Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:831

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
200.196.102_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3892
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; bewijsbeslag; toewijzing inzagevordering op grond van verstrekte toestemming; afwijzing gevorderde geboden m.b.t. gestelde inbreuk op databankrecht en auteursrecht, afwijzing verbod aan ex-werknemers om werkzaam te zijn bij andere onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.196.102/01

arrest van 28 februari 2017

in de zaak van

V.S.E. Vehicle System Engineering B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als VSE,

advocaat: mr. J. Brouwer te Veenendaal,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. D.A. Witberg,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. R.W.A. Schelfaut,

3. The Dutch Automative Engineering Company B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

mr. M. Ambags,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

in het geval van [geïntimeerde 1] : tevens appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , DAEC en gezamenlijk als [geïntimeerden] ,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 juli 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 juni 2016, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen VSE als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , DAEC en [medegedaagde] als gedaagden in conventie, en in het geval van [geïntimeerde 1] , DAEC en [medegedaagde] als eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/315890/ KG ZA 16-318)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Uit de appeldagvaarding blijkt dat ook appel is ingesteld tegen [medegedaagde] , die ook in eerste aanleg partij was. De procedure tussen VSE en [medegedaagde] is op verzoek van deze partijen doorgehaald op de rol van 20 december 2016. De vorderingen tegen [medegedaagde] en de reconventionele vordering van [medegedaagde] worden in het navolgende daarom niet weergegeven en evenmin besproken.

Het verloop van de procedure tussen VSE, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en DAEC blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties genummerd XI tot en met XXVII en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en wijziging van de voorwaardelijke eis van [geïntimeerde 1] , met producties genummerd 7 tot en met 11;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] ;

  • -

    de memorie van antwoord van DAEC, met producties genummerd 7 tot en met 10;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van VSE in de procedure tussen haar en [geïntimeerde 1] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. VSE houdt zich bezig met het ontwikkelen en optimaliseren van truck- en transportmaterieel met digitaal geregelde hydraulica, met name stuur- en veersystemen. Zij verkoopt haar stuur- en veersystemen ook.

  2. [geïntimeerde 1] was vanaf 1 april 2009 als senior sales & application engineer in dienst bij VSE. Zijn arbeidsovereenkomst bevatte een geheimhoudings- en een non-concurrentiebeding. In verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd per 6 september 2016 is VSE met [geïntimeerde 1] overeengekomen dat [geïntimeerde 1] op 1 februari 2016 voor het laatst feitelijk bij VSE zou werken. [geïntimeerde 1] is door VSE bij brief van 7 april 2016 op staande voet ontslagen omdat hij volgens VSE in strijd met de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden verrichtte. Bij beschikking van 29 juli 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland het provisionele verzoek van [geïntimeerde 1] tot loondoorbetaling afgewezen, onder overweging dat vooralsnog niet in hoge mate aannemelijk is dat het ontslag ten onrechte is gegeven. Ook het incidenteel verzoek op grond van artikel 22 jo. 162 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) van VSE om de gerechtelijke deurwaarder opdracht te geven tot afgifte aan de rechter en aan partijen van de selectie van de onder [geïntimeerde 1] in beslag genomen stukken (waarover later meer), is daarbij afgewezen. Daarbij heeft de kantonrechter mede overwogen dat het verzoek tot inzage in de (selectie van) zaken reeds in de onderhavige procedure in hoger beroep aan het hof voorligt. De procedure waarin [geïntimeerde 1] de rechtbank heeft verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen, loopt nog. Bij beschikking van de kantonrechter bij de rechtbank Midden-Nederland van 15 september 2016 is aan VSE onder meer opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde 1] tijdens zijn dienstverband met VSE concurrerende werkzaamheden heeft verricht.

  3. [geïntimeerde 2] was sinds 1 juli 2001 in dienst van VSE als engineer. Zijn arbeidsovereenkomst bevatte een geheimhoudingsbeding. [geïntimeerde 2] is met ingang van 1 maart 2016 op eigen verzoek bij VSE uit dienst getreden. Hij is niet aan een concurrentiebeding gebonden.

  4. [medegedaagde] was sinds 1 februari 2011 als application engineer in dienst van VSE. Zijn arbeidsovereenkomst bevatte een geheimhoudings- en een non-concurrentiebeding. Hij had kennis van alle ins and outs van de elektronica, hydrauliek en voertuigdynamica en onderhield ook rechtstreeks contacten met leveranciers van VSE. [medegedaagde] is met ingang van 1 maart 2016 op eigen verzoek uit dienst getreden.

  5. DAEC is blijkens een uittreksel van de kamer van koophandel opgericht bij akte van 22 december 2015. Zij houdt zich bezig met technisch speur- en ontwikkelingswerk en het ontwerpen, tekenen, het construeren en vervaardigen, het testen van prototypes van vrachtwagens, bussen en trailers, alsmede holdingactiviteiten.

  6. [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] zijn per 1 maart 2016 in dienst getreden bij DAEC. DAEC heeft bij brieven van 19 april 2016 de arbeidsovereenkomsten met [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] met gebruikmaking van het proeftijdbeding met onmiddellijke ingang opgezegd. Kort na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2016, waarvan beroep, zijn zij weer bij DAEC gaan werken.

  7. VSE heeft op 5 april 2016 verlof verkregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant om ten laste van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] conservatoir bewijsbeslag te leggen op

-“alle aan VSE toebehorende dan wel VSE en/of haar producten betreffende bestanden (herkenbaar aan haar logo en/of haar naam, de naam van de computer waarop het bestand is vervaardigd, offerte aanduidingen, trefwoorden, projectnummers, de specifieke aanduidingen voor tekeningnummers (…)” die zich bevinden op digitale gegevensdragers zoals Dvd’s, Cd-roms, harde schijven, computertapes, usb-sticks, geheugenkaarten en dergelijke en alle andere gegevensdragers (zoals papier, plastic (cards) film, tablets/smartphones) en externe servers, en

- alle hardware en computers en randapparatuur waarop zich de hiervoor genoemd bestanden (kunnen) bevinden,

op de privéadressen van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] en het zakenadres van DAEC.

In voornoemde verlofbeschikking van 5 april 2016 is onder meer vermeld:
“(…..)

4.8.

bepaalt dat de deurwaarder zich zal doen bijstaan door de in het verzoekschrift genoemde ICT-deskundige [opmerking hof: Riscon [vestigingsplaats 3] B.V.], die werkt onder zijn verantwoordelijkheid;

4.9.

bepaalt uitdrukkelijk dat met dit verlof aan verzoekster niet wordt toegestaan om zonder toestemming van gerekwestreerde of anders dan krachtens in kracht van gewijsde gegaan dan wel uitvoerbaar bij voorraad verklaard rechterlijk vonnis onderzoek te (laten) verrichten aan en/of inzage te (doen) nemen in de in beslag te nemen zaken;

4.10.

bepaalt dat, ten spoedigste nadat de beslagen zijn gelegd door de deurwaarder, al dan niet in samenwerking met de ICT deskundige, van alle onder 4.1 bedoelde (al dan niet digitaal opgeslagen) bescheiden [opmerking hof: zie hiervoor onder g] fysieke en/of digitale kopieën zullen worden gemaakt (…) waarbij:
a. (…) de originele bescheiden zo spoedig mogelijk, zodra een gedeelte gereed is, maar in ieder geval uiterlijk binnen twee dagen, aan gerekwestreerde worden geretourneerd;
b. de aldus verkregen kopieën door de deurwaarder zullen worden verzegeld zonder dat er een schifting en/of selectie van digitaal opgeslagen gegevens plaats vindt;
c. enige schifting en of selectie pas plaats zal mogen vinden na toestemming van gerekwestreerde of toestemming verkregen bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard of in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis;

4.11.

beveelt de afgifte van de verzegelde kopieën van alle onder 4.1 omschreven (al dan niet digitaal opgeslagen) bescheiden aan de in alinea 11 voorgestelde rechtspersoon, die daartoe als gerechtelijk bewaarder wordt aangewezen;

4.12.

bepaalt dat de deurwaarder en de voornoemde ICT-deskundige verplicht zijn geheimhouding te betrachten jegens een ieder met betrekking tot de gang van zaken bij de beslaglegging en met betrekking tot de inhoud van hetgeen in beslag genomen is, behoudens toestemming van gerekwestreerde of nader rechterlijk bevel;
(…..)”

  1. VSE heeft op 13 april 2016 ten laste van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] bewijsbeslag gelegd. Het bewijsbeslag is gelegd met hulp van de ICT-deskundige Riscon [vestigingsplaats 3] B.V., hierna Riscon.

  2. Bij brief van 21 april 2016 heeft de advocaat van VSE [geïntimeerde 1] verzocht om toestemming voor onder meer onderzoek aan de kopieën van de in het beslagrekest genoemde bescheiden en de inzage daarin. De toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde 1] heeft VSE in reactie daarop bij mail van 25 april 2016 bericht dat [geïntimeerde 1] zich akkoord verklaarde met het ‘geschetste onderzoek/inzage etc.’

  3. Riscon heeft op basis van die toestemming een selectie gemaakt van de onder [geïntimeerde 1] in beslag genomen bescheiden. Zij heeft bij brief van 4 of 5 mei 2016 aan [geïntimeerde 1] medegedeeld:
    “Betreft: Selectie digitale / papieren bescheiden
    (…..)
    Hierbij ontvangt u een selectie van de in beslag genomen papieren bescheiden die na onderzoek aan de, in het verzoekschrift C/02/313465 productie VI, VII en VIII vermelde zoekcriteria voldoen.
    In het kader van ‘Equality of Arms’ geven wij u de gelegenheid om te reageren op deze selectie.
    Mocht u het niet eens zijn met één of meerdere stukken in de selectie, dan ontvangen wij graag uitgebreid en onderbouwd de redenen waarom alsmede de stukken waar het om gaat.
    Uw reactie ontvangen wij graag vóór 9 mei om 10:00 uur aanstaande, wanneer uw reactie uitblijft gaan wij over tot het verstrekken van de geselecteerde bescheiden aan de verzoekende partij.”

  4. De huidige advocaat van [geïntimeerde 1] heeft op 9 mei 2016 laten weten dat [geïntimeerde 1] geen toestemming geeft tot bekendmaking van de selectie aan VSE. Bij de selectie bevonden zich volgens de advocaat ook papieren die niet aan de opgegeven criteria voldoen.

  5. Bij beschikking van 9 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv. verlengd met veertien dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de lopende termijn is verstreken. In die beschikking is bepaald dat de verlenging om haar werking te houden binnen acht dagen na het verstrijken van de lopende termijn bij deurwaardersexploot of aangetekende brief aan (onder meer) [geïntimeerde 1] moet zijn meegedeeld. Bij aangetekende brief van 12 mei 2016 heeft de advocaat van VSE aan [geïntimeerde 1] meegedeeld dat de termijn van 28 dagen na de eerste beslaglegging, waarbinnen de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld, is verlengd met veertien dagen.

  6. Op 24 mei 2016 heeft VSE [geïntimeerde 1] in de onderhavige kort geding procedure in eerste aanleg gedagvaard.

  7. Nadat het vonnis waarvan beroep op 23 juni 2016 is gewezen, heeft [geïntimeerde 1] in een afzonderlijke procedure gevorderd dat in het kader van het bewijsbeslag gemaakte kopieën aan hem worden afgegeven. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft deze vordering bij vonnis van 22 juli 2016 afgewezen, overwegende dat de beslagen niet van rechtswege zijn vervallen, de hoofdzaak tijdig is ingesteld en het kort geding volstaat als hoofdzaak in de zin van artikel 700 in verbinding met artikel 704 Rv.

3.2.

In de onderhavige procedure vorderde VSE in eerste aanleg (in conventie), kort gezegd en voor zover thans nog van belang, dat de voorzieningenrechter:

  1. gedaagden gelast primair iedere inbreuk op het databankenrecht van VSE, subsidiair iedere inbreuk op het auteursrecht van VSE te staken en gestaakt te houden;

  2. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voor de duur van twee jaar verbiedt werkzaam te zijn voor DAEC;

  3. DAEC voor de duur van twee jaar verbiedt contacten te onderhouden met [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] ;

  4. bepaalt dat Riscon gerechtigd is tot het doen van een onderzoek aan de kopieën van de onder gedaagden in beslag genomen zaken, als omschreven in de beschikking van 5 april 2016;

  5. bepaalt dat Riscon de uitslag van dat onderzoek aan partijen bekend mag maken;

  6. ieder van gedaagden veroordeelt tot betaling aan VSE van een dwangsom van
    € 10.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat één van gedaagden in overtreding is met een opgelegd verbod of gebod;

  7. [geïntimeerde 1] veroordeelt tot betaling van een voorschot op boete en schadevergoeding van € 10.000,00;

  8. [geïntimeerde 2] veroordeelt tot betaling van een voorschot op schadevergoeding van € 2.500,00;

  9. ieder van gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten, beslagkosten en onderzoekskosten daaronder begrepen.

3.3

[geïntimeerde 1] vorderde in eerste aanleg (in voorwaardelijke reconventie), voor het geval de vordering sub 5 zou worden toegewezen, dat de uitslag van het door Riscon uit te voeren onderzoek pas aan partijen bekend zou worden gemaakt nadat een door de rechtbank aan te stellen onafhankelijke deskundige heeft geconstateerd dat de beslagen voldoen aan de criteria die staan vermeld in alinea 11 van het verzoekschrift van VSE van 4 april 2016.

3.4

DAEC vorderde in eerste aanleg in reconventie kort gezegd dat de voorzieningenrechter het verlof tot beslaglegging van 5 april 2016 zou opheffen, voor zover betrekking hebbend op de in de conclusie van eis genoemde roerende zaken en dat deze zou bevelen dat de van genoemde goederen door Riscon gemaakte kopieën zouden worden teruggegeven, op straffe van een dwangsom.

3.5

In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van VSE afgewezen. Daarom kwam deze niet toe aan beoordeling van de vordering van [geïntimeerde 1] in voorwaardelijke reconventie.

3.6

De vordering van DAEC in reconventie werd in zoverre toegewezen, dat aan VSE is bevolen zorg te dragen dat door Riscon in het kader van het in opdracht van VSE gelegde bewijsbeslag gemaakte kopieën van roerende zaken die toebehoren aan DAEC of haar bestuurder [bestuurder DAEC] , aan DAEC worden afgegeven. Daaraan is een dwangsom verbonden. VSE heeft tijdig aan deze veroordeling voldaan. Grief 8 van VSE heeft hierop betrekking.

3.7

VSE heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. VSE heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van haar in hoger beroep gewijzigde vorderingen. Als gezegd, is de procedure tussen VSE en [medegedaagde] op verzoek van beide partijen doorgehaald. De hiervoor onder sub 3 en de hieronder onder sub 2, laatste deel, weergegeven vordering van VSE die erop is gericht DAEC te verbieden zakelijk contact met onder meer [medegedaagde] te onderhouden, is echter niet door VSE gewijzigd. Het hof gaat er dan ook van uit dat dit gevorderde verbod nog steeds ziet op zakelijke contacten van DAEC met [medegedaagde] . In hoger beroep vordert VSE, met inachtneming van de doorhaling, kort gezegd dat het hof:

  1. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en DAEC gelast om iedere inbreuk op het databankrecht, althans het auteursrecht van VSE te staken, althans zich te onthouden van iedere onrechtmatige inbreuk op het intellectueel eigendom van VSE;

  2. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voor de duur van twee jaar verbiedt werkzaam te zijn voor DAEC en DAEC verbiedt zakelijke contacten te onderhouden met [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] ;

  3. te bepalen dat Riscon gerechtigd is a) tot het doen van een onderzoek aan de (kopieën van) de onder [geïntimeerde 1] in beslag genomen zaken en b) de uitkomst, alsmede afschrift daarvan, aan VSE mee te delen;

  4. een dwangsom oplegt voor het geval de door het hof aan [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en/of DAEC opgelegde ge- of verboden worden overtreden;

  5. [geïntimeerde 1] veroordeelt tot betaling van een voorschot op de reeds verschuldigd geworden boete en schade van € 10.000,00;

  6. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en DAEC, zo mogelijk hoofdelijk, veroordeelt in de volledige kosten van het geding, waaronder beslagkosten, onderzoekskosten en nakosten.

Zij vordert dat de uitspraak voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

3.8

[geïntimeerde 1] heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, voor zover door VSE bestreden, met veroordeling van VSE in de proceskosten. Hij heeft zijn voorwaardelijke eis in reconventie gewijzigd. Voor het geval het door VSE onder 5 gevorderde wordt afgewezen, (het hof begrijpt dat het hier gaat om het in eerste aanleg onder 5 gevorderde, dus voor het geval het hof de vordering afwijst die is gericht op het bekendmaken van de uitslag van het onderzoek door Riscon aan partijen, zoals onder overweging 3.7 sub 3 weergegeven), vordert [geïntimeerde 1] in hoger beroep kort gezegd dat het hof:

  1. het verlof tot beslaglegging van 5 april 2016 en/of het verlof tot termijnverlenging van 9 mei 2016 opheft;

  2. VSE beveelt er zorg voor te dragen dat de door Riscon in het kader van het bewijsbeslag gemaakte kopieën aan [geïntimeerde 1] worden afgegeven, onder oplegging van een dwangsom.

3.9

Het hof stelt voorop dat het gaat om een kort geding. De vraag of een voorlopige voorziening in kort geding toewijsbaar is hangt af van de beoordeling van de voorlopige merites van de zaak en van de afweging van de belangen van partijen. Bij die belangenafweging speelt onder meer een rol hoe ingrijpend het uitblijven van de voorlopige voorziening is voor de eisende partij en het toewijzen van de gevraagde voorziening voor de gedaagde partij. Voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, is in een geding als het onderhavige geen plaats.

3.10

Grief 1 van VSE heeft betrekking op de feitenvaststelling. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld en voor zover het door VSE in dit verband aangevoerde niet is weersproken, heeft het hof dit onder de vastgestelde feiten opgenomen. Wat betreft de reikwijdte van de activiteiten van VSE staat wat zij naar voren heeft gebracht, niet zonder meer vast. Dat geldt ook voor wat zij over de betrokkenheid van [geïntimeerde 2] bij de ontwikkeling van soft- en hardware voor de stuur- en veersystemen heeft aangevoerd. Het debat daarover komt, voor zover relevant, bij de bespreking van de overige grieven (in het bijzonder grief 5 van VSE) aan de orde. Grief 1 hoeft verder niet zelfstandig besproken te worden.

3.11

Het hof zal in onderstaande beoordeling de volgorde van de vorderingen van VSE in hoger beroep hanteren (zoals weergegeven in overweging 3.7). Het hof zal telkens vermelden tegen welke partijen de vorderingen zijn gericht en welke van de grieven hierop zien. Bij de bespreking van de vorderingen met betrekking tot het beslag zullen ook de voorwaardelijke vorderingen van [geïntimeerde 1] aan de orde worden gesteld.

Vordering 1 van VSE (staken inbreuk IE-rechten)

Gericht tegen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en DAEC

Grief 4 VSE

3.12

VSE vordert in hoger beroep tegen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en DAEC een gebod tot het staken van inbreuk op het databankrecht, althans het auteursrecht, althans het industrieel eigendom van VSE. Grief 4 is gericht tegen overweging 5.8 van het vonnis van de voorzieningenrechter met betrekking tot – kort gezegd – de door VSE gestelde inbreuk op haar IE-rechten.

3.13

Volgens VSE is haar gegevensverzameling als aanwezig in haar computersysteem een databank in de zin van de Databankenwet. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de omschrijving die VSE geeft van de gegevens die volgens haar een beschermde databank opleveren, te vaag is om te kwalificeren als “een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn en waarvan de verkrijging, controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering” (de in artikel 1 lid 1 sub a van de Databankenwet gegeven definitie van een beschermde databank). Ook naar het voorlopig oordeel van het hof leidt wat VSE heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat er sprake is van een beschermde databank. Het databankrecht beoogt de investering in het tot stand brengen van een databank, dus van de verzameling, te beschermen. Het gaat niet om de bescherming van de investering in het creëren van de elementen die deel uitmaken van de verzameling. Wat VSE omtrent haar investeringen heeft aangevoerd, ziet met name op investering in het creëren van die elementen en kan de conclusie niet dragen dat er sprake is van een substantiële investering in de verzameling van de gegevens. Reeds daarom faalt de grief voor zover deze betrekking heeft op het databankrecht. Voor zover de stellingen van VSE wél zien op de investeringen in de verzameling van gegevens, vergen deze nader onderzoek waarvoor in dit kort geding geen plaats is.

3.14

Voor zover VSE al als producent van een databank zou moeten worden aangemerkt, geldt bovendien dat zij onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat er inbreuk op het databankrecht is gemaakt. Zij heeft gesteld dat ‘m.n. [geïntimeerde 2] ’ gegevens heeft opgevraagd die hij niet strikt nodig had voor de uitvoering van zijn werkzaamheden en deze gegevens heeft gebruikt en ter beschikking heeft gesteld aan derden, maar deze door de [geïntimeerden] betwiste stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd. Meer heeft zij omtrent een gemaakte of dreigende inbreuk op haar databankrecht niet gesteld.

3.15

Wat betreft het betoog van VSE omtrent auteursrechtelijke bescherming, overweegt het hof het volgende. De voorzieningenrechter heeft kort gezegd overwogen dat de stellingen van VSE hierover te ruim en onbepaald waren. In hoger beroep heeft VSE aangevoerd dat met name de werktekeningen zijn ontstaan in een creatief proces en dat deze als “werk” in de zin van de Auteurswet auteursrechtelijke bescherming genieten. [geïntimeerden] hebben betwist dat deze werktekeningen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Of dat het geval is, kan echter in het midden blijven. Het auteursrecht betreft immers het uitsluitend recht om een beschermd werk openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voor zover aan VSE auteursrechtelijke bescherming toekomt, heeft zij in het geheel niet geconcretiseerd dat er sprake is van (de dreiging van) schending van het auteursrecht door openbaarmaking of verveelvoudiging van haar werk, zoals [geïntimeerden] terecht hebben opgemerkt.

3.16

De vordering van VSE gericht op een gebod zich te onthouden van iedere onrechtmatige inbreuk op het industrieel eigendom van VSE is - behoudens het reeds besproken beroep op het databankrecht en auteursrecht - niet nader bepaald of onderbouwd en kan daarom niet worden toegewezen.

3.17

Grief 4 treft dus geen doel voor zover het gaat om intellectuele eigendomsrechten. Ter onderbouwing van grief 4 heeft VSE nog het een en ander gesteld met betrekking tot het ter beschikking stellen van vertrouwelijke informatie door [geïntimeerden] aan DAEC. Dat zal bij de bespreking van de vorderingen sub 2 nog aan de orde komen.

3.18

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering sub 1 van VSE moet worden afgewezen.

Vordering 2 van VSE (verbod werkzaamheden en zakelijk contact)

Gericht tegen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en DAEC

Grief 4 (gedeeltelijk) en grief 5 VSE

3.19

De vordering van VSE om - kort gezegd - [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te verbieden voor DAEC te werken en om DAEC te verbieden zakelijk contact te hebben met [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] is gegrond op (dreigende) onrechtmatige concurrentie. VSE heeft in dit verband aangevoerd dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] onrechtmatig handelen door hun bij VSE opgedane kennis en ervaring ter beschikking te stellen aan DAEC. Zij hebben volgens VSE ook aan haar toebehorende vertrouwelijke informatie aan derden (in het bijzonder DAEC) ter beschikking gesteld (stelling ter toelichting bij grief 4). De voorzieningenrechter heeft volgens VSE miskend dat DAEC een concurrent van haar is (grief 5 VSE). Als DAEC geen concurrent van haar is, dan heeft zij in ieder geval de bedoeling om op jegens VSE onrechtmatige wijze een concurrent van haar te worden, aldus VSE.

3.20

Ten aanzien van [geïntimeerde 1] geldt dat hij de hieronder nader te noemen handelingen die VSE hem verwijt, voor het merendeel nog tijdens zijn dienstverband zou hebben verricht. VSE heeft hem op die grond op staande voet ontslagen. Partijen procederen daarover thans in een bodemprocedure, waarin VSE bewijs is opgedragen omtrent onder meer de door haar gestelde ongeoorloofde activiteiten van [geïntimeerde 1] tijdens het dienstverband (beschikking 15 september 2016, productie 8 bij mva). VSE beriep zich in eerste aanleg ook op het tussen haar en [geïntimeerde 1] overeengekomen concurrentiebeding. Voor zover zij zich ook in hoger beroep nog daarop beroept, kan dat haar niet baten. Het beding (artikel 11 van de in eerste aanleg door VSE overgelegde arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde 1] ) ziet kort gezegd op het werken voor een bedrijf dat producten ontwerpt, fabriceert of verkoopt die gelijk of verwant zijn aan de producten van VSE. Het is echter niet aannemelijk geworden dat DAEC producten ontwerpt, fabriceert of verkoopt, of dat zij dit in de nabije toekomst, tijdens de looptijd van het concurrentiebeding zal gaan doen. Tussen [geïntimeerde 2] en VSE is geen concurrentiebeding overeengekomen.

3.21

Het hof gaat daarom uit van de situatie waarin eventuele werkzaamheden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voor DAEC na afloop van hun dienstverband geen strijd met een concurrentiebeding opleveren. Concurrentie van ex-werknemers met hun voormalige werkgever is in beginsel geoorloofd. Van onrechtmatig concurreren is pas sprake als het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever stelselmatig en substantieel wordt afgebroken, met gebruikmaking van kennis en gegevens die door de ex-werknemers vertrouwelijk bij die voormalige werkgever zijn verkregen (vaste jurisprudentie na de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak [X.] / [Y.] , 9 december 1955, NJ 1956,157) .

3.22

VSE heeft uiteengezet waarom DAEC in haar visie als haar concurrent aangemerkt moet worden. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd betwist dat er sprake is van concurrentie. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan bij de beoordeling van de vorderingen in het midden blijven of VSE en DAEC (potentiële) concurrenten zijn. Ook als dat wel het geval is, kan wat VSE heeft aangevoerd namelijk niet de conclusie dragen dat haar bedrijfsdebiet stelselmatig en substantieel door [geïntimeerden] wordt afgebroken, met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij VSE zijn verkregen.

3.23

De omstandigheden die VSE in dit verband naar voren heeft gebracht zijn:

  1. dat bij de oprichting van DAEC ook [bestuurder DAEC] is aangetrokken, die afkomstig is van het bedrijf waaruit VSE 15 jaar geleden is verzelfstandigd;

  2. dat drie werknemers van VSE door DAEC zijn aangetrokken en enkele anderen zijn verzocht om over te stappen naar DAEC en dat er daarbij met hulp van een advocaat is gekeken of op basis van de bedingen in de arbeidsovereenkomst met VSE problemen te verwachten waren;

  3. dat op de site van DAEC een truck van een klant van VSE te zien is, die door VSE is voorzien van een stuur- en veersysteem, terwijl [geïntimeerde 1] kort voor zijn vertrek nog bij die klant is geweest;

  4. at [klant] , een klant die VSE aan het verwerven was en voor wie zij een onafhankelijk stuursysteem had ontworpen, zich terugtrok uit de onderhandelingen en daarbij liet weten dat dit systeem door de eigen verkoper van VSE op de markt werd aangeboden. Volgens VSE zou het om [geïntimeerde 1] gaan;

  5. dat [geïntimeerde 1] zijn nieuwe telefoonnummer aan veel zakelijke relaties heeft gezonden en dat hij aan in ieder geval één van hen heeft laten weten dat hij per 1 maart (een jaartal wordt niet vermeld) bij DAEC zou beginnen;

  6. dat [geïntimeerde 2] kort voor zijn uitdiensttreding zeer veel bestanden heeft opgeroepen, die hij niet nodig had voor het door hem te verrichten werk en dat onder hem ook werktekeningen van VSE in beslag zijn genomen, die vertrouwelijke informatie bevatten;

  7. dat [medegedaagde] in de periode waarin hij voor DAEC werkte, contact heeft gezocht met twee leveranciers van VSE;

  8. dat bij de beslaglegging op het kantoor van DAEC voorwerpen met het VSE-logo zijn aangetroffen en dat er ook bij de beslagenen thuis aan VSE toebehorende althans aan VSE gerelateerde goederen aanwezig waren.

3.24

ad a) en b) Dat [geïntimeerde 2] en [medegedaagde] voor DAEC zijn gaan werken staat vast. [geïntimeerde 1] betwist dat dit ook voor hem geldt. Wat daar ook van zij: voor zover deze personen na afloop van de arbeidsovereenkomst met VSE bij DAEC in dienst zijn getreden, is in deze procedure niet aannemelijk gemaakt dat daarbij sprake is geweest van ongeoorloofd handelen. Wat betreft [geïntimeerde 1] verwijst het hof ook naar het hieronder onder e overwogene.

c) [geïntimeerde 1] betwist betrokken geweest te zijn bij het tonen van genoemde truck op de site van DAEC. Bovendien wordt met het tonen van de truck van een derde - waarbij geen producten van VSE te zien zijn - geen afbreuk gedaan aan het bedrijfsdebiet van VSE.

d) [geïntimeerde 1] heeft ook in eerste aanleg al betwist dat hij tegen de door VSE bedoelde klant ( [klant] ) zou hebben gezegd dat hij een onafhankelijk stuursysteem zou verkopen. VSE heeft weliswaar bewijs aangeboden voor deze stelling, maar daarvoor is in het kader van dit kort geding geen plaats. Zij heeft haar stelling niet nader onderbouwd door bijvoorbeeld een verklaring van die klant in het geding te brengen. Het onder d genoemde is niet aannemelijk geworden.

e) Dat [geïntimeerde 1] zijn nieuwe telefoonnummer aan zakelijke relaties heeft verstrekt, betekent nog niet dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie. Hij heeft in deze procedure niet gereageerd op de stelling van VSE dat hij aan een zakelijke relatie heeft laten weten dat hij per 1 maart bij DAEC zou beginnen. Anderzijds heeft VSE hier niet gesteld waar zij deze stelling op baseert. Uit de beschikking van 15 september 2016 (productie 8 bij memorie van antwoord) leidt het hof af dat het zou gaan om een what’s app bericht en dat [geïntimeerde 1] in die procedure onderbouwd heeft aangevoerd dat de inhoud ervan mogelijk gemanipuleerd is. In deze procedure bij het hof zijn partijen hier niet op ingegaan. Het is aan VSE om haar stellingen aannemelijk te maken en dat is naar het oordeel van het hof op dit punt onvoldoende gebeurd.

Wat betreft de gestelde gedragingen van [geïntimeerde 1] merkt het hof nog op dat voor het merendeel daarvan geldt dat deze zouden zijn verricht tijdens zijn dienstverband. Of hij ongeoorloofde nevenactiviteiten heeft ontplooid, is nog onderwerp van geschil in de aanhangige bodemprocedure omtrent het ontslag op staande voet. Als er sprake is geweest van ongeoorloofde nevenactiviteiten, rechtvaardigt dat nog niet zonder meer een verbod om na afloop van het dienstverband bij DAEC betrokken te zijn.

f) [geïntimeerde 2] heeft uitgebreid uiteengezet dat hij in het kader van werkzaamheden die hij nog kort voor zijn vertrek voor VSE diende te verrichten, heel veel informatie nodig had. Dat hij daarbij meer bestanden heeft geraadpleegd dan nodig, is niet aannemelijk geworden en zelfs als dat zo zou zijn is dat nog niet onrechtmatig. Dat hij de informatie aan een derde (in het bijzonder) DAEC ter beschikking heeft gesteld, is in het geheel niet aannemelijk geworden.

g) In hoeverre VSE deze stelling nog relevant acht nu de procedure tussen haar en [medegedaagde] is doorgehaald, is niet duidelijk. Voor zover zij deze informatie nog van belang acht ten aanzien van DAEC, overweegt het hof dat zonder nadere informatie (omtrent bijvoorbeeld de aard van de leveranciers of wat het contact inhield), niet geoordeeld kan worden dat hiermee afbreuk aan het bedrijfsdebiet van VSE werd gedaan.

h) Wat VSE naar voren heeft gebracht omtrent de goederen die bij de beslaglegging zijn aangetroffen, maakt nog niet aannemelijk dat er sprake is van onrechtmatig handelen. Dat er aan VSE te relateren goederen bij de (ex-)werknemers thuis zijn gevonden, betekent nog niet dat het daarbij ging om vertrouwelijke informatie, laat staan dat dit betekent dat zij deze aan DAEC ter beschikking hebben gesteld. Dat er bij DAEC voorwerpen met het VSE-logo zijn aangetroffen, maakt nog niet aannemelijk dat er vertrouwelijke informatie aan haar is verstrekt.

3.25

Bij de onderbouwing van grief 4 heeft VSE nog naar voren gebracht dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan haar stelling dat [geïntimeerden] vertrouwelijke informatie van en over VSE zich hebben toegeëigend en waarschijnlijk ter beschikking hebben gesteld aan DAEC. Dat laatste concludeert VSE omdat [geïntimeerden] zonder die kennis voor DAEC niet of minder interessant zouden zijn. In het bijzonder het tweede gedeelte van deze door [geïntimeerden] betwiste stelling is speculatief. Dat dit daadwerkelijk is gebeurd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Tot toewijzing van enige van haar vorderingen kan die stelling daarom niet leiden.

3.26

VSE heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [medegedaagde] of DAEC stelselmatig en substantieel het duurzaam bedrijfsdebiet van VSE afbreken of af dreigen te breken, met gebruikmaking van kennis en gegevens die van VSE afkomstig zijn. De beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van de hier besproken verboden zal worden bekrachtigd.

Vordering 3 van VSE (de inzagevordering)

Gericht tegen [geïntimeerde 1]

Grieven 2 en 3 VSE

Voorwaardelijke vordering [geïntimeerde 1] (opheffing beslag en bevel teruggave kopieën)

Gericht tegen VSE

Grieven 1 en 2 [geïntimeerde 1] in incidenteel hoger beroep

3.27

De grieven 2 en 3 van VSE hebben betrekking op het beslag. Deze grieven zijn door VSE naar voren gebracht met het oog op onderzoek dat zij nog steeds aan de onder [geïntimeerde 1] in beslag genomen zaken wenst. Zij vordert dat het hof zal bepalen dat Riscon gerechtigd is a) tot het doen van een onderzoek aan (kopieën van) de onder [geïntimeerde 1] in beslag genomen zaken en b) de uitkomst, alsmede afschrift daarvan, aan VSE mee te delen. Ook de twee grieven van [geïntimeerde 1] en zijn vordering in voorwaardelijke reconventie (tot opheffing van het beslag en teruggave van de kopieën) hebben betrekking op het beslag.

3.28

In het geschil met de overige partijen wordt in hoger beroep geen oordeel over het beslag gevraagd. De bij DAEC in beslag genomen zaken zijn ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter teruggegeven, terwijl [medegedaagde] en [geïntimeerde 2] toestemming voor onderzoek hebben verleend, dit onderzoek al heeft plaatsgevonden en de uitslag daarvan aan VSE is meegedeeld. Blijkens pagina 8 van de memorie van grieven vraagt VSE uitdrukkelijk niet om een beslissing van het hof over de bij DAEC, [medegedaagde] en [geïntimeerde 2] in beslag genomen zaken. De kwestie van het beslag is dus alleen in het geschil tussen VSE en [geïntimeerde 1] nog aan de orde, behoudens de beoordeling van grief 8.

3.29

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat VSE de verlengingsbeschikking buiten de daarvoor geldende termijn heeft overgelegd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak is verlengd, waardoor de beslagen van rechtswege zijn komen te vervallen. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat gesteld noch gebleken is dat aan de in die verlengingsbeschikking opgenomen voorwaarde van mededeling aan [geïntimeerde 1] is voldaan, wat ook tot verval van de beslagen zou leiden. Met grief 2 komt VSE tegen dit oordeel op.

3.30

Grief 3 van VSE is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat - voor zover hier van belang - VSE vanwege het vervallen van het beslag geen belang meer heeft bij haar vordering om (kort gezegd) te bepalen dat Riscon onderzoek aan de onder [geïntimeerde 1] in beslag genomen bescheiden mag doen en de uitkomst aan VSE mag meedelen, alsook tegen het oordeel dat Riscon zonder toestemming van [geïntimeerde 1] stukken heeft onderzocht of geselecteerd.

3.31

In hoger beroep staat niet ter discussie dat er een verlengingsbeschikking is gegeven, dat die tijdig aan [geïntimeerde 1] is meegedeeld en dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden die aan verlenging van de termijn waren gesteld. Verder staat tussen partijen vast dat de voormalige gemachtigde van [geïntimeerde 1] namens hem toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de kopieën van de in het beslagrekest genoemde bescheiden en de inzage daarin en dat Riscon op basis van die toestemming een selectie van de in beslag genomen stukken heeft gemaakt (in de vaststaande feiten onder j, k en l is de gang van zaken uitgebreider weergegeven).

3.32

De grieven 2 en 3 van VSE tegen het andersluidende oordeel van de voorzieningenrechter slagen dus. VSE heeft dus nog belang bij haar vordering sub 3 met betrekking tot de in beslag genomen bescheiden.

3.33

De vordering van VSE is mede gegrond op het feit dat [geïntimeerde 1] reeds toestemming heeft gegeven tot onderzoek en de inzage van de in beslag genomen bescheiden, zo blijkt uit de toelichting op grief 3. Die toestemming is door de voormalige gemachtigde van [geïntimeerde 1] gegeven. De huidige advocate van [geïntimeerde 1] heeft op 9 mei 2016 in reactie op een verzoek van Riscon weliswaar laten weten geen toestemming te geven tot bekendmaking aan VSE van de door Riscon gemaakte selectie en dat [geïntimeerde 1] geen toestemming aan VSE verleent tot inzage (productie 5 [geïntimeerde 1] eerste aanleg, bijlage bij brief 7 juni 2016), maar over de reeds door de voormalige gemachtigde gegeven toestemming zegt zij niets. Op basis van de reeds verleende toestemming is de vordering sub 3 van VSE in beginsel toewijsbaar. Voor zover [geïntimeerde 1] meent dat hij thans op de reeds verleende toestemming kan terugkomen, heeft hij niet onderbouwd waarom dat zou mogen. De toestemming geldt alleen voor bescheiden die aan VSE toebehoren en/of haar producten betreffen, zoals vermeld in het beslagverlof (zie vaststaande feiten onder g).

3.34

De verweren van [geïntimeerde 1] tegen toewijzing van de inzagevordering stranden op grond van de reeds door zijn voormalige gemachtigde verleende toestemming. Ook bij gebreke van die toestemming zouden de door hem gevoerde verweren geen doel hebben getroffen. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

3.35

Volgens [geïntimeerde 1] heeft de benoeming van Riscon en de verlengingsbeschikking op grond van een door VSE gepresenteerd onvolledig en onjuist feitencomplex plaatsgevonden en zou dit met toepassing van artikel 21 Rv. tot afwijzing van de vordering van VSE met betrekking tot het beslag en tot toewijzing van zijn vordering in voorwaardelijke reconventie (tot opheffing van het beslag) moeten leiden. Hij voert aan dat VSE ten onrechte niet heeft vermeld dat Riscon al eerder op verzoek van VSE de aan VSE teruggegeven telefoon van [geïntimeerde 1] heeft onderzocht en recherchewerkzaamheden heeft verricht, waardoor Riscon niet te beschouwen is als onafhankelijk bewaarder. VSE heeft erkend dat Riscon het gestelde eerdere onderzoek heeft uitgevoerd. Dat Riscon in deze kwestie reeds eerder onderzoekswerkzaamheden voor VSE heeft uitgevoerd, betekent naar het oordeel van het hof echter niet dat zij niet als gerechtelijk bewaarder van de in beslag genomen bescheiden kan optreden. Er zijn geen aanwijzingen dat Riscon onzorgvuldig jegens [geïntimeerde 1] heeft gehandeld of zijn belangen heeft veronachtzaamd.

3.36

Verder heeft VSE volgens [geïntimeerde 1] ten onrechte in het verzoek tot verlenging van de termijn gesteld dat meer tijd nodig was voor onderzoek aan de beslagen documenten, terwijl Riscon toen al op basis van onderzoek een selectie had gemaakt. Het hof volgt [geïntimeerde 1] daarin niet. Dat door Riscon ten tijde van het indienen van dit verzoek al een selectie van de in beslag genomen stukken was gemaakt, betekent niet dat de stelling van VSE in dat verzoek dat het onderzoek nog niet geheel is afgerond, in strijd met de waarheid is.

3.37

Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] aangevoerd dat VSE niet heeft voldaan aan de uit artikel 843a Rv voortvloeiende voorwaarde dat de in beslag te nemen bescheiden zo precies moeten worden omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verzoeker mag worden verlangd. Het hof is echter van oordeel dat VSE de bescheiden in de gegeven omstandigheden wel voldoende precies heeft omschreven. Zij had reden te vermoeden dat aan haar toebehorende gegevens aan DAEC ter beschikking waren gesteld. (Of zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit is gebeurd, is een andere vraag.) Dit zou dan heimelijk zijn gebeurd en VSE kon daarom niet preciezer aangeven welke bescheiden dat dan waren. Zij heeft de vordering wel voldoende begrensd, aangezien haar vordering ziet op inzage in bescheiden die haar toebehoren of haar producten betreffen. Volledigheidshalve zal het hof deze begrenzing ook in de beslissing vermelden.

3.38

In hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] zijn voorwaardelijke eis in reconventie gewijzigd. Voor het geval het hof de vordering van VSE afwijst, die is gericht op het bekendmaken van de uitslag van het onderzoek door Riscon aan partijen, heeft [geïntimeerde 1]

opheffing van het verlof tot beslaglegging en het verlenen van een bevel tot teruggave van de kopieën gevorderd. Aangezien de voorwaarde die aan deze eis is verbonden, niet is vervuld, komt het hof niet toe aan beoordeling van deze eis.

Vordering 4 van VSE (dwangsom bij de op te leggen ge- en verboden)

Gericht tegen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en DAEC

3.39

De afwijzing van de door VSE in eerste aanleg gevorderde geboden en verboden wordt bekrachtigd en het hof zal de uitbreiding van het gevorderde verbod ook afwijzen. Ook de afwijzing van de gevorderde dwangsommen zal daarom worden bekrachtigd.

Vordering 5 van VSE (voorschot op reeds verschuldigde boete en schadevergoeding)

Gericht tegen [geïntimeerde 1]

Grief 6 VSE

3.40

De door VSE gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als onder meer is voldaan aan de eis dat het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn. Dat is gelet op de beoordeling van de vorderingen sub 1 en 2 van VSE niet het geval. Grief 6 faalt en de afwijzing van de vordering om [geïntimeerde 1] te veroordelen tot een voorschot op een verschuldigde boete en schadevergoeding zal worden bekrachtigd.

Vordering 6 van VSE (proceskostenveroordeling eerste aanleg)

Gericht tegen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en DAEC

Grief 7 m.b.t. proceskosten in eerste aanleg

3.41

VSE komt met grief 7 op tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. VSE is echter gelet op hetgeen in eerste aanleg over en weer is aangevoerd, de partij die in die instantie terecht overwegend in het ongelijk is gesteld. Die proceskostenveroordeling blijft daarom in stand.

Grief 8 VSE m.b.t. de vordering van DAEC in reconventie

3.42

Met grief 8 komt VSE op tegen de beslissing van de voorzieningenrechter over de vordering van DAEC in reconventie. Die vordering strekte tot opheffing van het beslagverlof en tot (kort gezegd) teruggave van de kopieën van de in beslag genomen bescheiden aan DAEC, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen, omdat hij heeft geoordeeld dat de beslagen van rechtswege zijn vervallen. Hij heeft VSE bevolen zorg te dragen voor teruggave van de kopieën, onder oplegging van een dwangsom. VSE is veroordeeld in de proceskosten in reconventie, maar deze zijn begroot op nihil. VSE heeft de kopieën op grond van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing teruggegeven. VSE heeft opgemerkt dat de beslissing van de voorzieningenrechter dat VSE de kopieën van de beslagen stukken dient terug te geven, onomkeerbaar is omdat DAEC het bewijsmateriaal nu heeft kunnen verduisteren. VSE verbindt geen vordering meer aan deze grief. De grief treft in zoverre wel doel, dat in hoger beroep – anders dan in eerste aanleg – is geoordeeld dat de beslagen niet zijn vervallen.

3.43

In het geschil tussen VSE en [geïntimeerde 1] is VSE in hoger beroep gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten tussen deze partijen in het principaal en het incidenteel hoger beroep compenseren, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten dient te dragen.

3.44

In de geschillen tussen VSE en [geïntimeerde 2] respectievelijk DAEC, is VSE in hoger beroep in overwegende mate in het ongelijk gesteld. Zij zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

3.45

Alleen [geïntimeerde 2] heeft wettelijke rente over de proceskosten en uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de proceskostenveroordeling gevorderd. Deze zullen worden toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan hoger beroep wat betreft de afwijzing van de vordering van VSE om de bepalen dat Riscon gerechtigd is de uitslag van het onderzoek aan partijen bekend te maken;

bepaalt dat Riscon gerechtigd is a) tot het doen van een onderzoek aan de (kopieën van) de onder [geïntimeerde 1] in beslag genomen zaken en b) de uitkomst, alsmede afschrift daarvan, aan VSE mee te delen, met dien verstande dat alleen (afschriften van) bestanden met VSE mogen worden gedeeld die aan VSE toebehoren dan wel haar producten betreffen;

verklaart de uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af hetgeen VSE in hoger beroep meer of anders heeft gevorderd;

compenseert de proceskosten in het geschil tussen VSE en [geïntimeerde 1] in hoger beroep;

veroordeelt VSE in de proceskosten van [geïntimeerde 2] en DAEC in hoger beroep en begroot die kosten tot op heden als volgt:

- aan de zijde van [geïntimeerde 2] op € 718,00 aan griffierecht en op € 894,00 aan salaris advocaat;

- aan de zijde van DAEC op € 718,00 aan griffierecht en op € 894,00 aan salaris advocaat;

bepaalt dat de ten gunste van [geïntimeerde 2] toegewezen bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de kostenveroordeling ten gunste van [geïntimeerde 2] uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.F.M. Pols en J.R. Sijmonsma en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 februari 2017.

griffier rolraadsheer