Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:876

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
03-05-2017
Zaaknummer
15/01427
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7162, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden, aangezien gesteld noch gebleken is dat de intrekking van het hoger beroep door belanghebbende niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1017
V-N 2017/26.18.2
FutD 2017-1109
NTFR 2017/1326 met annotatie van mr. T.A.D. van Wordragen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01427

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 5 november 2015, nummer BRE 14/3275, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.759 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.022, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ten bedrage van € 500 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 490 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Bij brief van 15 april 2016 heeft belanghebbende de Inspecteur geschreven dat zijn echtgenote op 25 maart 2016 is overleden en heeft hij de Inspecteur verzocht “deze zaak als afgedaan te beschouwen”.

2.2.

Bij brief van 25 april 2016 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat als hij het hoger beroep wenst in te trekken hij daartoe een bericht kan zenden aan het Hof, doch dat belanghebbende ook een intrekkingsverklaring aan de Inspecteur kan sturen waarna hij zal zorgdragen voor verzending naar het Hof. De Inspecteur heeft bij zijn brief van 25 april 2016 een intrekkingsverklaring die specifiek op de onderhavige zaak ziet bijgevoegd.

2.3.

Op 1 mei 2016 stuurt belanghebbende een e-mailbericht aan de Inspecteur waarin hij uiteenzet dat hij op 87 jarige leeftijd meent aan zijn eigen gezondheid te mogen denken door het spanningsveld met de Inspecteur te verlaten.

2.4.

Op 4 mei 2016 heeft de Inspecteur de door belanghebbende op 3 mei 2016 getekende verklaring dat hij de onderhavige zaak intrekt, ontvangen.

2.5.

Bij brief van 12 mei 2016 heeft de Inspecteur de intrekkingsverklaring aan het Hof toegezonden. Bij brief van 17 mei 2016 heeft het Hof de Inspecteur meegedeeld dat het hoger beroep was ingetrokken. Voorts heeft het Hof bij brief van 19 mei 2016 voornoemde brief van de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is de vraag of belanghebbende het hoger beroep rechtsgeldig heeft ingetrokken en derhalve niet kan worden ontvangen in het hoger beroep, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

Indien het gelijk aan belanghebbende is, is voorts in geschil of de vraag of de uitgaven die belanghebbende in 2012 heeft gedaan in verband met het An-buddy-team dat werd ingezet ten behoeve van zijn vrouw kunnen worden aangemerkt als uitgaven voor geneeskundige hulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, en negende lid, onderdelen a en b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, bevestigend moet worden beantwoord, hetgeen belanghebbende bepleit, of ontkennend, hetgeen de Inspecteur voorstaat.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de immateriële schadevergoeding, het griffierecht en de proceskosten, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.712 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.022. Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Een rechtsgeldige intrekking van het hoger beroep heeft tot gevolg dat het geding eindigt. Belanghebbende heeft op 3 mei 2016 de verklaring waarbij de onderhavige zaak wordt ingetrokken ondertekend en die brief naar de Inspecteur gestuurd, die de intrekkingsverklaring op 12 mei 2016 heeft doorgezonden naar het Hof. Het Hof heeft deze verklaring op 17 mei 2016 ontvangen.

4.2.

Gesteld noch gebleken is dat de intrekking niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Gelet op de inhoud en strekking van de intrekkingsverklaring, gelezen in samenhang met de in onderdeel 2.1 vermelde brief en het in onderdeel 2.3 opgenomen e-mailbericht, is het hoger beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. De intrekking van het hoger beroep kan uitsluitend ongedaan worden gemaakt indien sprake is van aan belanghebbende niet toe te rekenen omstandigheden waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde of die wijzen op dwang of bedrog van enige zijde teneinde belanghebbende er toe te bewegen het hoger beroep in te trekken. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval sprake is van zodanige dwaling, dwang of bedrog.

4.3.

Dat belanghebbende min of meer impulsief het intrekkingsformulier heeft ondertekend, zoals zijn gemachtigde in de conclusie van repliek stelt, maakt dit niet anders. Dat geldt evenzeer voor de stelling van de gemachtigde dat belanghebbende bij de ondertekening van het intrekkingsformulier niet had overzien dat de zaak, zonder nadere kosten, op basis van de stukken en zonder mondelinge behandeling beslist zou kunnen worden.

4.4.

Derhalve moet worden geoordeeld dat de intrekking definitief is, en dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in het hoger beroep (vgl. HR 23 september 2011, nr. 11/00372, ECLI:NL:HR:2011:BT2297, BNB 2011/266 en HR 16 maart 1994, nr. 29 623, ECLI:NL:HR:1994:ZC5626, BNB 1994/127).

4.5.

Ten overvloede wordt overwogen dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake was van een behandeling ‘door of op (mondeling) voorschrift van een arts’.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Er zijn geen redenen aanwezig om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan op: 3 maart 2017 door P.J.J. Vonk, voorzitter, A.J. Kromhout en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.