Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:71

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/01057
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1041
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag afvalstoffenheffing

Hof volgt het oordeel van de Rechtbank dat de aanslag afvalstoffenheffing niet is aan te merken als een tweede primitieve aanslag aangezien deze is opgelegd naar een andere grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/637
Belastingblad 2017/163
FutD 2017-0693
NTFR 2017/974 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01057

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 17 augustus 2015, nummer AWB/ROE 14/3773, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg (BsGW),

te Roermond,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen aanslag afvalstoffenheffing 2013.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2014 onder aanslagnummer [aanslagnummer] over 2013 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd voor een bedrag van € 174,72. Na tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase afgewezen.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is geen griffierecht geheven. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep is geen griffierecht geheven.

De Heffingsambtenaar heeft het Hof bij brief van 27 oktober 2015 laten weten dat hij geen verdere verweerstukken zal indienen dan die middels de Rechtbank al in bezit van het Hof zijn en dat het verweer dat hij bij de Rechtbank Limburg heeft gevoerd in zijn ogen volstaat.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 september 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Belanghebbende is toen aldaar verschenen en gehoord. De Heffingsambtenaar heeft het Hof op de dag van de zitting telefonisch bericht niet te zullen verschijnen en is ook niet verschenen.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is feitelijk gebruiker van het perceel [a-straat] 6 in [woonplaats] .

2.2.

Aan belanghebbende is een aanslag afvalstoffenheffing 2013 opgelegd, ter hoogte van het (vaste) basisbedrag dat de Heffingsambtenaar op grond van onderdeel 1.1 en onderdeel 1.3 van Hoofdstuk 1 van de Tarieventabel jaarlijks in rekening brengt. (Zie hierna hoofdstuk 1 van na te noemen Tarieventabel.)

2.3.

Als de gft-containers en de containers voor het restafval vaker worden geleegd dan 18 maal respectievelijk 14 maal per belastingjaar, brengt de Heffingsambtenaar per extra lediging een bedrag in rekening. Na afloop van het belastingjaar heeft de Heffingsambtenaar geconstateerd dat het aantal extra ledigingen van restafval in 2013 (uiteindelijk) 14 bedroeg. Voor deze extra ledigingen ontving belanghebbende met dagtekening 31 mei 2014 en aanslagnummer [aanslagnummer] het aanslagbiljet afvalstoffenheffing 2013, extra ledigingen ten bedrage van in totaal € 174,72 (28 x € 6,24) (de thans bestreden aanslag).

2.4.

De onder 2.3 vermelde aanslag is bij ambtshalve genomen beschikking van 16 mei 2014 verminderd tot € 87,36 omdat ‘abusievelijk 28 extra ledigingen van de 240 liter restcontainers in rekening zijn gebracht in plaats van 14 extra ledigingen’.

De aantallen en bedragen als zodanig zijn tussen partijen niet in geschil.

Relevante regelgeving

2.5.

Artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (tekst 2013) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

(…)

4. Met betrekking tot deze heffingen zijn de artikelen 216 tot en met 219 en 230 tot en met 257 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.’.

2.6.

Artikel 231 van de Gemeentewet (tekst 2013) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.’.

2.7.

Artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2013) (hierna: AWR) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘4. Voor de toepassing van het derde lid wordt belastingschuld, waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt.’.

2.8.

Artikel 13 van de AWR luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘1. Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15 voorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige aanslag tot een positief bedrag wordt niet vastgesteld voor de aanvang van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.’.

2.9.

Mede op grond van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer heeft de raad van de gemeente Maasgouw in zijn vergadering van 20 december 2012 de ‘Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Maasgouw 2013’ (hierna: de Verordening 2013) vastgesteld. Tegelijkertijd heeft de raad van de gemeente Maasgouw de bij deze verordening behorende Tarieventabel vastgesteld. De Verordening 2013 en bijbehorende Tarieventabel zijn gepubliceerd.

2.10.

De Verordening 2013 luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

1 Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

2 De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 3 Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief

1 De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2 Voor de berekening van de belasting bedoeld in de onderdelen 1.4 en 1.5 van de tarieventabel wordt uitgegaan van het aantal malen dat een minicontainer, onderverdeeld naar de verschillende volumina en afvalfracties ter lediging wordt aangeboden en daarbij door de op het inzamelvoertuig aangebrachte registratieapparatuur wordt geregistreerd.

(…).

Artikel 5 Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het betastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing

1 De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven.

(…)

Artikel 7 Ontstaan van de betastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1 De belasting bedoeld in de onderdelen 1.1 tot en met 1.3 en 1.6 van de tarieventabel, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

(…)

8 De belasting bedoeld in de onderdelen 1.4 en 1.5 en hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van bezittingen, werken of inrichtingen.

(…)’

2.11.

De bij de Verordening 2013 behorende Tarieventabel luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

Hoofdstuk 1 Maatstaf en tarief afvalstoffenheffing

1.1

De belasting per perceel per belastingjaar bedraagt € 119,64.

1.3

De belasting genoemd in onder onderdeel 1.1 wordt afhankelijk van het minicontainervolume per perceel en per soort afval vermeerderd volgens onderstaande systematiek:

Volume in liters gft-afval in euro’s Restafval in euro’s

240 n.v.t. 57,00

140 13,68 28,56

80 5,52 11,40

60 2,76 5,76

1.4

Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 1.1 en 1.3 bedraagt de belasting per lediging, indien het aantal ledigingen voor restafval uitstijgt boven 14 maal per belastingjaar dan wel het aantal maal dat conform artikel 7, vijfde en zesde lid, van de verordening is bepaald:

Volume in liters restafval in euro’s

240 6,24

140 4,20

80 3,00

60 2,64

40 2,16

tenzij sprake is van een aantoonbare medische indicatie.

1.5

Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 1.1 en 1.3 bedraagt de belasting per lediging, indien het aantal ledigingen voor gft-afval uitstijgt boven 18 maal per belastingjaar dan wel het aantal maal dat conform artikel 7, vijfde en zesde lid, van de verordening is bepaald:

Volume in liters Gft-afval in euro’s

240 n.v.t.

140 3,24

80 2,52

60 2,16

40 1,92

(…)’.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Rechtbank ten onrechte een vergoeding voor de proceskosten en teruggave van het griffierecht achterwege gelaten?;

II. Dient de in 2.3 vermelde aanslag te worden vernietigd, omdat deze is aan te merken als een tweede primitieve aanslag?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag I

4.1.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Heffingsambtenaar niet bevoegd was de aanslag op te leggen en niet bevoegd was uitspraak op bezwaar te doen. Deze stelling is niet weersproken door de Heffingsambtenaar. Het Hof heeft belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting voorgehouden dat een geconstateerd bevoegdheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden gepasseerd. Verder heeft het Hof belanghebbende voorgehouden dat het Hof in deze zaak niet over feitelijke gegevens beschikt om te beoordelen of aan de aanslag en uitspraak op bezwaar een bevoegdheidsgebrek kleeft. Desgevraagd heeft belanghebbende daarop verklaard dat hij een uitspraak wenst op het materiële geschilpunt en dat hij zich niet zal verzetten tegen toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Mede gelet hierop gaat het Hof er bij zijn oordeel over de bevoegdheid van de Heffingsambtenaar veronderstellenderwijs van uit dat de aanslag onbevoegd is opgelegd en dat de uitspraak op bezwaar eveneens onbevoegd is gedaan, maar het Hof passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

4.1.2.

Het voorgaande betekent dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar niet wegens het veronderstelde bevoegdheidsgebrek zullen worden vernietigd. Hoewel het, in een geval waarin met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een besluit in stand wordt gelaten, niet uitgesloten is dat een proceskostenvergoeding wordt toegekend, ziet het Hof geen aanleiding daartoe. Immers van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kan niet worden gesproken indien de bijstand wordt verleend door een rechtspersoon die zich vervolgens laat vertegenwoordigen door de belanghebbende (HR 9 augustus 2013, nr. 12/05108, ECLI:NL:HR:2013:197, BNB 2013/220) en ook overigens ziet het Hof geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Om dezelfde redenen heeft ook de Rechtbank aan toepassing van artikel 6:22 van de Awb niet het gevolg hoeven te verbinden dat een vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase moest worden toegekend. Omdat in deze zaak in de beroepsfase geen griffierecht is geheven is een verzoek tot teruggaaf daarvan niet aan de orde.

4.1.3.

Vraag I moet ontkennend worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag II

4.2.

Belanghebbende betoogt dat de onder 2.2 vermelde aanslag de primitieve aanslag is voor het jaar 2013 en dat geen tweede aanslag meer voor hetzelfde jaar kan worden opgelegd, omdat, aldus belanghebbende, volgens vaste jurisprudentie niet tweemaal over hetzelfde heffingstijdvak een primitieve aanslag kan worden opgelegd. De grondslag is en blijft naar zijn opvatting het aantal ledigingen van de restcontainer. Dat de gemeente nu eerst een basisbedrag heft en later een heffing voor extra ledigingen boven de 14 maal per jaar maakt dat volgens hem niet anders.

4.3.

De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat geheven wordt naar verschillende grondslagen. De ene grondslag is het jaarlijks vastrecht voor het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan de gemeente een inzamelplicht van huishoudelijke afvalstoffen heeft. Of de gebruiker van het perceel wel of geen afval aanbiedt, maakt daarbij niet uit. In het vastrecht is een vergoeding begrepen ter zake van het aantal ledigingen voor zover die de 14 niet te boven gaan (restafval). De andere grondslag is volgens de Heffingsambtenaar het heffen ter zake van het aantal ledigingen voor zover die de 14 te boven gaan. De thans bestreden aanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] is volgens de Heffingsambtenaar wel toegestaan, omdat ter zake van een en hetzelfde belastbare feit naar afzonderlijke grondslagen wordt geheven. Hierbij verwijst de Heffingsambtenaar naar de arresten van de Hoge Raad van 7 februari 1973, nr. 16 885, BNB 1973/69, en van 26 juni 1974, nr. 17 382, BNB 1974/228.

4.4.

In de zaak van belanghebbende betreffende de aanslag afvalstoffenheffing 2008, bij het Hof bekend onder kenmerk 12/00341, is in de uitspraak van het Hof van 12 april 2013 – onder meer- het volgende vermeld:

“2.14. Voor het jaar 2008 luidt de Verordening afvalstoffenheffing 2004, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit

1 Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

2 De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze Verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 2 Belastingplicht

1 De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

(…)

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief

1 De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel met inachtneming van de overige leden van dit artikel.

2 Het aantal maal dat per perceel per belastingjaar containers, onderverdeeld naar de verschillende volumes zoals in de tarieventabel is aangegeven en naar rest en gft-afval zomede naar de afzonderlijke inzamelfrequentie voor beide fracties, ter lediging worden aangeboden, wordt aangemerkt als maatstaf van de heffing van de in artikel 1 genoemde belasting.

3 Voor de berekening van de belasting wordt uitgegaan van het aantal maal dat per perceel een container onderverdeeld naar de verschillende volumes en afvalfracties, ter lediging wordt aangeboden en daarbij door de op het inzamelvoertuig aangebrachte registratie-apparatuur wordt geregistreerd.

(…)

Artikel 5 Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing

1 De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 lid 1 en 2 van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven.

(…)

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1 De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 lid 1 en 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

(…).’.

2.15.

Voor het jaar 2008 luidt de bij Verordening afvalstoffenheffing 2004 behorende Tarieventabel, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘Hoofdstuk 1. Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing.

1. Het basisbelastingbedrag per perceel en per belastingjaar geldt per container voor het gft-afval en per container voor het restafval, waarbij het gft-afval 18 maal en het restafval 14 maal in het belastingjaar wordt ingezameld. (…)

Hoofdstuk 2. Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing.

1. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 wordt, indien het aantal ledigingen voor gft-afval uitstijgt boven de 18 maal en voor restafval boven de 14 maal, dan wel het aantal maal dat conform artikel 7 lid 5 en/of 6 is bepaald, de belasting per extra lediging opgelegd als volgt:

Containervolume gft-afval in liters

Tarief

Containervolume restafval in liters

Tarief

25

1,92

25

1,92

40

2,28

60

2,76

60

2,76

80

3,24

80

3,24

140

4,56

140

4,56

240

6,96

”.

En:

“4.8. Het Hof leidt uit artikel 4 van de Verordening afvalstoffenheffing 2004 en uit de bijbehorende Tarieventabel af dat het aantal ledigingen van containers voor het gft-afval en van containers voor het restafval de grondslag vormt van het belastbare feit: het gebruik van een perceel waarvoor een inzamelplicht van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

4.9.

Hieruit volgt reeds dat niet sprake is van verschillende grondslagen. Dat de gemeente een vast basisbedrag heeft willen heffen voor (maximaal) 18 ledigingen van containers voor het gft-afval en 14 ledigingen van containers voor het restafval maakt niet dat de grondslag niet deze ledigingen zou zijn. Immers, zodra dit aantal ledigingen wordt overschreden wordt voor de meerdere ledigingen bijgeheven.

4.10.

Het beroep van de Heffingsambtenaar op het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 1973, 16 885, BNB 1973/69 faalt. In die zaak werd (wel) naar twee op zich zelf staande grondslagen geheven: te weten naar de afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof enerzijds en naar het aantal vaste aftappunten met toebehoren anderzijds. Een heffing gebaseerd op de afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof heeft inderdaad betrekking op een heel andere grondslag dan een heffing gebaseerd op het aantal vaste aftappunten met toebehoren.

4.11.

Met betrekking tot het in het verweerschrift in eerste aanleg, pagina 4 en het tijdens het onderzoek ter zitting door de Heffingsambtenaar aangevoerde, onder 4.6 vermelde, argument dat – naar het Hof begrijpt - de heffing op grond van hoofdstuk 1 van de Tarieventabel een tijdstipheffing zou zijn en dat de heffing op grond van hoofdstuk 2 van de Tarieventabel een tijdvakheffing zou zijn overweegt het Hof als volgt.

4.12.

In het onderhavige geval is het belastbare feit het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Nu, zoals overwogen onder 4.8, uit de Verordening afvalstoffenheffing 2004 en uit de bijborende Tarieventabel kan worden afgeleid dat het aantal ledigingen van containers voor het gft-afval en van containers voor het restafval bepalend is voor de maatstaf van heffing, wordt de omvang van de afvalstoffenheffing mede bepaald door feiten, die zich in de loop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven
– het kalenderjaar – kunnen voordoen. Dit brengt mee dat pas aan het einde van het kalenderjaar kan worden beoordeeld of de heffing volgens hoofdstuk 1 van de Tarieventabel toereikend is.

4.13.

Uit hetgeen onder 4.12 is overwogen volgt, dat pas na afloop van het kalenderjaar, in casu 2008, definitief kan worden bepaald hoeveel afvalstoffenheffing is verschuldigd. Voor een dergelijke situatie vloeit uit de AWR voort, dat gedurende het kalenderjaar een voorlopige aanslag kan worden opgelegd (artikel 13 van de AWR) en dat pas na afloop van het kalenderjaar een definitieve aanslag kan worden opgelegd (artikel 11, lid 4 van de AWR). Het standpunt van de Heffingsambtenaar dat er een heffing is naar een vast bedrag op een tijdstip (naar het Hof begrijpt: 1 januari 2008) en een heffing naar extra ledigingen, bepaald over het hele kalenderjaar 2008, is onjuist.”.

4.5.

Vaststaat dat de Verordening 2013 is gewijzigd ten opzichte van de Verordening afvalstoffenheffing 2004. Het geschil spitst zich in de onderhavige zaak toe op de vraag of sprake is van één grondslag of van twee grondslagen.

4.6.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Verordening 2013 in samenhang met de onderdelen 1.1 en 1.3 van de Tarieventabel is – voor zover hier van belang – de belasting per perceel per belastingjaar verschuldigd bij het begin van het belastingjaar en ingevolge het bepaalde in artikel 7, achtste lid, van de Verordening 2013 in samenhang met onderdeel 1.4 van de Tarieventabel is de belasting per lediging, indien het aantal ledigingen voor restafval uitstijgt boven de 14 per belastingjaar, verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van bezittingen, werken of inrichtingen.

4.7.

Uit artikel 2, tweede lid, en artikel 4, eerste en tweede lid, van de Verordening 2013 en de daarbij behorende Tarieventabel blijkt dat in de thans bestreden aanslag de afvalstoffenheffing is geheven naar de grondslag van onderdeel 1.4 van de Tarieventabel. Deze aanslag is dus geheven naar een andere grondslag dan die ingevolge onderdelen 1.1 en 1.3 van de Tarieventabel (het zogenaamde vastrecht). Dit betekent dat, anders dan in de situatie die in 2008 aan de orde was, de aanslag terecht, immers naar een andere grondslag, is opgelegd. Er wordt weliswaar geheven ter zake van één belastbaar feit, namelijk ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, maar naar twee op zichzelf staande grondslagen, te weten de belasting per perceel per belastingjaar en de belasting per lediging, indien het aantal ledigingen voor restafval uitstijgt boven 14 per belastingjaar. In de Verordening 2013 in samenhang met de Tarieventabel is voor elke grondslag het ter zake verschuldigde tarief afzonderlijk vastgesteld.

4.8.

Vraag II moet ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is, en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Aangezien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in een tegemoetkoming van de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Zoals in 4.1.2 is overwogen ziet het Hof in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb evenmin aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in een tegemoetkoming van de proceskosten in hoger beroep.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 12 januari 2017 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.