Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:843

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
200.191.705_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1683
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 2 maart 2017

Zaaknummer : 200.191.705/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/307559 / FA RK 15-7429

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende op een geheim adres,

appellante in principaal appel,

belanghebbende in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer,

en

[belanghebbende] ,

belanghebbende in principaal appel

appellant in incidenteel appel,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Krijger,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI).

  • -

    mevrouw [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 maart 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 mei 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft het beëindigen van haar ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] .

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 oktober 2016, heeft de vader verzocht het in eerste aanleg en in hoger beroep door de moeder verzochte af te wijzen.

Tevens heeft de vader hierbij incidenteel appel ingesteld tegen de bestreden beschikking voor zover daarbij zijn ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] is beëindigd, met het verzoek zijn gezag in stand te laten, met vernietiging van de bestreden beschikking voor dat gedeelte.

2.3.

Vervolgens heeft de moeder een door haar genoemd ‘verweerschrift tegen incidenteel beroep’ ingediend, ingekomen ter griffie op 26 oktober 2016, waarin zij verzoekt het beroep van de vader, voor zover dit ziet op de beëindiging van het gezag door de moeder, af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. De Vleesschauwer, namens de moeder;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. N.P.M. Planthof, waarnemend advocaat voor mr. Krijger;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] .

De moeder en de pleegmoeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van mr. Krijger van 14 oktober 2016;

  • -

    het faxbericht van de GI van 19 december 2016 met als bijlage het voogdijplan van de minderjarige [minderjarige] van 5 december 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .

3.2.

Op 15 november 2011 is [minderjarige] op vrijwillige basis uithuisgeplaatst. Bij beschikking van 10 januari 2012 is een ondertoezichtstelling uitgesproken onder gelijktijdige verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing. Deze kinderbeschermingsmaatregelen zijn sindsdien steeds verlengd.

3.3.

Sinds februari 2012 verblijft [minderjarige] in het huidige pleeggezin van mevrouw [de pleegmoeder] .

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de moeder één keer per maand gedurende twee uur begeleid contact heeft met [minderjarige] .

De vader heeft, zoals hij heeft verklaard ter zitting, één keer per maand onbegeleid contact met [minderjarige] van 13.00 uur tot 18.30 uur.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van beide ouders over [minderjarige] beëindigd.

3.5.1.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen; althans de moeder uitsluitend voor zover haar ouderlijk gezag over [minderjarige] is beëindigd en de vader uitsluitend voor zover zijn ouderlijk gezag over [minderjarige] is beëindigd. De standpunten van de ouders, zoals geformuleerd in de processtukken, luiden – kort weergegeven – als volgt.

De moeder

3.5.2.

De moeder heeft sinds 2012 haar medewerking verleend aan de ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en de begeleide omgangsmomenten die zij met [minderjarige] heeft. De moeder stelt het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin niet ter discussie en zij heeft niet stelselmatig verwijtbaar gehandeld waardoor de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is of gerechtvaardigd kan worden. De moeder heeft circa de eerste zeven jaar van [minderjarige] ’s leven voor haar gezorgd. De moeder ziet dat [minderjarige] een goede ontwikkeling doormaakt in het pleeggezin en dat het van belang is dat zij hier blijft wonen. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat de moeder in de toekomst blijft instemmen met de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Er is sprake van een duurzame instemming met de pleegzorgplaatsing. Dit geschiedt in woord en daad. Blijkens jurisprudentie is, gelet op de duurzame instemming met de pleegzorgplaatsing, de gezagsontneming niet nodig om het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders te waarborgen.

De raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom het in het belang van [minderjarige] is dat het ouderlijk gezag beëindigd wordt en waarom de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing onvoldoende zijn voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen besef dat jaarlijks de kinderbeschermingsmaatregelen worden verlengd. [minderjarige] heeft krachtens artikel 20 lid 3 IVRK recht op duidelijkheid omtrent het toekomstperspectief, continuïteit in de opvoedingssituatie en een ongestoorde hechting in het pleeggezin. Dit recht wordt niet geschaad indien de moeder het gezag uitoefent. De moeder heeft nimmer het ouderlijk gezag op enige wijze misbruikt en er hebben zich nooit incidenten voorgedaan omtrent het ouderlijk gezag. Bovendien garandeert behoud van het gezag dat de moeder op de hoogte wordt gehouden van belangrijke beslissingen en gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] .

De vader

3.5.3.

De vader ondersteunt de beslissing van de rechtbank om het gezag van de moeder te beëindigen.

Ten aanzien van de gezagsbeëindigende maatregel die hem treft, voert de vader aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voldaan is aan de vereisten van artikel 1:266 lid 1 BW. De pleegmoeder is op leeftijd en het is niet zeker hoe lang zij de zorg voor [minderjarige] nog kan dragen. Niet valt uit te sluiten dat het dan het meest in het belang van [minderjarige] is wanneer de vader de zorg voor [minderjarige] voor zijn rekening neemt. In ieder geval brengt gezagsbeëindiging geen duidelijkheid voor de lange termijn. [minderjarige] heeft een autismespectrumstoornis en het maakt voor [minderjarige] niets uit of de vader het gezag blijft dragen. De vader heeft van meet af aan meegewerkt met de hulpverlening en ingestemd met de uithuisplaatsing toen duidelijk werd dat hij feitelijk niet meer voor [minderjarige] kon zorgen. De vader is nog steeds bereid alle beslissingen te nemen die de GI in [minderjarige] ’s belang nodig acht. Er is niet voldaan aan het vereiste van artikel 1:266 BW en beëindiging van het ouderlijk gezag levert een schending op van artikel 8 EVRM.

3.6.

De raad heeft ter zitting verweer gevoerd en gepersisteerd bij de inleidende verzoeken. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het huidige pleeggezin, waar zij inmiddels al meerdere jaren verblijft. Het is voor [minderjarige] belangrijk is om te weten dat er een gezinsvoogd is die beslissingen neemt en die lijnen uitzet.

3.7.

De GI heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige] een heel ‘pittig’ meisje is dat veel structuur nodig heeft en dat de pleegmoeder in staat is om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. Sinds [minderjarige] bij de pleegmoeder is geplaatst, heeft ze een flinke groei doorgemaakt.

Het hof overweegt het volgende.

Ontvankelijkheid van de vader

3.8.

Het hof dient allereerst ambtshalve de vragen te beantwoorden of de vader als belanghebbende dient te worden aangemerkt in de hoger beroepsprocedure van de moeder en of – in verband daarmee – de vader ontvankelijk is in zijn verzoek in incidenteel appel.

Het hof stelt in deze voorop dat het alleen belanghebbenden vrijstaat om een verweerschrift in te dienen. In een procedure als de onderhavige moet onder belanghebbende worden verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. In eerste aanleg waren beide ouders gezagsdragers over [minderjarige] . Het hof is van oordeel dat hun rechten en plichten ten opzichte van [minderjarige] dermate onderling met elkaar zijn verweven dat de vader als belanghebbende dient te worden aangemerkt in het hoger beroep dat door de moeder is geïnitieerd.

Het hof is voorts van oordeel dat het de vader daardoor tevens was toegestaan om op de thans gevolgde wijze, door het indienen van een incidenteel appel na ommekomst van de appeltermijn, de hem betreffende gezagsbeëindigende maatregel ter beoordeling aan het hof voor te leggen.

Het hof zal de vader in zijn verzoek ontvankelijk verklaren.

Inhoudelijke beoordeling

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van gezag. Beoordeeld dient daarom te worden of voldaan is aan artikel 1:266 sub a BW.

Met de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag – ten aanzien van zowel de moeder als de vader – bevestigend, op grond van het volgende.

3.9.3.

Bij de dertienjarige [minderjarige] is sprake van forse kindeigen problematiek. Zij heeft te kampen met een verstandelijke beperking en een stoornis binnen het autistisch spectrum. Daarnaast heeft zij een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand en zijn er aanwijzingen voor een reactieve hechtingsstoornis.

[minderjarige] heeft veel behoefte aan een duidelijke, voorspelbare en veilige opvoedingsomgeving waarin ze begeleid en gestimuleerd wordt in haar ontwikkeling en waarbij wordt aangesloten op haar ontwikkelingsniveau en rekening gehouden wordt met haar beperkingen. Inmiddels verblijft [minderjarige] circa vijf jaar bij haar huidige pleegmoeder. Uit de inhoud van de stukken is gebleken – hetgeen door de ouders wordt onderschreven – dat de pleegmoeder is staat is om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. Het staat voor het hof vast dat [minderjarige] , sinds zij in dit pleeggezin verblijft, een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Het hof acht het bovenal in het belang van [minderjarige] dat deze opvoedingssituatie op een ongestoorde wijze wordt gecontinueerd en dat [minderjarige] de ruimte krijgt om zich in haar huidige omgeving verder te ontwikkelen. Het hof deelt de visie van de raad dat er geen reëel perspectief bestaat op thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en evenmin bij de vader. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat zowel de moeder als de vader niet in staat zijn (geweest) om binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn een verantwoorde thuisplaatsing mogelijk te maken. De maatregelen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn in beginsel dan ook niet langer de geëigende middelen om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden.

3.9.4.

De moeder stelt zich echter op het standpunt dat het niet nodig is om haar gezag over [minderjarige] te beëindigen, omdat zij duurzaam bereid is om [minderjarige] in het pleeggezin te laten opgroeien.

Op basis van vaste jurisprudentie dient de duurzame bereidheid van een ouder ten aanzien van het opvoedingsperspectief van het kind elders, in de beoordeling te worden betrokken maar staat deze niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag. Daarbij speelt het belang van de minderjarige bij stabiliteit en duidelijkheid een grote rol. De vraag is derhalve of beëindiging van het gezag noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] ondanks dat de moeder stelt duurzaam in te stemmen met haar uithuisplaatsing.

3.9.5.

De GI heeft ter zitting verklaard dat, anders dan de ouders menen, onrust voor [minderjarige] voelbaar is en dat zij meer in de gaten heeft dan men denkt. De raad heeft hierop aangevuld dat [minderjarige] zich steeds verder zal ontwikkelen en dat zij zal gaan merken dat de voorkeur van de ouders is, zelf, afzonderlijk van elkaar, voor [minderjarige] willen zorgen. Het hof overweegt dat bij jaarlijkse verlenging van beide kinderbeschermingsmaatregelen er voor [minderjarige] (en voor beide ouders) onduidelijkheid blijft bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van [minderjarige] . Bovendien zullen aan de verlengingsverzoeken, waarin het verblijf van [minderjarige] jaarlijks ter aan de orde wordt gesteld, de nodige besprekingen en rapportages vooraf gaan die voor onrust kunnen zorgen bij de betrokkenen, hetgeen zijn doorwerking zal hebben op [minderjarige] . Dit is mede gelet op [minderjarige] ’s problematiek en haar daarmee samenhangende behoefte aan structuur en stabiliteit niet in haar belang. Het hof overweegt dat het belang van [minderjarige] ermee is gediend dat zij weet dat er een gezinsvoogd is die beslissingen neemt en die lijnen uitzet.

Het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid en stabiliteit dient naar het oordeel van het hof te prevaleren boven de wens van de moeder en de vader om met het gezag belast te blijven. Bovendien acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat er duidelijkheid wordt gecreëerd over de rol die haar ouders in haar leven innemen. De gezagsbeëindigende maatregel is daartoe noodzakelijk en betekent voor [minderjarige] ’s toekomstperspectief dat zij zich in alle rust in haar huidige vertrouwde omgeving verder kan ontwikkelen.

3.9.6.

Voor zover de ouders een beroep hebben gedaan op artikelen van het EVRM en IVRK, passeert het hof deze stellingen, nu de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van [minderjarige] .

3.9.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd

3.9.8.

Het hof wijst er tot slot op dat de ouders – ondanks de beëindiging van hun ouderlijk gezag – altijd de moeder en de vader van [minderjarige] blijven en dat de band tussen ouder en kind niet wordt verbroken. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat haar ouders een plaats in haar leven hebben als “ouder op afstand”, waarbij het hof opmerkt dat contact tussen [minderjarige] en haar ouders belangrijk is en blijft voor [minderjarige] .

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en A.M.M. Hompus en is op 2 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.