in de zaak van Chipshol tegen (onder meer) N.V. Landinvest een telefoongesprek heeft gevoerd met [appellant] . De – gedetailleerde - getuigenverklaringen van [appellant] en zijn toenmalige secretaresse, [secretaresse van appellant] , over een zodanig telefoongesprek alsmede de zojuist genoemde brief van 12 december 1994 - geschreven enkele dagen na dat pleidooi - in welke brief ook melding wordt gemaakt van een zodanig gesprek, brengen het hof tot dit oordeel. De getuigenverklaring van [secretaresse van appellant] en de brief van [appellant] van 12 december 1994 acht het hof daarbij zodanig in overeenstemming met essentiële punten in de (aanvullende) partijverklaring van [appellant] dat deze voldoende geloofwaardig is.

3.7

De ontkenning van [geïntimeerde] (ook als getuige) dat een gesprek als bedoeld heeft plaatsgevonden is onvoldoende om anders te oordelen. De brief die Van Delden schreef in reactie op de brief van [appellant] is te weinig concreet om die ontkenning te ondersteunen. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat het niet voor de hand ligt aan te nemen dat [appellant] op 12 december 1994, toen er over een telefoongesprek nog geen geschil was gerezen, een dergelijk gesprek in strijd met de waarheid in zijn brief zou hebben opgenomen noch dat Van Delden of [geïntimeerde] - indien dat wèl in strijd met de waarheid was – daarop niet expliciet zouden hebben gereageerd. Ook de getuigenverklaringen van de toenmalige griffiemedewerkers [voormalig medewerker van de griffie van de Haagse rechtbank 1] en [voormalig medewerker van de grffie van de Haagse rechtbank 2] , die hebben verklaard dat de instructie gold dat rechters nooit met advocaten werden verbonden en dat het contact met advocaten steeds via medewerkers van de griffie diende te verlopen, leggen – tegenover het overwogene onder 3.6 - onvoldoende gewicht in de schaal. Daar komt bij dat [geïntimeerde] wel degelijk tenminste bij één andere gelegenheid een telefoongesprek met een advocaat heeft gevoerd in verband met een door hem behandelde (Chipshol)zaak. Voorts heeft hij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat een rechter “in de hoedanigheid van rolrechter” contact kan opnemen met advocaten over zaken van orde en technische kwesties alsmede dat het niet ongebruikelijk was dat zijn toenmalige secretaresse (niet tevens griffiemedewerker, althans dat is gesteld noch gebleken) contact met advocaten had (“Zij was een manusje van alles”). [geïntimeerde] kan evenmin worden gevolgd in zijn stellingname dat hetgeen [appellant] in zijn hiervoor bedoelde brief aan zijn procureur schreef over de wijze waarop het telefoongesprek tot stand was gekomen zich niet zou verdragen met de wijze waarop dat contact volgens de getuigenverklaringen van [appellant] en [secretaresse van appellant] de bewuste dag is gelegd. De formulering “De griffier heeft toen telefonisch contact tot stand gebracht” – waarop [geïntimeerde] zich beroept - kan immers ook doelen op “toen, diezelfde dag”. Hoe dan ook weegt dit detail niet op tegen het eerder overwogene. Ten slotte zij nog opgemerkt dat hetgeen een aantal advocaten heeft verklaard omtrent hun contacten met [geïntimeerde] (producties 9.1 tot en met 9.8 in eerste aanleg van [geïntimeerde] ) niet relevant is, nu zij over het al dan niet plaatsgevonden hebben van een telefoongesprek tussen [appellant] en [geïntimeerde] niets verklaren. Het hof merkt in dit verband en mede met het oog op het in de volgende alinea overwogene op dat [appellant] weliswaar stelt dat [geïntimeerde] in het onder 3.6 bedoelde telefoongesprek heeft gezegd dat hij ( [geïntimeerde] ) met andere advocaten in de zaak had gesproken, maar die stelling moet onderscheiden worden van de niet door [appellant] ingenomen stelling dat [geïntimeerde] daadwerkelijk met die andere advocaten heeft gesproken.

3.8

Het hof acht voorts – behoudens (nader) tegenbewijs: zie ook onder 3.14 - bewezen dat het bewuste telefoongesprek niet heel kort heeft geduurd en meer dan een zakelijk gesprek over een puur organisatorisch procedureel punt is geweest, dit gelet op de getuigenverklaringen van [appellant] en [secretaresse van appellant] . Volgens laatstgenoemde, die – aldus haar verklaring – tijdens het gesprek in de kamer naast [appellant] zat, met de tussendeur open, heeft het gesprek “wel 10 minuten” geduurd. Zij heeft voorts verklaard dat [appellant] tijdens het gesprek steeds luider ging praten, dat hij na afloop van het telefoongesprek zijn kamer uit kwam stormen en een ongeruste en verbijsterde indruk maakte. Over de inhoud van het gesprek, aldus de verklaring van [secretaresse van appellant] , heeft [appellant] haar – zo begrijpt het hof uit haar verklaring - direct daarna verteld dat [geïntimeerde] over de zaak met andere advocaten had gesproken (hetgeen overeenkomt met hetgeen [appellant] in zijn hiervoor reeds genoemde brief van 12 december 1994 schreef), dat hij wilde dat het pleidooi niet zou doorgaan en dat hij, [appellant] , geen goed gevoel had over het telefoongesprek; op verzoek van [appellant] had zij vervolgens de cliënten in de Chipshol-zaak gebeld. Dit laatste vindt bevestiging in de schriftelijke verklaring van [bestuurder] (deze is weliswaar overgelegd in de door [journalist] en Memory genomen akte houdende overlegging producties van 31 oktober 2005, maar [appellant] heeft die verklaring aangehaald en daarnaar verwezen in zijn conclusie na enquête sub 14 en [geïntimeerde] heeft zich vervolgens niet op het standpunt gesteld dat dit stuk geen onderdeel uitmaakt van de procedure tussen hem en [appellant] noch betoogd dat hij niet wist waar de verwijzing op sloeg). In zijn getuigenverklaring heeft [appellant] uitvoerig en gedetailleerd verklaard over de inhoud van zijn telefoongesprek met [geïntimeerde] . Uit zijn verklaring kan zonder meer worden opgemaakt dat het gesprek de nodige tijd heeft geduurd. Zijn weergave van het gesprek komt erop neer dat [geïntimeerde] zich (ook) heeft uitgelaten over de merites van de zaak. [appellant] heeft als getuige voorts verklaard dat hij het telefoongesprek als ontstellend heeft ervaren, na afloop daarvan ontzet en hevig geëmotioneerd was en onmiddellijk daarna contact heeft gezocht met zijn cliënte; een en ander komt overeen met hetgeen [secretaresse van appellant] terzake heeft verklaard. Ook hier geldt dat de (op de hiervoor aangegeven punten voorts door nader bewijsmateriaal ondersteunde) getuigenverklaring van [secretaresse van appellant] zodanig in overeenstemming is met de (aanvullende) partijverklaring van [appellant] , dat deze (voldoende) geloofwaardig is. Waar [geïntimeerde] heeft verklaard dat er geen telefoongesprek tussen hem en [appellant] heeft plaatsgevonden, kan zijn verklaring in dit verband onvoldoende contragewicht in de schaal leggen.

3.9

Dat begin 1997 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en mr. R.E. Gerritsen – die sinds 1995 als één van de advocaten van Chipshol is opgetreden – staat vast. Gerritsen heeft als getuige in deze zaak een verklaring afgelegd. Aan het proces-verbaal van (onder meer) zijn getuigenverklaring is gehecht een schriftelijke verklaring van zijn hand van 26 april 2006. Als getuige heeft Gerritsen in die schriftelijke verklaring uitdrukkelijk volhard. De verklaringen van Gerritsen komen op het volgende neer. Er was destijds – eind 1996/begin 1997 – een bodemprocedure aanhangig bij de rechtbank Den Haag tussen (onder meer) Chipshol en een aantal vennootschappen behorend tot de [Groep] Groep. In dat kader werden tevens voorlopige getuigenverhoren gehouden. Tussen partijen was afgesproken dat de bodemprocedure werd opgeschort totdat die getuigenverhoren zouden zijn afgerond. In strijd met die afspraak werd Chipshol in december 1996 een peremptoir uitstel aangezegd van twee weken voor het nemen van de conclusie van antwoord. Chipshol heeft die conclusie in januari 1997 genomen ( [appellant] heeft bij conclusie na enquête een rolbericht overgelegd waaruit blijkt dat op 7 januari 1997 van die conclusie werd gediend). Op de volgende roldatum, 22 januari 1997, zag de wederpartij af van verder concluderen en werd bepaald dat pleidooi zou plaatsvinden op 13 februari 1997 (een en ander vindt bevestiging in het door [appellant] eveneens bij conclusie na enquête overgelegde bericht met betrekking tot die roldag). Met Gerritsen was over dat tijdstip geen overleg gevoerd; een uitnodiging verhinderdagen op te geven had hij niet ontvangen. Gerritsen noch (de vertegenwoordiger van) zijn cliënte waren op 13 februari 1997 beschikbaar (het feit dat hijzelf niet beschikbaar was op 13 februari 1997 alsook dat er geen overleg had plaatsgevonden over de pleidooidatum noch verhinderdagen waren opgevraagd vermeldt Gerritsen ook in zijn brief aan zijn procureur van 23 januari 1997, overgelegd door [appellant] bij conclusie na enquête). Bij onderzoek bleek Gerritsen dat de pleidooidatum was vastgesteld door [geïntimeerde] , in zijn hoedanigheid van rolrechter. Gerritsen heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met [geïntimeerde] . In dat telefoongesprek heeft Gerritsen zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen de gang van zaken bij het vaststellen van de pleidooidatum en gevraagd waarom er geen overleg met hem over die datum was gevoerd. Het antwoord van [geïntimeerde] was dat er van de zijde van de rechtbank enige tijd tevoren contact was opgenomen met de secretaresse van Gerritsen en die zou gezegd hebben dat Gerritsen beschikbaar was. Gerritsen heeft [geïntimeerde] gezegd dat hem daarvan niets bekend was (bij navraag, later, bleek geen van de secretaressen op het kantoor van Gerritsen een dergelijk contact te kunnen bevestigen). Gerritsen heeft [geïntimeerde] in het bewuste telefoongesprek gevraagd om uitstel van de pleidooidatum en heeft er in dat verband ook op gewezen dat [bedrijfsjurist Chipshol] sr. er belang aan hechtte ter zitting aanwezig te zijn. [geïntimeerde] zag als rolrechter in dat belang geen aanleiding de pleidooidatum te wijzigen. Tijdens het telefoongesprek heeft [geïntimeerde] laten weten dat hij de kamer zou voorzitten ten overstaan waarvan de pleidooien zou worden gehouden. Gerritsen heeft daarop zijn bezwaren daartegen kenbaar gemaakt. Die waren met name gelegen in het feit dat [geïntimeerde] in die casus ook al een kort geding vonnis had gewezen. [geïntimeerde] wees die bezwaren af. Vervolgens heeft Gerritsen belet gevraagd en gekregen bij Van Delden. In dat gesprek heeft Gerritsen de mogelijkheid voorgelegd dat [geïntimeerde] vrijwillig zou terugtreden (zodat een wrakingsverzoek niet nodig zou zijn). Van Delden heeft Gerritsen het advies gegeven een formeel wrakingsverzoek in te dienen. Dat heeft Gerritsen vervolgens gedaan (van dit wrakingsverzoek maakt Gerritsen ook melding in zijn brief aan Van Delden van 3 maart 1997, overgelegd door [appellant] bij conclusie na enquête). [geïntimeerde] heeft zich uiteindelijk teruggetrokken en Gerritsen heeft het wrakingsverzoek daarop ingetrokken. Aldus de weergave van voornoemde verklaringen van Gerritsen, die als getuige ook nog verklaarde het bewuste telefoongesprek “embarrassing” gevonden te hebben.

3.10

[geïntimeerde] is als getuige twee keer gehoord en heeft in beide verhoren verklaard over het telefoongesprek met Gerritsen.

3.10.1

In het eerste verhoor heeft [geïntimeerde] verklaard dat in de zaak pleidooi was bepaald nadat er verhinderdata van partijen waren opgevraagd en opgegeven zoals in de Haagse praktijk gebruikelijk. Gerritsen heeft om uitstel gevraagd omdat de heer [bedrijfsjurist Chipshol] op de geplande datum niet aanwezig kon zijn. [geïntimeerde] heeft dat verzoek afgewezen omdat de datum was bepaald nadat partijen de gelegenheid hadden gehad verhinderdata op te geven. Vervolgens gaf Gerritsen aan er moeite mee te hebben dat [geïntimeerde] het pleidooi zou voorzitten, omdat deze in de zaak ook al een kort geding uitspraak had gedaan. Gerritsen heeft toen gezegd dat, als hij geen uitstel van het pleidooi zou krijgen, hij een wrakingsverzoek zou indienen, althans zo is dat op [geïntimeerde] overgekomen. Een zodanig verzoek heeft [geïntimeerde] overigens nooit bereikt. [geïntimeerde] heeft vervolgens tegen Gerritsen gezegd dat dat onpraktisch zou zijn omdat mr. Van der Windt in die zaak al voorlopige getuigenverhoren had gedaan en hijzelf ook goed van de zaak op de hoogte was en dat een en ander weer tot uitstel zou leiden. Bij handhaven van de bezwaren zou [geïntimeerde] zich echter terugtrekken. Aldus [geïntimeerde] in de eerste verklaring.

3.10.2

In het tweede verhoor heeft [geïntimeerde] verklaard dat, naar hij aanneemt, het pleidooi was bepaald nadat verhinderdata van betrokken waren opgevraagd, zoals gebruikelijk. Gerritsen had naar de rolgriffier gebeld in verband met een uitstelverzoek. Omdat de rolgriffier er niet uitkwam en [geïntimeerde] Gerritsen heel goed kende, heeft hij zich met Gerritsen laten doorverbinden. [geïntimeerde] kende Gerritsen al vanaf 1978, zij hadden met elkaar gevoetbald (jonge balieteam tegen rechtbankteam). [geïntimeerde] belde als rolrechter, niet als behandelend rechter. [geïntimeerde] vond dat niet in strijd met zijn instructie dat rechters niet met advocaten bellen. Daarbij speelde een rol dat [geïntimeerde] Gerritsen zo goed kende. Gerritsen vroeg naar de kamersamenstelling en toen hij aangaf dat [bedrijfsjurist Chipshol] er problemen mee zou kunnen hebben dat [geïntimeerde] in de kamer zou plaatsnemen, heeft [geïntimeerde] gezegd dat wanneer namens [bedrijfsjurist Chipshol] een briefje zou worden geschreven waarin van dit bezwaar bleek, hij zich zou onttrekken aan de zaak. Hij ( [geïntimeerde] ) heeft letterlijk gezegd: “ik ben dan weg, ik heb genoeg gezien van de familie [bedrijfsjurist Chipshol] ”. Gerritsen zou dit met zijn cliënten bespreken. Aldus [geïntimeerde] in de tweede verklaring.

3.11

Gelet op de verklaringen van Gerritsen, de onder 3.9 genoemde rolberichten alsook de onder 3.9 genoemde brief van Gerritsen aan Van Delden lijkt het erop dat voorafgaand aan het bewuste pleidooi geen verhinderdagen aan partijen waren opgevraagd of anderszins overleg over die datum had plaatsgevonden en dat een (door Gerritsen ingediend) wrakingsverzoek nodig was alvorens [geïntimeerde] zich uit de desbetreffende Chipshol-zaak terugtrok. Zo bezien roepen de verklaringen terzake van [geïntimeerde] de nodige vraagtekens op. Maar welke inhoud het telefoongesprek ook precies mocht hebben gehad, naar het oordeel van het hof moet dit gesprek – dat [geïntimeerde] in ieder geval ook als (beoogde) zittingsrechter heeft gevoerd – in beide voorliggende lezingen worden betiteld als een ongebruikelijk telefoongesprek tussen een rechter en een advocaat. Als een kort gesprek dat zich beperkte tot een zakelijke gedachtewisseling over een puur organisatorisch procedureel punt kan het in geen van die lezingen worden beschouwd.

3.12

Aldus zijn twee telefoongesprekken tussen [geïntimeerde] en een Chipshol-advocaat – behoudens tegenbewijs – komen vast te staan. In dit verband merkt het hof nog op dat het het – anders dan [geïntimeerde] – niet relevant acht “wie wie belde”. Mede gelet op de achtergrond waartegen het zinsdeel “zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak” begrepen dient te worden (zie 3.3.1), is het hof voorts van oordeel dat de woorden “over de zaak” heel wel ook verstaan kunnen worden als beschrijving van gesprekken zoals die voorshands bewezen worden geacht en dat de subpassage als geheel binnen de vrijheid blijft die de steller ervan gegund moet worden (zie ook 3.3.3). De hiervoor aangegeven aard van de bewuste gesprekken (zie 3.8, aanvang en 3.11, slot) alsook het overwogene onder 3.3.1 tot en met 3.3.4 brengt het hof dan ook tot het oordeel dat [appellant] - behoudens (nader) tegenbewijs: zie 3.13 - in het hem opgedragen bewijs is geslaagd, erop neerkomend dat de subpassage voldoende grondslag vindt in het feitenmateriaal.

3.13

Voorzover [geïntimeerde] nog heeft beoogd te betogen dat met het telefoongesprek dat hij met Gerritsen heeft gevoerd in dit verband geen rekening mag worden gehouden omdat [appellant] van dat gesprek ten tijde van het interview niet op de hoogte was, kan hij in dat betoog niet worden gevolgd. Daargelaten dat voor de stelling van [geïntimeerde] niet het tijdstip van het interview maar (het fiat voor) de publicatie relevant zou zijn en voorts daargelaten dat [appellant] de bewuste stelling betwist (hij stelt destijds al wel degelijk van bedoeld gesprek op de hoogte te zijn geweest), is het tijdstip van die wetenschap niet relevant. Het gaat erom of de bewuste uitlating van [appellant] al dan niet voldoende grondslag vindt in het feitenmateriaal.

3.14

Het te leveren tegenbewijs kan zowel betrekking hebben op de hiervoor vooralsnog aangenomen inhoud van de beide gesprekken als op – voor zover het gaat om het gesprek met [appellant] – het voeren van het gesprek op zichzelf. Nu uit de toelichting op de grieven opgemaakt moet worden dat [appellant] dit zelf – overwegend - ook zo ziet (zie bij voorbeeld de toelichting op de grieven 2, 6 en 11, de pleitnotities van mr. Knijff in hoger beroep sub 8 en de pleitnota van [appellant] in hoger beroep sub 8), leest het hof de subpassage aldus dat [geïntimeerde] met meer dan één (Chipshol)advocaat een telefoongesprek als in de subpassage verwoord (en in dit arrest uitgelegd) heeft gevoerd. Het tegenbewijs zal derhalve reeds geleverd zijn, indien het met betrekking tot één van beide gesprekken toereikend is.

3.15

[geïntimeerde] zal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag of hij nader (tegen)bewijs wenst te leveren. In het bevestigende geval zal [geïntimeerde] dienen aan te geven hoe hij dat nadere (tegen)bewijs wenst te leveren.

3.16

De zaak zal voor uitlating als zojuist bedoeld naar de rol worden verwezen.

4. De beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 4 augustus 2009 voor uitlating aan de zijde van [geïntimeerde] als bedoeld in 3.15;

houdt iedere verdere beslissing aan.”

2.15.

Op 18 augustus 2009 is de procedure bij het Hof geroyeerd.

2.16.

Bij brief van 15 december 2010 heeft mr. H.J.A. Knijff, advocaat van [appellant] in diens zaak tegen [geïntimeerde] bij het hof ’s-Gravenhage, over dat royement aan [appellant] geschreven:

“Ik heb op enig moment (…) 13 augustus (2009; rechtbank) met Mr Boukema telefonisch contact opgenomen. Mr Boukema deelde mij mede dat Mr [geïntimeerde] in het tussenarrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage d.d. 23 juni 2009 aanleiding heeft gevonden om terug te treden uit de rechterlijke macht en de betreffende procedure te willen royeren en mitsdien geen gebruik te maken van zijn (tegen)bewijsopdracht. Mr Boukema voegde daar nog aan toe, dat, indien u niet bereid zou zijn aan royement mee te werken, Mr [geïntimeerde] genoodzaakt zou zijn om getuigen voor te brengen, die over uw onbetrouwbaarheid zouden kunnen verklaren.

Ik heb de inhoud van voormeld telefoongesprek met u gedeeld, waarna u mij hebt voorgehouden wel te willen weten “wie uw vijanden zijn” en dat de getuigenverhoren aan de zijde van (…) Mr [geïntimeerde] dan maar gewoon doorgang zouden moeten vinden. Ik heb Mr Boukema op (…) 17 augustus 2009 van uw standpunt op de hoogte gesteld. Mr Boukema deelde mij mede dat het horen van de betreffende getuigen, niet zo zeer een opmerking van Mr [geïntimeerde] was, maar meer een opmerking van hem zelf. Het was duidelijk dat Mr Boukema daarmee beoogde de angel uit het voorstel tot royement te halen en uw toestemming te verkrijgen om alsnog de volgende dag aan royement mee te werken.

U heeft met royement ingestemd, nadat nogmaals bevestigd is dat Mr [geïntimeerde] zou terugtreden uit de rechterlijke macht en onder voorbehoud van voldoening van geliquideerde kosten en onder voorbehoud van uw rechten jegens de Staat/Raad voor de Rechtspraak.

Er kan geen enkel misverstand over bestaan dat het initiatief voor het royement uitdrukkelijk heeft gelegen bij Mr [geïntimeerde] . De spoed om één en ander ook ter rolzitting van 18 augustus te effectueren was, zo is mij later gebleken, hoogst waarschijnlijk gelegen in het feit dat Mr [geïntimeerde] in diezelfde periode afspraken had gemaakt over zijn terugtreden.”

Boukema en [kantoor van de landsadvocaat]

2.17.

Boukema was ten tijde van de hiervoor vermelde procedures advocaat en partner/vennoot/aandeelhouder bij [kantoor van de landsadvocaat] (kantoor van de landsadvocaat).

Rechtbank ’s-Gravenhage en Raad voor de rechtspraak

2.18.

Bij brief van 3 mei 2006 heeft de Raad voor de rechtspraak (Van Delden), voor zover hier van belang, aan J. de Wit, lid van de Tweede-Kamer fractie van de SP, geschreven:

“Graag doe ik een poging de vragen te beantwoorden die u stelde in uw brief van 27 april 2006.

Algemeen kader

In 2004 zijn tussen de Raad en de gerechten (met uitzondering van de Hoge Raad) afspraken gemaakt over de behandeling van claims die tegen de Staat der Nederlanden aanhangig worden gemaakt wegens het optreden van (bestuurders, leden en personeel van) die gerechten. Daarbij komt een groot gewicht toe aan het oordeel van het betrokken gerechtsbestuur, al zijn categorieën van zaken omschreven als regel verweer zal worden gevoerd, ook als het geldelijke belang gering is. Zaken waarin de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren, gerechtsbestuurders en leden van de Raad in het geding is behoren ook tot die categorieën.

De afspraken kunnen, zo is in juni 2004 ook vastgelegd, op overeenkomstige wijze worden toegepast indien het instellen van een vordering dóór de Staat der Nederlanden wordt overwogen. Ook is er rekening mee gehouden dat in uitzonderlijke gevallen het instellen van een vordering dóór een rechter op overeenkomstige wijze kan worden behandeld. Voor de laatstbedoelde gevallen is als extra procedurele waarborg vastgelegd dat dan een lid van het betrokken gerechtsbestuur, niet zijnde de direct betrokken persoon, het verloop van de zaak van zeer nabij volgt.

Specifieke omstandigheden

In de door u genoemde aangelegenheid is sprake van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. Namens de betrokken rechter is, na daartoe strekkend advies van de Landsadvocaat, een procedure aanhangig gemaakt tegen een journalist, diens uitgever en de bron van de journalist. De bron, een advocaat en procureur, had aantijgingen geuit van ernstige aard die het aanzien van de rechter, het ambt en de rechterlijke macht schaadden. De journalist heeft op geen enkele manier geprobeerd de juistheid van die aantijgingen te verifiëren of zelfs maar de betrokkene of het betrokken gerecht de gelegenheid gegeven zich uit te spreken over (de onjuistheid van) de aantijging.

In de door u genoemde procedures is het dus niet zo dat de Raad zich stelt achter het standpunt van de betrokken rechter. Het is veeleer zo dat de Raad en het betrokken gerechtsbestuur zélf zich op het standpunt stellen dat het handelen van de advocaat en van de journalist (en diens uitgever) niet door de beugel kan en schadelijk is voor het functioneren van de rechtspraak. Er is ook geen sprake van vergoeding aan de betrokken rechter: in dit uitzonderlijke geval is, vanwege het belang van de rechtspraak en het betrokken gerecht, de procedure op één lijn gesteld met de situatie waarin een rechter of gerechtsbestuurder uit hoofde van de functie in rechte wordt aangesproken. In zulke gevallen geeft de Raad, na overleg met de president van het betrokken gerecht, aan de Landsadvocaat opdracht de betrokkene bij te staan. Dat de Raad als opdrachtgever de verschuldigde declaraties voldoet spreekt daarbij vanzelf.

Er is dus geen sprake van dat de betrokken rechter op eigen initiatief procedeert op kosten van de gemeenschap, of dat alle rechters die procederen in zaken die met hun werk te maken hebben, een vergoeding zouden krijgen. Overigens is mij geen andere zaak bekend van een rechter die als eisende partij heeft moeten optreden in verband met zijn functie. Zoals gezegd, het gaat hier (gelukkig) om een zeer uitzonderlijke zaak.

Naar aanleiding van uw vraag, of rekening is gehouden met de invloed die van de beslissing van de Raad en het betrokken gerechtsbestuur kan uitgaan op de rechters die de zaak behandelen, kan ik u nog meedelen dat in het algemeen de Raad en de gerechten zeer terughoudend zijn bij een beslissing om als partij (zij het eiser of gedaagde) in rechte op te treden, eventueel ook als eisende partij in hoger beroep. Daarbij speelt enerzijds een rol dat de rechtspraak ernaar streeft om zelfs de schijn van belangenverstrengeling te vermijden en anderzijds dat de indruk bestaat dat, als er al een invloed uitgaat van de bijzondere rol van een orgaan van de rechtspraak als procespartij, die invloed voor ons eerder ongunstig is. Maar die terughoudendheid mag niet ertoe leiden dat aan gerechtvaardigde belangen van de Staat der Nederlanden afbreuk wordt gedaan.

“Een regeling die het mogelijk maakt dat rechters op eigen initiatief, maar op kosten van de gemeenschap, procederen” bestaat dus niet. In de door u bedoelde procedures is ook van een daarmee overeenkomende situatie geen sprake.”

Tot slot

2.19.

[appellant] is in oktober 2004 vertrokken bij [advocatenkantoor] .

2.20.

[geïntimeerde] is met ingang van 1 oktober 2009 met vervroegd pensioen gegaan. Het persbericht daarover van de rechtbank ‘s-Gravenhage de dato 21 augustus 2009 luidt voor zover relevant:

“Mr. [geïntimeerde] (64 jr.), coördinerend vice-president bij de rechtbank ’s-Gravenhage, verlaat met ingang van 1 oktober 2009 de rechtspraak om met vervroegd pensioen te gaan. Hij heeft hiertoe in goed onderling overleg en op verzoek van het bestuur van de rechtbank besloten in het belang van de rechtspraak. Het bestuur van de rechtbank respecteert deze beslissing.

Het bestuur en mr. [geïntimeerde] hebben vastgesteld dat het rechterlijk functioneren van mr. [geïntimeerde] ter discussie zou kunnen worden gesteld naar aanleiding van het tussenarrest van het hof te ’s-Gravenhage van 23 juni 2009 in de civiele procedure die mr. [geïntimeerde] had aangespannen tegen mr. [appellant] , advocaat te [kantoorplaats] . Zowel het bestuur als mr. [geïntimeerde] wensen iedere discussie over het rechterlijk functioneren van mr. [geïntimeerde] te voorkomen.”

Tot zover de feitenvaststelling van de rechtbank in het bestreden vonnis van 9 maart 2011.

6.1.2.

Volgens grief 1 in incidenteel hoger beroep is [appellant] , anders dan de rechtbank in rov. 2.19 heeft vastgesteld, niet in oktober 2004 vertrokken bij [advocatenkantoor] , maar in mei 2005. Bij zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft [appellant] gesteld dat de formele einddatum 1 mei 2005 was, maar dat hij feitelijk in oktober 2004 is vertrokken. Het hof zal in het navolgende in het midden laten of [appellant] in 2004 of in 2005 bij [advocatenkantoor] is vertrokken, nu het exacte tijdstip daarvan voor de beoordeling van deze zaak niet van belang is. Voor het overige zijn de door de rechtbank vastgestelde feiten niet betwist en vormen die ook in hoger beroep het uitgangspunt.

6.2.1.

In deze procedure vorderde [appellant] aanvankelijk dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

( i) voor recht verklaart dat gedaagden (hof: [geïntimeerde] , de Staat en [kantoor van de landsadvocaat] – [kantoor van de landsadvocaat] is niet in dit hoger beroep betrokken) onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de door hen aan [appellant] toegebrachte schade;

( ii) gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten, veroordeelt de aan [appellant] toegebrachte schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

( iii) gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding.

Na – herhaalde – wijziging van eis in de zaak tegen [geïntimeerde] vorderde [appellant] dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

( i) voor recht verklaart dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem aan [appellant] toegebrachte schade;

( ii) [geïntimeerde] veroordeelt:

primair om aan [appellant] te betalen EUR 4.421.995,00 vermeerderd met P.M., te vermeerderen met de wettelijke samengestelde rente vanaf 1 november 2014;

subsidiair om aan [appellant] te betalen een door de rechtbank te begroten bedrag zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

meer subsidiair de aan [appellant] toegebrachte schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en als voorschot daarop aan [appellant] te betalen EUR 1.490.000,00;

(iii) [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van het geding.

Het bedrag groot € 4.421.995,-- is gespecificeerd in het eindvonnis van de rechtbank van 17 juni 2015 onder rov. 3.6.

Het voorschotbedrag groot € 1.490.000,-- is gespecificeerd in het tussenvonnis van 24 september 2014 onder rov. 2.2.

In de zaak tegen de Staat heeft [appellant] in eerste aanleg – na het tweede tussenvonnis – getracht zijn eis te wijzigen in dier voege dat subsidiair de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat het door de Staat c.q. de Raad voor de rechtspraak in de brief d.d. 4 november 2014 aan [appellant] ingenomen standpunt “dat de vrijwaring niet van toepassing is als onherroepelijk komt vast te staan dat de heer [geïntimeerde] willens en wetens schade heeft toegebracht” rechtens onjuist is en de Staat, al dan niet hoofdelijk naast [geïntimeerde] , veroordeelt de schade van [appellant] aan [appellant] te vergoeden, zulks op grond van de in augustus 2009 aan [geïntimeerde] gegeven vrijwaring voor alle aanspraken van [appellant] , die verband houden met de gevoerde procedures. De rechtbank heeft deze wijziging van eis bij haar eindvonnis evenwel buiten beschouwing gelaten.

6.2.2.

Aan zijn vorderingen heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zowel [geïntimeerde] als de Staat onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld.

Ter onderbouwing van het gestelde onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] heeft [appellant] in de inleidende dagvaarding een tiental stellingen ontwikkeld, door hem in die dagvaarding (onder de randnummers 9. tot en met 35.) gerubriceerd onder letters a) tot en met j). De kern die daaruit door het hof (evenals door de rechtbank) gedestilleerd wordt is dat [appellant] het standpunt huldigt dat [geïntimeerde] een procedure is begonnen die “wordt gedragen en gebaseerd is op een feitelijk vaststaande onwaarheid (leugen)”. Het gaat hier om de stelling van [geïntimeerde] in diens dagvaarding die als volgt luidt: “Mr [geïntimeerde] heeft nimmer met advocaten gebeld in verband met voormelde procedures”. Door deze “kardinale en essentiële onwaarheid” als basis voor een procedure te nemen, heeft [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig gehandeld, meer in het bijzonder heeft hij aldus jegens [appellant] misbruik van procesrecht gemaakt. Het betreft immers een procedure die wordt gedragen door en gebaseerd is op een feitelijk vaststaande onwaarheid (leugen), aldus 100% kansloos is, zo meent [appellant] .

[appellant] heeft verder aangevoerd dat naast [geïntimeerde] ook de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, namelijk via zijn organen [geïntimeerde] , de Raad voor de rechtspraak, mr. Hofhuis als president van de rechtbank ’s-Gravenhage en mr. Van Delden zowel als president van de rechtbank ’s-Gravenhage en (later) als voorzitter van de Raad voor de rechtspraak.

6.2.3.

[geïntimeerde] en de Staat hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.3.1.

In het vonnis waarvan beroep van 9 maart 2011 heeft de rechtbank overwogen dat in de loop van de door [geïntimeerde] aangespannen procedure [geïntimeerde] heeft erkend in 1997 rechtstreeks telefonisch contact te hebben gehad met Gerritsen, opvolger van [appellant] in de Chipshol-zaak, dat de centrale stelling van [geïntimeerde] (“ik heb niet gebeld met advocaten in de Chipsholzaak”) dus in ieder geval gedeeltelijk onjuist was en dat dit [geïntimeerde] kan worden verweten (rov. 5.4). De rechtbank heeft [geïntimeerde] vervolgens – na in rov. 6.10 en 6.11 overwogen te hebben dat [appellant] voorshands geacht moest worden te zijn geslaagd in het bewijs dat [geïntimeerde] wèl met hem, [appellant] , had gebeld – toegelaten tot tegenbewijs van die voorshands bewezen geachte stelling.

In de zaak van [appellant] tegen de Staat heeft de rechtbank in dat vonnis overwogen dat van onrechtmatig handelen van de Staat jegens [appellant] geen sprake is en dat de vordering op dit onderdeel bij eindvonnis zal worden afgewezen.

6.3.2.

Daarop heeft [geïntimeerde] getuigen in enquête en [appellant] getuigen in contra-enquête doen horen. Na verdere stukkenwisseling heeft de rechtbank het vonnis waarvan beroep van 24 september 2014 gewezen. De rechtbank is daarin tot de slotsom gekomen (rov. 2.6 tot en met 2.8) dat [geïntimeerde] er niet in is geslaagd om tegenbewijs te leveren, waarmee vast staat dat [appellant] en [geïntimeerde] op 6 december 1994 een telefoongesprek hebben gevoerd.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het [geïntimeerde] op zichzelf vrij stond te procederen tegen [appellant] over de uitlatingen van [appellant] in het boek van [journalist] . Die procedure is op zichzelf genomen niet onrechtmatig. Het staat ook een rechter vrij om te procederen tegen een advocaat over de vraag of uitlatingen van die advocaat in de media ten onrechte de reputatie en goede naam van de betreffende rechter aantasten. Het onrechtmatige handelen in deze zaak bestaat uit het vermelden van feiten in de dagvaarding waarvan [geïntimeerde] wist dat die onjuist waren en voor de schade die dientengevolge ontstaat is [geïntimeerde] aansprakelijk. Aldus – steeds – de rechtbank, rov. 2.9.

Ten slotte heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling voor het verdere debat van partijen over de aannemelijkheid en omvang van de schade.

6.3.3.

In het vonnis waarvan beroep van 17 juni 2015 (het eindvonnis) heeft de rechtbank de door [appellant] gestelde schadeposten grotendeels niet toewijsbaar geacht, mede op grond van een naar het oordeel van de rechtbank slagend beroep van [geïntimeerde] op verjaring (rov. 3.8).

Bij dit vonnis heeft de rechtbank in de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde] voor recht verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem aan [appellant] toegebrachte schade. De rechtbank veroordeelde [geïntimeerde] om aan [appellant] ter vergoeding van immateriële schade te betalen EUR 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

In de zaak tussen [appellant] en de Staat heeft de rechtbank het gevorderde afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

6.4.1.

[appellant] heeft in hoger beroep tien grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep, zij het met handhaving van een aantal specifiek in het petitum van de appeldagvaarding genoemde overwegingen en van de in het bestreden eindvonnis toegewezen verklaring voor recht, en voorts tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen zoals aangevuld (zie hierna rov. 6.4.2).

6.4.2.

[appellant] vordert thans:

- te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] en de Staat onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de door hen aan [appellant] toegebrachte schade;

- [geïntimeerde] en de Staat hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan [appellant] te betalen de somma van € 4.421.995,=, vermeerderd met PM, te vermeerderen met de wettelijk samengestelde rente vanaf 1 november 2014, subsidiair om aan [appellant] te betalen een door het Gerechtshof te begroten bedrag zoals het Gerechtshof in goede justitie zal vermenen te behoren, meer subsidiair de aan [appellant] toegebrachte schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en als voorschot daarop aan [appellant] te betalen de somma van € 2.200.000,=, althans een bedrag dat het Gerechtshof in goede justitie zal vermenen te behoren;

en ten aanzien van de Staat in aanvulling van de eis zoals deze geformuleerd is in eerste aanleg:

- subsidiair te verklaren voor recht dat het door de Staat c.q. de Raad voor de rechtspraak in de brief d.d. 4 november 2014 aan [appellant] ingenomen standpunt “dat de vrijwaring niet van toepassing is als onherroepelijk komt vast te staan dat de heer [geïntimeerde] willens en wetens schade heeft toegebracht” rechtens onjuist is en de Staat, al dan niet hoofdelijk naast [geïntimeerde] , te veroordelen de schade van [appellant] aan [appellant] te vergoeden, zulks op grond van de in augustus 2009 aan [geïntimeerde] gegeven vrijwaring voor alle aanspraken van [appellant] , die verband houden met de gevoerde procedures;

en voorts:

- de Staat te veroordelen om binnen 48 uur na de betekening van het ten dezen te wijzen arrest voor zijn rekening in de landelijke dagbladen NRC Handelsblad en Het Financieele Dagblad met de kop in kapitalen en op een prominente plaats de volgende rectificatie te doen plaatsen:

“Ingevolge het arrest d.d. xxxxxxxxxx van het Gerechtshof Amsterdam [lees: ’s‑Hertogenbosch, hof] rectificeren wij hierbij de brief d.d. 3 mei 2006 van de Raad aan de Tweede Kamer, waarin ten onrechte de advocaat Mr. [appellant] ervan is beschuldigd, dat hij het ambt van rechter en het aanzien van de Rechterlijke Macht heeft geschaad en afbreuk heeft gedaan aan de gerechtvaardigde belangen van de Staat der Nederlanden.

Die beschuldiging was onjuist. Ook onjuist was in genoemde brief dat de uitlating van Mr. [appellant] dat rechter [geïntimeerde] had gebeld met advocaten in de Chipshol zaak, niet door de beugel kon. De telefoongesprekken van [geïntimeerde] met advocaten zijn bewezen. Niet Mr. [appellant] heeft daarover gelogen, maar [geïntimeerde] .

Ten onrechte heeft de toenmalige Minister van Justitie die politiek en bestuurlijk verantwoordelijk is voor de Raad in 2006 aan het parlement laten schrijven, dat de Raad het initiatief tot de in 2004 tegen [appellant] aanhangig gemaakte procedure heeft genomen. Wél heeft de Raad de Landsadvocaat daartoe opdracht gegeven en betaald. Dat had de Raad niet moeten doen.

Mr. [appellant] is in het vonnis d.d. 17 juni 2015 door de rechtbank, welk vonnis door het Gerechtshof is bekrachtigd, ten aanzien van het bellen volledig in het gelijk gesteld. De ontkenning van [geïntimeerde] “ik heb niet gebeld” was een leugen. De procedure was op die leugen gebaseerd en was misbruik van recht. De rechtbank heeft een verklaring voor recht gegeven dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens Mr. [appellant] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de aan Mr. [appellant] toegebrachte schade. De onrechtmatige procedure heeft tot veel voor Mr. [appellant] negatieve en schadelijke publiciteit geleid. Dat was volgens de rechter voorzienbaar.

Ten onrechte hebben wij - de Raad en derhalve de verantwoordelijke Minister - vanaf 2004 de procedure tegen Mr. [appellant] gefinancierd en [geïntimeerde] tegen Mr. [appellant] gesteund. Met onze brief d.d. 3 mei 2006 hebben wij Mr. [appellant] groot onrecht aangedaan. Wij betreuren de schade aan de reputatie en goede naam van Mr. [appellant] en de financiële schade die hij heeft geleden en bieden hem daarvoor onze verontschuldigingen aan

Minister van Justitie Raad voor de rechtspraak

Mr. G.A. van der Steur Mr. F.C. Bakker, voorzitter”;

- subsidiair de Staat te veroordelen op vorenstaande wijze een zodanige rectificatie als

het Gerechtshof in goede justitie zal vermenen te behoren te doen plaatsen;

dit alles met veroordeling van [geïntimeerde] en de Staat in de proceskosten in beide instanties.

6.4.3.

[geïntimeerde] en de Staat hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

6.5.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en zijnerzijds (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Het incidenteel hoger beroep strekt tot vernietiging van de vonnissen van 9 maart 2011, 24 september 2014 en 17 juni 2015. [geïntimeerde] heeft tweeëntwintig grieven aangevoerd. Hij concludeert tot integrale afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

6.6.

De Staat heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep. De Staat stelt zich op het standpunt dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat de rechtbank de vordering van [appellant] jegens de Staat terecht heeft afgewezen. Volgens de Staat moeten de door [appellant] aangevoerde grieven falen en dient de vermeerderde eis te worden afgewezen.

In de zaak van [appellant] tegen [geïntimeerde]

Misbruik van procesrecht

6.7.

Het hof zal eerst de vraag bespreken of [geïntimeerde] jegens [appellant] misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Deze vraag wordt aan de orde gesteld door de grief 2 van [appellant] . Volgens deze grief heeft de rechtbank een onjuist onderscheid gemaakt tussen een onrechtmatig en een rechtmatig deel van de procedure. De gehele procedure is immers onrechtmatig, aldus [appellant] .

6.8.

Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen in dit verband pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, met verwijzing naar HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516).

6.9.

In het kader van de vraag of [geïntimeerde] jegens [appellant] misbruik van procesrecht heeft gemaakt zal het hof ook de grieven 2 tot en met 15 in het incidenteel hoger beroep behandelen. Deze zijn door [geïntimeerde] als volgt geordend: grieven over door de rechtbank aangelegde maatstaf voor onrechtmatigheid en bewijslastverdeling (grieven 2 tot en met 6), grieven over het oordeel inzake de gewraakte uitspraken van [geïntimeerde] , waaronder de relevantie van het gesprek met Gerritsen (grieven 7 tot en met 9) en grieven over de bewezenverklaring van het gesprek met [appellant] (grieven 10 tot en met 15). De strekking van deze grieven is dat [geïntimeerde] niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.

6.10.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd (incidentele grief 7) dat hij in zijn tegen [appellant] aanhangig gemaakte procedure niet het niet bellen met advocaten in de Chipshol-zaak centraal heeft gesteld. [geïntimeerde] stelt in dat verband dat hij in zijn dagvaarding heel nauwkeurig de Chipshol-procedures waar hij op doelt, heeft omschreven. Naar het oordeel van het hof is dit niet relevant. Waar het immers om gaat is dat onder [geïntimeerde] ontkenning van telefonisch contact in ieder geval het door [appellant] gestelde telefonische contact met hem viel. Daarnaast was de dagvaarding gericht tegen [appellant] , ging het om een uitlating van [appellant] en bevestigde [geïntimeerde] tijdens de comparitie op 8 oktober 2004 met klem zijn ontkenning met [appellant] gebeld te hebben. Aldus is die ontkenning, zo al niet een centrale stelling in de door [geïntimeerde] tegen [appellant] uitgebrachte dagvaarding, in ieder geval vrijwel meteen de centrale stelling in die procedure geworden.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat vast staat dat [appellant] en [geïntimeerde] op 6 december 1994 een telefoongesprek hebben gevoerd (rov. 2.4 tot en met 2.8 van het bestreden tussenvonnis van 24 september 2014). Het hof baseert dit op de verklaringen van [appellant] , van [secretaresse van appellant] , op de brief van (de procureur van) [appellant] d.d. 12 december 1994, waarin dat telefoongesprek wordt genoemd op een moment dat dat nog geen onderwerp van debat was, en voorts op verklaringen van [advocaat-stagiair op het kantoor van appellant] , Gerritsen, [chef de bureau op het kantoor van appellant] en Knijff. De eerste drie bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in de feitenvaststelling van dit arrest, zijn uitgebreid aan de orde geweest in zowel deze procedure als in de door [geïntimeerde] tegen [appellant] aangespannen procedure. Het hof gaat daarom voornamelijk op de volgende vier bewijsmiddelen nader in.

Getuigenverklaring [advocaat-stagiair op het kantoor van appellant]

– advocaat-stagiair op het kantoor van [appellant] en betrokken bij de behandeling door [appellant] van de Chipshol-zaak – heeft bij gelegenheid van zijn verhoor op 1 oktober 2013 onder meer verklaard:

Ik herinner mij dat mr. [appellant] mij kort voor een belangrijk pleidooi, ik zou het willen noemen het moederpleidooi in de bodemzaak, vertelde over een telefoongesprek dat had plaatsgevonden tussen hem en de heer [geïntimeerde] . Dit was dacht ik op een dinsdag. Op de donderdag stond het pleidooi gepland. Ik hoorde van dat telefoongesprek op de dinsdag, aan het eind van de middag, tijdens een bespreking met de heer [appellant] en de heren [medewerker van Chipshol 1] , [medewerker van Chipshol 2] en [medewerker van Chipshol 3] . Ik ben bij de Chipshol-zaak zeer intensief betrokken geweest. Het betrof een zaak van zeer grote omvang en omdat ik als beginnend stagiair hieraan meewerkte, heeft het grote indruk op mij gemaakt. Vandaar dat ik mij nog veel details herinner.

Ik herinner me dat de heer [appellant] vertelde over het telefoongesprek dat hij had gehad met de heer [geïntimeerde] . Hij was onthutst en aangedaan. Hij kreeg te horen dat de heer [geïntimeerde] niets zag in de vordering. (…)

Ik herinner me dat mevrouw [secretaresse van appellant] mij vertelde dat zij de heer [geïntimeerde] heeft doorverbonden met de heer [appellant] . Ik meen dat ze dat vertelde op de heen- of terugreis naar of van het pleidooi.

Getuigenverklaring Gerritsen

Gerritsen – vanaf 1995 als advocaat bij de Chipshol-zaak betrokken – verklaarde als getuige op 1 oktober 2013 onder meer:

U vraagt of de heer [appellant] mij in het kader van mijn overname van de zaak in 1995 iets heeft meegedeeld over een telefoongesprek tussen hem en de heer [geïntimeerde] . In de maanden nadat ik de zaak van hem had overgenomen, heeft hij mij op zeker moment verteld dat hij een telefoongesprek met de heer [geïntimeerde] had gevoerd en dat hem toen was meegedeeld dat de heer [geïntimeerde] niet zoveel behoefte had aan een pleidooi en dat zijn bezwaar tegen het indienen van grote hoeveelheden processtukken kort voor de zitting was afgewezen.

Getuigenverklaring Knijff

Knijff – advocaat van [appellant] in de door [geïntimeerde] tegen [appellant] aangespannen procedure – verklaarde als getuige op 4 november 2013 onder meer:

U vraagt mij of ik een verklaring kan afleggen over de betrouwbaarheid van mevrouw [secretaresse van appellant] . (…) Ik ben betrokken geweest bij de voorbereiding van haar verhoor als getuige in eerste aanleg bij de rechtbank te Rotterdam (hof: verhoor d.d. 12 mei 2006). In dat kader heb ik met haar gesproken, op mijn verzoek buiten aanwezigheid van [appellant] . Dat was voorafgaand aan dat getuigenverhoor. Ik wilde zelf van haar horen wat ze kon verklaren en heb haar erop gewezen dat ze de waarheid moest spreken. Ze kon een duidelijke verklaring tegenover mij afleggen. Ik was aanwezig toen zij door de rechter-commissaris te Rotterdam werd gehoord. Ik vond dat zij een buitengewoon standvastige en heldere indruk maakte. Dit terwijl ze dubbel gegrild werd door de rechter-commissaris. Ik vond dat de aanpak van die rechter-commissaris aan de rand was van wat toelaatbaar was. Mevrouw [secretaresse van appellant] wekte op mij toen niet de indruk van deze aanpak erg onder de indruk te zijn.

Schriftelijke verklaring [chef de bureau op het kantoor van appellant] d.d. 16 januari 2014

In het dossier bevindt zich verder een schriftelijke verklaring d.d. 16 januari 2014 van twee voormalige kantoorgenoten van [appellant] en van de heer [chef de bureau op het kantoor van appellant] , in 1994 chef de bureau op het kantoor van [appellant] (akte overlegging producties d.d. 26 maart 2014, productie 7), waarin [chef de bureau op het kantoor van appellant] verklaart dat hij zich kan herinneren “dat Mr [appellant] kort na het bewuste telefoongesprek met de heer [geïntimeerde] in ieder geval wel met hèm daarover overleg heeft gevoerd en daarbij zijn grote verontwaardiging over dit telefoongesprek heeft uitgesproken.”.

Weliswaar behelzen drie van deze vier verklaringen informatie zoals deze getuigen die van [appellant] hebben ontvangen, maar de ontvangst van die informatie dateert uit de periode (zeer) kort na het telefoongesprek, toen het gesprek zelf nog helemaal geen onderwerp van geschil was. Dat geeft de verklaringen extra gewicht. Het aanbod van [geïntimeerde] om Gerritsen nogmaals als getuige te horen is naar het oordeel van het hof onvoldoende specifiek, in het licht van het feit dat Gerritsen al als getuige is gehoord en in het bewijsaanbod niet wordt aangegeven in hoeverre Gerritsen meer of anders kan verklaren (op relevante punten) dan hij al heeft gedaan.

Het hof hecht voorts sterk aan de verklaring van [secretaresse van appellant] , die bij verschillende gelegenheden gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Er is geen enkele aanwijzing dat aan de geloofwaardigheid van deze verklaring moet worden getwijfeld. Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] om [appellant] en [secretaresse van appellant] te horen omtrent aanpassingen in de initiële schriftelijke verklaring van [secretaresse van appellant] acht het hof niet ter zake dienend.

Voor zover voor het overige bewijs is aangeboden, is dit niet ter zake dienend en/of onvoldoende concreet en/of heeft dit betrekking op feiten die, als zij komen vast te staan, niet leiden tot een ander oordeel, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

6.11.

Het hof is ook van oordeel dat is komen vast te staan dat tijdens het telefoongesprek op 6 december 1994 meer dan een puur procedureel punt zoals de door [appellant] verzochte verlengde pleittijd aan de orde is geweest. Hoewel genoemde getuigen niet allen hetzelfde verklaren omtrent hetgeen [appellant] aan hen vertelde over zijn telefoongesprek met [geïntimeerde] , is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat [geïntimeerde] zich buiten de grenzen van het strikt procedurele punt van de verlangde pleittijd heeft begeven. Het hof neemt hierbij met name de verklaring van [secretaresse van appellant] in aanmerking, waar zij verklaart dat zij hoorde dat [appellant] tijdens dat gesprek steeds harder ging praten, dat dat gesprek zeker tien minuten heeft geduurd en dat [appellant] na afloop onthutst haar kamer binnen kwam en vertelde dat [geïntimeerde] het pleidooi eigenlijk niet door wilde laten gaan. Dat komt overeen met de verklaring van Gerritsen, waarin hij vertelt over hetgeen hij van [appellant] heeft gehoord (rov. 6.10). Ook neemt het hof in aanmerking dat [appellant] in de brief d.d. 12 december 1994 er al melding van maakte dat het besprokene buiten het strikt zakelijke karakter van overleg over de orde tijdens de pleidooien ging. Wat er precies is besproken kan niet meer worden vastgesteld, maar dat het meer was dan een puur procedureel punt is voldoende komen vast te staan.

Genoemde verklaringen en de brief d.d. 12 december 1994 vormen naar het oordeel van het hof aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de verklaring van [appellant] op het punt dat hij op 6 december 1994 telefonisch met [geïntimeerde] over de Chipshol-zaak heeft gesproken, en dat dat gesprek over meer ging dan een puur procedureel punt, voldoende geloofwaardig maken. Daartegenover staat enkel de categorische ontkenning van elk telefoongesprek met [appellant] door [geïntimeerde] .

6.12.

Het hof volgt [geïntimeerde] niet in zijn stelling dat hij het zich zo herinnert, dat hij niet met [appellant] heeft gebeld, en dat aldus niet is komen vast te staan dat hij willens en wetens onwaarheid heeft gesproken. Niet alleen niet omdat moeilijk voorstelbaar is dat zo’n telefoongesprek, ook volgens [geïntimeerde] niet gebruikelijk, geheel uit het geheugen zou zijn verdwenen, maar ook omdat [geïntimeerde] reeds enkele dagen na dat gesprek, te weten toen mr. Van Delden met hem de brief van (de procureur van) [appellant] d.d. 12 december 1994 besprak, blijkens zijn eigen stellingen aan mr. Van Delden heeft laten weten dat zo’n telefoongesprek niet had plaatsgehad. Het hof acht het niet aannemelijk dat [geïntimeerde] zich toen al zo’n gesprek niet meer herinnerde.

Het hof heeft onder ogen gezien dat er sinds het telefoongesprek met [appellant] in 1994 ongeveer tien jaren waren verstreken toen [geïntimeerde] de inleidende dagvaarding in de Rotterdamse procedure uitbracht. Niettemin is het moeilijk voor te stellen dat [geïntimeerde] zich dat gesprek niet herinnerde toen hij het citaat van [appellant] las in het boek van [journalist] . Het telefoongesprek had immers ook een behoorlijke nasleep gehad. Na het door [geïntimeerde] voorgezeten pleidooi is immers de brief van (de procureur van) [appellant] gekomen met klachten over [geïntimeerde] en vond naar aanleiding daarvan een gesprek tussen de president van de Haagse rechtbank, mr. Van Delden, en [geïntimeerde] plaats. Aangenomen mag worden dat een rechter zich zo’n klacht van een advocaat en de bespreking daarvan met de president ook nog geruime tijd later herinnert. Dat klemt te meer indien dit, zoals in dit geval, aan de orde was in een zaak die als tamelijk uitzonderlijk kan worden gezien, gelet op de omvang ervan en de aandacht ervoor in de media. Verder is ook later, in 1997, het bellen in de Chipshol-zaak weer aan de orde geweest. Ditmaal ging het om een telefoongesprek tussen [geïntimeerde] en mr. Gerritsen, hetgeen geleid heeft tot twee ingezonden brieven in NRC Handelsblad van mr. Numann als persrechter van de Haagse rechtbank. De omstandigheid dat aldus zich tussen 1994 en 2004 andermaal een aangelegenheid heeft voorgedaan waarbij telefonisch contact tussen [geïntimeerde] en een advocaat, waarbij de inhoud van het gesprek verder ging dan louter procedurele kwesties, ter discussie werd gesteld, versterkt de bij het hof levende overtuiging dat het niet aannemelijk is dat [geïntimeerde] zich in 2004 het telefoongesprek met [appellant] uit 1994 niet meer herinnerde. Een verklaring onder ede van [geïntimeerde] op dit punt, zoals hij aanbiedt, voegt niets toe; [geïntimeerde] biedt immers aan onder ede te verklaren dat hij niet willens en wetens onwaarheid heeft gesproken en het hof heeft het gelijkluidende standpunt hiervoor verworpen.

6.13.

Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij met [appellant] een telefoongesprek voerde twee dagen vóór het pleidooi in de Chipshol-zaak op 8 december 1994. Die ontkenning deed [geïntimeerde] in zijn tegen [appellant] uitgebrachte dagvaarding (“Mr. [geïntimeerde] heeft nimmer met advocaten gebeld in verband met de voormelde procedures”), ten tijde van de op 8 september 2004 gehouden comparitie (“Ik betwist met klem dat ik met mr. [appellant] of met de andere advocaten in de Chipshol-zaak heb getelefoneerd voorafgaande aan het pleidooi. Hetgeen mr. [appellant] zojuist heeft verklaard, is pertinent onjuist.”) en herhaalde hij in zijn getuigenverklaringen en verklaringen in de strafrechtelijke procedure naar door hem ter zake gepleegde meineed.

Met die ontkenningen heeft [geïntimeerde] [appellant] , die stelde dat dat telefoongesprek wel had plaatsgevonden, per saldo weggezet als leugenaar. Het was immers het woord van een rechter tegenover het woord van een advocaat. De conclusie is gerechtvaardigd dat betrokkenen en het publiek eerder afgaan op de juistheid van de verklaring van de rechter dan van de juistheid van de verklaring van de advocaat. Dat is ook in dit geval gebleken: zowel het gerechtsbestuur van de Haagse rechtbank als de Raad voor de rechtspraak hebben immers [geïntimeerde] geloofd en niet [appellant] . De Raad heeft in het verlengde daarvan in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat zowel de Raad als het gerechtsbestuur van de Haagse rechtbank zich op het standpunt stellen dat het handelen van “de advocaat” (hof: dat het daarbij om [appellant] ging was niet onbekend) “niet door de beugel kan en schadelijk is voor het functioneren van de rechtspraak” (brief van mr. Van Delden namens de Raad voor de rechtspraak d.d. 3 mei 2006, productie 20 inleidende dagvaarding).

6.14.

Op zichzelf genomen stond het [geïntimeerde] vrij om tegen [appellant] te procederen over de uitlatingen van [appellant] in het boek van [journalist] . [geïntimeerde] heeft in die uitlatingen de suggestie gelezen dat hij, [geïntimeerde] , in de Chipshol-zaak niet onpartijdig en onafhankelijk is geweest en onderonsjes met advocaten had. Dat [geïntimeerde] die passage in voormelde zin heeft opgevat is niet a priori onbegrijpelijk. Daarbij past op zichzelf genomen de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht dat “de aantijging van Mr [appellant] , (…) met de strekking dat Mr [geïntimeerde] niet onafhankelijk, niet onpartijdig, resp. niet bekwaam is, onrechtmatig jegens Mr [geïntimeerde] is.” Door echter aan deze vordering tegen beter weten in ten grondslag te leggen dat [geïntimeerde] überhaupt niet met [appellant] heeft gebeld, heeft [geïntimeerde] op onrechtmatige wijze van zijn procesbevoegdheid gebruik gemaakt. Anders gezegd: door die bevoegdheid bewust in te vullen met een op onwaarheid berustende stelling, die centraal stond, althans vrijwel direct in de procedure centraal is komen te staan, heeft [geïntimeerde] misbruik van zijn procesbevoegdheid gemaakt. Anders dan de rechtbank maakt het hof dus geen onderscheid tussen een rechtmatig deel (dat het [geïntimeerde] in beginsel vrij stond om [appellant] te dagvaarden naar aanleiding van de gewraakte publicatie) en een onrechtmatig deel (de ontkenning van het telefoongesprek). Dat in beginsel rechtmatige deel verloor immers de kwalificatie rechtmatig door de onrechtmatige invulling ervan door [geïntimeerde] .

6.15.

Voldaan is derhalve aan de hiervoor in rov. 6.8 weergegeven maatstaf voor misbruik van procesrecht. [geïntimeerde] baseerde zijn vordering immers op een feit waarvan hij de onjuistheid kende, namelijk dat hij niet gebeld had met [appellant] . De vordering van [geïntimeerde] was aldus evident ongegrond en in verband met de zwaarwegende belangen van [appellant] had het instellen daarvan achterwege behoren te blijven. Het feit dat [appellant] door [geïntimeerde] werd weggezet als leugenaar was voor [appellant] als advocaat diffamerend en tastte hem aan in zijn persoonlijke integriteit. Redelijkerwijs was te verwachten dat [appellant] door de tegen hem door [geïntimeerde] aangespannen procedure in elk geval reputatieschade zou lijden. Te meer nu hij rechter was, had [geïntimeerde] zich kunnen en moeten realiseren wat de impact zou zijn van een dergelijke procedure tegen [appellant] . Ook met inachtneming van de in dezen te betrachten terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM, leidt dit alles tot het oordeel dat [geïntimeerde] door de vordering wel in te stellen, onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.

6.16.

Zowel in deze procedure als in de door [geïntimeerde] tegen [appellant] aangespannen procedure hebben partijen gedebatteerd over de betekenis van het feit dat [geïntimeerde] in 1997 in de Chipshol-zaak met mr. Gerritsen heeft gebeld. Hierbij gaat het mede om de vraag of [geïntimeerde] in zijn dagvaarding voldoende duidelijk heeft gemaakt op welke procedures hij doelt als hij stelt dat hij niet gebeld heeft met advocaten. Deze betreffen volgens [geïntimeerde] niet de zaak waarin hij telefonisch contact heeft gehad met mr. Gerritsen. De betekenis van het gesprek met mr. Gerritsen behoeft hier evenwel geen verdere bespreking. Zoals hiervoor is overwogen gaat het er immers om dat [geïntimeerde] steeds heeft ontkend met [appellant] gebeld te hebben. Nadere bewijslevering over op welke Chipshol-procedures [geïntimeerde] in zijn tegen [appellant] uitgebrachte dagvaarding doelde, zoals door [geïntimeerde] aangeboden, is dan ook niet aan de orde.

Hetzelfde geldt voor de discussie tussen partijen over de vraag of de stellingen van [geïntimeerde] inhielden of hij met advocaten (meervoud) heeft gebeld – naast met [appellant] ook met mrs T.D. de Groot, S.E. Eisma, A.M. van Herk, C.N. Peijster en H.W.E. Vermeer – in de aanloop naar het door hem voorgezeten pleidooi op 8 december 1994. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal kan niet worden vastgesteld dat [geïntimeerde] ook met een of meer van deze advocaten heeft gebeld, maar dat kan er niet aan afdoen dat hij zijn vordering tegen [appellant] gebaseerd heeft op een bewuste leugen.

Verder is niet relevant wie het initiatief heeft genomen tot het telefoongesprek en wie wie heeft gebeld. Bepalend voor het oordeel van het hof in dezen is dát er een telefoongesprek met betrekking tot een van de Chipshol-zaken tussen [geïntimeerde] en [appellant] is geweest, dat dit over meer dan een puur procedureel punt ging, en dat [geïntimeerde] niet alleen het voeren van een gesprek met een meer dan procedureel karakter, maar zelfs het voeren van èlk gesprek tegen beter weten in heeft ontkend.

6.17.

Het vorenstaande brengt mee dat de toewijzing door de rechtbank van de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem aan [appellant] toegebrachte schade in stand kan blijven (hierna zal blijken dat het hof het beroep op verjaring van [geïntimeerde] verwerpt, rov. 6.22 tot en met 6.33).

6.18.

[geïntimeerde] heeft nog betoogd dat als hij wist dat (of zelfs maar twijfelde of) er toch enig telefoongesprek met [appellant] zou zijn geweest, hij zijn dagvaarding eenvoudig anders had geformuleerd en zich had beperkt tot het ontkennen van telefoongesprekken over de inhoud van de zaak. De strekking van die dagvaarding zou dan dezelfde zijn gebleven en zijn vordering net zo sterk, aldus [geïntimeerde] . Ter onderbouwing van dit betoog heeft [geïntimeerde] een aangepaste dagvaarding in het geding gebracht (productie 5 bij zijn memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel). Dit betoog gaat naar het oordeel van het hof niet op. Waar [appellant] schade heeft geleden, is dat toe te rekenen aan de onrechtmatige vordering van [geïntimeerde] , mede gebaseerd op de stelling dat [geïntimeerde] niet met [appellant] had gebeld. Zoals hiervoor is overwogen, impliceerde dat dat [appellant] in strijd met de waarheid zei dat hij met [geïntimeerde] had gebeld en was dát schadelijk voor [appellant] . Dat [geïntimeerde] misschien een rechtmatige dagvaarding had kunnen formuleren, doet niet ter zake. Overigens blijkt uit hetgeen het hof bewezen acht dat ook het ontkennen van een telefoongesprek dat over méér dan een puur procedureel punt ging – hetgeen, zo begrijpt het hof, in de visie van [geïntimeerde] een begaanbare weg zou zijn geweest – als een leugen zou zijn gekwalificeerd.

6.19.

Bij grief 10 verwijst [appellant] nog naar zijn verwijten aan het adres van [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding gerubriceerd onder letters a) tot en met j) – zie hiervoor rov. 6.2.2. Van deze verwijten is verwijt sub a), die betrekking heeft op de hiervoor breder omschreven leugen, de belangrijkste. Verwijt sub d), inhoudende dat een zinloze procedure die geen redelijk doel zou dienen is opgestart, gaat daarin op. Voor zover grief 10 meer of andere verwijten bevat, is deze ongegrond. De omstandigheden sub b), c), f), g), en h) houden – daargelaten of de daarin gemaakte verwijten betrekking hebben op feiten welke zich daadwerkelijk zouden hebben voorgedaan – geen onrechtmatige gedragingen jegens [appellant] in. Verwijt sub i) betreft geen handeling van [geïntimeerde] , maar van [bedrijfsjurist Chipshol] , te weten het doen van aangifte van meineed. Verwijt sub e) houdt in dat [geïntimeerde] de openbaarheid zou hebben gezocht en op negatieve publiciteit mikte, maar voor dat verwijt is geen bewijs voorhanden. Dat geldt ook voor verwijt sub j), inhoudende dat [geïntimeerde] de rechtsgang bij het Haagse hof zou hebben beïnvloed. Nu het verwijt sub a) wel opgaat en de vordering kan dragen volstaat het hof met deze summiere weergave.

6.20.

Aan nadere bewijslevering komt het hof niet toe. Het hof heeft hiervoor reeds bewijsaanbiedingen van [geïntimeerde] besproken (rov. 6.10, 6.12 en 6.16). Ook verder heeft [geïntimeerde] geen feiten of omstandigheden ten bewijze aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 2 van [appellant] doel treft en de grieven 2 tot en met 15 in het incidenteel hoger beroep tevergeefs zijn voorgesteld.

Verjaring

6.21.

Gelet op het voorgaande moet het beroep op verjaring van [geïntimeerde] worden beoordeeld. Hierop hebben de principale grief 1 en de incidentele grieven 16, 17 en 18 betrekking. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

6.22.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de vordering van [appellant] is verjaard, kort gezegd omdat [appellant] al ten tijde van de door [geïntimeerde] tegen [appellant] uitgebrachte dagvaarding – 19 april 2004 – bekend was met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. [appellant] heeft pas meer dan vijf jaar nadien (namelijk op 23 april 2010) [geïntimeerde] gedagvaard en vergoeding van de door hem gestelde schade gevorderd. [appellant] heeft de verjaring niet tussentijds gestuit.

6.23.

[appellant] heeft, samengevat, betoogd dat de verjaringstermijn eerst kan zijn gaan lopen op het moment dat voldoende zeker was dat [geïntimeerde] de door hem tegen [appellant] aangespannen procedure zou verliezen. Volgens [appellant] bestond in 2004 nog onvoldoende zekerheid dat zijn aanspraak een grondslag zou vinden in concrete vaststaande feiten. Verder werd hij pas na 1 mei 2005 (vertrek bij [advocatenkantoor] ) bekend met zijn inkomensschade. Ook is de verjaring volgens [appellant] in ieder geval gestuit toen hij bij de landsadvocaat, die ook de advocaat van [geïntimeerde] was, zijn rechten inzake vergoeding van schade heeft voorbehouden. Ten slotte heeft [appellant] aangevoerd dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [geïntimeerde] heeft tegen beter weten in volgehouden dat hij niet met [appellant] heeft gebeld. Het gaat dan niet aan [appellant] nu tegen te werpen dat zijn vordering is verjaard. [geïntimeerde] heeft ook steeds rekening gehouden met een schadeclaim van [appellant] , hetgeen blijkt uit de door [geïntimeerde] met de Staat afgesproken vrijwaring, aldus [appellant] .

6.24.

In het bestreden tussenvonnis van 9 maart 2011 (rov. 7.4 e.v.) heeft de rechtbank het beroep op verjaring afgewezen, kort gezegd op de grond dat in 2004 de relevante feiten voor [appellant] nog onvoldoende duidelijk waren en dat [appellant] evenmin over voldoende zekerheid beschikte dat de door hem gestelde schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van [geïntimeerde] .

Op deze beslissing is de rechtbank in het bestreden tussenvonnis van 24 september 2014 teruggekomen. Zij oordeelde toen (rov. 2.11) dat de verjaringstermijn is gestart op 2 februari 2005, omdat [appellant] sindsdien moet hebben geweten van het telefoongesprek tussen [geïntimeerde] en mr. Gerritsen. Op die datum immers was de conclusie van dupliek genomen waarbij een productie was overgelegd waaruit van dat telefoongesprek met mr. Gerritsen bleek. De rechtbank oordeelde (rov. 7.5 eerste tussenvonnis en 2.11 tweede tussenvonnis) verder dat omdat [geïntimeerde] zijn uitlating dat hij niet met [appellant] had gebeld, steeds heeft herhaald, de verjaring op die latere momenten telkens opnieuw is gaan lopen. Volgens de rechtbank komt enkel schade voor zover deze betrekking heeft op de uitlatingen van [geïntimeerde] in de periode vanaf 23 april 2005 (hof: vijf jaar vóór de door [appellant] tegen [geïntimeerde] uitgebrachte dagvaarding) voor vergoeding in aanmerking.

6.25.

Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid — die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn — heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240, met verwijzing naar 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688).

6.26.

Naar het oordeel van het hof was [appellant] op zichzelf genomen in staat om in 2004 een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade tegen [geïntimeerde] in te stellen. In [appellant] stelling omtrent het op 6 december 1994 met [geïntimeerde] gevoerde telefoongesprek ligt immers besloten dat juist [appellant] , als partij bij dat gesprek, dat relevante feit kende en dus ook dat [geïntimeerde] ontkenning daarvan op onwaarheid berustte. Dat het voor [appellant] toen nog onvoldoende zeker was dat die feiten ook in rechte zouden komen vast te staan, omdat daarover geprocedeerd werd, staat niet in de weg aan een start van een verjaringstermijn. Het is immers voor de aanvang van de verjaringstermijn niet vereist dat de benadeelde bekend is met de juridische beoordeling van de aansprakelijkheid (Hoge Raad 4 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6769).

Het hof verenigt zich niet met het oordeel van de rechtbank dat de verjaringstermijn is gestart op 2 februari 2005. Ook in dit verband (vgl. rov. 6.16) is het telefoongesprek van [geïntimeerde] met mr. Gerritsen niet van betekenis. Beslissend in verband met de aanvang van de verjaringstermijn is dat [appellant] in 2004 reeds wist dat [geïntimeerde] ontkenning in de dagvaarding dat hij gebeld had in de Chipshol-zaak onwaar was.

6.27.

Voor wat betreft de door [appellant] gestelde schade is van belang dat volgens zijn eigen stellingen de door [geïntimeerde] tegen hem aangespannen procedure insloeg als een bom en de reputatie en goede naam van [appellant] aantastte. Dat betekent dat al in 2004 (enige) schade werd veroorzaakt. De verjaringstermijn die voor die schade gaat lopen treft dan ook de schade waarvan [appellant] redelijkerwijs kon verwachten dat hij die als gevolg van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen gaan lijden, omdat in zoverre sprake is van afzonderlijke elementen van de reeds ingetreden schade (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784). Daarenboven was het, naar uit de eigen stellingen van [appellant] volgt, reeds eind 2004 duidelijk dat hij niet bij [advocatenkantoor] zou kunnen blijven. Reeds daaruit zou – de stellingen van [appellant] zelf volgend – een forse schadepost voortvloeien, gelet op [appellant] stellingen omtrent de positie van dat kantoor op de Nederlandse markt, zijn positie binnen dat kantoor, en zijn productiviteit binnen dat kantoor.

[appellant] heeft betoogd dat doordat [geïntimeerde] in de procedure tegen [appellant] en in deze procedure op diverse momenten zijn stelling dat hij niet heeft gebeld met hem heeft herhaald, voor zover zijn vordering is gebaseerd op de onjuistheid van die stelling, de verjaring op die latere momenten telkens opnieuw is gaan lopen. Het hof volgt [appellant] niet in dat betoog. De schade die [appellant] in deze procedure vordert is terug te voeren op het feit dat [appellant] op grond van die onjuiste stelling is gedagvaard. Voor zover dat anders mocht zijn, heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden doordat [geïntimeerde] zijn stelling dat hij niet heeft gebeld met [appellant] heeft herhaald. Voorts levert niet elke herhaling van die stelling zonder meer een zelfstandige onrechtmatige daad op. [appellant] heeft dit onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.

6.28.

Ten slotte is niet gebleken dat [appellant] de verjaring tussentijds heeft gestuit. Dat [appellant] bij de landsadvocaat, die ook de advocaat van [geïntimeerde] was, jegens de Staat zijn rechten inzake vergoeding van schade heeft voorbehouden, kan hem niet baten. Dat betrof immers niet een mededeling waarin [appellant] zich jegens [geïntimeerde] zijn recht op schadevergoeding voorbehoudt. De mededeling betrof niet een voldoende duidelijke waarschuwing aan [geïntimeerde] dat hij rekening diende te houden met een vordering tot vergoeding van schade. Er zijn ook geen althans onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerde] /de landsadvocaat de stuiting jegens de Staat redelijkerwijs had behoren op te vatten als (tevens) een stuiting jegens [geïntimeerde] , en ook niet dat [appellant] dit mocht verwachten (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741).

6.29.

Het hof volgt [appellant] echter wel in zijn standpunt dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit oordeel berust op de volgende, in onderlinge samenhang te beschouwen gronden. Daarbij wijst het hof erop dat de korte verjaringstermijn, waar het in dit geding om gaat, niet alleen in het teken van de rechtszekerheid staat, maar ook van de billijkheid (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168).

6.30.

Zoals hiervoor is overwogen (rov. 6.10 en 6.11), is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat [geïntimeerde] bewust in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij met [appellant] een telefoongesprek voerde twee dagen vóór het pleidooi in de Chipshol-zaak op 8 december 1994. Met zijn ontkenningen heeft [geïntimeerde] [appellant] per saldo weggezet als leugenaar. [appellant] zag zich geconfronteerd met het feit dat hij door een rechter werd gedagvaard en dat hij daarnaast ook het gerechtsbestuur van de Haagse rechtbank en de Raad voor de rechtspraak (en daarmee de Staat) tegenover zich vond. Dat hij er in die omstandigheden voor heeft gekozen om niet reeds een rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen [geïntimeerde] in te stellen en evenmin een aansprakelijkheidsstelling (een stuiting) uit te brengen (hetgeen beide tot verdere escalatie van het conflict zou leiden), is in dit uitzonderlijke geval niet alleen begrijpelijk maar ook rechtens relevant, in die zin dat in dit uitzonderlijke geval van [appellant] niet redelijkerwijs mocht worden verwacht dat hij eerder een vordering instelde dan wel een stuitingsbrief deed uitgaan.

6.31.

Nadat het Haagse hof bij tussenarrest van 23 juni 2009 had geoordeeld dat behoudens tegenbewijs [appellant] was geslaagd in het bewijs dat de door [geïntimeerde] gewraakte passage voldoende grondslag vond in het feitenmateriaal en die procedure op verzoek van [geïntimeerde] werd geroyeerd, heeft [appellant] getracht in der minne schadevergoeding te verkrijgen. Toen dat niet lukte, heeft hij tien maanden later, op 23 april 2010, [geïntimeerde] gedagvaard.

6.32.

[geïntimeerde] hield ondertussen rekening met een aanspraak van [appellant] op vergoeding van zijn schade, althans het is aannemelijk dat [geïntimeerde] daarmee rekening hield. Een aanwijzing daarvoor ziet het hof in de vrijwaring die [geïntimeerde] met de Staat afsprak bij zijn vertrek uit de rechterlijke macht in augustus 2009. Tevens mag worden aangenomen dat [geïntimeerde] op de hoogte was van genoemde schikkingsonderhandelingen. Verder is niet gebleken dat [geïntimeerde] enig nadeel ondervond in zijn rechtszekerheidspositie van het niet eerder stuiten of dagvaarden door [appellant] , althans [geïntimeerde] heeft op dat punt niet – onderbouwd – iets concreets aangevoerd. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in zijn stelling dat het door hem veilig te stellen bewijsmateriaal in de Rotterdamse procedure van andere aard was dan het voor de onderhavige procedure eventueel relevante bewijsmateriaal. Ook in de Rotterdamse procedure was immers aan de orde of [appellant] en [geïntimeerde] in de Chipshol-zaak telefonisch contact hadden gehad. Er zijn ook overigens geen althans onvoldoende aanwijzingen dat [geïntimeerde] door het betrekkelijk geringe tijdsverloop (2009/2010) bij het instellen van de schadeclaim door [appellant] in zijn bewijspositie is geschaad. Zoals hiervoor is overwogen (rov. 6.12), volgt het hof [geïntimeerde] evenmin in zijn stelling dat hij het zich zo herinnert, dat hij niet met [appellant] heeft gebeld, en dat aldus niet is komen vast te staan dat hij willens en wetens onwaarheid heeft gesproken.

6.33.

Bij deze stand van zaken (rov. 6.30 tot en met 6.32) is het naar het oordeel van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] zich erop beroept dat [appellant] geen schadevergoeding meer kan vorderen.

6.34.

De principale grief 1 slaagt in zoverre en de incidentele grieven 16, 17 en 18 falen.

In de zaak van [appellant] tegen de Staat

6.35.

Het hof zal thans grief 3 in principaal hoger beroep behandelen. Met deze grief betoogt [appellant] dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is. [appellant] heeft daartoe verwezen naar de als productie 1 bij zijn memorie van grieven overgelegde opinie van prof. mr. [prof.mr.] , die concludeert dat er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad jegens [appellant] . [appellant] heeft in aanvulling daarop in randnummer 7.87 van zijn memorie een aantal stellingen opgesomd die volgens hem bij dat onrechtmatig handelen een rol spelen. In dit kader zal ook de door [appellant] gevorderde rectificatie aan de orde komen.

6.36.

Naar het oordeel van het hof kan, anders dan [appellant] meent, niet worden aanvaard dat [geïntimeerde] als orgaan van de Staat [appellant] heeft gedagvaard in de Rotterdamse procedure. Dit betekent dat ook niet op die grondslag een onrechtmatige daad van de Staat kan worden vastgesteld.

Het hof onderkent dat er aanwijzingen zijn dat in de visie van het gerechtsbestuur van de Haagse rechtbank en de Raad voor de rechtspraak die procedure het algemeen belang diende (zie hierna rov. 6.40). Ook zijn er stukken van de Raad voor de rechtspraak waarin ervan lijkt te worden uitgegaan dat [geïntimeerde] wel als orgaan van de Staat procedeerde. Zo schrijft mr. Van Delden als voorzitter van de Raad voor de rechtspraak in zijn eerdergenoemde brief d.d. 3 mei 2006 aan het Tweede Kamerlid De Wit: “…vanwege het belang van de rechtspraak en het betrokken gerecht, de procedure op één lijn gesteld met de situatie waarin een rechter of gerechtsbestuurder uit hoofde van de functie in rechte wordt aangesproken. (…) Naar aanleiding van uw vraag of rekening is gehouden met de invloed die van de beslissing van de Raad en het betrokken gerechtsbestuur kan uitgaan op de rechters die de zaak behandelen, kan ik u nog meedelen dat in het algemeen de Raad en de gerechten zeer terughoudend zijn bij een beslissing om als partij (…) in rechte op te treden (…) anderzijds dat de indruk bestaat dat, als er al een invloed uitgaat van de bijzondere rol van een orgaan van de rechtspraak als procespartij, die invloed voor ons eerder ongunstig is. Maar die terughoudendheid mag niet ertoe leiden dat aan gerechtvaardigde belangen van de Staat (…) afbreuk wordt gedaan.

Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. In de inleidende dagvaarding in de Rotterdamse procedure is niet vermeld dat [geïntimeerde] de vordering initieert als orgaan van de Staat of woorden van gelijke strekking (bijvoorbeeld ‘bij de vervulling van zijn ambt’). Het aanhangig maken van deze procedure valt ook buiten het domein van de rechterlijk werkzaamheden. Ook verder kan uit die dagvaarding en de overige processtukken niet anders worden opgemaakt dan dat [geïntimeerde] als natuurlijk persoon handelde. Dat ligt ook in de rede, omdat hij blijkens zijn stellingen door de uitlatingen van [appellant] in het boek van [journalist] persoonlijk schade leed.

Iets anders is dat voor het gerechtsbestuur van de Haagse rechtbank en de Raad voor de rechtspraak de procedure wellicht ook een algemeen belang diende. De eventuele omstandigheid dat in de - naar het oordeel van het hof onjuiste - optiek van de Raad voor de rechtspraak [geïntimeerde] (mogelijk) wel als orgaan van de Staat procedeerde, maakte [geïntimeerde] als procespartij nog geen orgaan van de Staat.

6.37.

Bij het navolgende gaat het hof er, met partijen, wel van uit dat de handelingen van de Raad voor de rechtspraak, van mr. Hofhuis als president van de rechtbank ’s-Gravenhage en van mr. Van Delden zowel als president van die rechtbank en (later) als voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, hebben te gelden als handelingen van de Staat.

6.38.

[appellant] klaagt over de beslissing van de Staat om [geïntimeerde] te ondersteunen in zijn procedure tegen hem, in het bijzonder de beslissing om de proceskosten van [geïntimeerde] voor zijn rekening te nemen.

Daaromtrent overweegt het hof dat bij de beoordeling van de vraag of de overheid al dan niet onrechtmatig heeft gehandeld, de burgerlijke rechter zich behoort te onthouden van een oordeel over handelingen die tot de beleidsvrijheid van de overheid behoren. Aan de burgerlijke rechter komt geen oordeel toe over de vraag, of de overheid – voor zover zij binnen de haar toekomende beleidsvrijheid blijft – haar taak op een juiste wijze vervult. Met andere woorden, ook indien de burgerlijke rechter meent dat het juister geweest was als de overheid een andere beslissing had genomen, moet die rechter zich van een oordeel onthouden, zolang het een doelmatigheidskwestie betreft.

6.39.

In gevallen als de onderhavige voert de Raad voor de rechtspraak beleid, zoals onder meer blijkt uit de brief d.d. 3 mei 2006 van mr. Van Delden. Gezien deze brief heeft dit beleid betrekking op de situatie dat door de Staat verweer gevoerd wordt als een claim tegen de Staat aanhangig wordt gemaakt wegens het optreden van (bestuurders, leden en personeel) van rechterlijke instanties. Het beleid kan echter op overeenkomstige wijze worden toegepast indien het instellen van een vordering dóór de Staat wordt overwogen en ook is er rekening mee gehouden dat in uitzonderlijke gevallen het instellen van een vordering dóór een rechter op overeenkomstige wijze kan worden behandeld, aldus de brief. Het beleid wordt uitgebreider beschreven in de bij productie 19 bij de inleidende dagvaarding overgelegde brief d.d. 4 juni 2004 van de Raad voor de rechtspraak. Daarin is ook opgenomen dat zowel de kosten van een voor de Staat negatieve uitkomst van de desbetreffende civiele procedures als de kosten van behandeling (voornamelijk: rechtsbijstand) door de overheidskas moeten worden gedragen.

Het hof is van oordeel dat aan de Staat een zekere mate van beleidsvrijheid toekomt op dit punt. Van het geformuleerde beleid kan niet worden gezegd dat dat in zijn algemeenheid als onzorgvuldig en/of onredelijk moet worden aangemerkt.

6.40.

Blijkens de brief d.d. 3 mei 2006 van mr. Van Delden heeft de Raad voor de rechtspraak het onderhavige geval beoordeeld als een uitzonderlijk geval als bedoeld in het beleid. In deze procedure heeft de Staat nader uiteengezet dat daarbij het algemeen belang een rol speelde: aan de professionaliteit van ‘de Nederlandse rechter’ werd immers in het citaat van [appellant] getwijfeld, waarbij [geïntimeerde] bij naam werd genoemd. Verder speelden een rol: enerzijds, de geloofwaardigheid van [geïntimeerde] en, anderzijds, de werkgeversverantwoordelijkheid van het gerechtsbestuur van de rechtbank ’s-Gravenhage, aldus de Staat. Wat het eerste betreft: mr. Hofhuis, de toenmalige president van de rechtbank ’s-Gravenhage, geloofde [geïntimeerde] op zijn woord. Wat het tweede betreft: mr. Hofhuis was van opvatting dat een gerechtsbestuur (of de Raad voor de rechtspraak als collectiviteit) “voor zijn mensen” moest gaan staan als die werden aangevallen en reden zagen om tegen de aantijging op te komen.

6.41.

Het hof is van oordeel dat de Staat gelet op alle betrokken belangen, waaronder met name genoemd algemeen belang, in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om [geïntimeerde] te voorzien van rechtsbijstand. Desondanks is het de vraag of het gerechtsbestuur/de Raad in het besluitvormingsproces daarover zorgvuldiger had moeten zijn. Het hof beantwoordt deze vraag als volgt.

6.42.

Hierbij wordt uitgegaan van de volgende, door de Staat gestelde en door [appellant] niet althans onvoldoende betwiste, gang van zaken. [geïntimeerde] heeft op 23 maart 2004 met instemming van mr. Hofhuis contact opgenomen met de landsadvocaat (mr. Houtzagers van [kantoor van de landsadvocaat] ) met het verzoek om advies. De landsadvocaat heeft zijn kantoorgenoot mr. Boukema – gespecialiseerd op het terrein van onrechtmatige publicaties – verzocht om [geïntimeerde] te adviseren. Mr. Boukema heeft eind maart 2004 (mondeling) geadviseerd over de mogelijkheden om op te treden tegen [appellant] , de uitgever (Memory Productions) en [journalist] . Mr. Boukema heeft bij brief van 2 april 2004 [appellant] , Memory Productions en [journalist] om een rechtvaardigingsgrond gevraagd, op grond waarvan zij meenden de gewraakte uitlating te mogen doen. Bij deze sommatie was een conceptdagvaarding gevoegd en het verzoek om binnen tien dagen te reageren. Een (inhoudelijke) reactie bleef echter uit. Op 19 respectievelijk 20 april 2004 zijn [appellant] , Memory Productions en [journalist] door [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam.

6.43.

Gelet op deze gang van zaken mist het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] hem rauwelijks heeft gedagvaard, althans zonder hem een redelijke termijn te gunnen – welk verwijt [appellant] blijkens zijn derde grief (ook) aan de Staat maakt – goede grond. Gezien genoemde brief van 2 april 2004 kan van rauwelijks dagvaarden niet worden gesproken. Het hof acht voorts de termijn van tien dagen om te reageren redelijk, waarbij komt dat toen een inhoudelijke reactie binnen die tien dagen uitbleef nog ongeveer een week is gewacht met dagvaarden. Nu er een advies van een gespecialiseerde advocaat aan ten grondslag lag, is wat dat aangaat de beslissing om te procederen ook niet lichtvaardig genomen.

Voor zover [appellant] overigens meent dat hij aan kantoor in plaats van aan zijn woonadres is gedagvaard en dat [journalist] mee is gedagvaard om aan die dagvaarding zo veel mogelijk ruchtbaarheid (die voor [appellant] ongunstig is) te geven, berust dat te zeer op aannames die geen althans onvoldoende steun vinden in de feiten.

6.44.

[appellant] verwijt de Staat in dit verband ook dat de landsadvocaat geen onderzoek naar de feiten heeft gedaan en de substantiëringsplicht in de dagvaarding heeft verzaakt. Ook is de landsadvocaat één week na dagvaarden geattendeerd op de in 1994 geschreven brieven van mr. Von Schmidt auf Altenstadt en van [appellant] zelf, die een aanwijzing vormden voor het bellen. Ten onrechte trok de landsadvocaat de dagvaarding daarna niet in en dreigde hij in plaats daarvan met een tuchtklacht, aldus [appellant] .

Het hof is van oordeel dat deze verwijten niet kwalificeren als een onrechtmatige daad van de Staat jegens [appellant] . Een advocaat mag in beginsel afgaan op de door zijn cliënt verschafte informatie. Het was [appellant] duidelijk welk verwijt aan hem werd gemaakt in de tegen hem uitgebrachte dagvaarding. De brieven uit 1994 konden inderdaad als relevant worden beschouwd, maar de inhoud daarvan was niet zodanig dat op basis daarvan direct zou moeten worden geoordeeld dat de door [geïntimeerde] aan de landsadvocaat verschafte informatie niet juist was. Het enkele feit dat de landsadvocaat met een tuchtklacht heeft gedreigd is, wat daar ook van zij, onvoldoende om als onrechtmatig handelen van de Staat te kunnen worden gekwalificeerd.

6.45.

Ook als het achteraf bezien verstandiger was geweest als het gerechtsbestuur van de Haagse rechtbank en/of de Raad voor de rechtspraak [appellant] zelf had gehoord alvorens te beslissen om [geïntimeerde] te ondersteunen in zijn procedure tegen [appellant] , waaruit naar voren had kunnen komen dat de feiten ten aanzien van bellen in de Chipshol-zaak niet zo duidelijk lagen als [geïntimeerde] dat voorstelde, gaat het onder de omstandigheden en met de kennis van toen (2004) toch te ver om te concluderen dat het zorgvuldigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden. Een rechtsplicht om [appellant] te horen was er niet.

Er is geen enkele aanwijzing dat de Staat (het gerechtsbestuur/de Raad) wist dat [geïntimeerde] loog. In zijn algemeenheid geldt voor de Staat in gevallen als de onderhavige geen verificatieplicht, in de zin dat hij zich ervan moet vergewissen dat de betrokken bestuurders, leden en personeel van rechterlijke instanties hun vordering of verweer niet baseren op bewuste onwaarheden. In dit geval is er overigens wel enig onderzoek gedaan. Mr. Hofhuis heeft in zijn verklaring bij de Rijksrecherche in de strafrechtelijke procedure op 30 december 2010 verklaard dat hij met [geïntimeerde] heeft gesproken over de inhoud van de beschuldiging van [appellant] zoals opgetekend door [journalist] . [geïntimeerde] was heel stellig in zijn mededeling dat het niet zo gebeurd was en gaf hem informatie over recente berichten van andere advocaten in de Chipshol-zaak, waaruit af te leiden viel dat hij met hen in elk geval niet had gebeld, aldus mr. Hofhuis. Verder heeft mr. Hofhuis volgens zijn verklaring ook het personeelsdossier van [geïntimeerde] geraadpleegd om te zien of daarin iets over een klacht over zijn optreden in de Chipshol-zaak was opgenomen. Dat bleek niet het geval te zijn. Ook navraag bij de toenmalige secretaresse van de president en, als hij zich niet vergist, mr. Van Delden leverde op dit punt niets op, aldus mr. Hofhuis in zijn verklaring.

Aan nader onderzoek dat redelijkerwijze gedaan had kunnen worden in de bewuste periode, bleef in feite inderdaad alleen het horen van [appellant] zelf over. Daartoe is het gerechtsbestuur/de Raad niet overgegaan. Dat kan achteraf mogelijk als onverstandig en/of onwenselijk worden gezien, maar niet als onrechtmatig. Daarbij is ook in aanmerking te nemen dat [appellant] niet (inhoudelijk) reageerde op genoemde brief van 2 april 2004 van mr. Boukema. [appellant] is dus wel in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven.

Verder levert het feit dat in 1997 in het NRC brieven waren gepubliceerd omtrent een telefonisch contact tussen [geïntimeerde] en een andere advocaat in een andere Chipshol-procedure niet een verdergaande onderzoeksplicht voor de Staat op. Voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat de Staat zich in 2004 bewust was van die brieven dan wel zich daarvan bewust had moeten zijn, zagen die brieven op een andere aangelegenheid dan de kwestie met betrekking tot de uitlatingen van [appellant] in het boek van [journalist] . Ook hier geldt dat, gelet op de NRC brieven uit 1997, een andere beslissing van de Staat goed denkbaar was geweest, maar dat dat de toen feitelijk genomen beslissing niet onrechtmatig maakt.

Ook overigens heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de proceskosten van [geïntimeerde] voor zijn rekening te nemen.

6.46.

Voor zover [appellant] zich op het standpunt stelt dat de Staat op een gegeven moment – in het bijzonder toen het Haagse hof bij tussenarrest van 23 juni 2009 geoordeeld had dat “de subpassage voldoende grondslag vindt in het feitenmateriaal” (rov. 3.12 van dat arrest) – de financiering van [geïntimeerde] niet had moeten voortzetten, volgt het hof [appellant] daarin niet, mede gelet op de Staat in dezen toekomende beleidsvrijheid. Daarnaast staat vast tussen partijen dat bij het vertrek van [geïntimeerde] uit de rechterlijke macht in augustus 2009 de Staat [geïntimeerde] heeft gevrijwaard voor aanspraken die samenhangen met de gevoerde procedures. Dit zo zijnde kan het de Staat niet worden ontzegd om zijn belang veilig te stellen door [geïntimeerde] in de door [appellant] tegen [geïntimeerde] gevoerde procedures te voorzien van rechtsbijstand.

6.47.

Het hof zal thans de door [appellant] gevorderde rectificatie en excuses bespreken. [appellant] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat de Staat [appellant] als persoon en als advocaat ongekende (reputatie)schade heeft toegebracht. Met name heeft [appellant] in dit verband verwezen naar de brief d.d. 3 mei 2006 van de Raad voor de rechtspraak aan de Tweede Kamer-fractie van de SP.

6.48.

De Staat heeft hiertegen als verweer gevoerd dat de uitlatingen van mr. Van Delden in de brief d.d. 3 mei 2006 juist zijn. Volgens de Staat beschrijft mr. Van Delden in die brief de kwestie precies zoals die was: door een rechter was een procedure aanhangig gemaakt tegen een advocaat, een journalist en diens uitgever, nu de advocaat in het boek van de journalist aantijgingen had geuit van ernstige aard die het aanzien van de rechter, het ambt en de rechterlijke macht schaadden, terwijl de journalist op geen enkele manier had geprobeerd de juistheid van die aantijgingen te verifiëren. De Raad achtte dit handelen van de advocaat, van de journalist en diens uitgever schadelijk voor het functioneren van de rechtspraak. Mr. Van Delden (en de Raad) meende(n) dat [geïntimeerde] dit niet over zijn kant hoefde te laten gaan, daarbij afgaand op hetgeen [geïntimeerde] zei over de juistheid van de brief van [appellant] uit 1994. Daar mocht de Raad ook op afgaan. Aldus – steeds – de Staat.

6.49.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Ten tijde van de brief van mr. Van Delden, in 2006, had het de Raad voor de rechtspraak inmiddels duidelijk moeten zijn dat niet (meer) onverkort kon worden uitgegaan van hetgeen [geïntimeerde] zei over het door [appellant] gestelde telefonisch contact tussen hem en [geïntimeerde] . In de Rotterdamse procedure beweerde [appellant] immers stellig dat [geïntimeerde] in december 1994 wel gebeld had. Bij het op 14 december 2005 in die procedure gewezen tussenvonnis had de rechtbank [appellant] tot bewijslevering hierover toegelaten.

Genoemde brief van de Raad in 2006 bevat de passage: “Het is veeleer zo dat de Raad en het betrokken gerechtsbestuur zélf zich op het standpunt stellen dat het handelen van de advocaat en van de journalist (en diens uitgever) niet door de beugel kan en schadelijk is voor het functioneren van de rechtspraak.”.

In de omstandigheden van dit geval is [appellant] specifiek door deze passage in zijn eer en goede naam aangetast. De in die passage besloten liggende beschuldiging was onnodig diffamerend, vooralsnog onvoldoende gefundeerd en is later ook onjuist gebleken, zoals in dit arrest is vastgesteld. Het hof acht het doen van deze mededeling aan de Tweede Kamer-fractie dan ook onrechtmatig jegens [appellant] . Gesteld noch gebleken is dat de Staat daarbij enig belang had dat opweegt tegen het evidente belang van [appellant] dat deze mededeling niet werd gedaan. Aan de omstandigheid dat de naam van [appellant] in brief niet genoemd wordt, gaat het hof voorbij. Dat het daarbij om [appellant] ging was niet onbekend.

Evenmin doet het ertoe dat mr. Van Delden de brief schreef in reactie op vragen over het financieren van procedures van of tegen rechters. Voor een goede beantwoording van die vragen was het immers niet nodig om voormelde passage op te nemen.

Hoewel de onrechtmatige uitlating is gedaan in een brief aan de Tweede Kamer-fractie van de SP, is de brief als openbaarmaking/publicatie in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW aan te merken. De Staat heeft dit ook niet betwist. Evenmin heeft de Staat verweer gevoerd tegen publicatie van de rectificatie in genoemde landelijke dagbladen. Gelet op het voorgaande zal het hof de Staat veroordelen tot rectificatie zoals in het dictum zal worden vermeld.

6.50.

De door [appellant] gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de vrijwaring houdt in dat het door de Staat c.q. de Raad voor de rechtspraak in de brief d.d. 4 november 2014 aan [appellant] ingenomen standpunt “dat de vrijwaring niet van toepassing is als onherroepelijk komt vast te staan dat de heer [geïntimeerde] willens en wetens schade heeft toegebracht” rechtens onjuist is. Naar het hof begrijpt, bestaat er een verschil van mening tussen de Staat en [geïntimeerde] over de reikwijdte van de in augustus 2009 bij het vertrek van [geïntimeerde] uit de rechterlijke macht door de Staat aan [geïntimeerde] gegeven vrijwaring. Nu dit geschil de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en de Staat betreft, kan het hof deze vordering niet toewijzen in de onderhavige zaak van [appellant] tegen de Staat. Dit zou wellicht anders zijn als de tussen [geïntimeerde] en de Staat gemaakte vrijwaringsafspraak als een jegens [appellant] gemaakt derdenbeding (artikel 6:253 BW) heeft te gelden. Daarvoor heeft [appellant] naar het oordeel van het hof echter onvoldoende gesteld. De Staat heeft dat ook gemotiveerd betwist. Nergens kan bijvoorbeeld uit blijken dat de vrijwaringsafspraak de strekking had [appellant] rechten te verlenen.

6.51.

De slotsom is dat grief 3 van [appellant] gedeeltelijk slaagt. De gevorderde verklaring voor recht is namelijk toewijsbaar voor wat betreft de brief d.d. 3 mei 2006 van de Raad voor de rechtspraak aan de Tweede Kamer-fractie van de SP. Voor het overige dient deze te worden afgewezen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Partijen hebben niet voldoende concreet en gespecificeerd bewijs aangeboden.

Vervolg van de procedure

6.52.

Nu de aansprakelijkheden vast zijn komen te staan, wenst het hof partijen de mogelijkheid te geven over de schade en de proceskosten een regeling buiten rechte treffen. Het hof zal in dit arrest dan ook verder niet ingaan op de door [appellant] gestelde schadeposten, behoudens het volgende.

6.53.

Het grootste deel van de door [appellant] gevorderde schade bestaat uit gestelde inkomensschade ten gevolge van het vertrek van [appellant] bij [advocatenkantoor] . [appellant] heeft, kort gezegd, betoogd dat dat vertrek een gevolg was van de door [geïntimeerde] tegen hem aanhangig gemaakte procedure. [appellant] heeft daarbij verwezen naar een notitie van [advocatenkantoor] van 30 september 2004. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellant] vertrek bij [advocatenkantoor] niet onvrijwillig was, maar een eigen keuze van [appellant] om het rustiger aan te gaan doen. [geïntimeerde] heeft daarbij verwezen naar de verklaringen van mrs. [getuige 2] en [getuige 3] van het toenmalig maatschapsbestuur van [advocatenkantoor] .

Indien partijen voor wat betreft de schade geen minnelijke regeling treffen, is nadere bewijslevering ten aanzien van het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en de gestelde inkomensschade niet uitgesloten. In dit stadium overweegt het hof enkel dat uit de thans beschikbare bewijsmiddelen een beeld rijst van verschillende feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen aan [appellant] vertrek bij [advocatenkantoor] , waarbij echter de door [geïntimeerde] tegen [appellant] aangespannen procedure minst genomen een omstandigheid van zeker gewicht is geweest dan wel als katalysator heeft gewerkt. In die zin kan toerekening van (enige) inkomensschade op de voet van artikel 6:98 BW niet worden uitgesloten. Ieder oordeel op dit punt wordt echter aangehouden.

6.54.

De beslissingen waartoe het hof in dit arrest is gekomen, zullen worden neergelegd in het dictum. De zaken zullen zal naar de rol worden verwezen voor akte uitlating voort procederen dan wel royement. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7 De uitspraak

Het hof:

in de zaak van [appellant] tegen [geïntimeerde]

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor zover daarin voor recht is verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem aan [appellant] toegebrachte schade;

verwijst de zaak naar de rol van 13 juni 2017 voor akte uitlating voort procederen dan wel royement;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de zaak van [appellant] tegen de Staat

vernietigt de vonnissen waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld doch uitsluitend ten aanzien van de brief d.d. 3 mei 2006 van de Raad voor de rechtspraak aan de Tweede Kamer-fractie SP voor wat betreft de hiervoor in rov. 6.49 genoemde passage, en aansprakelijk is voor de door de Staat daardoor aan [appellant] toegebrachte schade;

wijst de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht voor het overige af, met inbegrip van die met betrekking tot de vrijwaring;

veroordeelt de Staat om binnen 48 uur na de betekening van dit arrest, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, voor zijn rekening in de landelijke dagbladen NRC Handelsblad en Het Financieele Dagblad met de kop in kapitalen en op een prominente plaats de volgende rectificatie te doen plaatsen:

“Ingevolge het arrest d.d. 7 maart 2017 van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch rectificeert de Raad voor de rechtspraak hierbij zijn brief d.d. 3 mei 2006 aan de Tweede Kamer-fractie SP.

Deze brief, waarin is vermeld dat een advocaat – waarbij het niet onbekend was dat het om mr. [appellant] ging – aantijgingen had geuit van ernstige aard die het aanzien van de rechter, het ambt en de rechterlijke macht schaadden, bevat de beschuldiging dat het handelen van mr. [appellant] niet door de beugel kan en schadelijk is voor het functioneren van de rechtspraak.

Die beschuldiging was onnodig diffamerend en onvoldoende gefundeerd en is later ook onjuist gebleken. Bij voormeld arrest heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch deze beschuldiging onrechtmatig geacht jegens mr. [appellant] . Mr. [appellant] is door die beschuldiging in zijn eer en goede naam aangetast.

De Raad betreurt de schade aan de reputatie en goede naam van mr. [appellant] .

Raad voor de rechtspraak

Mr. F.C. Bakker, voorzitter”;

wijst af de vordering van [appellant] tot het publiceren van een verdergaande of andersluidende rectificatie dan hiervoor geformuleerd;

verwijst de zaak naar de rol van 13 juni 2017 voor akte uitlating voort procederen dan wel royement;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, M.A. Wabeke en J.P. de Haan en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 maart 2017.

griffier rolraadsheer