Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:711

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
20-001768-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij een baby van acht maanden in een maxi-cosi. Verdachte heeft met een balk geprobeerd de maxi-cosi van een vouwwagen te stoten. Kans dat een baby als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel oploopt is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De verdachte heeft die kans ook aanvaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001768-16

Uitspraak : 28 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht, van 14 juni 2016 in de strafzaak
met parketnummer 03-188612-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de bewijsmiddelen. Voorts is geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is primair niet-ontvankelijkverklaring bepleit en subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juni 2013 te Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met (kracht) met een houten balk/plank tegen een maxi-cosi/kinderzitje heeft geslagen/gestoten (terwijl die [slachtoffer] in voornoemd(e) maxi-cosi/kinderzitje lag en voornoemd(e) maxi-cosi/kinderzitje op een vouwwagen lag, op afstand van de grond), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 juni 2013 te Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht met een houten balk tegen een maxi-cosi heeft gestoten terwijl die [slachtoffer] in voornoemde maxi-cosi lag en voornoemde maxi-cosi op een vouwwagen lag, op afstand van de grond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat de lezing van [aangeefster] tegenstrijdig is aan de lezing van de verdachte en dat zij de verdachte iets in de schoenen probeert te schuiven. Verdachte ontkent en stelt juist te zijn mishandeld door [aangeefster] . De toedracht van hetgeen is gebeurd is niet duidelijk geworden. Voorts kan volgens de verdediging ook niet vastgesteld worden dat er een aanmerkelijke kans was dat er zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.

Feiten en omstandigheden

Aangeefster [aangeefster] heeft tegenover de politie verklaard dat zij op maandag 17 juni 2013 haar twee kinderen naar de opvang wilde brengen. Zij wilde zich via een deur in de tuin naar de inrit van autobedrijf [naam garage] begeven, via welke inrit de openbare weg bereikt kan worden en waar haar auto stond geparkeerd. Haar acht maanden oude baby [slachtoffer] zat in een maxi-cosi. Toen aangeefster haar achterdeur opende, werd zij geconfronteerd met een voor die achterdeur geparkeerde vouwwagen van de buurman, zijnde verdachte. Zij kon niet met haar eigen auto wegrijden. De doorgang was namelijk door het parkeren van de vouwwagen versperd. Uit haar eigen auto pakte zij vervolgens een autozitje, met de bedoeling om vervolgens haar kinderen weg te brengen met de auto van haar man, die elders was geparkeerd.

Aangezien de vouwwagen dicht tegen de muur bij de achterdeur stond geparkeerd heeft aangeefster, terwijl zij met een tas en maxi-cosi langs de vouwwagen probeerde te komen de maxi-cosi met daarin de baby, omdat het gewicht te zwaar werd, voor zich op het deksel van de vouwwagen gezet. De verdachte stond op dat moment bij de poort van zijn garage.

Volgens aangeefster heeft verdachte geroepen: “Hé, je zet toch niet dat ding erop, dat maakt krassen.’’

Volgens aangeefster [aangeefster] is de verdachte de garage in gerend en is hij teruggekomen met een stuk hout, een soort schrootjesplank van ongeveer twee meter lang. Ze zag dat de verdachte richting de vouwwagen kwam en met de plank in beide handen ermee tegen de maxi-cosi stootte waardoor de maxi-cosi, die een halve meter van de voorkant stond, verschoof tot een halve meter van de achterkant. Zij riep toen: “Mijn kind, mijn kind”. Toen zij zag dat de verdachte opnieuw uithaalde is zij op de verdachte af gerend en heeft hem met haar hand tegen de linkerkant van zijn hoofd geslagen. Zij zag toen op het terrein van het autobedrijf mensen staan en heeft naar hen geschreeuwd. Zij is toen naar getuige [naam getuige] gelopen en vervolgens met de auto vertrokken.

Gehoord als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft [aangeefster] haar verklaring gehandhaafd en desgevraagd nog toegevoegd dat verdachte de stoot met de plank ruw uitvoerde, niet gecontroleerd. Ook heeft zij een foto getoond waarop de beschadiging aan de maxi-cosi is te zien.

Getuige [naam getuige] heeft tegenover de politie verklaard dat hij zich die dag bevond op het achterterrein van het autobedrijf waar hij werkt en dat hij een man hoorde schreeuwen dat er een maxi-cosi op een vouwwagen stond. De man stond in de opening van zijn rolpoort. Hij zag dat de man de garage in liep en een houten balk pakte van ongeveer 3 meter lang. Hij zag dat de man daarmee naar buiten kwam, hij had hem met twee handen vast. Getuige [naam getuige] zag dat de man met de balk tegen de maxi-cosi stootte, die daardoor verschoof, waardoor de maxi-cosi vlak bij de verst gelegen rand aan de achterkant van de vouwwagen terecht kwam. Hij had gezien dat er een kind in die maxi-cosi zat. Het zag er uit als een forse, opgewonden handeling. Als het hout iets hoger was gehouden was het kind in het gezicht geraakt, aldus de getuige. Getuige [naam getuige] hoorde de vrouw schreeuwen: ‘Daar zit mijn kind in’. Hij zag dat de man opnieuw wilde uithalen met het stuk hout. Kennelijk omdat de man de getuige [naam getuige] zag is hij de garage in gerend, aldus getuige [naam getuige] .

Gehoord ter terechtzitting in hoger beroep heeft getuige [naam getuige] zijn verklaring gehandhaafd. Hij heeft verklaard dat hij het voorval goed kon zien.

Hij heeft aan zijn verklaring nog toegevoegd dat hij hoorde dat de baby in de maxi-cosi aan het huilen was en dat ook het andere kind angstig aan het rondrennen was. Het was voor de getuige duidelijk dat er een kind in de maxi-cosi zat. Volgens getuige [naam getuige] was de verdachte heel boos en heeft de verdachte tegen hem gezegd dat hij weet wie hij is en hem nog wel zou weten te vinden.

Getuige [naam getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij geschreeuw hoorde bij de achterinrit. Hij zag de bewoner van [adres] (het hof begrijpt: verdachte) met een lange balk in de hand over een vouwwagen zwaaien, met daarop een maxi-cosi met baby er in van [adres 2] . Hij zag ook het andere kind om de vouwwagen lopen. Hij is toen naar binnen gegaan en heeft in de tijdspanne dat hij keek niet gezien dat de maxi-cosi werd geraakt.

Verdachte heeft verklaard bij de politie dat hij drie of vier keer heeft gezegd dat de spullen van de vouwwagen gehaald moesten worden. Hij is toen binnen in zijn garage verder gaan opruimen. Hij wilde balken opzij leggen. De eerste balk heeft hij opgepakt en hij wilde die buiten neerleggen. Hij kwam dus toevallig met de balk naar buiten. Hij heeft niet gestoten tegen de maxi-cosi. De vrouw kwam als een dolle stier op hem af en greep hem aan.

Ter terechtzitting van de politierechter heeft de verdachte verklaard dat hij plaats aan het maken was in de garage. Hij zag dat de buurvrouw spullen op zijn vouwwagen had gelegd. Hij zei er toen iets van. De buurvrouw kwam als een stier op hem af en krabde zijn handen open. Hij heeft verklaard dat hij niet met een balk uit de garage is geweest, dat hij geen kind heeft gezien en dat er geen maxi-cosi op de vouwwagen heeft gestaan.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat er een hoop spullen op de vouwwagen stonden. Dat de buurvrouw een autozitje op de vouwwagen legde. Dat hij geen maxi-cosi heeft gezien. Dat hij twee keer heeft gezegd dat de spullen er af moesten. Dat hij verder is gegaan met spullen opzij leggen. Dat hij een houten balk voor zich had van ongeveer 5 meter lang. Dat hij met de balk naar buiten kwam en de buurvrouw toen op hem af kwam, maar dat hij er niet mee geslagen of gestoten heeft.

Beoordeling

Het hof zal, wat betreft de loop der gebeurtenissen, uitgaan van de verklaringen van [aangeefster] en [naam getuige] . Deze verklaringen zijn consistent en zij hebben hun verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd en voorts vinden hun verklaringen ook steun in de verklaring van [naam getuige 2] .

De verklaringen van de verdachte zijn wisselend, met name op het punt van het al dan niet naar buiten gaan met een balk. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte foto’s getoond van een balk, waarvan beide getuigen hebben verklaard dat dit zeker niet de plank is geweest die zij gezien hebben. Het hof hecht derhalve geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij niet met een balk tegen een maxi-cosi heeft gestoten en deze maxi-cosi in het geheel niet heeft gezien.

Het hof staat vervolgens voor de vraag of de verdachte opzettelijk, minstgenomen in voorwaardelijke zin, heeft gehandeld.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte met een balk van 2-3 meter ruw en met kracht tegen de maxi-cosi heeft gestoten, waarna die maxi-cosi in de richting van de rand van de vouwwagen is verschoven. Uit het op een dergelijke wijze stoten tegen de maxi-cosi, terwijl die maxi-cosi op een gladde ondergrond (de bovenzijde van de dichtgeklapte vouwwagen) stond, blijkt volgens het hof de intentie van de verdachte om de maxi-cosi van de vouwwagen af te stoten. Die intentie blijkt bovendien uit de getuigenverklaringen, waarbij tevens de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij niet wilde dat er spullen op zijn vouwwagen werden gezet, is betrokken.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, doet de omstandigheid dat niet exact kan worden vastgesteld waar de maxi-cosi is geraakt, welke schuifbeweging precies is gemaakt en hoeveel centimeter de maxi-cosi van de rand verwijderd was, aan het voorgaande niet af.


Dat de verdachte wist dat de baby in de maxi-cosi lag, leidt het hof af uit de verklaring van de getuige [naam getuige] dat de baby huilde toen de verdachte voor de eerste maal uithaalde met de balk. Bovendien vindt het hof voor de constatering dat de verdachte heeft geweten dat de baby in de maxi-cosi lag steun in de getuigenverklaring van [naam getuige 2] . Hij heeft immers ook gezien dat er een baby in de maxi-cosi lag. Daarnaast vindt het hof dat de verdachte zich had moeten vergewissen van de omstandigheid dat in de maxi-cosi een baby zou kunnen liggen, nu een maxi-cosi daarvoor is ontworpen. Tevens had de verdachte alert moeten zijn op de aanwezigheid van kinderen ter plaatse nu de aangeefster heeft verklaard dat zij met haar andere kind daar was en doende was een kinderzitje uit haar auto te halen, hetgeen de verdachte gelet op zijn aanwezigheid ter plaatse moet hebben gezien.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de kans dat een baby zwaar lichamelijk letsel oploopt door het vallen van een vouwwagen niet aanmerkelijk is te achten. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

De hoogte van het (gesloten) deksel van dit type vouwwagen bedraagt volgens politieonderzoek minstens 1.20 meter. Door met een houten balk van 2-3 meter met kracht te stoten tegen een maxi-cosi met daarin een kind, die is geplaatst bovenop de gladde bovenzijde van de vouwwagen, is de kans aanmerkelijk dat deze maxi-cosi van de vouwwagen afvalt, en aldus 1.20 meter lager op de grond terechtkomt.

Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk te achten dat door een dergelijke val een baby van acht maanden oud zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het hof vindt voor dat oordeel steun in hetgeen de forensisch geneeskundige van de GGD Zuid-Limburg, de arts [naam arts] heeft verklaard. Hij stelt dat indien de baby contact maakt met de muur of het straatoppervlak, het optreden van botfracturen, inwendige bloedingen, orgaanschade of hersenletsel aannemelijk is. Een baby kent immers nog geen reflexen die een val kunnen breken. Bovendien zijn de schedelnaden van een baby van die leeftijd nog niet volgroeid.

Aldus acht het hof, in navolging van de arts, een baby van die leeftijd dermate kwetsbaar dat de kans dat een baby letsel oploopt bij een dergelijke val aanzienlijk groter is dan dat deze er ongeschonden vanaf komt en acht de kans aanmerkelijk dat bij een val van een baby van die hoogte zwaar lichamelijk letsel kan optreden.

Gelet op de aard van genoemde gedraging die zozeer gericht is op het afstoten van de maxi-cosi met de baby van de vouwwagen, kan het – bij gebreke aan contra-indicaties – niet anders zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard.

Het hof acht mitsdien poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van een baby. De verdachte was boos omdat zijn buurvrouw een maxi-cosi op zijn vouwwagen zette. Hij vreesde dat daardoor krassen zouden kunnen ontstaan. De relatie tussen de verdachte en de buren stond al geruime tijd op gespannen voet. Door in zijn boosheid met kracht met een lange balk te stoten tegen een maxi-cosi met daarin een zeer jonge baby, had deze baby ernstig letsel kunnen oplopen. Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft de verdachte een onverantwoord risico op de verwezenlijking hiervan genomen. Het hof rekent dat de verdachte aan.

Het hof heeft ten voordele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2016, betrekking hebbende op de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde niet eerder is veroordeeld.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak ambtshalve het volgende. De verdachte is eerst op 10 juli 2013 bekend geworden met het feit dat hij werd verdacht van een strafbaar feit. De politierechter te Maastricht heeft op 14 juni 2016 vonnis gewezen. Aldus is de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg met ongeveer 11 maanden overschreden. De verdachte heeft op 14 juni 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof zal bij arrest van heden - 28 februari 2017 - einduitspraak doen.

Overschrijding van de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Het hof constateert dat de zaak in hoger beroep alsnog met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting is aangebracht en behandeld. Daarmee is de totale berechting in twee instanties binnen vier jaren na het instellen van strafvervolging geschied. Naar het oordeel van het hof wordt de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg daardoor gecompenseerd. Er kan daarom worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Alles afwegende acht het hof, evenals de politierechter en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

[aangeefster] heeft als wettelijk vertegenwoordiger namens de minderjarige benadeelde partij [slachtoffer] in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 27,30, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is door de politierechter bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16,70. Op het meer gevorderde is door de politierechter geen beslissing genomen.

De gehele vordering is in hoger beroep gehandhaafd.

De verdediging heeft zich, indien het hof komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Bij gebreke van een inhoudelijke betwisting acht het hof het gevorderde bedrag ter grootte van € 27,30 integraal toewijsbaar. Dit toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 27,30. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 27,30, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;

bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 27,30 (zegge: zevenentwintig euro en dertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil’;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 27,30 (zegge: zevenentwintig euro en dertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. J.A. van Zon, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 28 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.A. van Zon is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.