Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:856

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
200.199.582_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht.

WWZ.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van disfunctioneren (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0277
AR 2017/1222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 2 maart 2017

Zaaknummer : 200.199.582/01

Zaaknummer eerste aanleg : 4953838 AZ VERZ 16-34

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. E.F. Gomes te Bergen op Zoom,

tegen

Stichting tanteLouise Zorg (voorheen genaamd Stichting tanteLouise-Vivensis Zorg),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als tanteLouise,

advocaat: mr. R. van der Stap te Rotterdam,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom van 23 juni 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg (waaronder de aantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg) en producties, ingekomen ter griffie op 19 september 2016;

  • -

    het verweerschrift met een productie (productie 36), ingekomen ter griffie op 16 november 2016;

- de op 20 januari 2017 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Gomes;

- namens tanteLouise de heer [directeur bedrijfsvoering] , directeur bedrijfsvoering, en mevrouw [manager facilitair] , manager facilitair, bijgestaan door mr. Van der Stap.

- de ter zitting door mr. Gomes overgelegde pleitaantekeningen.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1956, is op 14 juni 2004 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van tanteLouise in de functie van hoofd facilitaire dienst.

  2. [appellant] heeft in de functie van hoofd facilitaire dienst nooit aanmerkingen gehad op zijn functioneren.

  3. Eind 2012 is door tanteLouise aan [appellant] meegedeeld dat zijn functie, als gevolg van een wijziging in de organisatiestructuur van de afdeling facilitair, zou komen te vervallen. In de brief van 27 november 2012, betrekking hebbende op deze mededeling, is het volgende weergegeven:
    “Er is dezerzijds aangegeven dat er voorlopig geen wijziging zal plaatsvinden in de door u uit te voeren werkzaamheden en dat wij ons verder beraden over de nieuwe invulling en de verdeling van taken. Zolang hierover geen besluit is genomen wordt u – in afwachting van de definitieve functievaststelling – voorlopig geplaatst in de functie van medewerker facilitaire ondersteuning.
    Komende periode zal worden benut om te komen tot een zinvol en evenwichtig takenpakket. Zodra hierover duidelijkheid is, zullen wij met u in gesprek gaan om te bezien voor welke functie u in aanmerking komt. Tot deze tijd blijft u uw huidige werkzaamheden verrichten.”

  4. Per april 2014 is [manager facilitair] voornoemd werkzaam als manager facilitair bij tanteLouise. Zij is daarmee de leidinggevende van [appellant] geworden.

  5. Bij brief van 11 juli 2014 is [appellant] per 15 juli 2014 (formeel) benoemd in de functie van senior medewerker facilitair.

  6. Als senior medewerker facilitair is [appellant] – kort gezegd – verantwoordelijk voor de voorbereiding, planning en realisatie van projecten gericht op instandhouding of aanschaf van nieuwe en/of vervangingsinstallaties, verbouwingen en nieuwbouw overeenkomstig de verschillende projectplannen. Voorts dient hij de manager facilitair en/of coördinator service te adviseren over aanpak en realisatie van projecten.

  7. In het verslag van het overleg tussen [manager facilitair] en [appellant] van 22 mei 2014 is onder meer het volgende weergegeven:
    “ [roepnaam manager facilitair] (lees: [manager facilitair] , hof) was onaangenaam verrast door de 60K aan werkzaamheden in 2013 die door [roepnaam appellant] door zijn geschoven naar 2014 niet bekend waren bij haar, maar ook niet bij [roepnaam appellant] . Zeker omdat zij meerdere keren naar heeft gevraagd. [roepnaam appellant] was dit vergeten. [roepnaam appellant] blijft aangeven dat hij pro-actief is, maar [roepnaam manager facilitair] kan door dit voorbeeld, niet tijdig reageren op email en BTW% voorbeeld wat ook duizenden euros kost niet anders dan constateren dat [roepnaam appellant] niet pro-actief zijn rol uitoefend en dit de organisatie onnodig geld kost.
    De rol van [roepnaam appellant] moet pro-actief zijn, binnen 3 dagen reactie geven richting collega’s, zaken signaleren en aangeven bij [roepnaam manager facilitair] . Indien geen gehoor oppakken met [directeur bedrijfsvoering] . Neem je verantwoordelijkheden zoals omschreven in functieprofiel.”

  8. In het verslag van het overleg tussen [manager facilitair] en [appellant] van 26 juni 2014 is onder meer het volgende weergegeven:
    “ [roepnaam appellant] heeft de 2 facilitaire actielijsten nog niet samengevoegd. [roepnaam appellant] is de afspraak niet nagekomen en daardoor vertraagd het proces. [roepnaam appellant] zal de actielijsten samenvoegen en aangeven wat de status is.
    (…)
    Plan van aanpak is verre van gereed. [roepnaam appellant] heeft dit in hoofdlijnen op papier gezet maar niet SMART, zoals gevraagd. [roepnaam manager facilitair] wil graag zorgen dat de onduidelijkheid die [roepnaam appellant] aangeeft de afgelopen 1,5 jaar te hebben ervaren m.b.t. contract [contractant] z.s.m. wegnemen maar komt tot de conclusie dat [roepnaam appellant] zelf processen vertraagd of juist onduidelijker maakt. [roepnaam appellant] heeft van [roepnaam manager facilitair] een projectleidersrol gekregen om het [contractant] contract goed weg te zetten, de eerste verantwoordelijkheid ligt hierbij bij [roepnaam appellant] . [roepnaam appellant] zal gedetailleerd voorstel maken en nieuwe afspraak staat gepland.
    (…)
    De afspraak met [contractant] is gemaakt dat per 1 juni de bonnen om de 2 weken aangeleverd zouden worden bij [roepnaam appellant] . [roepnaam manager facilitair] heeft gevraagd om vaste tijdstippen met [contractant] af te spreken. Na 2 weken heeft [roepnaam manager facilitair] geconstateerd dat de afspraken die [roepnaam appellant] had gemaakt niet overeenkwamen met hetgeen met [roepnaam manager facilitair] afgesproken. [roepnaam appellant] nogmaals kenbaar gemaakt wat wenselijk was. In de 4 week van juni blijkt dat [roepnaam appellant] de overleggen met [contractant] toch anders heeft gepland waardoor de net gemaakte afspraak met CS niet nageleefd wordt. [roepnaam appellant] geeft aan geaccepteerd te hebben dat Maarten in de betreffende week niet zou kunnen. [roepnaam manager facilitair] vindt dit onacceptabel, zeker omdat hier meerdere keren over gesproken is. [roepnaam appellant] had niet moeten accepteren dat [contractant] een door hun voorgestelde afspraak gelijk niet nakomt. [roepnaam manager facilitair] vindt het kwalijk dat [roepnaam appellant] nu meerdere keren zijn afspraken niet nakomt en geeft aan dat vertrouwen tussen [roepnaam manager facilitair] / [roepnaam appellant] erg belangrijk is. Dit is ook niet de manier hoe [roepnaam manager facilitair] wil samenwerken en geeft aan dat bij een volgende afspraak die niet nagekomen wordt waardoor het proces vertraagd/stokt [roepnaam appellant] een officiele brief zal ontvangen”

  9. Op dinsdag 29 juli 2014 is een verbetertraject gestart met betrekking tot [appellant] . Daarover heeft op dezelfde dag een gesprek plaatsgevonden waarvan de inhoud is vastgelegd in een verslag. Daarin staat onder meer het volgende weergegeven:
    “Gelet op de functie van Senior Medewerker Facilitair constateert [roepnaam manager facilitair] dat de competenties proactief handelen, een zakelijke houding en verantwoordelijkheid onvoldoende tot uiting blijven.
    (…)
    [roepnaam manager facilitair] geeft aan dat zij tijdens zijn [ [roepnaam appellant] , hof] vakantie constateringen maakte van zaken die geregeld zouden zijn en in de praktijk niet geregeld waren.
    (…)
    Volgens [roepnaam appellant] ligt de oorzaak van het onvoldoende tot uiting blijven van de benoemde competenties aan gewenning, een ander stramien, de nieuwe situatie en onduidelijkheid waarvoor hij verantwoordelijk is en wat er van hem wordt verwacht.
    Met [roepnaam appellant] is de afspraak gemaakt dat hij het plan van aanpak opstelt. Hierin beschrijft hij hoe hij de competenties gaat ontwikkelen, wat hij nodig heeft om deze competenties te kunnen ontwikkelen en op wat voor termijn hij deze ontwikkelen zal realiseren. Het plan van aanpak zal op dinsdag 5 augustus 2014 aan [roepnaam manager facilitair] voorgelegd worden.”

  10. In het kader van het verbetertraject is tweewekelijks een inhoudelijk gesprek gehouden tussen [appellant] en [manager facilitair] en vond eens per maand een evaluatiegesprek tussen hen plaats in aanwezigheid van een P&O adviseur. De inhoud van deze gesprekken werd in een verslag vastgelegd. [appellant] heeft telkens schriftelijk gereageerd op de verslagen van de maandelijkse evaluatiegesprekken.

In januari 2015 heeft [appellant] een cursus timemanagement en een cursus Excel gevolgd en (de cursus Excel op 5 maart 2015) afgerond.

Op 18 maart 2015 is [appellant] beoordeeld door [manager facilitair] aan de hand van een prestatiemeter. Uit de ingevulde prestatiemeter blijkt dat [appellant] is beoordeeld in drie categorieën: organisatiebrede prestatiecriteria, functiespecifieke prestatiecriteria (deskundigheid) en persoonlijke ontwikkeling.
Met betrekking tot de organisatiebrede prestatiecriteria scoorde [appellant] van de 17 criteria er 9 ‘goed’, 7 ‘matig’ en 1 ‘slecht’. In de toelichting hierbij staat het volgende vermeld:
“Bovenstaand geeft aan dat [roepnaam appellant] gemiddeld matig scoort. Hij is onvoldoende bezig met de klantwens (CS en huismeester) omdat hij onvoldoende tijd ervaart om zijn werkzaamheden uit te voeren. Dit heeft ook direct gevolg voor het nakomen van afspraken. [roepnaam appellant] vindt het daarnaast erg lastig om afspraken SMART te maken.”
Met betrekking tot de functiespecifieke prestatiecriteria scoorde [appellant] ‘goed’ op het onderwerp advisering management en/of coördinator service en ‘matig’ op het onderwerp projectmanagement. In de toelichting hierbij staat het volgende vermeld:
“ [roepnaam manager facilitair] ziet dat [roepnaam appellant] erg zijn best doet om te verbeteren en ziet zijn inzet en waardeert dat. Ondanks zijn inzet ziet [roepnaam manager facilitair] dat [roepnaam appellant] moeite heeft om het werktempo bij te houden en het gewenste niveau te behalen. Vanaf augustus worden hierover al gesprekken gevoerd en vanaf november vind er een verbetertraject plaats.
[roepnaam appellant] heeft het in januarir time management cursus gevolg en de cursus excel. Dit levert hem al tijdwinst op, en kan nog oplopen.”
Met betrekking tot de persoonlijke ontwikkeling scoorde [appellant] op de onderwerpen verantwoordelijkheid nemen, proactief handelen en zakelijkheid ‘matig’. In de toelichting hierbij staat vermeld:
“ [roepnaam manager facilitair] ziet op de 3 punten een positieve verbetering, wat geresulteerd heeft dat een aantal punten van [roepnaam appellant] zijn verbetertraject uit zijn plan van aanpak zijn verwijderd.
Tegelijkertijd ziet [roepnaam manager facilitair] dat de verbetering nog niet voldoende is.
[roepnaam manager facilitair] zet op papier wat einddoel van de 3 punten is.”
Bij de totaalscore op basis van de drie categorieën staat dat [appellant] ‘matig’ heeft gescoord. Dit houdt het volgende in: “De ontwikkeling in het functioneren is op enkele punten niet goed maar zit er dicht tegenaan. Er moet verbetering komen op die punten.”

Naast het – in april 2015 verlengde – verbetertraject heeft een coachingtraject plaatsgevonden in de periode van 24 april 2015 tot 1 november 2015. In het coachplan staat bij coachvraag het volgende vermeld:
“Hoe kan [roepnaam appellant] in zijn functie als senior medewerker facilitair meer rust en overzicht in zijn werk creëren waardoor hij de verantwoording op zich neemt die passend is binnen zijn functie en hierbij tevens zakelijk en proactief naar kan handelen?”
Voorts zijn in het coachplan de volgende doelstellingen vastgelegd:
- Binnen 6 maanden heeft [roepnaam appellant] de vaardigheid ontwikkelt om met rust, overzicht en
zekerheid zijn werkzaamheden binnen zijn functie uit te oefenen.
- [roepnaam appellant] ervaart minder werkdruk door het inzetten van timemanagement.
- [roepnaam appellant] leert de eigen grenzen aan te geven (groot loyaliteitsgevoel).
- [roepnaam appellant] leert prioriteiten te stellen.
- [roepnaam appellant] voelt zich weer in balans.
- [roepnaam appellant] leert vaardigheden op ICT gebied om efficiënter te kunnen werken.
- [roepnaam appellant] leert effectief te communiceren.
- [roepnaam appellant] krijgt meer zelfvertrouwen.”

In verband met de door [appellant] ervaren werkdruk, is hij in augustus 2015 gestopt met zijn werkzaamheden als facilitair coördinator die hij vanaf november 2014 op detacheringsbasis verrichte bij de congregatie zusters Franciscanessen te [vestigingsplaats] (hierna: de congregatie). Dit leverde 25% verlichting van de taken van [appellant] op.

Op 15 oktober 2015 heeft een (eind)evaluatie van het verbetertraject plaatsgevonden. Blijkens de inhoud van het verslag van deze evaluatie is [manager facilitair] tot de conclusie gekomen dat [appellant] onvoldoende verbetering heeft laten zien. [manager facilitair] heeft het verbetertraject met drie maanden verlengd om [appellant] nog een kans te geven.

Op 5 februari 2016 is aan [appellant] meegedeeld dat tanteLouise het dienstverband wenst te beëindigen vanwege onvoldoende functioneren. Op 9 februari 2016 is aan [appellant] een beëindigingsvoorstel gedaan. Op dit voorstel is [appellant] niet ingegaan.

Het salaris van [appellant] bedroeg laatstelijk € 5.598,66 bruto per maand, te vermeerderen
met 8% vakantietoeslag en 5,7 % eindejaarsuitkering.

3.2.1.

TanteLouise heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellant] te ontbinden op de grond vermeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW, aan [appellant] een transitievergoeding toe te kennen van € 67.107,66 bruto en [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.2.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht tanteLouise in de proceskosten te veroordelen.

3.3.

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 augustus 2016 en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen, althans te herstellen, althans aan te vullen en/of verbeteren en
- primair te bepalen dat de kantonrechter de ontbinding ten onrechte heeft toegewezen en
tanteLouise te veroordelen om, met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2016, althans

een door het hof te bepalen andere datum, de arbeidsovereenkomst met [appellant] te
herstellen onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als vóór 1 augustus 2016, op straffe van
een dwangsom, alsmede tanteLouise te veroordelen tot doorbetaling van het loon van
, daaronder begrepen het (achterstallige) loon vanaf 1 augustus 2016 tot en met
de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd,
alsmede het vakantiegeld en overige emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke
verhoging en de wettelijke rente over het loon en de wettelijke verhoging;

- subsidiair te bepalen dat de kantonrechter de ontbinding ten onrechte heeft toegewezen
en tanteLouise te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een transitievergoeding van
€ 68.171,- bruto en een billijke vergoeding van € 100.000,- bruto;

- meer subsidiair, voor zover het hof van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst terecht is
ontbonden, tanteLouise te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een
transitievergoeding van € 68.171,- bruto en een billijke vergoeding van € 100.000,-
bruto;

met veroordeling van tanteLouise in de proceskosten van beide instanties.

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep elf grieven aangevoerd. De eerste negen grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] niet geschikt is de werkzaamheden behorende bij zijn functie uit te oefenen als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst is ontbonden. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.6.

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder a BW in verbinding met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 aanhef en onder d BW is ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter mogelijk op grond van de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer, en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De in artikel 7:669 lid 1 BW vermelde vereisten (een redelijke grond en herplaatsing, al dan niet met behulp van scholing, is niet mogelijk of ligt niet in de rede) zijn ontleend aan het tot 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met de invoering van artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub d (en e en g) BW geen wijziging is beoogd ten opzichte van het Ontslagbesluit en de daarop gebaseerde Beleidsregels Ontslagtaak UWV. Voorts blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat het in eerste instantie aan de werkgever is om te beoordelen of een werknemer nog voldoet aan de eisen die aan een functie worden gesteld, maar dat niet tot ontbinding dient te worden overgegaan wanneer een werkgever, gezien de aangevoerde argumenten voor het ontslag, niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen, of zelf ook blaam treft (Kamerstukken II 2013/2014, 33 818 nr. 3 p. 44, 45, 98). Een werkgever zal dus niet ieder afzonderlijk kritiekpunt op het functioneren hoeven te bewijzen; hij heeft een eigen beoordelingsvrijheid, die echter wel de toets der kritiek moet kunnen doorstaan voor wat betreft de redelijkheid daarvan. Om die reden kan een werkgever in de regel volstaan met het aannemelijk maken van de hier aan de orde zijnde ontslaggrond (de ‘d-grond’).

3.7.

Het hof zal in het navolgende beoordelen of tanteLouise voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan de ‘d-grond’.
Dit moet worden bezien tegen de achtergrond dat tanteLouise een reorganisatie heeft doorgevoerd waarbij de functie die [appellant] tot eind 2012 uitoefende is komen te vervallen. In april 2014 is [manager facilitair] aangesteld als manager van de facilitaire afdeling. Zij heeft daarbij als opdracht meegekregen de afdeling te professionaliseren. [appellant] is benoemd tot senior medewerker facilitair.
De afdeling facilitair diende professioneler te functioneren. Het was de bedoeling dat [appellant] in zijn nieuwe functie zou fungeren als de rechterhand van [manager facilitair] , zoals [manager facilitair] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard.

3.8.

Het hof is van oordeel dat tanteLouise voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat al vrij snel bleek dat [appellant] niet voldeed aan de functie-eisen. In de gespreksverslagen van 22 mei en 26 juni 2014 (zie r.o. 3.1. onder g en h) worden diverse voorbeelden genoemd waarbij [appellant] zijn afspraken niet is nagekomen of onvoldoende actie heeft ondernomen. Zo heeft [appellant] [manager facilitair] niet gewezen op een voordeel dat tanteLouise met de btw zou kunnen behalen. Volgens [manager facilitair] ging het hierbij om een bedrag van € 150.000,-. Uit het verslag van het gesprek op 29 juli 2014 (zie r.o. 3.1. onder i) volgt dat [manager facilitair] tijdens de vakantie van [appellant] heeft geconstateerd dat zaken die geregeld zouden zijn in de praktijk niet geregeld waren. Zij stelt vast dat bij [appellant] de competenties proactief handelen, zakelijke houding en verantwoordelijkheid onvoldoende tot uiting komen. [appellant] ontkent dit niet, maar geeft aan dat dit ligt aan gewenning, een ander stramien, de nieuwe situatie en onduidelijkheid waarover hij verantwoordelijk is en wat er van hem verwacht wordt.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij pas per 15 juli 2014 benoemd is in de functie van senior medewerker facilitair, en derhalve pas na zijn vakantie in juli is begonnen in zijn nieuwe functie. [appellant] heeft echter onvoldoende weersproken dat hij reeds voor zijn formele benoeming de werkzaamheden behorende bij de functie van senior medewerker facilitair uitoefende, hetgeen ook volgt uit de bij het verzoekschrift in eerste aanleg overgelegde gespreksverslagen van de periode vóór 15 juli 2014.

3.9.

Het hof is voorts van oordeel dat tanteLouise [appellant] ruim in de gelegenheid heeft gesteld zich aan te passen aan de nieuwe situatie en zijn functioneren te verbeteren. Met ingang van 29 juli 2014 is een verbetertraject gestart. In het kader van dit traject werd er tweewekelijks een inhoudelijk gesprek tussen [appellant] en [manager facilitair] gehouden en vond eenmaal per maand een evaluatiegesprek plaats in aanwezigheid van een P&O adviseur. Dit traject is in april 2015 verlengd, waarbij [appellant] tevens een coachingtraject van zes maanden heeft gevolgd. Vervolgens is in oktober 2015 het verbetertraject nogmaals met drie maanden verlengd. Dit betekent dat [appellant] in totaal anderhalf jaar de gelegenheid heeft gehad om zijn functioneren te verbeteren.

TanteLouise heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] zich in deze periode onvoldoende heeft verbeterd. In de overgelegde verslagen van de inhoudelijke gesprekken en de evaluatiegesprekken worden veel voorbeelden genoemd van zaken die niet goed gaan. Voor een aantal zaken wordt door [appellant] een verklaring gegeven in de schriftelijke reacties die hij op de gespreksverslagen heeft gegeven. Dit doet echter onvoldoende af aan het algehele beeld dat uit de verslagen naar voren komt dat [appellant] niet in staat is zijn werkzaamheden op tijd en conform afspraak uit te oefenen en [manager facilitair] voldoende en tijdig te informeren op door haar relevant geachte gebieden. Een voorbeeld uit de verslagen betreft de facturering voor de congregatie. In mei 2014 heeft [directeur bedrijfsvoering] voornoemd [appellant] verzocht de facturatie van de kapel te verwerken, echter pas op 30 september 2014 is de factuur verstuurd, ondanks dat [appellant] daar diverse malen op is aangesproken. [appellant] heeft aangevoerd dat een en ander op bestuurlijk niveau afgehandeld moest worden, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de voor de factuur benodigde kostenopstelling pas in augustus 2014 aan [directeur bedrijfsvoering] heeft verstrekt. [directeur bedrijfsvoering] heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de verantwoordelijkheid voor de facturering bij [appellant] lag, maar dat hij dit naar zich toegetrokken heeft, omdat het vaak te laat gebeurde.
Ook het verbetertraject zelf werd bemoeilijkt doordat [appellant] zijn afspraken niet nakwam.
Zo heeft het maanden geduurd voordat het plan van aanpak, dat als basis zou moeten dienen voor het verbetertraject, door [appellant] was afgerond en heeft [appellant] pas na enkele maanden een overzicht van zijn werkzaamheden ingeleverd met het oog op het aanpakken van de door hem ervaren werkdruk, ondanks dat [manager facilitair] daar diverse malen naar had gevraagd.

Hoewel het op onderdelen het woord van [manager facilitair] tegen het woord van [appellant] is, bevestigen de genoemde voorbeelden het algehele beeld uit de gespreksverslagen en reacties daarop dat [appellant] onvoldoende functioneerde. Zoals uit de door het hof gegeven vooropstelling volgt (rov. 3.6), hoeft tanteLousie niet ieder afzonderlijk kritiekpunt op het functioneren van [appellant] te bewijzen. Aan het oordeel van het hof draagt bij dat het onvoldoende functioneren van [appellant] wordt bevestigd door de directeur bedrijfsvoering [directeur bedrijfsvoering] , die zelf ook met [appellant] heeft samengewerkt en het oordeel van [manager facilitair] volledig onderschrijft.

3.10.

[appellant] heeft nog aangevoerd dat uit het verslag van het functioneringsgesprek dat op 18 maart 2015 is gehouden, blijkt dat zijn functioneren op dat moment voldoende tot ruim voldoende was, aangezien hij van de 17 onderwerpen er op 9 goed scoorde, op 7 matig en slechts 1 slecht.
Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde rapportage blijkt dat [appellant] op 18 maart 2015 nog onvoldoende functioneerde. In deze rapportage staat als totaalscore ‘matig’ vermeld.
De 17 onderwerpen waarnaar [appellant] verwijst betreffen de organisatiebrede prestatiecriteria waarop [appellant] is beoordeeld. Nog afgezien van het feit dat niet elk criterium even zwaar weegt, stelt het hof vast dat de organisatiebrede prestatiecriteria slechts één van de drie categorieën betrof waarop [appellant] is beoordeeld. Indien wordt gekeken naar alle drie de categorieën, ziet het hof geen aanleiding om te concluderen dat het eindoordeel ‘matig’ niet overeenstemt met hetgeen eerder in de drie categorieën is geoordeeld. Voorts constateert het hof dat [appellant] juist op de belangrijke onderwerpen die hij moest verbeteren, namelijk verantwoordelijkheid nemen, proactief handelen en zakelijkheid, nog niet voldoende scoorde.

3.11.

Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat ten onrechte het door hem overgelegde statusoverzicht van het plan van aanpak niet is meegenomen bij het oordeel over zijn functioneren. Dit statusoverzicht is echter door hem zelf ingevuld en wordt niet door tanteLouise onderschreven.

3.12.

[appellant] heeft tevens gewezen op de door hem overgelegde brief van de heer [voorzitter bestuur congregatie] , voorzitter bestuur congregatie, waarin deze verklaart dat [appellant] tijdens zijn detachering zijn werkzaamheden in de functie van facilitair coördinator naar volle tevredenheid heeft verricht en dat hij in de betreffende periode proactief is geweest, opdrachten zakelijk en professioneel heeft afgewerkt en daarbij in de communicatie uiterst correct en punctueel te werk is gegaan (productie 14 van [appellant] in eerste aanleg).
Naar het oordeel van het hof doet dit evenwel niet af aan de problemen die zijn geconstateerd in het functioneren van [appellant] als senior medewerker facilitair bij tanteLouise en die hiervoor zijn weergegeven. Zoals hiervoor is toegelicht, is [appellant] niet in staat gebleken te voldoen aan de eisen die in het kader van deze functie aan hem worden gesteld.

3.13.

[appellant] heeft nog aangevoerd dat het verbetertraject alleen is opgestart om een dossier tegen hem op te bouwen en dat de uitkomst hiervan bij voorbaat vast stond. [appellant] vermoedt dat tanteLouise heeft aangestuurd op de beëindiging van zijn dienstverband, omdat hij gezien zijn leeftijd een dure kracht is. Hij heeft de indruk dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie.
Het hof ziet in de feiten onvoldoende grond voor die op aannames gebaseerde indruk. De lengte van het traject, dat verschillende malen is verlengd, het feit dat er nog een coachtraject is doorlopen en het feit dat er in de gespreksverslagen en het verslag van het functioneringsgesprek ook positieve ontwikkelingen worden benoemd, zijn veeleer aanwijzingen dat geen sprake is geweest van het van aanvang af aansturen op beëindiging van het dienstverband.

3.14.

Het hof is ten slotte van oordeel dat de ongeschiktheid van [appellant] tot het verrichten van de bedongen arbeid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van tanteLouise voor de arbeidsomstandigheden van [appellant] , zoals [appellant] stelt. [appellant] heeft in dat kader aangevoerd dat hij bij herhaling kenbaar heeft gemaakt dat hij de samenwerking met [manager facilitair] als niet constructief ervaarde en de communicatie met haar als onprettig. Volgens [appellant] heeft tanteLouise onvoldoende zorg betracht de samenwerking tussen [manager facilitair] en [appellant] te verbeteren. Daarnaast voert [appellant] aan dat zijn werkdruk veel te hoog was en dat tanteLouise onvoldoende zorg heeft betracht deze te verminderen.

TanteLouise heeft, naar het oordeel van het hof, voldoende zorg betracht om de samenwerking tussen [appellant] en [manager facilitair] te verbeteren. De wijze van communiceren is diverse malen aan de orde geweest tijdens de evaluatiegesprekken, waarbij [manager facilitair] ook van haar zijde heeft geprobeerd de communicatie te verbeteren. Daarnaast is er een coach ingeschakeld voor [appellant] , die ook diverse malen bij de gesprekken tussen [appellant] en [manager facilitair] heeft gezeten.
Het hof is voorts van oordeel dat tanteLouise voldoende zorg heeft betracht de door [appellant] ervaren werkdruk te verminderen. [manager facilitair] heeft tijdens de gesprekken met [appellant] diverse aanwijzingen gegeven hoe hij zijn werkdruk kon verminderen. Daarnaast heeft [appellant] een cursus excel en een cursus timemanagement gevolgd, is er een coach ingeschakeld voor [appellant] en is een einde gemaakt aan de detachering van [appellant] , hetgeen een verlichting van 25% opleverde. Dit leidde echter niet tot een voldoende verbetering van het functioneren van [appellant] .

3.15.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen terecht heeft ontbonden op de ‘d-grond’. De grieven I tot en met IX falen derhalve.

3.16.

In eerste aanleg heeft tanteLouise verzocht aan [appellant] een transitievergoeding toe te kennen. In zijn tiende grief voert [appellant] aan dat hoewel in de bestreden beschikking is overwogen dat tanteLouise een transitievergoeding is verschuldigd die is berekend met juni 2004 als datum van indiensttreding, dit niet is opgenomen in het dictum van de bestreden beschikking.
Het hof constateert dat de kantonrechter heeft overwogen dat ervan wordt uitgegaan dat deze vergoeding zonder meer aan [appellant] zal worden voldaan. Nu tanteLouise een betalingsbewijs van de betaling van de transitievergoeding heeft overgelegd, en [appellant] niet heeft betwist dat het juiste bedrag aan transitievergoeding is voldaan, is het hof van oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij deze grief. Datzelfde belang mist [appellant] bij zijn verzoek tot veroordeling van tanteLouise tot betaling van de transitievergoeding.

3.17.

[appellant] heeft in hoger beroep tevens verzocht tanteLouise te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 100.000,- bruto. [appellant] heeft niet onderbouwd wat de grondslag is van dit verzoek. Voor het geval dat [appellant] wenst dat het hof een billijke vergoeding toekent op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW, heeft [appellant] niet gesteld dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen. Aan een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW komt het hof, gelet op het oordeel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden, niet toe. Het hof zal het verzoek tot veroordeling van tanteLouise tot betaling van een billijke vergoeding derhalve afwijzen.

3.18.

De elfde grief van [appellant] is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter over de proceskosten. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis.

3.19.

Op grond van het bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, het verzoek van [appellant] met betrekking tot de transitievergoeding en de billijke vergoeding afwijzen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van tanteLouise op € 718,- aan griffierecht en op € 1.788,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, J.P. de Haan en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.