Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:879

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
03-05-2017
Zaaknummer
15/01345
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6708, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een groter bedrag dan € 15.669 van het in 2002 opgenomen krediet bij de bank is aangewend voor uitgaven voor verbetering of onderhoud van de eigen woning.

De Rechtbank had de - buiten de termijn van zes weken ingediende - beroepen tegen eerdere jaren niet ontvankelijk moeten verklaren i.p.v. zich onbevoegd te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/30.17.22
Vp-bulletin 2017/35
V-N Vandaag 2017/1075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01345

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 oktober 2015, nummer AWB 15/1832, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden uitspraken en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.281 en is gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht. Tevens zijn aan belanghebbende over de jaren 2007 tot en met 2011 aanslagen in de IB/PVV opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2012. Bij uitspraak van 28 februari 2015 is de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.586.

1.3.

Belanghebbende heeft in 2012 ook tegen de hem opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2007 tot en met 2010 bezwaar ingediend bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft bij uitspraken van, telkens, 2 juli 2012 de bezwaren tegen de aanslagen over de jaren 2007 tot en met 2009 niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen de aanslag over het jaar 2010 ongegrond verklaard, alsmede, voor zover de laatstbedoelde bezwaren als verzoeken om ambtshalve vermindering zouden moeten worden aangemerkt, die verzoeken afgewezen.

1.4.

Voor het jaar 2011 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV opgelegd conform de ingediende aangifte IB/PVV over het jaar 2011. Belanghebbende heeft tegen die aanslag geen bezwaar gemaakt.

1.5.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot het jaar 2012 en daarbij verzocht om “ook te kijken naar” de jaren 2007 tot en met 2011.

1.6.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 13 oktober 2015 het beroep gegrond verklaard voor wat betreft het jaar 2012, de uitspraak op bezwaar over 2012 vernietigd, de aanslag IB/PVV over 2012 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 34.465, de beschikking belastingrente 2012 dienovereenkomstig verminderd; de beroepen voor wat betreft de jaren 2010 en 2011 niet-ontvankelijk verklaard; zich onbevoegd verklaard voor wat betreft de beroepen over de jaren 2007 tot en met 2009 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van
€ 45 aan hem vergoedt.

1.7.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarop een conclusie van repliek ingediend, waarin hij onder meer het verzoek indient om in bezwaar te gaan tegen de (aanslag) IB/PVV 2013. De Inspecteur heeft gedupliceerd.

1.8.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn (ter na te melden zitting) in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 januari 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, mevrouw [A] . Belanghebbende is niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 22 november 2016, met nummer [nummer] , aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

Hieruit volgt dat de uitnodiging op 23 november 2016 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.10.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.11.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaringen van de Inspecteur ter zitting, stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1972 en gehuwd met mevrouw [B] , is eigenaar van de woning aan de [adres] 52 te [woonplaats] .

2.2.

Op [datum] 2002 is door belanghebbende een doorlopend aflossingsvrij krediet overeengekomen met [C] BV (hierna: de bank) tot een maximum bedrag van € 50.000. Belanghebbende heeft – blijkens de overeenkomst – op die datum de bank opdracht gegeven ten laste van het krediet de volgende bedragen uit te betalen:

- € 8.700 op een rekening van een niet bekende begunstigde;

- € 16.790 aan de “ [D] Bank”;

- € 571,75 op een rekening van een niet bekende begunstigde;

- € 23.938,25 aan belanghebbende zelf.

2.3.

Op 1 januari 2012 bedroeg de schuld aan de bank € 50.586,58 en op
31 december 2012 € 51.061,91. Over het jaar 2012 is een bedrag van € 5.793,82 aan rente betaald. Tot en met de aangifte IB/PVV over het jaar 2010 heeft belanghebbende deze lening niet opgenomen als eigen woninglening.

2.4.

De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012 de aftrek van voormeld bedrag van € 5.793,82 niet geaccepteerd. Bij uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2012 heeft de Inspecteur alsnog een bedrag aan rente van € 695 in aftrek toegestaan. De Rechtbank heeft geoordeeld dat over het jaar 2012 recht bestaat op een extra bedrag aan renteaftrek van € 1.121.

2.5.

Op 8 juni 2012 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de definitieve aanslagen IB/PVV over de jaren 2007 tot en met 2010. In die bezwaarschriften verzoekt belanghebbende om herziening van de in aftrek te brengen renten van geldleningen eigen woning. Bij uitspraken op bezwaar van, telkens,
2 juli 2012 heeft de Inspecteur de bezwaren over de jaren 2007, 2008 en 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, die bezwaarschriften als een verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling genomen en die vervolgens afgewezen. Het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 was wel tijdig ingediend en is door de Inspecteur bij uitspraak van eveneens
2 juli 2012 afgewezen.

2.6.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag IB/PVV opgelegd. Deze aanslag is opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte, waarin onder meer een bedrag van € 9.371 aan aftrekbare rente eigen woning was verwerkt. Deze aangifte is niet inhoudelijk gecontroleerd en geautomatiseerd afgedaan.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of een groter bedrag dan € 15.669 van het in 2002 opgenomen krediet bij de bank is aangewend voor uitgaven voor verbetering of onderhoud van de in 2.1 bedoelde eigen woning.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat het volledige krediet van € 50.000 is aangegaan ter financiering van het onderhoud c.q. de verbetering van de eigen woning. De Inspecteur beantwoordt de in geschil zijnde vraag ontkennend.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur daar nog het volgende aan toegevoegd, zakelijk weergegeven:

Bij uitspraken van telkens 2 juli 2012 zijn de bezwaren van belanghebbende met betrekking tot de aanslagen IB/PVV over de jaren 2007 tot en met 2009 niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover beschouwd als een verzoek om ambtshalve vermindering, afgewezen en is het – tijdig ingediende - bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 afgewezen.
De voorzitter overhandigt mij de door belanghebbende op 11 januari 2017 naar het Hof gestuurde stukken (foto’s). De inhoud ervan leidt mij niet tot het wijzigen van mijn standpunt. De Inspecteur is al behoorlijk coulant geweest ten aanzien van belanghebbende.

Naar aanleiding van de opmerking van belanghebbende in zijn conclusie van repliek in hoger beroep met betrekking tot het in bezwaar gaan voor het jaar 2013 kan ik melden dat van belanghebbende over dat jaar een bezwaarschrift is ontvangen; zoals te doen gebruikelijk is de afhandeling ervan aangehouden in afwachting van de onderhavige procedure.

3.4.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof hem begrijpt, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot het jaar 2012 en tot het alsnog in aftrek toelaten van (de rente over) het volledige krediet van € 50.000.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Blijkens de onder 1.9 vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging op
23 november 2016 uitgereikt.

Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het geschil

4.2.

Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een groter bedrag dan € 15.669 van het in 2002 opgenomen krediet bij de bank is aangewend voor uitgaven voor verbetering of onderhoud van de eigen woning. De overige door belanghebbende overgelegde facturen hebben betrekking op uitgaven in de jaren 2003, 2004, 2008, 2009 en 2010. Op geen enkele wijze is aannemelijk gemaakt dat het opgenomen krediet is aangewend voor de voldoening van deze uitgaven. Dit ligt ook niet voor de hand gelet op het tijdsverloop tussen de uitbetaling van een deel van het krediet aan belanghebbende en de voldoening van de overgelegde facturen. De Rechtbank heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning over het jaar 2012 terecht vastgesteld op € 34.465.

4.3.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep de beslissingen van de Rechtbank over de jaren 2007 tot en met 2011 bestrijdt, merkt het Hof het volgende op.

4.4.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende weliswaar in 2012 ook voor de jaren 2007 tot en met 2010 bezwaar heeft gemaakt, maar dat de Inspecteur die bezwaren (slechts) heeft aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering van de desbetreffende aanslagen, welke verzoeken vervolgens door de Inspecteur op
2 juli 2012 zijn afgewezen. Echter, naar de Inspecteur ter zitting geloofwaardig heeft verklaard, heeft de Inspecteur bij formele uitspraken van, telkens, 2 juli 2012 de bezwaren gericht tegen de aanslagen over de jaren 2007 tot en met 2009 niet-ontvankelijk verklaard c.q., voor zover beschouwd als een verzoek om ambtshalve vermindering, afgewezen en het bezwaar tegen de aanslag 2010 ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

4.5.

Hieruit volgt, dat eerst onderzocht moet worden of belanghebbende tijdig beroep heeft ingediend tegen de hiervoor bedoelde uitspraken op bezwaar van 2 juli 2012 met betrekking tot de jaren 2007 tot en met 2010.

4.6.

Belanghebbende heeft de Rechtbank in zijn op 1 april 2015 binnengekomen beroepschrift en nogmaals uitdrukkelijk in de brief van 28 april 2015 verzocht om “ook te kijken naar” de jaren 2007 tot en met 2011. De Rechtbank heeft, belanghebbende in dat verzoek volgend, zich in de bestreden uitspraak onbevoegd verklaard voor wat betreft de beroepen over de jaren 2007 tot en met 2009 en de beroepen voor wat betreft de jaren 2010 en 2011 niet-ontvankelijk verklaard, een en ander zoals vermeld in rechtsoverweging 2.9.1 en 2.10 van de bestreden uitspraak.

4.7.

Uit de stukken van het geding valt niet af te leiden dat door belanghebbende eerder dan 1 april 2015 een als tijdig ingediend beroepschrift aan te merken geschrift bij de Rechtbank is ingediend. Ook anderszins is zulks niet aannemelijk geworden.

Dat leidt tot de conclusie dat de Rechtbank het kennelijk door belanghebbende beoogde beroep tegen, naar thans is komen vast te staan, de respectievelijke uitspraken op bezwaar voor wat betreft de jaren 2007 tot en met 2010 niet-ontvankelijk had dienen te verklaren op grond van het niet binnen de wettelijke beroepstermijn van zes weken bij de Rechtbank indienen van een beroepschrift. Voor een onbevoegd verklaren (jaren 2007 tot en met 2009) is derhalve geen aanleiding. Wel voor het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep voor wat betreft het jaar 2010, zij het op andere gronden dan door de Rechtbank gehanteerd.

4.8.

Voor zover belanghebbende tevens heeft bedoeld op te komen tegen de volgens hem door de Inspecteur genomen beslissing om de aanslagen niet ambtshalve te verminderen, oordeelt het Hof als volgt.

Voor wat betreft de jaren 2007 tot en met 2009 geldt dat een dergelijke beslissing, gelet op het ambtshalve karakter ervan, niet voor bezwaar en beroep vatbaar is. Indien daartegen niettemin bezwaar wordt gemaakt, dient de Inspecteur dat bezwaar bij zijn uitspraak niet-ontvankelijk te verklaren. De belastingrechter is wel bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de uitspraak, die de Inspecteur op een zodanig bezwaar heeft gedaan (Hoge Raad 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797).

Gelijk hiervoor is overwogen, heeft belanghebbende, nadat de bezwaren tegen de aanslagen over de jaren 2007, 2008 en 2009 wegens termijnoverschrijding bij uitspraken op bezwaar van 2 juli 2012 niet-ontvankelijk zijn verklaard, vervolgens tegen die uitspraken eveneens niet-tijdig beroep ingediend, immers niet eerder dan op
1 april 2015, derhalve bijna drie jaren later. Dat leidt er toe dat het Hof niet meer toe komt aan een rechterlijke toetsing van deze ambtshalve gegeven besluiten.

4.9.

Voor wat betreft het jaar 2010 heeft de Inspecteur, naar ter zitting van het Hof is komen vast te staan, het bezwaarschrift als zijnde tijdig ingediend aangemerkt en vervolgens bij uitspraak op bezwaar van 2 juli 2012 ongegrond verklaard. Van een ambtshalve beslissing is onder die omstandigheden – anders dan de Rechtbank heeft aangenomen - geen sprake. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar niet-tijdig beroep ingesteld bij de Rechtbank en is dat beroep om die reden niet-ontvankelijk.

4.10.

Voor wat betreft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat het dictum van de uitspraak van de Rechtbank in zoverre dient te worden vernietigd. De beroepen over de jaren 2007 tot en met 2009 worden alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond en wordt de uitspraak van de Rechtbank gevolgd, zij het met gedeeltelijke verbetering van de gronden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.12.

In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, vindt het Hof aanleiding om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem voor het instellen van het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft het oordeel van de Rechtbank over de jaren 2007 tot en met 2009,

  • -

    verklaart de beroepen voor wat betreft de jaren 2007 tot en met 2009 niet-ontvankelijk,

  • -

    bevestigt de bestreden uitspraak voor het overige,

  • -

    gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende voor het instellen van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 123 aan belanghebbende vergoedt.

Aldus gedaan op 3 maart 2017 door J. Swinkels, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.