Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:826

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
200.180.453_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:6943
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet chauffeur van bus vanwege betrokkenheid/gedrag werknemer bij aanrijding terecht gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1171

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.180.453/01

arrest van 28 februari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M.E.F. Bredo te Berkel-Enschot,

tegen

Veolia Transport Limburg B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Veolia,

advocaat: mr. R.J.C. Brouwer te Venlo,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 29 maart 2016 en 10 mei 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer 3460213/ CV EXPL 14-10321 gewezen vonnis van 12 augustus 2015.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 10 mei 2016;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van Veolia van 21 juli 2016;

  • -

    het proces-verbaal van tegengetuigenverhoor aan de zijde van [appellant] van 28 september 2016;

  • -

    de memorie na enquête en contra-enquête van Veolia

  • -

    de memorie na enquête en contra-enquête van [appellant] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Bij tussenarrest van 10 mei 2016 is Veolia toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat [appellant] :

- op 16 juni 2014 als chauffeur van een bus van Veolia betrokken is geweest in

[plaats] bij een aanrijding met een fietser;

- gestopt is, omdat hij zag (of gemerkt heeft) dat de fietser was geraakt;

- vervolgens doorgereden is zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn

handelwijze door niet te checken of er eventueel sprake was van materiële of

persoonlijke schade;

- een getuige van het ongeval (de heer [getuige 1] ) daarna zeer onfatsoenlijk

verbaal en anderszins agressief heeft bejegend.

9.2.

Veolia heeft in de enquête drie getuigen doen horen, te weten de heren [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] . [appellant] heeft in de contra-enquête zichzelf als getuige doen horen.

9.2.1.

De getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard:

Op vragen van mr. Brouwer antwoord ik als volgt.

U vraagt mij wat ik mij kan herinneren van het voorval waarover ik destijds een schriftelijke verklaring heb opgesteld. Ik herinner mij dat ik mij op de bewuste datum achter een bus van Veolia bevond. Ik stond met mijn auto achter de bus op de [straatnaam 1] in [plaats] . Op dat moment waren er reconstructiewerkzaamheden aan de [straatnaam 2] . De Veolia-bus stond voor het rode verkeerslicht opgesteld om rechtsaf te slaan richting de [straatnaam 2] . Bij het stoplicht stonden fietsers opgesteld die wachtten op groen licht om op de [straatnaam 2] over te steken. Zij zouden dus voor langs de bus oversteken. Ik weet niet meer of de fietsers voor een deel op de weg stonden of niet. Toen het licht op groen sprong voor de bus toeterde de buschauffeur en sloeg hij rechts af. Ik ben bijna 100% zeker dat het de buschauffeur was die claxonneerde. Het was een zwaar geluid en het kwam van voren. Ik weet niet meer of er zich voor de bus nog een ander voertuig bevond, maar volgens mij niet. Toen de bus de bocht om ging raakte hij met het achterwiel het voorwiel van de fiets van een meisje. Het was een postcodeloterij-fiets. Ik zag dat de fiets viel. Of het meisje is gevallen weet ik niet. De bus stopte. Het meisje trok aan de fiets om de fiets los te trekken. Toen de fiets los kwam reed de bus verder. De fiets van het meisje zat dus vast bij het achterwiel van de bus.

U vraagt mij hoe lang het geduurd heeft dat het fietswiel vast zat, het meisje het fietswiel lostrok en de bus weer optrok. Dat was heel kort, een paar seconden. De bus is toen het wiel klem kwam te zitten een paar seconden gestopt. Ik heb niet gezien dat de bus om de hoek op de [straatnaam 2] gestopt zou zijn. Na de bocht te zijn omgeslagen is de bus niet meer gestopt. Ik heb nog een klein stukje achter de bus gereden, maar ik weet niet meer of de bus afgeslagen is naar het busstation of dat hij rechtdoor gereden is.

Op de vragen van mr. Bredo antwoord ik als volgt.
Ik weet niet of de chauffeur gezien heeft dat het fietswiel vastzat bij het achterwiel van de bus.

Er waren op de [straatnaam 2] tijdelijke verkeersmaatregelen getroffen voor fietsers en automobilisten. Als voorbeeld noem ik dat het fietspad niet helemaal duidelijk begrensd was ten opzicht van de rijbaan. Het kan dus zijn dat fietsers iets te ver op de rijbaan hebben gestaan, maar dat weet ik niet. Het kan ook zijn dat er een schrikhek heeft gestaan. Ik weet zeker dat de weg niet afgesloten was. Wel was het zo dat de ruimte beperkter was en dat bussen moeite hadden om de bocht te nemen, zeker als fietsers iets te ver op de weg stonden.

Het meisje werd geholpen door een oudere mevrouw. Ik heb niet gezien of er andere mensen haar ook hebben geholpen. Ik ben zelf doorgereden omdat er anders een hele opstopping zou ontstaan.

Ik heb het kenteken van de bus genoteerd. Toen ik op kantoor kwam heb ik gebeld naar Veolia. Ik kreeg [medewerker Veolia] aan de lijn. Ik heb hem verteld wat ik heb gezien en hij vroeg me om dat verhaaltje op de mail te zetten en dat heb ik gedaan.

Mr. Brouwer merkt op dat de getuige heeft verklaard dat hij de indruk had dat de chauffeur van de bus gemerkt heeft dat hij de fietser geraakt had. Mr. Brouwer vraagt om deze verklaring in de verklaring van de getuige op te nemen. Ik, raadsheer, geef aan, mede gehoord mr. Bredo, dat niet te zullen doen omdat die indruk niet feiten of omstandigheden betreft die de getuige zelf heeft waargenomen, maar een redenering op grond van die waarneming.

9.2.2.

De getuige [getuige 1] heeft als volgt verklaard:

Op de vragen van mr. Brouwer antwoord ik als volgt.

U vraagt mij wat ik mij kan herinneren van het voorval waarvoor ik als getuige ben opgeroepen. Ik reed op die dag in mijn auto en stond onder de tunnel op de [straatnaam 1] in [plaats] . Ik wilde daar rechts afslaan richting het station. Het betreft de overgang van de [straatnaam 2] naar de [straatnaam 3] . Ik zag rechts op het trottoir een groep kinderen staan. Ik zag een meisje dat met het voorwiel van haar fiets iets op de rijbaan stond. Toen het verkeerslicht voor mij groen werd hoorde ik geclaxonneer. Ik stond opgesteld als tweede auto achter een bus van Veolia. De auto voor mij was van de getuige die hier zojuist is geweest. (raadsheer: de getuige doelt op de heer [getuige 2] ). Volgens mij toeterde de buschauffeur. Het geluid was het uitgesproken geluid van de toeter van een bus. Er werd vervolgens doorgereden. Ik zag dat de rechter zijkant van de bus tegen het wiel van dat meisje kwam. Het meisje struikelde. Ik heb haar gevraagd of alles goed met haar was. Ze zei dat dat zo was. Ik vroeg dat omdat ik wilde weten of ze geschrokken was of pijn had. De fiets is bijna gevallen, maar ze zat niet met het wiel van de fiets onder de bus. De bus stopte en ik hoorde opnieuw claxonneren door de buschauffeur. Toen reed de bus door. Ik ben er achteraan gereden. De bus reed naar de bushalte bij het station. Ik reed met mijn auto voor de bus langs en deed het raampje aan de bijrijderskant open. De buschauffeur was inmiddels uitgestapt en ik vroeg hem waarom hij doorreed. Hij zei: “dan had dat meisje maar moeten uitkijken”. Ik heb toen mijn telefoon gepakt en wilde een foto van de buschauffeur maken. Ik deed dat omdat ik het voorval wilde doorgeven aan Veolia. De buschauffeur sloeg vervolgens met zijn vuist de telefoon uit mijn hand. De telefoon kwam tegen de versnellingspook in mijn auto en er kwam een barst in het scherm. Ik heb toen gezegd dat ik dit zou melden bij Veolia en dat ik aangifte zou doen. Ik parkeerde mijn auto. De buschauffeur liep naar de algemene informatiebalie en ik ben achter hem aan gelopen. Bij de balie vond vervolgens een confrontatie plaats. Ik werd voor alles en nog wat uitgemaakt. De chauffeur zij tegen me dat ik mijn vinger in mijn kontgat kon steken. De rest kan ik mij niet meer herinneren van wat hij zei. Van de baliemedewerker van Veolia kreeg ik het telefoonnummer van Veolia. Ik heb dat nummer gebeld en naderhand een mail gestuurd met het hele verhaal. Nu u dit dicteert zeg ik u dat ik niet meer zeker weet of ik eerst gebeld heb of dat ik eerst een mail heb gestuurd. Ik heb ook aangifte gedaan van het voorval bij de politie. Ik heb daar verder niets meer van gehoord. Ik ben er verder niet meer achter aan gegaan, Veolia heeft de schade aan mijn telefoon vergoed.

Op nadere vragen zeg ik dat het midden van de zijkant van de bus het voorwiel van de fiets van het meisje raakte.

Volgens mij is de bus een seconde of vijf tot tien gestopt. Ik weet dat niet precies.

De chauffeur heeft buiten bij het station zijn middelvinger naar me opgestoken en gezegd dat ik die in mijn kontgat kon stoppen. Dat was toen ik die foto wilde maken. Binnen bij de balie zei ik tegen de medewerker dat ik het voorval wilde doorgeven. Die medewerker haalde toen de buschauffeur er bij. Ik vroeg hem weer waarom hij was doorgereden. Tot een zinvol gesprek is het niet gekomen. Ik heb alleen maar middelvingers gezien en scheldwoorden gehoord.

Op het stationsplein zag ik een chauffeur uit de bus komen die ik bij het voorval had gezien en waarvan ik het kenteken had genoteerd. Die persoon heb ik aangesproken.

Voordat ik naar de balie ging wilde ik mijn auto parkeren op een plek waar dat mocht. De buschauffeur maakte toen een beweging alsof hij zijn tas tegen mijn auto aan wilde gooien. Ik heb vervolgens mijn auto geparkeerd en ging naar binnen naar de balie. De chauffeur was inmiddels al naar binnen gelopen.


Op de vragen van mr. Bredo antwoord ik als volgt.

Ik heb waargenomen dat de bus stopte, maar ik weet niet waarom hij stopte.
Op het stationsplein heb ik toen ik de chauffeur aansprak gevraagd waarom hij was doorgereden. Hij zei toen dat het meisje maar had moeten uitkijken. Ik zei toen tegen hem dat hij was doorgereden na een aanrijding en dat dat strafbaar was. Vervolgens kreeg ik dus de middelvinger te zien en schold hij mij uit. Ik kan me niet herinneren dat ik zelf gescholden heb. Ik was wel boos.

9.2.3.

De getuige [getuige 3] heeft als volgt verklaard:

Op vragen van mr. Brouwer antwoord ik als volgt.
U vraagt mij of ik kan vertellen wat er gebeurd is op die dag waarvoor ik nu als getuige ben opgeroepen. Ik was op het busstation in [plaats] . Ik stond te wachten op een bus omdat ik de chauffeur er van zou aflossen. Die bus zat vast in het verkeer en was tien minuten te laat. Op een bepaald moment zag ik dat mijn collega [appellant] binnen kwam met zijn bus. Hij zei tegen mij dat de verkeerssituatie bij de tunnel bij het station een hopeloze puinhoop was. Hij zei dat er fietsers in de weg stonden en dat hij waarschijnlijk tegen een meisje aan had gezeten die met haar fiets te ver naar voren stond. Ik vroeg hem of hij daar niet even naar moest gaan kijken. Hij zei toen dat hij dacht dat er niets aan de hand was. Hij zei ook dat er altijd trammelant was met fietsers op die plek tijdens de werkzaamheden aan de weg. Het was een rare benauwde situatie op de kruising van de [straatnaam 2] met de weg die onder de spoortunnel door gaat. Op het moment dat wij daar stonden te praten kwam er een man in een auto tegen het verkeer in het stationsplein op gereden. Hij vroeg wie van ons tweeën de chauffeur was van de bus die net uit de tunnel was komen rijden. Mijn collega [appellant] zei dat hij dat was. De man vroeg of [appellant] niet had gezien dat hij een meisje had aangereden en hij zei dat hij dat geen stijl vond. [appellant] zei dat het voor hem niet echt duidelijk was dat hij tegen iemand aan gezeten had. Hij zei ook tegen de man: “waar bemoei je je mee?”. Er ontstond toen een ruzie. Dat liep verbaal van beide kanten hoog op. Op een bepaald moment wou die man een foto van [appellant] maken. Die was daar niet van gediend. Hij zei tegen die man: “laat dat”. Hij sloeg daarna de telefoon uit de hand van die man. Die man zat op dat moment nog in zijn auto. Hij vroeg aan mij waar hij mijn baas kon vinden en ik heb hem het adres gegeven. Toen gingen ze uit elkaar. [appellant] liep met zijn tas richting de kantine. Die man draaide zijn auto en reed weg. [appellant] en die man kruisten elkaar. [appellant] maakte toen een slaande beweging met zijn tas richting de auto van die man. Hij heeft hem niet geraakt. Verder heb ik niets gezien, want toen ben ik mijn dienst gaan doen.

Het klopt dat ik heb gehoord dat [appellant] tegen mij zei dat hij op de hoek van de kruising tunnel en [straatnaam 2] een fietser die op de hoek stond aan had gereden, althans had geraakt.

U leest mij de zin uit mijn schriftelijke verklaring voor: “tijdens dit gesprek kwam er tegen de richting in een personenauto het busstation op gereden, waarvan de bestuurder zich bij ons voegde met de vraag wie van ons twee de fietser bij de tunnel had aangereden. Hierop antwoordde [appellant] dat hij dat was geweest.”. U vraagt mij of ik achter deze verklaring sta. Ik hoor dat de raadsheer mij uitlegt dat er een verschil is tussen wat ik zojuist hier op vragen heb geantwoord en tussen de zin die u zojuist heeft voorgelezen uit mijn schriftelijke verklaring. Ik zeg u nu, twee jaar later, dat ik mij niet meer precies kan herinneren wat er door die man op dat moment precies is gezegd.

Op de vraag van mr. Bredo antwoord ik als volgt.

U houdt mij nogmaals de eerste zin voor die zojuist die ook aan mij is voorgehouden door mr. Bredo. Ik antwoord u dat [appellant] tegen mij zei dat hij waarschijnlijk tegen een meisje aan had gezeten die met haar fiets te ver naar voren stond.

9.2.4.

[appellant] heeft als getuige in de contra-enquête het volgende verklaard:

Op vragen van mr. Bredo antwoord ik als volgt:

U vraagt mij te vertellen wat er op die 16e juni 2014 gebeurd is. Ik stond met mijn bus te wachten bij het stoplicht van de kruising [straatnaam 1] / [straatnaam 2] in [plaats] . Het licht stond op rood. Ik zag dat de verkeerssituatie veranderd was. Aan de rechterzijde was een soort fietspad gemaakt, eigenlijk aan de verkeerde kant van de weg. Ik zag dat er drie meisjes met de fiets stonden. Een meisje stond helemaal op de rijbaan, en de twee andere meisjes stonden half met hun fiets op de rijbaan. De weg en de bocht waren daar vrij smal. Toen het licht groen werd, toeterde ik om aan te geven dat die meisjes gevaarlijk op de weg stonden, en om ze de kans te geven terug te gaan. Ik reed stapvoets op en terwijl ik opreed, gaf ik aan die meisjes met handgebaren aan dat zij aan de kant moesten gaan. Door dit alles was ik toch afgeleid. En toen ik de bocht wilde maken, merkte ik dat ik iets te ver doorgereden was. Ik dacht dat ik de draai niet goed meer zou kunnen maken en stopte. Ik schatte in of ik de draai zou kunnen maken. Ik keek toen eerst links naar de middengeleider of ik de bocht zou kunnen halen. Daarna keek ik in mijn rechterbuitenspiegel om te kunnen zien of ik bij de draai geen markeringsborden zou raken. Dat was niet het geval. Ik ben toen langzaam door de bocht gedraaid en richting het station gereden. Toen ik in mijn rechterbuitenspiegel keek, heb ik niet een of meer fietsers gezien.

Toen ik toeterde zijn de fietsers van de rijbaan teruggegaan naar het fietspad. Zoals gezegd maakte ik ook handgebaren dat zij terug moesten gaan. Als zij niet waren teruggegaan had ik helemaal niet door kunnen rijden.

Toen ik de bocht indraaide, heb ik niet gemerkt dat ik tegen iets aan heb gezeten. Ik had hooguit een markeringsbord kunnen raken en dat is niet gebeurd.

Ik heb niet gezien of er een fiets naast mijn bus op de grond heeft gelegen. Er lag absoluut geen fiets op de grond.

Ik reed door naar het station en reed het stationsplein op. Ik zag dat mijn collega [getuige 3] daar stond. In het naar buiten gaan vanuit de bus zei ik tegen [getuige 3] dat ik had gezien dat bij de [straatnaam 1] een gevaarlijke situatie was ontstaan die mij niet bekend was. Ik zei ook tegen hem dat ik bijna een paar fietsers onder mijn bus heb gehad, omdat ze op de rijbaan stonden, en dat ik vond dat ze iets aan die gevaarlijke situatie moesten doen. In de tussentijd kwam er een auto met een behoorlijke snelheid het busstation op gereden. De bestuurder parkeerde zijn auto voor mijn bus. Hij vroeg terwijl hij in de auto zat van wie de bus was die zojuist uit de tunnel was gekomen. Ik zei dat die bus van mij was en vroeg hem waarom hij dat wilde weten. Vervolgens kreeg ik van die man een heel verhaal over wat ik allemaal fout zou hebben gedaan. Ik zei tegen die man dat ik me daar helemaal niet van bewust was. Hij gaf aan dat hij een klacht tegen mij wilde indienen. Vervolgens zei hij dat hij een foto van mij ging maken. Ik heb hem toen wel vier of vijf keer gezegd dat als hij een klacht wilde indienen, hij dat gewoon kon doen, maar dat ik er niet van gediend was dat hij een foto van mij nam. Toch wilde hij dat doen. Ik ben toen naar de auto gelopen en heb met een vinger de telefoon uit zijn hand getikt. De telefoon kwam toen op de vloer van de auto terecht. Ik ben daarna richting het servicestation gelopen. Volgens mij heeft die man toen nog gesproken met [getuige 3] . Ik zag dat die man zijn auto met veel snelheid draaide en dat hij op mij inreed. Ik schrok hiervan, en als reactie maakte ik een zwaaiende beweging met mijn tas. Die man zag ik later op het servicestation toen hij stond te praten met een servicemedewerker. Die medewerker riep mij erbij. Volgens de regels had dat niet gemoeten. Als hij mij er niet bij had geroepen, had er niet nog meer escalatie plaatsgevonden.

Vervolgens zijn daar toen over en weer woorden gevallen. Die zin over “de vinger in de kont” heb ik op zijn Limburgs gezegd en dan klonk het toch anders. Die zin is overigens ook door die man gezegd, maar ik had dat niet moeten doen. Terwijl ik daar stond liet die man de telefoon zien aan de servicemedewerker en aan mij. Ik zag toen dat de telefoon 100% in orde was en dat het scherm geen barst had. Hij liet toen een foto van mij zien.

De raadsheer-commissaris houdt mij voor wat [getuige 3] als getuige heeft verklaard over wat ik tegen hem gezegd zou hebben. Ik verklaar dan dat ik niet tegen hem gezegd heb dat ik waarschijnlijk tegen een meisje had aangezeten. Ik heb gezegd dat ik bijna tegen een meisje had aangezeten. Daarom toeterde ik ook. Ik denk dat [getuige 3] wat ik gezegd heb zo heeft begrepen, dat hij dacht dat ik waarschijnlijk zei in plaats van bijna.

Die meneer [getuige 1] heeft mij voor van alles uitgemaakt. Hij noemde mij een crimineel. Ik was mij van geen kwaad bewust, en wij werden allebei steeds kwader. En toen zijn er over en weer woorden gezegd. Ik was ook boos, omdat hij toch die foto wilde maken, ondanks dat ik dat niet wilde.

Op vragen van mr. Brouwer antwoord ik als volgt:

U vraagt mij wat ik antwoordde toen [getuige 3] aan mij vroeg of ik niet even bij dat meisje moest gaan kijken of er niets aan de hand was. Ik heb toen geantwoord dat daar geen aanleiding voor was, omdat daar helemaal niets gebeurd was.

9.3.

Het hof is van oordeel dat op grond van de inhoud van de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] is bewezen dat er op 16 juni 2014 in
[plaats] een aanrijding heeft plaats gevonden tussen de door [appellant] bestuurde bus en een door een meisje bestuurde fiets. Beide getuigen verklaren dat de bus van Veolia, die zoals later bleek bestuurd werd door [appellant] , bij het naar rechts afslaan een fietser heeft geraakt. Dat de beide getuigen anders verklaren over met welk deel van de bus de fietser werd geraakt ( [getuige 2] : met het achterwiel van de bus werd het voorwiel van de fiets geraakt; [getuige 1] : met rechter zijkant van de bus werd het wiel van de fiets van het meisje geraakt) en over het al dan niet vast zitten van het fietswiel onder de bus (wat [getuige 2] wel en [getuige 1] niet heeft verklaard) doet niet af aan de constatering dat beide getuigen in elk geval wel hebben gezien dat de bus de fiets van het meisje raakte.

9.4.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] blijkt verder dat de door [appellant] bestuurde bus gestopt is nadat de bus de fiets van het meisje heeft geraakt. De vraag is vervolgens of bewezen is dat [appellant] gestopt is omdat hij zag of gemerkt heeft dat de fietser was geraakt.

De getuige [getuige 1] heeft in dit verband verklaard:

“(…) De bus stopte en ik hoorde opnieuw claxonneren door de buschauffeur. Toen reed de bus door. Ik ben er achteraan gereden. De bus reed naar de bushalte bij het station. Ik reed met mijn auto voor de bus langs en deed het raampje aan de bijrijderskant open. De buschauffeur (hof: [appellant] ) was inmiddels uitgestapt en ik vroeg hem waarom hij doorreed. Hij zei: “dan had dat meisje maar moeten uitkijken(…)”

En:

“(…) Op het stationsplein heb ik toen ik de chauffeur aansprak gevraagd waarom hij was doorgereden. Hij zei toen dat het meisje maar had moeten uitkijken (…)”

De getuige [getuige 3] heeft in dit verband verklaard:

“(…) Op een bepaald moment zag ik dat mijn collega [appellant] binnen kwam met zijn bus. Hij zei tegen mij dat de verkeerssituatie bij de tunnel bij het station een hopeloze puinhoop was. Hij zei dat er fietsers in de weg stonden en dat hij waarschijnlijk tegen een meisje aan had gezeten die met haar fiets te ver naar voren stond. Ik vroeg hem of hij daar niet even naar moest gaan kijken. Hij zei toen dat hij dacht dat er niets aan de hand was (…)”

En:

“(…) Het klopt dat ik heb gehoord dat [appellant] tegen mij zei dat hij op de hoek van de kruising tunnel en [straatnaam 2] een fietser die op de hoek stond aan had gereden, althans had geraakt.(…)”

En:

“(…) Ik antwoord u dat [appellant] tegen mij zei dat hij waarschijnlijk tegen een meisje aan had gezeten die met haar fiets te ver naar voren stond (…)”

[getuige 3] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 19 juni 2014 (productie 7 bij memorie van grieven) hierover het volgende verklaard:

“(…) Terwijl ik daar (hof: op het busstation in [plaats] ) stond kwam ondertussen collega [appellant] binnen met de bus en parkeerde deze op de buffer. Nadat hij was uitgestapt vertelde hij mij dat hij op de hoek van de kruising tunnel en [straatnaam 2] in [plaats] rijdende richting station een fietser die op de hoek stond had aangereden. Toen ik hem vroeg of dat voor hem geen aanleiding was om de fietser te vragen of alles in orde was, zei hij dat hij dat niet nodig vond, want die deden toch altijd maar wat en die situatie daar was toch al een zooitje. Hierop reageerde ik verbaasd. Tijdens dit gesprek kwam er tegen de richting in een personenauto het busstation op gereden, waarvan de bestuurder zich bij ons voegde met de vraag, wie van ons de fietser bij de tunnel had aangereden. Hierop antwoordde [appellant] dat hij dat was geweest (…)”

Op grond van de inhoud van deze verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, stelt het hof vast dat [appellant] heeft gemerkt dat hij met de bus een fietser had geraakt. De verschillen tussen de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 1] en tussen de schriftelijke verklaring van [getuige 3] en diens als getuige ter zitting afgelegde verklaringen zijn niet van dien aard of betekenis, dat die afbreuk doen aan de vaststelling dat [appellant] zich van de aanrijding bewust is geweest. Gelet op deze vaststelling kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat [appellant] , toen hij merkte dat hij een fietser had geraakt, om die reden ook is gestopt. Tegenover de verklaringen van deze beide getuigen legt de verklaring van [appellant] als getuige onvoldoende gewicht in de schaal en het hof gaat daarom aan die verklaring voorbij.

9.5.

Naar het oordeel van het hof staat op grond van de inhoud van de verklaringen van zowel [getuige 2] , [getuige 1] als [getuige 3] verder vast dat [appellant] na de aanrijding door is gereden richting het busstation. Hij is niet uitgestapt en heeft geen contact gezocht met de fietser om te zien of die in orde was of dat die schade aan de fiets of aan haar persoon had opgelopen.

9.6.

Dat [appellant] op het busstation hoogoplopende ruzie heeft gehad met [getuige 1] , hij daarbij de telefoon van [getuige 1] uit diens hand heeft geslagen en met zijn tas een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van de auto van [getuige 1] staat naar het oordeel van het hof vast op grond van de inhoud van de verklaringen van de getuige [getuige 1] en [getuige 3] . Ook uit de verklaring van [appellant] zelf als getuige kan dit worden afgeleid (zij het dat [appellant] zelf heeft verklaard dat hij met een vinger de telefoon van [getuige 1] uit diens had heeft “getikt”). [getuige 1] heeft verder verklaard dat [appellant] tegen hem zei dat hij, [getuige 1] , zijn vinger in zijn kontgat kon steken. [appellant] heeft als getuige verklaard dat het klopt dat hij deze woorden tegen [getuige 1] heeft uitgesproken.

9.7.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat Veolia er in is geslaagd het haar opgedragen bewijs te leveren. Dit betekent dat vast staat dat [appellant] zich op 16 juni 2014 schuldig heeft gemaakt aan de hem door Veolia verweten gedragingen. Deze gedragingen leveren, mede gelet op de aard en de ernst ervan, een dringende reden op, op grond waarvan Veolia, bij afweging van alle betrokken belangen, [appellant] terecht op staande voet heeft kunnen ontslaan. [appellant] heeft, terwijl hij in dienst van Veolia rijdende met zijn bus tegen een fietser was aangekomen, zich in het geheel niet bekommerd om die fietser. Hij is daarentegen gewoon doorgereden en toen hij vervolgens door een medeweggebruiker op zijn foute gedrag werd aangesproken heeft [appellant] daarop gereageerd op een manier die alle grenzen van het fatsoen te buiten ging.

9.8.

[appellant] heeft net als in eerste aanleg onder meer de veroordeling gevorderd van Veolia tot betaling aan hem van € 887,67 bruto wegens onterechte inhouding negatief verlofsaldo. Voor zover het hof begrijpt gaat [appellant] bij deze vordering er van uit dat er op 19 juni 2014 geen rechtsgeldig ontslag op staande voet is geweest en dat er op 15 september 2014, de datum waarop de arbeidsovereenkomst ingevolge de beschikking van de kantonrechter van 27 augustus 2014 is ontbonden, geen negatief verlofsaldo (meer) was.

Veolia heeft onweersproken in eerste aanleg gesteld dat er op 19 juni 2014, de datum van het ontslag op staande voet, een negatief verlofsaldo was. Nu, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, Veolia [appellant] op 19 juni 2014 terecht op staande voet heeft ontslagen is per die datum een eind gekomen aan het dienstverband tussen Veolia en [appellant] . Het op dat moment bestaande negatieve verlofsaldo kon Veolia daarom verrekenen bij de eindafrekening.

9.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle grieven van [appellant] worden verworpen en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

10 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 12 augustus 2015, gewezen door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond in de procedure tussen [appellant] en Veolia met zaaknummer 3460213\ CV EXPL 14-10321;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Veolia begroot op € 4.679,60 (€ 1.937,00 griffierecht + € 60,60 taxe getuigen +

€ 2.682,00 salaris advocaat), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee dagen na betekening van het arrest;

Verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, O.G.H. Milar en J.I.M.W. Bartelds en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 februari 2017.

griffier rolraadsheer