Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:67

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
15/00430 tot en met 15/00458
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1234, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is houder van een bankrekening bij KBL. Het Hof is van oordeel:

 dat het gebruik van de door de Inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig is;

 dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd;

 dat de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen;

 dat de boeten ten terecht zijn vastgesteld;

 dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange behandelduur van het hoger beroep; en

 dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/20.20.3
V-N Vandaag 2017/678
FutD 2017-0740
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00430 tot en met 15/00458

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 januari 2015, nummers AWB 12/7201 tot en met 12/7214 en 12/7216 tot en met 12/7230, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de na te noemen (navorderings)aanslagen en de daarbij opgelegde boeten en in rekening gebrachte heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 december 2002 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

(navordering)

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1990

H08

15/00430

f

9.018

9.018

4.232

VB

1991

K18

15/00449

f

3.696

3.696

1.733

1.2.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 mei 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de VB opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met boetes. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

(navordering)

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1991

H18

15/00431

f

13.329

13.328

5.206

IB/PVV

1992

H28

15/00432

f

12.689

12.688

4.201

IB/PVV

1993

H38

15/00433

f

11.560

11.559

3.244

IB/PVV

1994

H48

15/00434

f

9.089

9.089

2.146

VB

1992

K28

15/00450

f

3.622

3.622

1.408

VB

1993

K38

15/00451

f

3.712

3.712

1.225

VB

1994

K48

15/00452

f

3.737

3.737

1.046

VB

1995

K58

15/00453

f

3.651

3.651

861

VB

1996

K68

15/00454

f

4.160

4.160

870

VB

1997

K78

15/00455

f

4.096

4.096

770

1.3.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2000

H06

15/00440

f

11.104

11.104

1.001

1.4.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 6 juni 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de VB opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met boetes. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

(navordering)

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1996

H67

15/00436

f

9.108

9.108

1.857

IB/PVV

1997

H77

15/00437

f

9.386

9.386

1.773

IB/PVV

1998

H87

15/00438

f

9.506

9.506

1.486

IB/PVV

1999

H97

15/00439

f

10.329

10.329

1.305

VB

1998

K87

15/00456

f

4.151

4.151

649

VB

1999

K97

15/00457

f

4.095

4.095

517

VB

2000

K07

15/00458

f

4.578

4.578

412

1.5.

Aan belanghebbende is met dagtekening 17 juni 2003 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd. De navorderingsaanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

(navordering)

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1995

H57

15/00435

f

9.351

9.351

1.976

1.6.

De in 1.1 tot en met 1.5 bedoelde belastingaanslagen en de boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur met dagtekening 23 juli 2004 gehandhaafd.

1.7.

Belanghebbende is van de in 1.6 bedoelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep, bij uitspraak van 10 december 2010 met nummer 04/01606 gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd, de zaak teruggewezen naar de Inspecteur en hem opgedragen om opnieuw uitspraak te doen met inachtneming van deze uitspraak.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de in 1.7 bedoelde uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie, bij arrest van 14 oktober 2011 met nummer 11/00343, met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongegrond verklaard.

1.9.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 3 december 2004 aanslagen in de IB/PVV opgelegd. De aanslagen zijn opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2001

H16

15/00441

4.421

4.421

414

IB/PVV

2002

K26

15/00442

4.408

4.408

268

1.10.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 december 2006 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2003

H36

15/00443

4.421

4.421

546

1.11.

Aan belanghebbende is met dagtekening 20 december 2007 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2004

H46

15/00444

4.420

4.420

609

1.12.

Aan belanghebbende is met dagtekening 30 december 2008 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2005

H56

15/00445

4.458

4.457

629

1.13.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 2009 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2006

H66

15/00446

5.028

5.028

790

1.14.

Aan belanghebbende is met dagtekening 17 december 2010 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2007

H76

15/00447

5.193

5.152

708

1.15.

Aan belanghebbende is met dagtekening 23 april 2011 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2008

H86

15/00448

2.716

2.716

253

1.16.

Nadat belanghebbende op 20 juni 2012 is gehoord, heeft de Inspecteur op 30 november 2012 uitspraak op bezwaar gedaan betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2008 en VB 1991 tot en met 2000. Het bezwaar is deels gegrond en deels ongegrond. De Inspecteur heeft een kostenvergoeding van € 654 toegekend en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.

1.17.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. De Rechtbank heeft:

 het beroep gegrond verklaard,

 de uitspraak vernietigd,

 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 1993 en VB 1991 tot en met VB 1993 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en boeten vernietigd; en

 de belastingaanslagen IB/PVV 1994 tot en met IB/PVV 2008 en VB 1994 tot en met VB 1999 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en boeten zoals deze bij de ambtshalve verleende verminderingen zijn komen te luiden, gehandhaafd.

1.18.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.19.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.20.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.21.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 oktober 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , advocaat te [plaats 2] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] , de heer [C] en de heer [D] . Het hoger beroep van de echtgenote van belanghebbende, mevrouw [echtgenote] , kenmerk 15/00459, is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld.

1.22.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.23.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1947, is gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote).

2.2.

Belanghebbende was voor onderhavige jaren beschreven voor de inkomsten- en vermogensbelasting en heeft aangifte voor die middelen gedaan. In de aangiften zijn geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG te Luxemburg (hierna: KBL).

2.3.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: de microfiches) van de KBL.

2.4.

Op basis van de gegevens, verstrekt bij de brief van 27 oktober 2000 door de BBI, is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject.

2.5.

Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels:

“JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994
(…)

[nummer 1] TER LDO [belanghebbende] - [echtgenote] OU [E] 109.317,16

(…)

[nummer 2] VUE [belanghebbende] - [echtgenote] OU [E] -16,30”

2.6.

Door [F] is op 25 maart 2010 een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt betreffende het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de KBL. Uit de match van rekeninghouders komt slechts belanghebbende, gehuwd met de echtgenote, als enige rekeninghouder van de KBL-rekening [rekeningnummer] in aanmerking.

2.7.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 8 januari 2002 verzocht om informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen.

2.8.

De Inspecteur heeft met dagtekening 15 januari 2002 aan belanghebbende een rappel vragenbrief gezonden.

2.9.

Belanghebbende heeft bij ongedateerde brief geantwoord dat hij zich niet kan herinneren een bankrekening in het buitenland te hebben aangehouden en vraagt om de gegevens waarop de vraag over de buitenlandse bankrekeningen is gebaseerd.

2.10.

De Inspecteur heeft bij brief van 23 januari 2002 nogmaals gerappelleerd.

2.11.

Gemachtigde heeft bij brief van 25 januari 2002 verzocht om een WOB-besluit.

2.12.

Bij brief van 5 april 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) nogmaals verzocht de bij brief van 8 januari 2002 gevraagde informatie te verstrekken. Hierbij heeft de Inspecteur gewezen op de omkering van de bewijslast bij het niet verstrekken van de gevraagde gegevens.

2.13.

De gemachtigde heeft per brief van 8 mei 2002 een klacht ingediend omdat de Inspecteur, in reactie op de brief van de gemachtigde van 25 januari 2002, nog geen WOB-besluit heeft genomen.

2.14.

De Inspecteur heeft bij brief van 13 mei 2012 het WOB-verzoek van belanghebbende afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaar is eveneens afgewezen.

2.15.

Bij brief van 25 september 2002 heeft de Inspecteur zijn voornemen met betrekking tot het opleggen van onder meer de belastingaanslagen IB/PVV 1990, 1994, 1997 en 1999 en VB 1991, 1995 en 2000 te kennen gegeven.

2.16.

De gemachtigde heeft op de in 2.15 bedoelde brief gereageerd bij brief van 1 oktober 2002 en heeft nogmaals om informatie verzocht.

2.17.

De Inspecteur heeft bij brief van 28 november 2002 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boeten aangekondigd.

2.18.

De gemachtigde heeft op de in 2.17 bedoelde brief bij brief van 11 december 2002 gereageerd.

2.19.

De Inspecteur heeft bij brief van 18 december 2002 aan gemachtigde de boeten behorende bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g en 67k van de AWR aangekondigd. Hiernaast heeft de Inspecteur de gemachtigde in de gelegenheid gesteld de aangiften in te zien.

2.20.

De navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boeten zijn op 31 december 2002 opgelegd (zie 1.1).

2.21.

De gemachtigde heeft namens belanghebbende bij brief van 7 januari 2003 bezwaar ingesteld tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991. Het bezwaar is bij brief van 20 februari 2003 gemotiveerd.

2.22.

De Inspecteur heeft bij brief van 22 april 2003 aangegeven dat de termijn voor het doen van een uitspraak één jaar na ontvangst van het bezwaar is, dat hij voorlopig nog geen uitspraak op bezwaar zal doen in verband met de lopende procedures en dat de uitspraaktermijn met nog één jaar verlengd kan worden.

2.23.

De Inspecteur heeft bij brief van 24 april 2003 de gemachtigde in kennis gesteld van de op te leggen belastingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000, alle met een bestuurlijke boete.

2.24.

De Inspecteur heeft bij brief van 19 mei 2003 aan de gemachtigde van belanghebbende ex artikel 67g van de AWR mededeling gedaan van de boeten behorende bij de belastingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met 2000..

2.25.

De Inspecteur heeft met dagtekeningen 31 mei 2003, 6 juni 2003 en 17 juni 2003 de belastingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000 met boeten (zie 1.2 tot en met 1.5) opgelegd.

2.26.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 21 mei 2003, 10 juni 2003 en 27 juni 2003 tegen de belastingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000 en de daarbij behorende boeten tijdig bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschriften heeft de gemachtigde aangegeven niet in te stemmen met het aanhouden van de bezwaarschriften in afwachting van de onherroepelijke uitspraak van, onder andere, de procedure [G] .

2.27.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 13 januari 2004 meegedeeld dat hij op 6 januari 2004 toestemming heeft gekregen van de staatssecretaris van Financiën om de uitspraaktermijn met een jaar te verlengen ex artikel 25, lid 2 van de AWR tot 7 januari 2005.

2.28.

De Inspecteur heeft bij brief van 16 januari 2004 voor alle cliënten van de gemachtigde een aanspreekpunt aangewezen en een informatieset naar de gemachtigde verstuurd.

2.29.

In juni en juli 2004 hebben partijen over en weer schriftelijk en telefonisch contact gehad over de inhoudelijke motivering van de Inspecteur en het eventueel te houden hoorgesprek tussen partijen.

2.30.

De Inspecteur heeft bij brief van 23 juli 2004 in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000 en boeten. De bezwaren zijn ongegrond verklaard.

2.31.

De Inspecteur heeft bij brieven van 16 november 2004 aangekondigd van de aangifte IB/PVV 2001 en IB/PVV 2002 af te wijken en een boete op te leggen.

2.32.

De aanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2002 en boeten zijn met dagtekening 3 december 2004 opgelegd (zie 1.9).

2.33.

De gemachtigde heeft namens belanghebbende op 9 december 2004 tegen de aanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2002 bezwaar gemaakt.

2.34.

De Inspecteur is ook afgeweken van de aangiften IB/PVV 2003 tot en met IB/PVV 2008 en heeft hiervoor de onder 1.10 tot en met 1.15 vermelde aanslagen opgelegd.

2.35.

De gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de aanslagen IB/PVV 2003 tot en met IB/PVV 2008 tijdig bezwaar gemaakt. De bezwaarschriften zijn aangehouden in afwachting van het resultaat van het door belanghebbende ingestelde beroep betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1991 tot en met 2000.

2.36.

Bij uitspraak met nummer 04/01606 van 10 december 2010 (zie 1.7) heeft het Hof het beroep betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1991 tot en met VB 2000 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de zaak teruggewezen naar de Inspecteur en hem opgedragen om opnieuw uitspraak te doen op de bezwaarschriften van belanghebbende met inachtneming van deze uitspraak.

2.37.

Bij arrest met nummer 11/00343 van 14 oktober 2011 (zie 1.8) heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.38.

De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote op 20 juni 2012 gehoord.

2.39.

De Inspecteur heeft bij brief van 30 november 2012, gevolgd door verminderingsbeschikkingen met dagtekening 15 december 2012, uitspraak op bezwaar gedaan betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2008 en VB 1991 tot en met VB 2000 (zie 1.16).

2.40.

Nadat de Inspecteur in kort geding gegevens over de buitenlandse bankrekening heeft gevorderd, heeft de gemachtigde bij brief van 1 juli 2013 geconstateerd dat belanghebbende en zijn echtgenote rekeninghouder waren bij de KBL. Naar aanleiding van de nadien door belanghebbende overgelegde gegevens heeft de Inspecteur nieuwe berekeningen van de belastingaanslagen gemaakt en de belastingaanslagen ambtshalve verminderd op 11 februari 2014 (IB/PVV 2007), 12 februari 2014 (IB/PVV 2008) en 15 februari 2014. Dit resulteert in het volgende overzicht voor belanghebbende:

IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2000, in guldens:

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

belastbaar inkomen

belasting

boete

heffingsrente

12/7201

1990

H08

20.000

0

0

0

12/7202

1991

H18

83.275

0

0

0

12/7203

1992

H28

83.275

0

0

0

12/7204

1993

H38

89.884

0

0

0

12/7205

1994

H48

88.869

1.500

1.080

355

12/7206

1995

H57

94.760

1.500

1.080

314

12/7207

1996

H67

97.875

1.575

1.134

320

12/7208

1997

H77

98.626

1.650

1.188

311

12/7209

1998

H87

97.042

1.725

1.242

269

12/7210

1999

H97

101.718

1.802

1.297

227

12/7211

2000

H06

94.796

1.732

1.247

155

IB/PVV 2001 tot en met IB/PVV 2008, in euro’s:

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

b.i. box 1

b.i. box 3

belasting

boete

heffingsrente

12/7212

2001

H16

39.605

9.307

412

295

39

12/7213

2002

H26

43.069

9.301

417

299

25

12/7214

2003

H36

43.980

8.969

448

322

55

12/7215

2004

H46

47.148

5.496

468

336

64

12/7217

2005

H56

32.108

9.386

490

352

69

12/7218

2006

H66

49.033

9.229

494

355

77

12/7219

2007

H76

47.353

7.061

467

335

64

12/7220

2008

H86

56.383

5.222

333

239

31

VB 1991 tot en met VB 2000, in guldens:

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

belastbaar vermogen

belasting

boete

heffingsrente

12/7221

1991

K18

117.000

0

0

0

12/7222

1992

K28

120.000

0

0

0

12/7223

1993

K38

125.000

0

0

0

12/7224

1994

K48

196.000

480

346

134

12/7225

1995

K58

218.000

464

334

109

12/7226

1996

K68

222.000

472

340

99

12/7227

1997

K78

219.000

424

305

79

12/7228

1998

K87

301.000

420

302

65

12/7229

1999

K97

307.000

427

307

53

12/7230

2000

K07

306.000

392

282

35

2.41.

Op 20 juni 2007 heeft de heer [H] als getuige ter zitting van het gerechtshof Amsterdam onder meer het volgende verklaard (zie de bijlage bij het beroepschrift):

Vraagsteller: “3.4. In uw proces-verbaal schrijft u vanaf pagina 4 over uw contacten met buitenlandse collegae. Deze contacten dateren van april, mei 2001 alsmede januari 2002. Zijn deze gesprekken vastgelegd? (…)”.

[H] : “Ik heb daar notities van gemaakt, op basis daarvan heb ik een ambtshandeling gemaakt na afloop van het bezoek. Die notities heb ik niet meer.

Vraagsteller: “3.7. Is het juist dat de BBI (Bijzondere belastinginspectie) fiscaal strafrechtelijke onderzoeken verricht in België (m.a.w. de tegenhanger is van de FIOD in Nederland)?”.

[H] : “Voor zover ik weet wel.”.

Vraagsteller: “3.8. Verschillende Belgische ambtenaren, waaronder de heer [K] , hebben u geattendeerd op een politieman die nauw bij het onderzoek betrokken was, de heer [L] . Waarom heeft u hem nooit gesproken? Zijn er wel pogingen ondernomen hem te spreken?”.

[H] : “Ik had daar geen behoefte aan. Hij was niet meer werkzaam op het kantoor in [plaats 3] waar ik toentertijd ben geweest. Op uw vraag waarom ik daar geen behoefte had, antwoord ik dat de personen met wie wel contact had, mij van voldoende informatie konden voorzien.”.

2.42.

Op 23 mei 2014 heeft de heer [K] als getuige ter zitting van de Rechtbank op vragen van de heer [A] onder meer het volgende verklaard:

[A] : “17. Herinnert u zich dat u, in het kader van KB-Lux op enig moment, met de heer [H] , ambtenaar van de Nederlandse Belastingdienst, hebt gesproken?”.

[K] : “Ja.”.

[A] : “18. Wanneer was dat? Als u geen herinnering aan een datum hebt, kunt u het gesprek met [H] plaatsen in het verloop van het KB-Lux onderzoek tot dan toe? Was er, toen u de heer [H] sprak, al gepubliceerd over de witwas van onrechtmatig verkregen bewijs?”.

[K] : “Dat was in 2001/2002.”.

[A] : “20. Hebt u hem telefonisch gesproken of hebt u hem ook ontmoet?”.

[K] : “Ik zal hem eerst wel telefonisch hebben gesproken en ik heb hem eenmalig ontmoet.”.

[A] : 21. “Wist u, vooraf, waarover hij met u wilde spreken?”.

[K] : “Hij was teamleider van Rekeningenproject en ik wist dat hij daarover wilde spreken.”.

[A] : “22. Hoe lang hebben die gesprekken ongeveer geduurd?”.

[K] : “Het was 1 gesprek en het duurde circa. 1 uur tot 1,5 uur.”.

[A] : 23. “Wat vroeg de heer [H] ?”.

[K] : “Hij had een aantal vragen over de stand van zaken over het strafrechtelijk onderzoek in België en over de discussie die er gaande was over de wijze waarop de documenten in handen waren gekomen van de Belgische justitie.”.

[A] : “24. Wat hebt u hem verteld?”.

[K] : “Ik kan mij niet precies herinneren wat wij hebben besproken.”.

[A] : “25. Hebt u de heer [H] geïnformeerd over het verloop van het KB-Lux-onderzoek tot dan toe? Wat hebt u hem daar over meegedeeld?”.

[K] : “Dat kan ik mij niet herinneren.”.

[A] : “26. Hebt u de heer [H] geïnformeerd over voornoemde ‘witwas’ van onrechtmatig verkregen bewijzen? Wat hebt u hem daar over meegedeeld?”

[K] : “nee de term witwassen is niet gevallen. Er is wel gesproken over de discussie die er was over de rechtmatigheid van het bewijs.”.

[A] : 27. “Hebt u, op enig moment, de heer [H] over de gang van zaken willen informeren en heeft de heer [H] gezegd: “Ik wil het niet weten”.?”.

[K] : “Dat kan ik mij niet herinneren.”.

[A] : “28. Zijn er andere punten die u over de besprekingen met de heer [H] wil zeggen?”.

[K] : “Nee.”.

[A] : “Is uw bekend dat er strafaangiften zijn gedaan tegen de onderzoeksrechter en een aantal van uw collega’s” en “was dat voor of na uw bespreking met de heer [H] ”.

[K] : “enkele jaren daarna”.

2.43.

Het Hof van Cassatie in België heeft op 31 mei 2011 beslist dat het Brusselse Hof van Beroep op 10 december 2010 terecht had geoordeeld dat de strafvervolging tegen werknemers van KBL niet-ontvankelijk was en dat alle verdachten in die zaak daarom moesten worden vrijgesproken.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is het gebruik van de door de Inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig en heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  2. Heeft de Inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen?

  3. Zijn de boeten ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag vastgesteld?

  4. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor immateriële schade wegens de lange behandelduur van het hoger beroep?

  5. Heeft de Rechtbank belanghebbende ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding toegekend?

Belanghebbende is van mening dat de vragen a en b ontkennend en de vragen c, d en e bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

In hoger beroep is, naar partijen ter zitting van het Hof desgevraagd nadrukkelijk hebben verklaard, niet meer in geschil:

 de toerekening zoals bedoeld in artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de KBL-correcties; en

 de vraag of de door belanghebbende verstrekte informatie is gevorderd in strijd met artikel 52a van de AWR.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en vermindering van de aanslagen met de KBL-correcties, toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens de lange behandelduur van het hoger beroep en toekenning van een proceskostenvergoeding gebaseerd op werkelijke kosten. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag a (rechtmatigheid bewijs en op de zaak betrekking hebbende stukken)

4.1.1.

Belanghebbende beklaagt zich over de vaststelling door het Hof van de feiten in eerdere, soortgelijke, zaken, waarin het Hof uitspraak heeft gedaan en waar de Rechtbank naar verwijst. Tevens stelt hij dat in de onderhavige zaak de Rechtbank de feiten niet juist heeft vastgesteld. Het Hof overweegt in dat verband dat belanghebbende zijn eigen stellingen als feiten vastgesteld wil zien, maar dat die stellingen, voor zover niet onder de feiten opgenomen, door de Inspecteur zijn weersproken. Voor zover van belang voor de beoordeling van de onderhavige vraag, zal het Hof hierna bewijsoordelen geven over de desbetreffende stellingen van belanghebbende.

4.1.2.

Belanghebbende stelt dat de uit België ontvangen afschriften van microfiches niet door de Inspecteur mogen worden gebruikt. Daartoe neemt belanghebbende de volgende standpunten in:

 de Belgische autoriteiten hebben niet vermeld dat de gegevens in België onder onrechtmatige omstandigheden zijn verkregen;

 de Belgische autoriteiten hebben zodanig onrechtmatig gehandeld dat de gegevens om die reden van bewijs moeten worden uitgesloten;

 de Inspecteur heeft geen kennis willen nemen van de onrechtmatige verkrijging van de gegevens in België en handelt daarmee in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur tegenover belanghebbende; en

 de Inspecteur heeft, tegen beter weten in, gesteld niet van de onrechtmatige verkrijging door de Belgische autoriteiten en de verstrekking van de gegevens in strijd met de goede trouw op de hoogte te zijn.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn standpunten enkele artikelen uit publicaties overgelegd alsmede verklaringen van de heer [H] (zie 2.41) en de heer [K] (zie 2.42). Volgens belanghebbende kunnen de microfiches niet tot bewijs dienen.

4.1.3.

De Inspecteur heeft hiertegen het volgende ingebracht:

 de heer [H] heeft wel degelijk gerapporteerd over de inhoud van het gesprek met de heer [K] en het feit dat met de heer [K] over de verkrijging en de juridische strijd in België is gesproken; en

 de Inspecteur heeft de voornoemde informatie wel degelijk aan het dossier toegevoegd.

4.1.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 1992, nr. 26331, BNB 1992/306 (hierna: het arrest BNB 1992/306) een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak. De desbetreffende regels gelden nog steeds, gezien het arrest van 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173 (hierna: het arrest BNB 2015/173). Dat beoordelingskader is in het arrest BNB 2015/173 als volgt weergegeven:

“2.3.1. In BNB 1992/306 is in de eerste plaats geoordeeld dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak in ieder geval toelaatbaar is, indien de verkrijging van die bewijsmiddelen niet onrechtmatig was jegens de belanghebbende in die zaak.

2.3.2.

Voor het geval wel sprake is van jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddelen, heeft de Hoge Raad in BNB 1992/306 als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken.

2.3.3.

Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(s) niet hadden plaatsgevonden. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, aldus BNB 1992/306.”

4.1.5.

Gelet op het in 4.1.4 weergegeven beoordelingskader acht het Hof beslissend of de Nederlandse overheid, meer in het bijzonder de Nederlandse belastingautoriteiten, de afschriften van microfiches hebben verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In dat kader ziet het Hof zich voor de vraag gesteld of relevant is dat de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de overdracht van die afschriften door Belgische aan Nederlandse belastingautoriteiten kennis droegen van de onrechtmatige verkrijging in België. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

4.1.6.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van de gegevensoverdracht door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse zouden hebben geweten van de onregelmatigheden in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek - hetgeen niet gebleken is - is het Hof van oordeel dat de verkrijging van bewijsmateriaal in de vorm van de afschriften van microfiches door de Nederlandse belastingautoriteiten nog niet zozeer in strijd zou zijn met beginselen van behoorlijk bestuur, dat die afschriften niet voor de oplegging van belastingaanslagen en (boete)beschikkingen mogen worden gebruikt. De niet ontvankelijkheid, die in de Belgische rechtsorde is uitgesproken in de zaak tegen de werknemers van KBL (zie 2.43), heeft zich voorgedaan in het kader van strafrechtelijk onderzoek, dat belanghebbende niet heeft betroffen. Die niet ontvankelijkheid behoefde de Inspecteur ook niet te weerhouden van het gebruik van de afschriften.

4.1.7.

Ontoelaatbaar gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen zou ook aan de orde kunnen zijn, indien zich op enig moment op of na de verkrijging van de afschriften aanwijzingen zouden hebben voorgedaan, waaruit redelijke twijfel zou zijn voortgevloeid ten aanzien van de betrouwbaarheid en authenticiteit van het verkregen materiaal. Dat zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn, indien de Inspecteur door voldoende concrete aanwijzingen rekening moet houden met de reële mogelijkheid dat de inhoud van de microfiches zou zijn gemanipuleerd. Alsdan zou de Inspecteur, gezien de zorgvuldigheidsnormen die hij bij zijn taakuitoefening in acht moet nemen, gehouden zijn tot een nader onderzoek naar de mate waarin de voornoemde ongeregeldheden in het kader van het Belgische opsporingsonderzoek van invloed konden zijn geweest op de betrouwbaarheid van (de inhoud van) de microfiches. De (kennis van de) onregelmatigheden die in het kader van het Belgische strafrechtelijke onderzoek zijn vastgesteld, zijn op zichzelf beschouwd echter nog geen aanwijzingen in de onderhavige zin. Het Hof acht overigens niet aannemelijk dat ten tijde van de verkrijging van de afschriften, dan wel op enig moment nadien, zodanige aanwijzingen hebben bestaan, onderscheidenlijk zijn ontstaan. Integendeel, gezien de vele gevallen, waarin de in de afschriften vervatte gegevens van rekeninghouders na bekentenissen van laatstgenoemden juist bleken te zijn, mocht de Inspecteur ervan uitgaan dat de vermeende schendingen de betrouwbaarheid en authenticiteit van de in de microfiches vervatte gegevens onverlet hebben gelaten. Belanghebbende heeft voorts de gelegenheid gehad de betrouwbaarheid van de afschriften in de door hem gevoerde belastingprocedure aan de orde te stellen. Ook in die procedure behoefde de Inspecteur geen grond te zien voor twijfel in vorenbedoelde zin. Ten slotte acht het Hof van belang dat belanghebbende heeft bekend rekeninghouder te zijn bij KBL.

4.1.8.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de veronderstelde wetenschap van de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de verkrijging van de microfiches omtrent de onregelmatigheden die zich in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek zouden hebben voorgedaan, niet kan leiden tot bewijsuitsluiting.

4.1.9.

Gelet op hetgeen belanghebbende heeft gesteld en de Inspecteur heeft weersproken, acht het Hof niet aannemelijk dat de Nederlandse overheid wetenschap had van de gestelde onrechtmatige verkrijging van de gegevens in België ten tijde van of omstreeks de overdracht van de afschriften door de Belgische aan de Nederlandse belastingautoriteiten. Het Hof acht wél aannemelijk:

  1. dat Nederlandse belastingautoriteiten wisten dat de microfiches in Luxemburg waren ontvreemd;

  2. dat er discussie was binnen de advocatuur en in de pers over de rechtmatigheid van de bewijsgaring in België; en

  3. dat ten tijde van de gegevensoverdracht in oktober/november 2000 alsook in mei 2001, ten tijde van het gesprek tussen de heren [H] en [K] , niet méér wetenschap bij de Nederlandse belastingautoriteiten aanwezig was dan wetenschap van hetgeen hiervóór onder a en b is vermeld.

4.1.10.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Nederlandse overheid in november 2000 wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens in België op onrechtmatige wijze waren verkregen. Gemachtigde van belanghebbende heeft daartoe het volgende gesteld:

  1. De gegevens waren enkele jaren eerder door een Belgische crimineel tegen betaling aan de Nederlandse overheid aangeboden.

  2. Bij het verstrekken van de gegevens door de Belgische aan de Nederlandse belastingautoriteiten heeft de Belgische overheid laten weten dat vanwege Belgisch staatsbelang geen vragen zouden worden beantwoord over de wijze waarop de Belgische overheid in bezit was gekomen van de gegevens.

  3. Reeds vóór de overhandiging van de gegevens waren er regelmatig publicaties in de Belgische media, waaruit bleek dat in België geprocedeerd werd over de (on)rechtmatige verkrijging van de gegevens door de Belgische overheid.

Voorts heeft belanghebbende er herhaaldelijk op gewezen dat de heer [H] zou hebben gezegd dat de discussie over de rechtmatigheid van de bewijsgaring in België “borrelpraat” is en dat hij het niet wilde weten.
De Inspecteur heeft een en ander gemotiveerd weersproken.

4.1.11.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende hiermee en met al het overige dat hij heeft aangevoerd, niet meer dan speculaties heeft geuit over de wetenschap van de Nederlandse overheid. Feiten en omstandigheden waaruit zou blijken dat de Nederlandse belastingautoriteiten wetenschap hadden van de beweerdelijke onrechtmatige verkrijging, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

4.1.12.

Ten aanzien van de grief van belanghebbende dat de Inspecteur in strijd met artikel 8:42 van de Awb niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, overweegt het Hof als volgt. Voor zover belanghebbende meent dat de heer [H] (dan wel de Belastingdienst) schriftelijk verslag had moeten doen van de beweerdelijke wetenschap van de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van de gegevensoverdracht, stuit dit standpunt af op hetgeen onder 4.1.9 tot en met 4.1.11 is overwogen. Verder is er van het gesprek tussen de heren [H] en [K] verslag gedaan door de heer [H] aan zijn teamleider, alsmede in het Proces-verbaal van ambtshandeling van 10 januari 2003 dat eveneens tot de gedingstukken behoort.
Voor zover belanghebbende bedoelt dat er nog andere stukken zijn die de Inspecteur in het geding had moeten brengen, stelt het Hof in de eerste plaats vast dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd, welke andere stukken van belang zijn geweest voor de besluitvorming in deze zaak en de Inspecteur voorts heeft ontkend dat dergelijke stukken bestaan.
Ook overigens zijn er naar het oordeel van het Hof geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd zodat de grief hieromtrent van belanghebbende dient te worden verworpen.

4.1.13.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof vraag a bevestigend.

Ten aanzien van vraag b (voortvarendheid)

4.2.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur niet voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen. Naar het Hof begrijpt, bedoelt belanghebbende met de tweede serie navorderingsaanslagen de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn, na het opleggen van de in 1.1 vermelde navorderingsaanslagen. De Rechtbank heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1993 en VB 1991 tot en met 1993 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en boeten vernietigd. Belanghebbendes grief betreft dan de belastingaanslagen IB/PVV 1994 tot en met IB/PVV 1997 en VB 1994 tot en met VB 1998 (zie 1.2, 1.4 en 1.5). Belanghebbende stelt dat de Inspecteur per ultimo 2002 niet mocht wachten met het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen.

4.2.2.

De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:

“4.3.5. Tussen het moment waarop de eerste serie navorderingsaanslagen is opgelegd (dagtekeningen 31 december 2002) en het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen (dagtekeningen 31 mei 2003, 6 juni 2003 en 17 juni 2003) is maximaal 6 maanden verstreken. In de aankondigingsbrief van de eerste serie navorderingsaanslagen (25 september 2002, onder 2.10) was al aangekondigd dat voor dezelfde belastbare feiten ook navorderingsaanslagen voor de jaren ná 1990 zouden kunnen worden opgelegd. De inspecteur heeft dienaangaande gesteld dat, na het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen eind 2002, uit zorgvuldigheidsoverwegingen is gewacht met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen. De inspecteur had de hoop en de verwachting dat belanghebbende op een later tijdstip, in de bezwaarfase voor de eerste serie navorderingsaanslagen, wel met nadere gegevens zou komen over de in Luxemburg aangehouden bankrekening, waarna hij de aanslagen naar de juiste bedragen, dus niet schattenderwijs, zou kunnen vaststellen. In dit verband heeft de inspecteur verder nog aangevoerd dat het hiernaast praktisch onmogelijk was om de resterende aanslagen tegelijkertijd met, of kort na, de eerste serie aanslagen op te leggen. Om de navorderingsaanslagen over de latere jaren gelijktijdig op te leggen hadden tienduizenden aanslagen extra handmatig opgelegd moeten worden. Dit was onuitvoerbaar. Indien de aanslagen in 2003 zouden worden opgelegd kon een deel daarvan, aldus de inspecteur, via de geautomatiseerde systemen worden opgelegd.

Vanuit het oogpunt van de door de inspecteur in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is een dergelijke handelwijze - het zorgvuldig willen vaststellen van de navorderingsaanslagen - naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk. Nu de aanslagen zijn opgelegd binnen 6 maanden na de eerste serie navorderingsaanslagen, is voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 tot en met IB/PVV 1997 en VB 1994 tot en met VB 1998.”.

4.2.3.

Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank, maakt het tot het zijne en voegt daar nog het volgende aan toe. Het Hof acht het handelen van de Inspecteur passend binnen de hem toekomende vrijheid om zijn werkzaamheden op basis van eigen prioritering in te richten. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Inspecteur met zijn handelen niet de grenzen van die vrijheid overschreden. Anders dan belanghebbende betoogt, hoefde de Inspecteur, met inachtneming van normen van zorgvuldigheid, de tweede serie navorderingsaanslagen niet eerder op te leggen. Het Hof is van oordeel dat het handelen van de Inspecteur, betreffende de tweede serie navorderingsaanslagen bij het verkrijgen van de inlichtingen van belanghebbende, die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting, noodzakelijk was voor het met inachtneming van normen van zorgvuldigheid op voortvarende wijze opleggen van de belastingaanslagen. Het tijdsverloop dat met zorgvuldig handelen gepaard gaat, is noodzakelijk in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08 (X en Passenheim-Van Schoot), BNB 2009/222. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld, mede gezien de omstandigheid dat het tijdverloop tussen de eerste en tweede serie navorderingsaanslagen minder dan zes maanden bedraagt.

4.2.4.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof vraag b bevestigend.

Ten aanzien van vraag c (boeten)

4.3.1.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur hem heeft gesommeerd te verklaren of een buitenlandse bankrekening is aangehouden, dan wel nog wordt aangehouden onder dreiging van (een kort geding leidend tot opleggen van) een dwangsom. Volgens belanghebbende is hij naar aanleiding van de aanzegging van die dwangsom ingekeerd. Omdat dit in strijd is met het verbod op zelf-incriminatie, is belanghebbende van mening dat de boeten dienen te worden vernietigd.

4.3.2.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat bankafschriften wilsonafhankelijk materiaal zijn en dat artikel 6 van het EVRM er niet aan in de weg staat dat in het kader van de boeten rekening wordt gehouden met de door belanghebbende verstrekte informatie.

4.3.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 mei 2015, nr. 14/00584, ECLI:NL:HR:2015:1359, BNB 2016/23, onder meer het volgende overwogen:

“2.3.1. Aangaande het nemo tenetur-beginsel heeft het Hof met verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159, en van 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, BNB 2014/101, geoordeeld dat de gegevens die belanghebbende ingevolge het vonnis van de voorzieningenrechter aan de Inspecteur heeft verstrekt – bankrekeningafschriften en portfolio-overzichten – zijn aan te merken als wilsonafhankelijk, en dat artikel 6 EVRM er niet aan in de weg staat dat in het kader van de verhogingen met die gegevens rekening wordt gehouden.

2.3.2.

Het eerste middel komt tegen dit oordeel op met een rechts- en een motiveringsklacht. De rechtsklacht luidt dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het nemo tenetur-beginsel ook geldt voor bescheiden waarvan het overhandigen de erkenning van het bestaan ervan impliceert, zodat het Hof heeft miskend dat in deze zaak niet de vraag moet worden beantwoord of de door belanghebbende overgelegde bankstukken onafhankelijk van zijn wil bestaan, maar dient te worden beoordeeld of die stukken onafhankelijk van belanghebbendes wil in de procedure kunnen worden betrokken. De motiveringsklacht luidt dat het Hof niet heeft toegelicht waarom een tweetal door belanghebbende ingevulde verklaringen wilsonafhankelijk zouden zijn.

2.3.3.

In zijn uitspraak van 17 december 1996, no. 43/1994/490/572, NJ 1997/699, BNB 1997/254 (Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk) heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte. Uit latere rechtspraak blijkt niet dat het EHRM van deze regel is teruggekomen. Op die regel is voortgebouwd in de Nederlandse rechtspraak, vgl. HR 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159, HR 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, NJ 2013/435, en HR 8 augustus 2014, nr. 13/00933, ECLI:NL:HR:2014:2144, BNB 2014/206.

Met de regel van het arrest Saunders zou niet verenigbaar zijn dat – zoals belanghebbende stelt – het nemo tenetur-beginsel zich uitstrekt tot alle bescheiden waarvan het overhandigen erkenning van het bestaan ervan impliceert. In elke afgedwongen overhandiging van bescheiden ligt immers een zodanige erkenning besloten. Aanvaarding van het standpunt van belanghebbende zou derhalve meebrengen dat het onderscheid dat is gemaakt in het arrest Saunders zinledig is.

Bij bescheiden als de onderhavige, rekeningafschriften en door de bank opgestelde portfolio-overzichten die betrekking hebben op rekeningen waarvan de belanghebbende reeds als rekeninghouder was geïdentificeerd en van welke stukken de inspecteur derhalve het bestaan mag aannemen, staat buiten twijfel dat het gaat om materiaal dat onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaat (zie HR 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159).

De rechtsklacht faalt derhalve.

2.3.4.

De ter zitting in hoger beroep voorgedragen pleitaantekeningen van belanghebbende houden in: “5.3 Van belang is vast te stellen dat belanghebbende is verzocht om een verklaring af te leggen. Bij de eerste brief is verzocht om een groot aantal vragen te beantwoorden. (…)

Wederom zou dat betekenen dat de van de wil afhankelijke erkenning en daarop gegeven toelichting moet worden uitgesloten.”

De Inspecteur heeft, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, ter zitting van het Hof verklaard: “Paragraaf 5.3 van de pleitnota. Het renseignement was er en de bankrekening was bekend. Naast de verklaring wilde ik bescheiden zien. Ik heb inzage in de stukken gevraagd en die stukken bestaan niet los van de wil van belanghebbende. (…)

Paragraaf 5.7 van de pleitnota. Gemachtigde stelt dat de verstrekte gegevens niet mogen worden gebruikt. Maar als ik dat niet had gedaan, was ik uitgegaan van de gegevens in het renseignement en dan zou belanghebbende met hogere boeten zijn geconfronteerd.”

2.3.5.

Het hiervoor in onderdeel 2.3.1 samengevatte oordeel van het Hof gaat uit van de feitelijke vaststelling dat de door belanghebbende verstrekte gegevens bestaan uit bankafschriften en portfolio-overzichten. In het licht van de hiervoor in 2.3.4 weergegeven stellingen van partijen voor het Hof zal dit oordeel aldus moeten worden verstaan dat voor de beslissing aangaande de verhoging en het kwijtscheldingsbesluit alleen deze door de bank aan belanghebbende verstrekte bankafschriften en portfolio-overzichten van belang zijn geweest. Hierin ligt besloten het oordeel dat de (in een of meer documenten vervatte) verklaringen die belanghebbende heeft afgelegd geen zelfstandige betekenis hebben gehad voor die beslissing.

Zo verstaan heeft het Hof – anders dan de klacht veronderstelt – niet geoordeeld dat de door belanghebbende ingevulde verklaringen wilsonafhankelijk zijn. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.”

4.3.4.

Gelet op het in 4.3.3 aangehaalde arrest is geen sprake van strijd met het verbod op zelf-incriminatie.

4.3.5.

Belanghebbendes stelling dat de boeten moeten worden verminderd tot nihil omdat de Inspecteur niet “all material evidence” in het geding heeft gebracht, stuit af op hetgeen is overwogen in 4.1.12.

4.3.6.

Voorts heeft belanghebbende nog gesteld dat de boeten moeten worden verminderd tot nihil omdat de redelijke termijn is overschreden.

4.3.7.

De Rechtbank heeft ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn het volgende overwogen:

“4.4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de boeten de redelijke termijn is overschreden. Bij de uitspraken op bezwaar en ook bij de herrekening zijn in verband hiermee de boeten met 20% verminderd. Voor een verdere vermindering van de boeten op deze grond ziet de rechtbank geen aanleiding.”

4.3.8.

Gelet op het in 4.3.7 weergegeven oordeel van de Rechtbank en gelet op de door de Hoven geformuleerde uitgangspunten, welke meebrengen dat een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar niet tot een verdere vermindering van verhogingen en boeten dan met 20 percent leidt, zal het Hof de boeten niet verder kwijtschelden dan wel verminderen. Het Hof acht de opgelegde boeten overigens passend en geboden.

4.3.9.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof vraag c ontkennend.

Ten aanzien van vraag d (vergoeding immateriële schade)

4.4.1.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de lange behandelduur van het hoger beroep.

4.4.2.

Het hoger beroep van belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 20 februari 2015. Aangezien het Hof binnen twee jaar nadien uitspraak heeft gedaan, is er voor een vergoeding van immateriële schade in hoger beroep geen plaats.

4.4.3.

Gelet op het vorenstaande wijst het Hof belanghebbendes verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Ten aanzien van vraag e (proceskostenvergoeding)

4.5.1.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank hem ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend. De Rechtbank heeft geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten rechtvaardigen.

4.5.2.

Ook het Hof acht geen termen aanwezig die nopen tot een integrale vergoeding van de kosten die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank. Het Hof acht, gelet op hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.1.13, niet aannemelijk dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld. Van ander onzorgvuldig handelen van de zijde van de Inspecteur is het Hof evenmin gebleken.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

 verklaart het hoger beroep ongegrond; en

 bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 12 januari 2017 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.