Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:848

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
200.192.899_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bijdrage jongmeerderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.192.899/01

zaaknummer rechtbank : C/01/298716 / FA RK 15-5009

beschikking van de meervoudige kamer van 2 maart 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.J.S. Houtackers te Mierlo,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

en

[jongmeerderjarige] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [jongmeerderjarige] ,

verweerders in het principaal hoger beroep,

verzoekers in het incidenteel hoger beroep,

advocaat mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 10 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 9 juni 2016 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 10 maart 2016.

2.2.

De vrouw en [jongmeerderjarige] hebben op 2 augustus 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 14 september 2016 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 februari 2016;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 5 januari 2017 met bijlagen, ingekomen op 5 januari 2017;

- de door de advocaat van de man geschreven berekeningen met betrekking tot de behoefte van [jongmeerderjarige] met bijlage.

2.5.1.

De mondelinge behandeling heeft op 17 januari 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.2.

[jongmeerderjarige] is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. [jongmeerderjarige] is ter zitting vertegenwoordigd door zijn advocaat.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van partijen is op 20 juli 2010 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

en van [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] .

3.4.

Bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juli 2010 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging van de toen beide minderjarige kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (20 juli 2010) bepaald op € 558,- per kind per maand. Dit bedrag was tussen partijen niet in geschil.

In het door de vrouw op 24 april 2012 en door de man op 26 april 2012 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen, voor zover thans van belang het navolgende overeengekomen:

“Artikel 1: De kinderen

1.1.

Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen. Dit ouderschapsplan is aangehecht aan de beschikking van 9 juli 2010 en voldoet aan de wettelijke vereisten. Het overeengekomen bedrag aan kinderalimentatie vanaf 9 april 2009 van € 558,- is en zal jaarlijks worden verhoogd met de wettelijke indexering, zoals bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst is dat gebeurd met ingang van 1 januari 2010. Vanaf 1 januari 2012 is de man verschuldigd

€ 570,34 per kind.”.

Bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 februari 2013 heeft de rechtbank de beschikking van 9 juli 2010 en het echtscheidingsconvenant van partijen gewijzigd onder meer voor zover het de kinderalimentatie betreft. De kinderalimentatie werd met ingang van 1 september 2012 nader bepaald op € 393,50 per kind per maand.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015

€ 400,22 per maand bedraagt zoals de rechtbank heeft overwogen. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze thans € 413,93 per kind per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man om de kinderalimentatie met ingang van 1 september 2015 nader te bepalen op € 25,- per kind per maand afgewezen.

4.1.

De grieven van de man zien op de behoefte van [jongmeerderjarige] , de draagkracht van de man en de verhouding waarin de man en de vrouw in de kosten van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] moeten voorzien.

De man heeft in het principaal appel verzocht, samengevat, de bestreden beschikking te vernietigen en de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 februari 2013 alsnog met ingang van 1 september 2015, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, te wijzigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] nader te bepalen op € 25,- per kind per maand, althans op een zodanig lager bedrag dat het hof juist acht.

4.2.

De vrouw en [jongmeerderjarige] hebben in het principaal appel verzocht de grieven van de man te verwerpen.

De grieven van de vrouw en [jongmeerderjarige] in het incidenteel appel zien op de draagkracht van de man en de verhouding waarin de man en de vrouw in de kosten van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] moeten voorzien.

De vrouw en [jongmeerderjarige] hebben in het incidenteel appel verzocht, samengevat, de bestreden beschikking te vernietigen en nader te bepalen dat de man met ingang van 22 januari 2016, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, een kinderalimentatie voor [minderjarige] zal voldoen van € 536,81 per maand en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] van € 536,81 per maand, althans zodanige bedragen te bepalen die het hof juist acht, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

5 De motivering van de beslissing

In het incidenteel appel

Ontvankelijkheid

5.1.

Na enig debat ter zitting heeft de advocaat van de vrouw en [jongmeerderjarige] het incidenteel appel ingetrokken. De vrouw en [jongmeerderjarige] worden in hun incidenteel appel niet-ontvankelijk verklaard.

In het principaal appel

Wijziging van omstandigheden

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe dient te leiden dat de door de man te betalen kinderalimentatie respectievelijke de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] opnieuw beoordeeld dienen te worden.

Ingangsdatum

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat een eventuele wijziging van de kinderalimentatie dient in te gaan op 1 september 2015, zodat het hof daarvan uitgaat.

Behoefte van de kinderen

Met betrekking tot [minderjarige]

5.4.Tussen partijen staat vast dat de inmiddels geïndexeerde behoefte van [minderjarige] met ingang van 1 januari 2015 € 669,- per maand bedraagt.

Met betrekking tot [jongmeerderjarige]

5.5.1.

De man heeft gesteld dat de behoefte van [jongmeerderjarige] met het bereiken van de achttienjarige leeftijd opnieuw beoordeeld dient te worden aan de hand van de WSF norm voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs, in 2016 van € 595,16 per maand en in 2017 van € 599,27 per maand. De man heeft verder, kort samengevat gesteld, dat de door [jongmeerderjarige] vanaf zijn achttiende zelf te betalen premie ziektekostenverzekering in de WSF norm is inbegrepen. Daarnaast kan [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2016 op grond van de WTOS (de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten) aanspraak maken op een basistoelage van € 112,62 per maand en - tot 1 juli 2016 - op een extra tegemoetkoming van € 86,10 per maand. Ook dient naar de mening van de man rekening te worden gehouden met de door [jongmeerderjarige] te ontvangen zorgtoeslag van € 83,18 per maand. De man becijfert de behoefte van [jongmeerderjarige] , rekening houdend met extra studiekosten van € 50,- per maand, met ingang van 1 januari 2016 op € 228,91 per maand, met ingang van 1 juli 2016 op € 315,01 per maand en met ingang van 1 januari 2017 op € 318,52 per maand.

5.5.2.

[jongmeerderjarige] heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. [jongmeerderjarige] heeft gesteld dat zijn behoefte niet veel is veranderd nu hij nog schoolgaand is (VWO) en nog steeds bij zijn moeder woont. [jongmeerderjarige] is van mening dat uitgegaan moet worden van de oorspronkelijk vastgestelde en met ingang van 1 januari 2015 geïndexeerde behoefte van € 669,- per maand en met ingang van 1 respectievelijk 22 januari 2016 van € 677,70 per maand. Naar de mening van [jongmeerderjarige] dient hooguit rekening te worden gehouden met de vervallen kinderbijslag van € 91,26 per maand, waartegenover [jongmeerderjarige] , vanaf het tweede kwartaal 2016, aanspraak kan maken op een basistoelage op grond van de WTOS van € 112,62 per maand (en voor een slechts korte periode tot en met juli 2016 een extra toelage van € 86,10 per maand). Voorts heeft [jongmeerderjarige] gesteld dat hij meer kosten heeft dan hij tijdens zijn minderjarigheid had, te weten een bedrag van € 136,14 per maand terzake de basis- en aanvullende premie ziektekostenverzekering, dat bedrag nog te verhogen met het eigen risico van € 385,- per jaar. Ten slotte heeft [jongmeerderjarige] gesteld dat hij naast de normale schoolkosten van € 15,- per maand in klas 5 van het VWO extra schoolkosten heeft van totaal

€ 100,60.

5.5.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Het hof gaat in beginsel uit van de geïndexeerde behoefte van [jongmeerderjarige] tijdens zijn minderjarigheid, die met ingang van 1 januari 2015 van € 669,- per maand bedraagt en met ingang van 1 januari 2016 van 677,70 per maand.

Het hof constateert dat [jongmeerderjarige] bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd op 22 januari 2016 nog steeds thuis woonde en ook nog schoolgaand was. Weliswaar is met het bereiken van het achttiende jaar de kinderbijslag voor [jongmeerderjarige] vervallen, maar daar tegenover staat dat [jongmeerderjarige] aanspraak kan maken op toelagen op grond van de WTOS als voormeld. Voorts overweegt het hof dat de door [jongmeerderjarige] te betalen premie ziektekostenverzekering grotendeels wordt gedekt door de door hem te ontvangen zorgtoeslag. Het hof laat eventuele studiekosten buiten beschouwing nu deze kosten deels ook werden gemaakt tijdens de minderjarigheid van [jongmeerderjarige] en het hof de gestelde extra studiekosten niet voldoende wezenlijk acht om daarmee rekening te houden. Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt ertoe dat de behoefte van [jongmeerderjarige] bij het bereiken van zijn meerderjarigheid op 22 januari 2016 weliswaar enige correctie behoeft, doch het hof is van oordeel dat deze correctie niet zodanig substantieel is dat de behoefte van [jongmeerderjarige] met ingang van 22 januari 2016 dient te worden gewijzigd. Het hof stelt de behoefte van [jongmeerderjarige] ook met ingang van 22 januari 2016 op € 677,70 per maand, van welke behoefte ook de rechtbank is uitgegaan.

Draagkracht van de man

Netto besteedbaar inkomen van de man

5.6.1.

De man is directeur grootaandeelhouder van [Beheer] Beheer B.V., welke bv een fiscale eenheid vormt met de dochtermaatschappij Advocatenkantoor [Advocatenkantoor] B.V. (hierna te noemen de B.V.).

5.6.2.

Het hof stelt voorop dat een aantal posten die tot het door de rechtbank vastgestelde netto besteedbaar inkomen van de man van € 5.264,- per maand in 2015 en van

€ 5.290,-per maand in 2016 hebben geleid, in hoger beroep tussen partijen niet in geschil zijn. Het betreft de door de man verschuldigde premie voor het ABN AMRO Flexibel Pensioenplan, de premie ABN AMRO Woonzeker AOV en het forfaitair rendement en de werkelijke inkomsten in box 3, zoals de rechtbank heeft overwogen, zodat het hof daarvan uitgaat.

5.6.3.

De man heeft aangevoerd dat de rechtbank bij de berekening van zijn netto besteedbaar inkomen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering die hij voldoet aan [verzekeraar] BV (hierna: [verzekeraar] ) van € 545,62 per kwartaal. De man heeft in hoger beroep bij productie 36 de betreffende nota’s van [verzekeraar] overgelegd. Nu de vrouw en [jongmeerderjarige] deze premie in hoger beroep niet meer hebben betwist dient bij het bepalen van de het netto besteedbaar inkomen van de man rekening te worden gehouden met deze premie van € 545,62 per kwartaal, zijnde € 181,87 per maand.

Waar de rechtbank met betrekking tot het bruto inkomen van de man nog is uitgegaan van een totaal bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van Movir en van de Amersfoortse van totaal € 112.183,- bruto per jaar, constateert het hof dat het totaal bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van Movir en van de Amersfoortse in 2015 totaal

€ 128.336,- bedraagt, zoals blijkt uit de door de man eerst in hoger beroep bij productie 30 overgelegde fiscaal rapport 2015. Dit bruto inkomen is zodanig hoger dat het beroep van de man op de premie aan [verzekeraar] van € 181,87 per maand hem bij de berekening van het netto besteedbaar maandinkomen per maand niet kan baten.

Gelet op het vorenstaande komt het hof uit op een draagkracht van de man van tenminste

€ 1.966,86 per maand in 2015 en van € 1.969,10 per maand in 2016.

Extra lasten

5.7.1.

De man heeft gesteld dat er sprake is van niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten waarmee bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden. De man heeft aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met de schuld in rekening-courant aan zijn BV van € 66.000,-. Er is sprake van een negatieve operationele kasstroom waaruit blijkt dat er geen liquide middelen in de BV zijn, aldus de man. De man heeft gesteld geen reserves en geen liquiditeiten in de BV te hebben om deze schuld af te lossen. Hij acht het reëel om uit te gaan van een aflossing op de schuld in rekening-courant van € 3.000,- per maand. Ten slotte heeft de man gesteld dat hij ook de verliezen in zijn BV moet compenseren, dit om het voortbestaan van de BV te waarborgen. De man acht het redelijk om daarvoor rekening te houden met een extra last van € 1.750,- per maand.

5.7.2.

De vrouw en [jongmeerderjarige] hebben de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Er is naar hun mening geen sprake van niet-verwijtbare en niet-vermijdbare schulden. De vrouw en [jongmeerderjarige] hebben gesteld dat de man de schuld in rekening-courant zelf heeft veroorzaakt door meer geld uit de BV te halen dan hij aan salaris genoot, dat de man de noodzaak voor de aflossingen op de rekening-courant niet heeft aangetoond, dat de man niet heeft aangetoond waarom hij, mede gelet op de hoogte van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, een verlieslijdende advocatenpraktijk zou moeten voortzetten en dat hij het door hem gestelde bedrag van totaal € 4.750,- per maand niet daadwerkelijk aan zijn BV betaalt.

5.7.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man inmiddels een - uit een erfenis verkregen - bedrag van € 50.000,- heeft afgelost op de rekening-courantschuld, zodat deze schuld thans nog € 16.000,- bedraagt. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat rekening gehouden moet worden met een aflossing op deze (restant)schuld met een bedrag van € 3.000,- per maand, nu de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er enige noodzaak zou bestaan om op de schuld in rekening-courant af te lossen, laat staan dat dit met een bedrag van € 3.000,- per maand zou moeten geschieden.

Ook houdt het hof geen rekening met het door de man gestelde bedrag van € 1.750,- per maand ter compensatie van de verliezen. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat in de BV sinds 2010 geen positief resultaat meer is behaald. De man heeft de noodzaak, ook ingeval van eventuele toekomstige arbeidsgeschiktheid, de BV in stand te houden niet duidelijk gemaakt. Hetgeen door de man is gesteld is daartoe onvoldoende redengevend. Niet is gebleken dat het voorbestaan van de BV vereist is voor de eventuele hervatting van de man van zijn werkzaamheden als advocaat.

Gelet op het vorenstaande houdt het hof geen rekening met de door de man gesteld aflossing rekening-courant en compensatie van verliezen, evenmin als de rechtbank.

5.8.

Nu de draagkracht van de vrouw, de zorgkorting en de verhouding waarin de man en de vrouw moeten bijdrage in de kosten van de kinderen (verder) niet in geschil zijn, leidt het voorgaande ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het hof:

op het principaal appel:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 10 maart 2016;

wijst af het meer of anders verzochte,

op het incidenteel appel

verklaart de vrouw en [jongmeerderjarige] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, J.H.J.M Mertens-Steeghs en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is op 2 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.