Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:75

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/01111
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:4483, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een zgn. stamrecht-B.V.

Bij beschikking van de kantonrechter van 22 april 2013 is de arbeidsovereenkomst tussen de DGA van belanghebbende en diens ex-werkgever met ingang van 1 mei 2013 ontbonden. Hierbij heeft de kantonrechter op basis van de kantonrechtersformule aan de DGA een ontbindingsvergoeding toegekend (C-factor = 2,5) en deze ontbindingsvergoeding is ondergebracht in belanghebbende. Het geschil betreft het antwoord op de vraag welk deel van de ontbindingsvergoeding onbelast dient te blijven, omdat het in zoverre een vergoeding betreft die geen dan wel onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking.

De Rechtbank heeft in goede justitie geoordeeld dat van de ontbindingsvergoeding een bedrag van € 100.000 onbelast dient te blijven. Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0786 met annotatie van Marcel Kawka
V-N Vandaag 2017/609
V-N 2017/19.10.26
FutD 2017-0665
NTFR 2017/967 met annotatie van mr. M. Wolff
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01111

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 juli 2015, nummer AWB 14/4439 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de na te noemen naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 28 februari 2014 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 183.300 (hierna: de naheffingsaanslag).

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij brief van 25 juni 2014 de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot een bedrag van € 175.500 aan belasting.

1.2.

Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) doen van een uitspraak op bezwaar. Belanghebbende is daarna in beroep gekomen wegens het niet doen van een uitspraak op bezwaar. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328.

1.3.

Nadat belanghebbende beroep heeft aangetekend, heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en nadien een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft hierop een (inhoudelijke) aanvulling op haar beroepschrift ingediend bij de Rechtbank. De Inspecteur heeft daarop een tweede verweerschrift bij de Rechtbank ingediend en daarin gereageerd op de aanvulling op het beroep.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 131.300. De Rechtbank heeft voorts de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een dwangsom en de proceskosten aan de zijde van belanghebbende. Ten slotte heeft de Rechtbank de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 497.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 18 november 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende de heer [A] en haar gemachtigde de heer [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] en de heer [D] .

1.7.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.9.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.1.

De heer [A] , geboren op [geboortedatum] 1961 (hierna: [A] ), is vanaf [september] 1987 in loondienst werkzaam geweest bij de stichting ‘ [E] ’ gevestigd in [F] (hierna: [E] ).

2.2.

Bij beschikking van Rechtbank Limburg van [datum 1] 2013 is de arbeidsovereenkomst tussen [A] en [E] met ingang van [datum 2] 2013 ontbonden. Hierbij heeft de kantonrechter aan [A] op grond van het achtste lid van artikel 7:685, van het Burgerlijk Wetboek een ontbindingsvergoeding toegekend ter grootte van € 352.500. Bij het toekennen van die vergoeding heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, als volgt overwogen:

“2.4. De kantonrechter stelt voorop dat niet alleen uit de stukken maar vooral ook uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken van een volstrekt verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Na de beschikking van de kantonrechter van [datum 3] 2010 waarin het ontbindingsverzoek van [E] is afgewezen, hebben de tegenstellingen zich alleen maar verdiept. Incidenten en gebeurtenissen werden op een dusdanige wijze ervaren en uitgelegd dat de kloof tussen [E] en [A] alleen maar groter werd. Door partijen zijn vele voorbeelden genoemd. Naar het oordeel van de kantonrechter voert het te ver om in het kader van deze beschikking alle door partijen aangevoerde voorvallen aan een nadere beschouwing te onderwerpen. In ieder geval is bijzonder duidelijk geworden dat met voortzetting van het dienstverband geen enkel redelijk doel meer kan worden bereikt. Deze totaal verstoorde arbeidsverhouding is ook door [A] bepaald niet ontkend. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen dan ook medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op grond van deze volstrekt verstoorde arbeidsverhouding.

Resteert het antwoord op de vraag of aan [A] een vergoeding ex artikel 7:685 lid 8 moet worden toegekend, en zo ja, hoe hoog die vergoeding moet zijn. Daarbij is van belang of aan [E] een verwijt kan worden gemaakt van de ontstane situatie.

[A] kan bogen op een dienstverband van meer dan 25 jaar. De tegenstellingen tussen partijen zijn pas ontstaan tijdens en na de reorganisatie in 2008/2009 toen de functie van Manager Tablegames werd ingevoerd. [A] moest solliciteren naar deze functie, zoals vele anderen. Toen hij niet werd benoemd in deze nieuwe functie werd hij niet alleen vrijgesteld van arbeid maar kreeg hij ook een entreeverbod bij de casino’s. Hoewel hier kennelijk sprake is van een standaardprocedure, doet dit merkwaardig aan. Verder is van belang hoe partijen met elkaar zijn omgegaan na de beschikking van de kantonrechter van [vestigingsplaats] van [datum 3] 2010 waarin het verzoek van [E] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [A] werd afgewezen.

Naar aanleiding van een klacht van [A] over het optreden van zijn leidinggevende mevrouw [G] , heeft de klachtencommissie seksuele intimidatie en andere ongewenste omgangsvormen op het werk een onderzoek ingesteld en op 25 oktober 2012 een advies uitgebracht. Dit volledige rapport is in eerste instantie door [A] in het geding gebracht. [E] heeft daartegen bezwaar gemaakt met de mededeling dat [A] door het in het geding brengen van het volledige rapport, zijn plicht tot geheimhouding heeft geschonden. Zijdens [E] is eveneens nog opgemerkt dat de commissie, blijkens de inhoud van haar onderzoeksverslag, buiten de aan haar opgedragen taak is getreden. De kantonrechter is echter van oordeel dat, nu hij kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het onderzoeksverslag en het advies, hieraan niet volledig voorbij kan worden gegaan in het kader van de onderhavige civiele procedure.

Blijkens voormeld verslag zijn in het kader van de klacht van [A] diverse personen gehoord. De commissie concludeert dat uit de overgelegde stukken onomstotelijk blijkt dat na december 2010 continu op [A] is gelet en dat [A] aldus in een geïsoleerde positie is komen te verkeren waardoor er een soort loopgravenoorlog tussen hem en de leiding van [E] [vestigingsplaats] is ontstaan. De commissie meent verder dat er sprake is van verschillende vormen van pesten/mobbing die de conclusie billijken dat er sprake is van stelselmatig pesten van [A] . Hem is vanaf het begin geen credit gegeven. De functioneringsverslagen over hem zijn van meer dan gemiddelde lengte, daarin wordt op alle slakken zout gelegd, aldus de commissie.

Uit het voorgaande, en vooral ook uit de aan de conclusies van de commissie ten grondslag gelegde verklaringen, concludeert de kantonrechter dat [E] wel degelijk een verwijt valt te maken van de ontstane situatie. Bepaald niet valt vol te houden dat [A] na zijn terugkomst in december 2010 een eerlijke kans heeft gekregen om zich te bewijzen in de nieuwe functie. Daar komt bij dat [E] , naar achteraf bleek ten onrechte, gedurende de maanden juli, augustus, september, oktober en november 2012 de salarisbetaling aan [A] tijdens ziekte heeft opgeschort. De aankondiging van een procedure was noodzakelijk om [E] te bewegen tot betaling van dit salaris. Dat [E] het niet eens was met het oordeel van het UWV doet hieraan niets af.

Al deze omstandigheden in aanmerking nemend is de kantonrechter van oordeel dat aan

[A] een vergoeding toekomt conform de kantonrechtersformule waarbij correctiefactor C wordt gesteld op 2.5. (…)

2.5.

De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van [datum 2] 2013 en aan [A] zal een vergoeding ex artikel 7:685 lid 8 worden toegekend ter grootte van € 352.500,00 bruto ten titel van suppletie op de toe te kennen uitkering krachtens de sociale wetgeving danwel elders te verwerven salaris.

2.6.

Voor toekenning van een immateriële schadevergoeding naast vorenvermeld bedrag acht de kantonrechter onvoldoende redenen aanwezig. (…)”

2.3.

Bij het berekenen van de ontbindingsvergoeding van € 352.500 (hierna: de ontbindingsvergoeding) door de kantonrechter is gebruik gemaakt van de ‘Kantonrechtersformule’ waarbij een C-factor van 2,5 is gehanteerd.

2.4.

[A] heeft op [datum 4] 2013 belanghebbende opgericht. De ontbindingsvergoeding is op de bankrekening van belanghebbende gestort. Bij overeenkomst van [datum 5] 2013 zijn belanghebbende en [A] een stamrecht overeengekomen. Tussen de Inspecteur en belanghebbende heeft overleg plaatsgehad ter zake van de belastbaarheid van de ontbindingsvergoeding. Daarbij is door de Inspecteur toegezegd dat van de ontbindingsvergoeding een bedrag van € 15.000 wegens betering van eer en goede naam als onbelast wordt aangemerkt.

2.5.

De Inspecteur heeft met dagtekening 31 maart 2014 de naheffingsaanslag opgelegd en daarbij het gehele bedrag van de ontbindingsvergoeding aangemerkt als loon en belast tegen een tarief van 52%. Middels de in punt 1.1 bedoelde ambtshalve vermindering heeft de Inspecteur vervolgens, conform de onder 2.4 vermelde toezegging, de naheffingsaanslag verlaagd tot een belastingbedrag groot € 175.500.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag welk deel van de ontbindingsvergoeding onbelast dient te blijven, omdat het in zoverre een vergoeding betreft die geen dan wel onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking.

Belanghebbende is van mening dat van de ontbindingsvergoeding een hoger bedrag dan € 100.000 moet worden gekwalificeerd als een onbelaste vergoeding in de hierboven vermelde zin.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Ter zitting heeft het Hof de Inspecteur voorgehouden dat uit de stukken niet duidelijk blijkt of de Inspecteur incidenteel hoger beroep heeft willen instellen. Voorts heeft het Hof de Inspecteur voorgehouden dat, mocht de Inspecteur inderdaad incidenteel hoger beroep hebben willen instellen, de Inspecteur dat incidentele hoger beroep buiten de wettelijke termijn lijkt te hebben ingediend. Ter zitting heeft de Inspecteur daarop verklaard dat er van kan worden uitgegaan dat hij geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een lager bedrag dan € 131.300. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende en [A] hebben een stamrechtovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964. Het Hof begrijpt – met name uit hetgeen is bepaald in artikel 14 van deze overeenkomst – dat een deel van deze vergoeding ter beschikking staat van [A] , tot dat de rechter in belastingzaken heeft geoordeeld over de omvang van het vrijgestelde deel van de ontbindingsvergoeding. Aldus is een heffingsmoment vastgesteld waarbij belanghebbende inhoudingsplichtige is. Het Hof volgt partijen hierin.

4.2.

De dienstbetrekking tussen [A] en [E] is door de kantonrechter met ingang van [datum 2] 2013 ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsrelatie en hierbij heeft de kantonrechter aan [A] een ontbindingsvergoeding toegekend van € 352.500. Uit de beschikking van de kantonrechter kan worden afgeleid dat ter zake van de verstoorde arbeidsrelatie aan [E] een verwijt kan worden gemaakt. Deze ontbindingsvergoeding moet in beginsel worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking (vergelijk Hoge Raad 1 juni 1977, nr. 18 209, ECLI:NL:HR:1977:AX3510, BNB 1977/167).

4.3.

De belastbaarheid van de ontbindingsvergoeding hangt af van het antwoord op de vraag of die vergoeding in zodanige mate verband houdt met de vroegere dienstbetrekking, dat de vergoeding moet worden aangemerkt als te zijn genoten uit die dienstbetrekking. Vergelijk Hoge Raad 24 juni 1987, nr. 24 652, ECLI:NL:HR:1987:AW7639, BNB 1987/248 (hierna: BNB 1987/248), in welk arrest de Hoge Raad oordeelt dat een schadevergoeding die strekt tot betering van eer en goede naam, onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking om die vergoeding aan te merken als te zijn genoten uit dienstbetrekking. De Hoge Raad overweegt:

“4.2. Het Hof heeft op grond van voormelde oordelen van de Kantonrechter kennelijk aangenomen dat de vergoeding niet - zoals de Staatssecretaris in zijn toelichting op het middel stelt - de prijs vormde voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en op grond van de omstandigheid dat de vergoeding strekte tot betering in eer en goede naam geoordeeld dat de toegebrachte schade onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking om de vergoeding ervan aan te merken als te zijn genoten uit dienstbetrekking.

4.3.

Op dit oordeel, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en overigens berust op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst, stuit het middel af.”

4.4.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 1993, nr. 29 057, ECLI:NL:HR:1993:ZC5364, BNB 1993/233 volgt dat de belastingrechter, aan wie een geschil wordt voorgelegd betreffende de belastbaarheid van een ontbindingsvergoeding, zelfstandig dient te beoordelen of en zo ja, in hoeverre het verband tussen de ontbindingsvergoeding en de dienstbetrekking voldoende is om de vergoeding aan te merken als te zijn genoten uit dienstbetrekking. Uit dit arrest blijkt voorts dat sprake kan zijn van een vergoeding van immateriële schade waarbij bedoelde vergoeding toch voldoende verband houdt met de dienstbetrekking om de vergoeding aan te merken als te zijn genoten uit die dienstbetrekking.

4.5.

Ten aanzien van de verdeling van de bewijslast is het Hof het volgende van oordeel. Belanghebbende stelt dat de ontbindingsvergoeding tot een hoger bedrag dan € 100.000 moet worden gekwalificeerd als een onbelaste vergoeding die geen dan wel een onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking, en derhalve geacht moet worden te zijn genoten in de onbelaste sfeer. Nu de Inspecteur zulks uitdrukkelijk bestrijdt, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich mede dat belanghebbende de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit de conclusie kan worden getrokken dat een hoger bedrag dan € 100.000 als een onbelaste vergoeding heeft te gelden.

4.6.

De Rechtbank heeft in goede justitie geoordeeld dat van de ontbindingsvergoeding een bedrag van € 100.000 onbelast dient te blijven.

4.7.

Het Hof stelt vast dat de problematiek rond het vaststellen van het deel van de vergoeding dat niet dan wel onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking erg casuïstisch en feitelijk van aard is, en dat aan de door de Hoge Raad gewezen jurisprudentie nauwelijks handvatten te ontlenen zijn. Uit het oordeel van Rechtbank Limburg van [datum 1] 2013 waarin de kantonrechter de ontbindingsvergoeding heeft vastgesteld ‘ten titel van suppletie op de toe te kennen uitkering krachtens de sociale wetgeving dan wel elders te verwerven salaris’ (rechtsoverweging 2.5), leidt het Hof af dat de ontbindingsvergoeding nauw verband houdt met in de toekomst te derven inkomsten en daarmee met de dienstbetrekking. Het vorenstaande sluit weliswaar niet uit dat een deel van de ontbindingsvergoeding heeft te gelden als een vergoeding die strekt tot betering van eer en goede naam, maar naar het oordeel van het Hof dient de ontbindingsvergoeding hoofdzakelijk geacht te worden verband te houden met de dienstbetrekking. Alles afwegende en gelet op de stukken van het geding en hetgeen uit het onderzoek ter zitting is gebleken, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank met zijn oordeel in goede justitie het onbelaste deel van de ontbindingsvergoeding niet tot een te laag bedrag heeft bepaald. Nu partijen in hoger beroep eenparig van mening zijn dat het door de Rechtbank als onbelast bepaalde bedrag van € 100.000 niet te hoog is vastgesteld, sluit het Hof zich aan bij het oordeel van de Rechtbank.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 12 januari 2017 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en A.O. Lubbers, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.