Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:860

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
200.201.738_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:7412
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz.

Einde arbeidsovereenkomst door erkende mondelinge opzegging. Werknemer heeft pas na het verstrijken van de vervaltermijn de kantonrechter verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen (art. 7:686a lid 4 sub a onder 2˚ BW). De opzegging kan derhalve niet meer worden vernietigd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 686a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1238
AR-Updates.nl 2017-0279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 2 maart 2017

Zaaknummer : 200.201.738/01

Zaaknummers eerste aanleg : 5154127 AZ VERZ 16-126

5154408 AZ VERZ 16-127

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen,

tegen

Enterprise de désossage [Enterprise de désossage] S.A.R.L.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Luxemburg),

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. D.D.J.M. Gulpers te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 augustus 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 19 oktober 2016;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 december 2016;

  • -

    de op 25 januari 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Sijben en mevrouw M.B. Stammis-Grzegorczyk (tolk tussen het Nederlands en Pools);

- mr. Gulpen namens [verweerster] .

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1966, is op 18 augustus 2014 in dienst getreden bij [verweerster] als medewerker uitbener, op grond van een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd voor een periode van drie maanden, derhalve tot 18 november 2014. Deze arbeidsovereenkomst is meerdere keren verlengd, laatstelijk tot 18 augustus 2017.

Op de arbeidsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard.

3.1.2.

[verweerster] houdt zich bezig met het uitlenen van personeel ten behoeve van de vleesverwerkende industrie. [appellant] is vanaf aanvang van zijn dienstverband door [verweerster] uitgeleend aan [vleesverwerkend bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: [vleesverwerkend bedrijf] ), waar hij werkzaam was als uitbener.

3.1.3.

[appellant] heeft tot en met 17 februari 2016 bij [vleesverwerkend bedrijf] gewerkt. Daarna is hij niet meer op het werk verschenen.

3.1.4.

Op de salarisstrook van [appellant] van februari 2016 is vermeld: “Uit dienst 29-02-2016”. Aan hem zijn alleen de gewerkte uren over die maand uitbetaald.

3.1.5.

De voormalig gemachtigde van [verweerster] heeft in een e-mail van 19 mei 2016 aan de gemachtigde van [appellant] geschreven:
“(…) Mijn cliënte is formeel werkgeefster van de heer [appellant] .

Uit bijgaand schrijven blijkt dat de heer [appellant] op staande voet is ontslagen. De ontslagbrief heeft hij op 25 februari 2016 ontvangen, blijkens het bericht van Post Luxembourg. (…)”.

3.1.6.

[appellant] is vanaf 25 april 2016 werkzaam bij [Meat] Meat B.V. op grond van een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg verzocht, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- in de voorlopige voorzieningenprocedure (art. 223 Rv): [verweerster] te veroordelen om vanaf mei 2016 maandelijks een voorschot te betalen van € 1.500,00 bruto;

- in de hoofdzaak:

primair de ongedateerde opzegging, bekend geworden bij [appellant] op 19 mei 2016, te vernietigen ex art. 7:681 lid 1 BW en [verweerster] te veroordelen om vanaf 18 februari 2016 het salaris van € 1.851,84 bruto per maand te betalen, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd; en

subsidiair, voor het geval [appellant] zal gaan kiezen om te berusten in de opzegging van de arbeidsovereenkomst, maar niet in de wijze waarop deze opzegging heeft plaatsgevonden, [verweerster] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:672 lid 9 BW (€ 2.827,57 bruto) en een billijke vergoeding ex art. 7:681 lid 1 BW van € 33.000,00 bruto,

met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.

3.3.

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking:
in de voorlopige voorzieningenprocedure: het verzoek van [appellant] afgewezen, en
in de hoofdzaak: [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken.
is in de proceskosten aan de zijde van [verweerster] veroordeeld.

3.4.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft vernietiging verzocht van de bestreden beschikking en (ongeveer) dezelfde verzoeken geformuleerd als in de hoofdzaak in eerste aanleg. Hij heeft geen verzoeken gedaan als in de voorlopige voorzieningenprocedure in eerste aanleg, en tegen de afwijzing van die verzoeken in de voorlopige voorzieningenprocedure heeft hij geen grief gericht.
Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus – en zo heeft ook [verweerster] de omvang van het hoger beroep verstaan – dat [appellant] deze beslissing niet bestrijdt. Het geding in hoger beroep beperkt zich aldus tot de beslissing in de hoofdzaak.

3.5.

[appellant] heeft tegen de bestreden beschikking in de hoofdzaak twee grieven aangevoerd. De eerste grief richt zich tegen het oordeel dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken. In de toelichting op deze grief heeft hij, samengevat, het volgende betoogd.

[appellant] heeft zich na afloop van zijn werkzaamheden op 17 februari 2016 rond 19:00 uur ziek gemeld bij de Poolse coördinator van [vleesverwerkend bedrijf] . De volgende dag, 18 februari 2016 rond 06:00 uur, werd hij door haar gebeld en werd hem gezegd dat hij zou worden ontslagen als hij niet zou komen werken. [appellant] heeft hierop aangegeven dat hij niet in staat was te werken wegens zijn knieklachten en dat hij die ochtend een afspraak had bij de huisarts. Vervolgens heeft hij niets meer gehoord, noch van [verweerster] , noch van [vleesverwerkend bedrijf] .

[appellant] zag op zijn salarisstrook van februari 2016 dat hij slechts de gewerkte uren over de maand februari 2016 uitbetaald had gekregen en dat hij per 29 februari 2016 niet meer in dienst zou zijn van [verweerster] . [appellant] heeft juridische hulp ingeschakeld en vernam pas op 19 mei 2016 dat hij op staande voet zou zijn ontslagen. Volgens [verweerster] zou dit in een ontslagbrief op 25 februari 2016 schriftelijk aan hem zijn medegedeeld, maar [appellant] heeft nooit een brief van [verweerster] ontvangen. [appellant] heeft van PostNL vernomen dat de ontslagbrief op 25 februari 2016 is uitgereikt op het adres [adres 1] te [woonplaats] , terwijl [appellant] op het adres [adres 2] in [woonplaats] woont. De handtekening voor ontvangst is niet van hem afkomstig.

Nu [appellant] pas op 19 mei 2016 kennis heeft genomen van het feit dat hij op staande voet was ontslagen en zijn verzoek tot vernietiging van de opzegging binnen twee maanden na die datum bij de kantonrechter is ingediend, is hij ontvankelijk in zijn verzoeken.

[appellant] heeft verzocht om zijn verzoeken alsnog toe te wijzen, met dien verstande dat hij in hoger beroep zijn primaire verzoek tot betaling van zijn salaris van € 1.851,84 bruto per maand heeft gewijzigd in die zin dat hij nog slechts salaris vordert over de periode vanaf 19 februari 2016 tot en met 24 april 2016.

De tweede grief richt zich tegen de proceskostenveroordeling.

3.6.

[verweerster] heeft verweer gevoerd, primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] en subsidiair tot afwijzing van zijn verzoeken, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

3.7.

Het hof overweegt als volgt. [appellant] woont in Nederland en [verweerster] is gevestigd in Luxemburg. Het geschil heeft dan ook internationale aspecten, zodat eerst beoordeeld moet worden of de Nederlandse rechter bevoegd is hiervan kennis te nemen. Dat is het geval.

Het onderhavige verzoek is ingediend ná 10 januari 2015, zodat de herschikte EEX-Verordening van toepassing is. Op grond van artikel 21 lid 1 sub b onder i van deze Verordening kan een werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter.

De onderhavige arbeidsovereenkomst is aangegaan na 17 december 2009, zodat Verordening 593/2008 (Rome I) van toepassing is. Partijen hebben een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht, zodat op grond van artikel 3 in verbinding met artikel 8 van deze Verordening Nederlands recht van toepassing is. Dat is ook niet tussen partijen in geschil.

3.8.

Tussen partijen staat vast dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [appellant] heeft opgezegd.

Volgens [appellant] heeft de opzegging door [verweerster] hem pas op 19 mei 2016 bereikt, omdat hij toen pas kennisnam van de opzeggingsbrief van [verweerster] .

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] hieraan het volgende toegevoegd. Tijdens zijn ziekmelding is telefonisch tegen [appellant] gezegd dat hij zou worden ontslagen als hij niet meer zou komen werken. Vervolgens merkte [appellant] dat hij geen salaris meer kreeg. De boekhouder van [appellant] heeft toen naar [verweerster] gebeld. [verweerster] heeft tegen zijn boekhouder gezegd dat hij niet meer kon werken en dat hij ontslagen was. [appellant] is daarna in maart 2016 naar het juridisch loket gegaan omdat hij was ontslagen.

3.9.

Naar het oordeel van het hof volgt uit dit eigen betoog van [appellant] dat hem in maart 2016, via zijn boekhouder, een mondelinge opzegging door [verweerster] heeft bereikt. [appellant] wist toen niet met zekerheid per welke datum de arbeidsovereenkomst zou eindigen, maar hij wist wel dat [verweerster] er vanuit ging dat de arbeidsovereenkomst in februari of maart 2016 was geëindigd. Dat blijkt uit het volgende. [appellant] was gewaarschuwd voor een ontslag. [vleesverwerkend bedrijf] had hem immers op 18 februari 2016 aangekondigd dat hij zou worden ontslagen als hij niet zou komen werken en [appellant] is vervolgens niet meer komen werken. [appellant] heeft op zijn salarisstrook gezien dat [verweerster] alleen de gewerkte uren in de maand februari 2016 aan hem heeft uitbetaald en dat zij op de salarisstrook als einddatum van de arbeidsovereenkomst 29 februari 2016 had vermeld. Al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat het [appellant] duidelijk was, althans had moeten zijn, dat in de visie van [verweerster] in ieder geval eind maart 2016 vanwege een door haar gedane opzegging (die [appellant] heeft bereikt) geen arbeidsovereenkomst meer bestond tussen hen. Hieruit volgt dat de arbeidsovereenkomst van [appellant] door opzegging van [verweerster] in elk geval vóór 1 april 2016 is geëindigd.

De bevoegdheid van [appellant] om een verzoekschrift tot vernietiging van de opzegging bij de kantonrechter in te dienen vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid tot indiening van zijn subsidiaire verzoeken (art. 7:686a lid 4 sub a BW). [appellant] heeft pas na het verstrijken van deze termijn, namelijk bij verzoekschrift dat op 7 juni 2016 bij de griffie is binnengekomen, de kantonrechter verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen (bestreden beschikking r.o. 4.8). Dit is te laat. Dat betekent dat de door [verweerster] gedane opzegging wegens een dringende reden niet meer kan worden vernietigd.

Uit het voorgaande volgt dat de vraag of [appellant] de schriftelijke opzegging heeft ontvangen op 25 februari 2015 zoals [verweerster] heeft gesteld, of op 19 mei 2016 zoals [appellant] heeft betoogd, niet relevant is. Ook al zou [appellant] de opzeggingsbrief pas op 19 mei 2016 hebben ontvangen, dan nog is de mondelinge mededeling van de opzegging door [verweerster] , die hem in maart 2016 al heeft bereikt, bepalend. De (ontvangstdatum van de) opzeggingsbrief behoeft derhalve geen verdere bespreking en beoordeling meer. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoeken.

3.10.

[appellant] heeft subsidiair, voor het geval hij zou gaan kiezen om te berusten in de opzegging van de arbeidsovereenkomst, maar niet in de wijze waarop deze opzegging heeft plaatsgevonden, veroordeling van [verweerster] verzocht tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. [appellant] heeft de voorwaarde waaronder hij deze vorderingen heeft ingesteld niet ingeroepen, zodat deze verzoeken niet ter beoordeling aan het hof voorliggen.

3.11.

De slotsom is dat grief I niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden en, voor zover het betoog van [appellant] in de toelichting op deze grief niet in het geheel aan de orde is gekomen, die toelichting bij gebrek aan belang geen nadere bespreking behoeft. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd, waaronder begrepen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Grief II wordt derhalve verworpen. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet het hof geen aanleiding (art. 289 Rv).

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Deze beschikking is gewezen door mrs. M. van Ham, J.F.M. Pols en M.E. Smorenburg en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.