Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:647

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
16-05-2017
Zaaknummer
20-002452-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:6347, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van belaging, meermalen gepleegd, mishandeling en beschadiging tot een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en oplegging van bijzondere voorwaarden. Vrijspraak voor bedreiging. Bewijsoverweging inzake modus operandi belagingshandelingen.

De verdachte heeft de slachtoffers gevraagd om een bidprentje en/of een rouwkaart van hun overleden dierbaren. Op het moment dat zij dit weigerden, kwam de verdachte aan de deur of stuurde hij hun brieven of e-mails, waarin het verzoek werd herhaald. Aanvankelijk werd dit op een neutrale of vaak vriendelijke toon gevraagd, maar als zijn verzoek werd geweigerd, uitte de verdachte al snel beledigingen of bedreigingen aan het adres van het slachtoffer. Het handelen van de verdachte heeft een grote emotionele impact op de slachtoffers gehad. Ten behoeve van het opgelopen geestelijk en/of fysiek letsel wordt de gevorderde immateriële schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002452-15

Uitspraak : 7 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 27 juli 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-700301-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres verdachte] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van – kort gezegd – belaging, meermalen gepleegd (feit 1), bedreiging (feit 2), mishandeling (feit 3) en beschadiging (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. De verdachte is partieel vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en volledig vrijgesproken van de feiten 5 en 6.


De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] deels niet-ontvankelijk verklaard en deels afgewezen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] is ten dele toegewezen en het meer of anders gevorderde is afgewezen. Voorts is ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte is het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is bij akte ‘partieel intrekken hoger beroep’ van 20 januari 2017 uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1

ten laste is gelegd – voor zover dit ziet op de belaging van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] – alsmede hetgeen onder 2, 3 en 4 ten laste is gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van het als bijzondere voorwaarde opgelegde contactverbod, in dier voege dat het de verdachte tevens wordt verboden contact op te (laten) nemen met [slachtoffer 6] en haar familie.

De raadsman van de verdachte heeft primair ten aanzien van feit 1 (voor zover dat ziet op de belaging van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ) alsmede de feiten 2, 3 en 4 vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] verweer gevoerd tegen de hoogte en voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geconcludeerd tot gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring en afwijzing van het meer of anders gevorderde.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover nog aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2012 tot en met 24 april 2014 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers:
- is hij, verdachte, veelvuldig bij een of meer van voornoemde perso(o)n(en) aan de deur geweest, althans heeft hij, verdachte, zich veelvuldig in de nabijheid van de woning van één of meer van voornoemd(e) perso(o)n(en) opgehouden en/of
- heeft hij, verdachte, (meermalen) (een) brie(f)(ven)/(kerst)kaart(en) gezonden naar een of meer van genoemde perso(o)n(en), dan wel (meermalen) (een) brief(ven)/(kerst)kaart(en) in de brievenbus(sen) van een of meer van deze perso(o)n(en) gestopt en/of
- heeft hij, verdachte, diverse e-mailberichten verzonden aan een of meer van voornoemd(e) perso(o)n(en) en/of
- heeft hij, verdachte, vele telefoontjes gepleegd naar een of meer van voornoemde personen;

2.
hij op of omstreeks 24 april 2014 in de gemeente Maastricht, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik bepaal zelf wat ik doe, kom maar eens hier, ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.
hij op of omstreeks 24 april 2014 in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 6] ), (meermalen) heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.
hij op of omstreeks 24 april 2014 in de gemeente Maastricht, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 2

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, maar met de verdediging is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs is voor een veroordeling ter zake van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging. Het enige bewijsmiddel dat daarvoor voorhanden is, is de aangifte van [slachtoffer 6] . De getuigenverklaring van [getuige 1] is onvoldoende ondersteunend, nu daaruit niet blijkt dat [getuige 1] de bedreiging uit eigen waarneming heeft vernomen dan wel of aangeefster daarover heeft verteld aan [getuige 1] . Uit de nadien uitgevoerde fotoconfrontatie met getuige [getuige 1] blijkt dat zij naar aanleiding van de getoonde foto meldt dat ze de man herkent als degene die haar dochter heeft mishandeld en bedreigd. Dit is echter onvoldoende specifiek om bij te kunnen dragen aan het bewijs.

Mitsdien is niet voldaan aan het bewijsminimum en zal de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 1 november 2012 tot en met 24 april 2014 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] te dwingen iets te doen en/of vrees aan te jagen, immers:
- is hij, verdachte, bij een of meer van voornoemde personen aan de deur geweest en
- heeft hij, verdachte, meermalen een brief gezonden naar een of meer van genoemde personen en
- heeft hij, verdachte, diverse e-mailberichten verzonden aan een of meer van voornoemde personen en
- heeft hij, verdachte, een telefoontje gepleegd naar een van voornoemde personen;

3.
hij op 24 april 2014 in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 6] ), meermalen heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.
hij op 24 april 2014 in de gemeente Maastricht, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 6] , heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs


A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.


B.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Feit 1, ten aanzien van [slachtoffer 2]
Bij de aangifte van [slachtoffer 2] is een door aangever bewerkt overzicht van e-mails gevoegd en dit betreft geen authentieke uitdraai van een e-mailwisseling. Dat maakt dat dit overzicht onbetrouwbaar is. Bovendien zijn zowel de aangifte als het bewerkte overzicht afkomstig uit dezelfde bron, namelijk aangever [slachtoffer 2] . Daarom is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 2] .

Feit 1, ten aanzien van [slachtoffer 4]

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de aangifte van [slachtoffer 4] niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel. Er heeft voorts geen handschriftherkenning plaatsgevonden, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de bij de aangifte gevoegde brieven van de verdachte afkomstig zijn. Ook is de verdachte door aangeefster niet herkend op de aan haar getoonde foto. Subsidiair is ten verwere betoogd dat de stelselmatigheid ontbreekt, nu het slechts om vier beweerdelijke contactmomenten in ruim 1,5 maand gaat. Daarom dient ook ten aanzien van de ten laste gelegde belaging jegens [slachtoffer 4] vrijspraak te volgen.

Feit 1, ten aanzien van [slachtoffer 5]
Primair is aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer 5] niet wordt ondersteund door een of meer getuigenverklaringen. Er heeft voorts geen handschriftherkenning plaatsgevonden naar aanleiding van de bij de aangifte overgelegde brieven. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat die brieven van de verdachte afkomstig zijn. De confrontatie van [slachtoffer 5] met de foto van de verdachte kan niet tot het bewijs worden gebezigd, nu zij daarop de verdachte niet echt herkent.
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vereiste stelselmatigheid ontbreekt, nu slechts twee brieven zijn overgelegd die steun zouden kunnen bieden aan de aangifte.
Een en ander leidt er naar de mening van de verdediging toe dat ook ten aanzien van de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 5] vrijspraak moet volgen.

C.

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.

Feit 1, ten aanzien van [slachtoffer 1]
Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte haar sinds november 2012 lastig valt. Dat lastigvallen begon met een belletje aan de huisdeur met het verzoek om een bidprentje te ontvangen. Nadat zij dit geweigerd had ontving zij een brief met wederom het verzoek om een bidprentje. Met kerst 2012 ontving zij een kerstkaart. Op 16 juli 2013 is de verdachte volgens aangeefster haar woning binnengelopen en heeft hij, terwijl hij een opgerolde krant in zijn hand had, gedreigd dat hij een bidprentje moest hebben. ’s Avonds zag [slachtoffer 1] dat zij gebeld was. Toen zij het nummer draaide kreeg zij de moeder van de verdachte aan de lijn. Wederom ontving zij die dag een brief. Ook ontving zij e-mails tot eind augustus 2013 via het koor waar zij lid van is, steeds met verzoeken om bidprentjes.
In september 2013 zag zij hem in de straat en hoorde zij dat hij aan deur was geweest. Aangeefster heeft de verdachte herkend van een haar getoonde foto. Zij voelt zich angstig en onveilig door de situatie.

Feit 1, ten aanzien van [slachtoffer 2]
heeft aangifte en klacht ter zake van belaging gedaan door de verdachte. Vanaf
4 augustus 2013 ontving [slachtoffer 2] e-mails, ondertekend door ‘ [achternaam verdachte] en [familienaam] ’. Het e-mailadres was [e-mailadres] en in de kop van de afzender stond onder meer ‘ [voornaam verdachte] ’. Omdat [slachtoffer 2] wist dat [voornaam verdachte] [achternaam verdachte] zijn moeder [slachtoffer 1] reeds enige tijd lastig viel, vermoedde hij dat hij met de verdachte van doen had. In zijn eerste mail werd gevraagd naar een persoonlijk onderhoud met [slachtoffer 2] . Op 14, 15 en 16 augustus 2013 kreeg [slachtoffer 2] nogmaals een e-mail. Op 16 en 18 augustus 2013 werd tevens een mail gestuurd naar Radar, de organisatie waarvoor [slachtoffer 2] werkzaam is.
Uit de e-mails blijkt dat de verzender weet hoe [slachtoffer 2] eruit ziet, hoe laat hij begint met werken en dat hij kinderen heeft. De verzender van de e-mails beledigde [slachtoffer 2] , onder meer met de woorden ‘beste kerel, lelijke, vieze, smerige hond of mogelijke drugsverslaafde of andere crimineel’. Door deze handelswijze ervoer [slachtoffer 2] een inbreuk op zijn privacy en maakte hij zich zorgen over zijn kinderen.

Feit 1, ten aanzien van [slachtoffer 3]
Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat op 28 juli 2013 zijn vader is overleden. Op 1 augustus 2013 heeft hij een rouwadvertentie gezet met een e-mail adres. Op 3 augustus kreeg hij een e-mail van [e-mailadres] en werd er gevraagd om de rouwkaart en gedachteniskaartje ondertekend door familie [familienaam] . Zijn zus heeft dit beantwoord met toezending van een pdf-bestand van de rouwkaart. Dezelfde dag kreeg hij een e-mail met verzoek om de originele rouwkaart en een bidprentje. Tussen 5 augustus en 25 augustus 2013 kreeg [slachtoffer 3] om de drie dagen een e-mail, ook na het verzoek om hiermee te stoppen. Op
8 september 2013 ontving aangever elke minuut een e-mailbericht. Tussen 8 september 2013 en 6 oktober 2013 kreeg hij om de 5 á 6 dagen op een dag 3 e-mails per minuut.

Op 7 oktober 2013 kreeg hij een e-mailbericht waarin hij werd bedreigd. Hij werd daarin een ‘vieze gore stinkende klootzak’ genoemd en werd gecondoleerd met het overlijden van zichzelf.


Feit 1, ten aanzien van [slachtoffer 4]

heeft eveneens aangifte en klacht ter zake van belaging gedaan. Op 29 augustus 2013 werd zij op een begrafenis aangesproken door een persoon, genaamd [voornaam verdachte] [achternaam verdachte] . Zij kende hem, omdat zij van meerdere mensen had gehoord dat hij aan weduwes bidprentjes vraagt. Zij gaf hem toen te kennen dat zij niets met hem van doen wilde hebben. Op 5 september 2013 kreeg [slachtoffer 4] een brief van de familie [achternaam verdachte] waarin om een bidprentje en een rouwbrief van haar overleden man werd gevraagd. Deze brief was in haar brievenbus gestopt. Ongeveer twee weken later ontving haar schoonzus een brief in de brievenbus, eveneens ondertekend met ‘familie [achternaam verdachte] ’, waarin ook het verzoek werd gedaan om een bidprentje en rouwbrief van de overleden echtgenoot van [slachtoffer 4] af te geven. Twee weken nadien kreeg [slachtoffer 4] wederom een brief met een verzoek om een bidprentje en rouwbrief van haar overleden man. Dit briefje was eveneens ondertekend met ‘familie [achternaam verdachte] ’. [slachtoffer 4] nam daarop telefonisch contact op met de familie [achternaam verdachte] . De vader van de verdachte gaf toen aan [slachtoffer 4] te kennen dat deze brieven vermoedelijk door zijn zoon, zijnde de verdachte, zijn verstuurd. Op 18 november 2013 ontving [slachtoffer 4] weer een brief in haar brievenbus, ondertekend met [voornaam moeder verdachte] (het hof begrijpt: [voornaam moeder verdachte] [achternaam verdachte] , de naam van de moeder van de verdachte), waarin werd geschreven dat [slachtoffer 4] moest uitkijken voor [naam persoon] . Diezelfde dag ontving de schoonzus van [slachtoffer 4] ook een brief op dreigende toon, ondertekend met ‘familie [achternaam verdachte] ’. Daarin werd opnieuw gevraagd om een rouwbrief en bidprentje. In de brief was vermeld dat de hele gang van zaken besproken was met [naam persoon] , dat hij het helemaal zat was en maatregelen zou treffen indien niet binnen een week de overlijdensbrief en het doodsprentje zouden worden ontvangen. [naam persoon] zou eerst [voornaam slachtoffer 4] (het hof begrijpt: [slachtoffer 4] ) gaan pakken. Tevens werd gevraagd hoe het zat met [voornaam slachtoffer 4] , of zij in Vijverdal (het hof begrijpt: een psychiatrische instelling in Zuid-Limburg) verbleef of dat ze zelf kanker had en op sterven lag.

Feit 1, ten aanzien van [slachtoffer 5]

Aangeefster is de moeder van [zoon slachtoffer 5] die op 8 april 2010 is overleden. In maart 2013 stond een man aan de deur, [achternaam verdachte] , die vroeg om een bidprentje van [zoon slachtoffer 5] en zei dat hij [zoon slachtoffer 5] van school kende terwijl aangeefster wist dat dit niet waar was. Ze heeft gezegd dat ze geen prentje wilde geven. De dag erna kreeg ze een enveloppe in de brievenbus van [familienaam] . Met Pinksteren kreeg zij weer een brief en iets daarna wederom een enveloppe. Hierna ontving zij zeven brieven binnen drie maanden. Ook stond een man bij de toegangsdeur van de flat die zei dat hij [familienaam] was en vroeg om een bidprentje. Aangeefster heeft aangegeven zich angstig te voelen en veel verdriet te hebben van het overlijden van haar zoon en heeft verklaard dat je als ouders niet zit te wachten op dit soort praktijken.

D.

Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde verweren overweegt het hof als volgt.

Aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] werden benaderd door een persoon die zich veelal als [achternaam verdachte] of [voornaam verdachte] [achternaam verdachte] voorstelde. Bij meerdere aangevers kwam hij aan de deur om te vragen naar een bidprentje en/of rouwbrief van een voor de aangevers dierbare overledene. Dit vond steeds plaats in de desbetreffende woonplaatsen van de aangevers in Zuid-Limburg.

Aangevers ontvingen elk één of meer brieven en/of e-mails ondertekend met de familie [familienaam] , waarin eenzelfde verzoek was geformuleerd. De familie [familienaam] woont op het adres [woonadres ouders verdachte] . Het zijn de ouders van de verdachte die aldaar woonachtig zijn. De e-mails waren telkens afkomstig van het e-mailadres [e-mailadres] . De naam van de afzender in de kopregel was ‘ [voornaam verdachte] ’ of ‘ [naam] ’. Eén van de verzonden e-mails was afkomstig van de computer met het IP-adres dat op naam staat van de vader van de verdachte, [voorletters vader verdachte] [achternaam verdachte] .

Als de aangevers op het eerste verzoek van de verdachte weigerden een bidprentje of rouwkaart af te staan, ontvingen zij vervolgens brieven, e-mails of een telefoontje, waarin alsnog werd gevraagd om afgifte van een bidprentje en/of rouwbrief. Als de afgifte wederom werd geweigerd, ging de verdachte beledigingen of bedreigingen uiten.


De verdachte heeft zich in zijn verhoren bij de politie en ter terechtzitting van de rechtbank beroepen op zijn zwijgrecht. In een e-mailbericht van verdachte aan de wijkagent, verstuurd vanaf het adres [e-mailadres] , geeft de verdachte te kennen niet vaak op zijn eigen adres te [woonadres verdachte] , te zijn, maar meer bij zijn ouders thuis ( [woonadres ouders verdachte] , dossierpagina 102).

Met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte

Het hof acht in voldoende mate aannemelijk geworden dat het de verdachte is geweest die de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.

Met betrekking tot de aangifte van [slachtoffer 3] is onderzocht dat de e-mails verzonden zijn vanaf het IP-adres van [voorletters vader verdachte] [achternaam verdachte] , [woonadres ouders verdachte] . Verdachte heeft te kennen gegeven daar vaak te verblijven. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft de verdachte herkend van een getoonde foto. Gelet op de kenmerkende werkwijze zoals bovenomschreven acht het hof aannemelijk dat het steeds de verdachte is geweest die om bidprentjes verzocht.

Het verweer dat [slachtoffer 2] de e-mails in een Word-document heeft gezet en voorzien van data en opmerkingen maken naar het oordeel van het hof nog niet dat deze e-mailwisselingen als onbetrouwbaar terzijde geschoven dienen te worden. Immers, de e-mails werden op dezelfde wijze ondertekend als de brief en kerstkaart die de moeder van [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 1] ) ontving. Het hof ziet daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat de e-mails niet zijn opgesteld door de verdachte.

Het hof leidt voorts uit de voorgaande feitelijke gang van zaken af dat [slachtoffer 4] over een periode van 2,5 maanden meerdere schriftelijke verzoeken over afgifte van een bidprentje en rouwbrief van haar overleden echtgenoot heeft ontvangen. Zij kende de verdachte al toen hij haar aansprak op een begrafenis. De verzoeken werden haar zowel direct als indirect toegestuurd. Haar schoonzus ontving immers ook verzoeken om een bidprentje van de overleden echtgenoot van [slachtoffer 4] af te staan. Gelet op het feit dat [slachtoffer 4] deze brieven bij haar aangifte heeft overgelegd, kan het niet anders zijn dat zij ook van deze verzoeken aangaande haar echtgenoot wetenschap heeft gekregen.
Het hof is van oordeel dat de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de verzoeken jegens [slachtoffer 4] op essentiële punten overeenkomsten vertoont met de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de verzoeken gericht aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de modus operandi – zoals hiervoor weergegeven – vrijwel identiek is, de belagingen in dezelfde regio hebben plaatsgevonden en dat steeds werd verzocht om een bidprentje en/of rouwbrief. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die de brieven aan [slachtoffer 4] heeft verstuurd.

Het hof is op dit punt voorts van oordeel dat de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de verzoeken jegens [slachtoffer 5] eveneens op essentiële punten overeenkomsten vertoont met de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de verzoeken gericht aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . De zoals hiervoor weergegeven modus operandi komt sterk overeen met de onderhavige handelswijze. De belaging van [slachtoffer 5] vond voorts in dezelfde regio plaats als de overige belagingen en ook in dit geval werd steeds verzocht om een bidprentje en/of rouwbrief. Aldus vindt ook hier de aangifte in voldoende mate steun in het overige bewijsmateriaal.

Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die de brieven aan [slachtoffer 5] heeft verstuurd, temeer nu de persoon aan de deur in maart 2013 zichzelf voorstelde met de naam [achternaam verdachte] .

Met betrekking tot de vraag of voldaan is aan de vereisten voor belaging

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van stelselmatige belaging van belang is wat de bewijsmiddelen inhouden met betrekking tot de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Met betrekking tot de aard van de gedragingen merkt het hof op dat deze zich daardoor kenmerken dat sprake is van het benaderen van nabestaanden met verzoeken om bidprentjes en rouwkaarten. Deze nabestaanden hebben verdriet door het overlijden van een dierbare en zijn daardoor kwetsbaar, hetgeen gevolgen heeft voor de intensiteit van de gedragingen en de impact op de slachtoffers.

Aangeefster [slachtoffer 1] , destijds 72 jaar, kreeg bezoek van de verdachte, kreeg brieven en
e-mails via haar koor over een periode van november 2012 tot en met september 2013. Weliswaar was de frequentie van de handelingen niet hoog, doch de intensiteit van de handelingen (in huis binnenkomen en dreigen met een krant) en de impact op aangeefster (gevoelens van angst en onveiligheid) waren dusdanig dat het hof van oordeel is dat voldaan is aan de vereisten voor belaging.

Met betrekking tot [slachtoffer 2] merkt het hof op dat de periode waarin hij e-mails op zijn werk ontving relatief kort is geweest, doch dat de e-mails wat intensiteit betreft zeer indringend waren gelet op het persoonlijke en bedreigende karakter ervan.

Met betrekking tot [slachtoffer 3] is naar het oordeel van het hof sprake van frequent gestuurde
e-mails die overgingen in beledigende en bedreigende toon terwijl de vader van aangever net was overleden. Gelet op de intensiteit hiervan acht het hof ook ten aanzien van [slachtoffer 3] voldaan aan de vereisten voor belaging.

Met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 4] , destijds 71 jaar, merkt het hof op dat zij tijdens een begrafenis is aangesproken, brieven heeft gekregen en via haar schoonzus verzoeken heeft ontvangen. Ook bij haar werd de toon, toen zij niet op de verzoeken inging, dreigend. Een en ander vond plaats in een periode van twee en een halve maand. Weliswaar is de frequentie van de handelingen niet hoog, doch het hof acht ook hier, gelet op de intensiteit en de bijzondere situatie dat het gaat om een kwetsbare oudere persoon, belaging bewezen. Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 5] , destijds 67 jaar. Zij kreeg bezoek en heeft zeven brieven ontvangen in drie maanden tijd. Gelet op de intensiteit van de gedragingen (aan de deur komen, voordoen alsof het ging om een bekende van haar overleden zoon, meerdere brieven) acht het hof belaging bewezen.


E.

De verweren falen. Mitsdien verwerpt het hof de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:


belaging, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:


mishandeling.

Het onder 4 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:


opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en bijzondere voorwaarden

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk opgelegd strafdeel zijn door de rechtbank bijzondere voorwaarden verbonden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof deze opgelegde straf zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof een straf zal opleggen die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden. Ten aanzien van het opgelegde contactverbod stelt de verdediging zich op het standpunt dat dit verbod geen betrekking kan hebben op de personen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , nu de verdachte voor de belaging van die personen is vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging, meermalen gepleegd (feit 1), mishandeling (feit 3) en beschadiging (feit 4).

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op het volgende. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van personen van wie een dierbare was overleden. Hij heeft de slachtoffers getracht te dwingen om een bidprentje of rouwkaart af te staan en/of hen vrees aangejaagd. Op het moment dat zij weigerden een bidprentje of rouwkaart van hun overleden dierbare af te geven werd het verzoek herhaald en vervolgens werden ook beledigingen of bedreigingen geuit. Het dwingende karakter van zijn handelen heeft grote indruk op de slachtoffers gemaakt. Dat blijkt ook uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] .

Naast de bewezen verklaarde belaging heeft de verdachte [slachtoffer 6] mishandeld en haar auto beschadigd. Hierdoor is de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 6] geschonden en is zij in haar eigendomsrecht aangetast. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 6] blijkt dat deze mishandeling tot op de dag van vandaag nog gevolgen voor haar heeft.
Het hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 november 2016, betrekking hebbende op de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Daarnaast is het hof ambtshalve bekend met het recente arrest van dit hof van 21 november 2016, waarbij de verdachte eveneens is veroordeeld wegens – onder meer – belaging. Daarbij speelde de obsessieve gedragingen van de verdachte om in het bezit te komen van bidprentjes eveneens een rol. Klaarblijkelijk volhardt de verdachte in zijn grensoverschrijdende gedrag en trekt hij zich niets aan van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van de in deze zaak uitgebrachte reclasserings-rapportage d.d. 21 januari 2015 en de rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 1 juli 2015. Uit de reclasseringsrapportage blijkt dat het recidiverisico hoog wordt ingeschat.
In de rapportage van het Pieter Baan Centrum hebben psycholoog in opleiding drs. [naam psycholoog 1] , psycholoog drs. [naam psycholoog 2] en psychiater drs. [naam psychiater] geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een obsessief-compulsieve stoornis en een autismespectrumstoornis. Zijn obsessie tot het verzamelen van onder meer bidprentjes
is mede ingegeven om overzicht op de wereld om hem heen te houden. Genoemde stoornissen speelden een rol bij de ten laste gelegde feiten. De psychologen en psychiater achten hem verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de aan hem ten laste gelegde feiten.
Het hof neemt die conclusie van de gedragsdeskundigen over en maakt deze tot de zijne. Verdachte is aldus verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de aan hem ten laste gelegde feiten.

Geconstateerd is voorts dat de verdachte niet zelf het initiatief neemt om zich voor zijn psychiatrische aandoening te laten behandelen. De kans dat de verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt wordt ook door de psychologen en psychiater als hoog ingeschat. Die kans kan enkel worden verminderd indien de verdachte op adequate wijze zal worden behandeld en begeleid voor zijn autismespectrumstoornis. In dat verband zou de verdachte gebaat zijn bij een langdurig traject dat uiteindelijk gericht is op een 24-uurs beschermde woonvorm waarin de verdachte een eigen appartement zou moeten krijgen. Teneinde zulks te bewerkstelligen is van belang dat de verdachte op een gespecialiseerde klinische afdeling wordt behandeld voor zijn autismespectrumstoornis. Van daaruit kan een plan worden gemaakt voor verdere ambulante behandeling. De rapporteurs zijn van oordeel dat dit het beste kan plaatsvinden binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het zonder een door de reclassering opgesteld maatregelenrapport vrijwel onmogelijk is om de voorwaarden te formuleren waaraan de verdachte zich in het kader van een dergelijke terbeschikkingstelling moet houden. Hoewel de verdachte thans, maar ook in een eerder stadium, te kennen heeft gegeven aan een gedragsdeskundig onderzoek mee te willen werken, heeft de ervaring geleerd dat hij die toezegging keer op keer niet nakwam, zoals ook door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is bevestigd. Nu het hof op grond daarvan niet is overtuigd van de oprechtheid van zijn huidige welwillendheid om aan dergelijk onderzoek mee te werken, acht het hof het niet aangewezen om een dergelijk maatregelenrapport te laten opstellen. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof niet zal overgaan tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Hoewel de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is te achten, is het hof van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, een gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Daarnaast acht het hof het aangewezen dat aan voormelde voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden worden verbonden, te weten reclasseringstoezicht en een contactverbod. Met oplegging van het reclasseringstoezicht wil het hof de verdachte stimuleren om mee te werken aan de verbetering van zijn psychosociale problematiek.
Gedurende de proeftijd mag de verdachte op geen enkele wijze, noch telefonisch, noch per post of e-mail – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met de personen jegens wie hij de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] .

Het hof acht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om over te gaan tot dadelijk uitvoerbaarverklaring van de voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 875,76, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is door de rechtbank bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 475,76 aan materiële schade en tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde is door de rechtbank afgewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar volledige vordering gehandhaafd.

De verdediging heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van de vordering, voor zover de vordering ziet op de immateriële schadevergoeding. Dit bedrag zou volgens de verdediging ten hoogste op € 250,00 kunnen worden begroot, zoals de rechtbank ook heeft gedaan.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] rechtstreeks immateriële en materiële schade heeft geleden, als gevolg van de respectievelijk onder 3 bewezenverklaarde mishandeling en de onder 4 bewezenverklaarde beschadiging.


Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 475,76 aan materiële schadevergoeding gevorderd. Bij gebreke van een inhoudelijke betwisting acht het hof de gevorderde post 1 (verlies bonus/malus) ad € 464,00 en post 2 (reiskosten) ad € 11,64 integraal toewijsbaar. In totaliteit ligt daarmee het gehele gevorderde bedrag van € 475,76 aan materiële schadevergoeding voor toewijzing gereed. De wettelijke rente over post 1 van € 464,00 zal worden toegewezen vanaf 1 december 2014, zijnde dag waarop dit bedrag aan premienadeel is ontstaan. De wettelijke rente over post 2, zijnde € 11,64, zal worden toegewezen vanaf 24 april 2014, de datum van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde delict.


Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 400,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Het hof begroot de immateriële schade wegens opgelopen fysiek letsel, hetwelk rechtstreeks door de onder 3 bewezenverklaarde mishandeling is toegebracht, in redelijkheid en billijkheid op € 250,00. Dit toe te wijzen bedrag zal eveneens worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Nu het hof de immateriële schadevergoeding op voornoemd bedrag heeft begroot, zal het meer of anders gevorderde aan immateriële schadevergoeding worden afgewezen.

Proces- en executiekostenveroordeling
Het hof zal de verdachte veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.542,70, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is in haar vordering, voor zover betrekking hebbende op een bedrag van € 324,70 aan materiële schadevergoeding, door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Het gevorderde bedrag van € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding is afgewezen.

De benadeelde partij heeft de volledige vordering in hoger beroep gehandhaafd.

De verdediging heeft het hof verzocht op de vordering hetzelfde te beslissen als de rechtbank.

Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 342,70 aan materiële schadevergoeding gevorderd. Die schade heeft betrekking op de voordeur van de benadeelde partij, welke is ontstaan nadat deze deur met uitwerpselen is besmeurd. De gevorderde schade is niet rechtstreeks geleden door het bewezenverklaarde feit onder 1. Het hof zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot materiële schadevergoeding.


Immateriële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van de onder 1 bewezenverklaarde belaging door de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het gestelde door de belaging opgelopen geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft, temeer daar de verdachte ook ongevraagd in de woning van de benadeelde partij is verschenen. Op grond van dit alles kan worden gesproken van een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van [slachtoffer 1] .

Anders dan de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding valt onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade in redelijkheid en billijkheid op € 350,00. Dit toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2013, zijnde de dag waarop [slachtoffer 1] met de laatste belagingshandeling (een e-mail) bekend is geworden, tot aan de dag der algehele voldoening. Nu het hof de immateriële schadevergoeding op voornoemd bedrag heeft begroot, zal het meer of anders gevorderde aan immateriële schadevergoeding worden afgewezen.

Proces- en executiekostenveroordeling
Het hof zal de verdachte veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregelen ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van respectievelijk € 725,76 en € 350,00. De verdachte is daarvoor jegens beide slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte ten behoeve van beide slachtoffers de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van respectievelijk € 725,76 en
€ 350,00, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 285b, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 600 (zeshonderd) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 141 (honderdeenenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd periodiek te melden bij de Reclassering Nederland, gevestigd aan de Heerderweg 25, 6224 LA te Maastricht, zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ;

geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 725,76 (zegge: zevenhonderdvijfentwintig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 475,76 (zegge: vierhonderdvijfenzeventig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente over een bedrag van € 11,76 (zegge: elf euro en zesenzeventig cent) met ingang van 24 april 2014 en over een bedrag van € 464,00 (zegge: vierhonderdvierenzestig euro) met ingang van 1 december 2014, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [slachtoffer 6] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] tot immateriële schadevergoeding voor het overige af;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] , ter zake van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 725,76 (zegge: zevenhonderdvijfentwintig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 475,76 (zegge: vierhonderdvijfenzeventig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente over een bedrag van € 11,76 (zegge: elf euro en zesenzeventig cent) met ingang van 24 april 2014 en over een bedrag van € 464,00 (zegge: vierhonderdvierenzestig euro) met ingang van 1 december 2014, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 350,00 (zegge: driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering tot materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor een bedrag van € 850,00 (zegge: negenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade af;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (zegge: driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. H.A.W. Vermeulen en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 7 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.