Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:617

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
200.181.418_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuurbemiddeling door een door de VvE ingeschakelde derde. Aansprakelijkheid VvE voor schade door derde veroorzaakt? Artikel 6:171 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 171
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1717
NTHR 2017, afl. 4, p. 198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.181.418/01

arrest van 21 februari 2017

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[VvE] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de VvE,

advocaat: mr. M.F. van Immerseel te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B.F.M. Huijskens te Etten-Leur,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 november 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 14 oktober 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen VvE als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3004755 CV EXPL 14-2605)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 17 juni 2015 en het vonnis in het vrijwaringsincident van 23 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met vijf grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met twee grieven, met twee producties en een eiswijziging;

  • -

    ten aanzien van de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep is akte niet-dienen verleend.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de kantonrechter vastgestelde feiten. Deze zijn in hoger beroep niet betwist en dienen het hof derhalve tot uitgangspunt.

- de VvE heeft onder andere tot taak het beheren, onderhouden en in stand houden van het recreatiepark aan de [adres] te [vestigingsplaats] ;

- [geïntimeerde] is (mede-)eigenaar van twee kavels op het park met de nummers [kavelnummer 1] en [kavelnummer 2] (verder te noemen: de kavels) en is lid van de VvE;

- op grond van artikel 6 van de statuten van de VvE zijn leden een jaarlijkse bijdrage verschuldigd aan de VvE;

- het beheer van het recreatiepark wordt door de VvE, middels een overeenkomst van opdracht, uitbesteed aan een externe beheerder. De beheerder draagt zorg voor de orde en veiligheid op het recreatiepark en regelt voor kaveleigenaren de verhuur van hun chalets aan derden;

- er zijn veel klachten geweest over de voormalig beheerder WOM Nederland B.V. (verder te noemen: de beheerder). Het contract met de beheerder is via de algemene ledenvergadering van 1 juli 2011 per 1 oktober 2011 beëindigd. In die ledenvergadering kwam ook aan het licht dat er achterstanden waren in het doorstorten van de door de beheerder geïnde huur.

3.2.

Het geschil

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert de VvE (in conventie) betaling van achterstallige parkbijdrages en afrekeningen van het waterverbruik, te vermeerderen met kosten en rente, oorspronkelijk gesteld op € 14.252,61 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten van € 917,52 (incl. btw).

Zij voert daartoe aan dat [geïntimeerde] over de periode 2007 tot en met 2013 eigenaar was van de kavels, zodat hij over die periode gehouden is de verschuldigde parkbijdrages en kosten voor het waterverbruik te voldoen, maar dat niet (volledig) heeft gedaan.

Nadat [geïntimeerde] had aangevoerd dat [mede-eigenaar] mede-eigenaar is van de percelen en er geen sprake is van hoofdelijkheid, heeft de VvE haar vordering gehalveerd tot € 7.126,31 en haar vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten beperkt tot € 884,87 (incl. btw).

[geïntimeerde] weerspreekt de hoogte en de verschuldigdheid van de hoofdsom niet.

3.2.2.

[mede-eigenaar] is, na daartoe te zijn toegelaten bij vonnis van 23 juli 2014, door [geïntimeerde] in vrijwaring geroepen. De vrijwaring is in hoger beroep niet meer aan de orde.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft zich in conventie beroepen op verrekening met tegenvorderingen, vorderingen die in reconventie zelfstandig zijn gevorderd. Hij vordert betaling van

- € 10.500,- aan niet doorgestorte huur;

- € 40.000,- aan schade aan de inboedel en inrichting van de kavels;

- € 68.250,- aan schade wegens derving van huurinkomsten;

- € 4.895,- aan schade wegens elektriciteitsdiefstal.

In hoger beroep is de vordering ter zake van de niet doorgestorte huur verhoogd tot € 17.152,-.

3.2.4.

De kantonrechter heeft ten aanzien van de vorderingen in reconventie alleen het bedrag van € 10.500,- toegewezen en dit bedrag verrekend met hetgeen in conventie toewijsbaar is, zodat per saldo de vordering in conventie werd afgewezen en in reconventie € 3.373,69 werd toegewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

3.2.5.

De grieven 1 tot en met 4 in principaal appel keren zich tegen het toegewezen bedrag van € 10.500,- in reconventie. De verrekeningsbevoegdheid met de vordering in conventie is op zich zelf genomen niet bestreden. Grief 5 in principaal appel betreft de proceskosten-compensatie.

Grief 1 in incidenteel appel betreft de afgewezen schadevergoedingen.

3.2.6.

Grief 2 in incidenteel appel behelst de vermeerdering van eis van eerder genoemde vordering van € 10.500,- (zes keer € 1.750,-).

In de toelichting op grief 2 in incidenteel appel stelt [geïntimeerde] dat hij in eerste aanleg had gesteld dat de beheerder van de huuropbrengsten in de periode augustus 2010 tot januari 2011 (vijf maanden; niet zes) ad € 1.750,- per maand alleen in december 2010 € 728,- heeft doorbetaald.

Blijkens de toelichting vordert [geïntimeerde] in hoger beroep ook de niet doorbetaalde huur over de periode augustus 2010 tot mei 2011 (9 maanden; niet vijf plus zes is elf maanden zoals in de toelichting wordt gesteld) nu voor elke maand € 1.788,-.

De vordering in hoger beroep beloopt derhalve, gelet op de toelichting door [geïntimeerde] , negen maal € 1.788,- te verminderen met € 728,- is € 15.364,-, en niet € 17.152,- zoals [geïntimeerde] berekent.

3.2.7.

Blijkens grief 2 in principaal appel strekt het hoger beroep zich ook uit over het tussenvonnis van 17 juni 2015.

3.3.

De niet doorgestorte huur.

3.3.1.

Tussen de VvE en [geïntimeerde] is niet in geschil dat de kavels werden verhuurd aan derden waartoe de beheerder een bemiddelende rol heeft vervuld. Het betreft zelfstandige werkzaamheden van de beheerder uitgevoerd krachtens overeenkomst tussen de VvE en de beheerder. Gesteld noch gebleken is dat de VvE betrokken was bij de onderneming van de beheerder of bij de bemiddeling een rol speelde.

3.3.2.

De kantonrechter heeft de VvE aansprakelijk gehouden voor de fouten van de beheerder op de voet van artikel 6:171 BW, daartoe overwegende (rov. 2.5 van het eindvonnis):

De kantonrechter overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de beheerder niet in direct dienstverband staat ten opzichte van de VvE, maar dat er een b.v. is opgericht, Parc [Parc] B.V., om de beheersactiviteiten uit te voeren met de beheerder in kwestie (toentertijd) als directeur. Het voorgaande neemt echter niet weg dat de VvE aansprakelijk gesteld kan worden voor eventuele fouten van de beheerder. Immers, in artikel 6:171 BW is opgenomen dat, indien een niet ondergeschikte een fout maakt, terwijl hij/zij in opdracht van een ander werkzaamheden verricht ter uitoefening van diens bedrijf, die ander jegens een derde aansprakelijk is voor die fout. Uit artikel 18 van de statuten van de vereniging (overgelegd door [geïntimeerde] bij zijn akte van 8 september 2015) volgt, naar het oordeel van kantonrechter, dat de verhuurwerkzaamheden oorspronkelijk waren ondergebracht hij de VvE. In de overgelegde beheerovereenkomst is vervolgens opgenomen:

“Overwegende dat (...) VEP (de VvE opm. ktr.) het beheer en de exploitatie van Parc [Parc] (zijnde verhuurbemiddeling) wenst uit te besteden aan Beheer (...)“.

Daarbij worden de verhuurwerkzaamheden onder 1.2 van die overeenkomst geschaard onder de beheersactiviteiten die door de VvE worden gedelegeerd aan de beheerder en tot slot is onder 4.1 van de overeenkomst nog opgenomen dat alle kaveleigenaren gehouden zijn te verhuren via de VvE en dat de VvE die taken overdraagt aan de beheerder. Het voorgaande betekent, naar het oordeel van de kantonrechter, dat de VvE de beheerder de opdracht heeft gegeven, zoals bedoeld in artikel 6:171 BW, de verhuurwerkzaamheden te verrichten.

Tegen dit oordeel keert zich grief 3 in principaal appel.

3.3.3.

De VvE beroept zich op HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7395, NJ 2002/75, waarin werd overwogen (rov. 3.5):

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat art. 6:171 BW restrictief moet worden opgevat. Dit komt ook naar voren in de passages uit de wetsgeschiedenis die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Spier onder 4.3.1. Daar wordt immers de nadruk erop gelegd dat aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van een niet ondergeschikte opdrachtnemer alleen bestaat indien het gaat om werkzaamheden die een opdrachtgever ter uitoefening van zijn bedrijf door die opdrachtnemer doet verrichten. Aansprakelijkheid kan niet worden aangenomen indien de benadeelde de dader en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid kan beschouwen. De schade behoort dan niet tot de risicosfeer van de opdrachtgever.

Uit de vermelde wetsgeschiedenis kan voorts worden afgeleid dat de in art. 6:171 BW voorkomende woorden: "werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf" een belangrijke beperking inhouden. Alleen het geval van degene die aan de bedrijfsuitoefening zelf van de opdrachtgever deelneemt, valt eronder. Het artikel berust op de gedachte dat de eenheid die een onderneming naar buiten vormt, behoort mee te brengen dat een buitenstaander die schade lijdt en voor wie niet is te onderkennen of deze schade is te wijten aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, zich aan deze onderneming kan houden. Deze situatie kan zich volgens de wetsgeschiedenis met name voordoen, omdat de ondernemer werkzaamheden ter uitoefening van zijn bedrijf, zonder dat dit naar buiten kenbaar is, aan niet-ondergeschikte opdrachtnemers kan overlaten.

Ook de in de vermelde passages uit de wetsgeschiedenis gegeven voorbeelden wijzen erop dat art. 6:171 restrictief moet worden uitgelegd.

3.3.4.

De Advocaat-Generaal Spier concludeert in zijn conclusie (4.5):

De wetgever heeft een onderneming die haar eigen activiteiten zelf uitvoert en één die zulks met behulp van anderen laat uitvoeren op het stuk van de aansprakelijkheid over één kam willen scheren. Daarbij heeft hij vooral het oog gehad op onderaanneming (…). Het scharnier van artikel 6:171 BW is dus “de uitoefening van diens bedrijf”.

Een gelaedeerde derde kan dus op grond van dit artikel voor fouten van de onderaannemer de aannemer aanspreken, maar in de regel niet de opdrachtgever.

3.3.5.

Voor de vraag of artikel 6:171 BW van toepassing is komt het dus aan op de vraag of de verhuuractiviteiten van de beheerder moeten worden aangemerkt als werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van de VvE, anders gezegd: of de beheerder heeft deelgenomen aan de bedrijfsuitoefening van de VvE, en of VvE en de beheerder als ‘een zekere eenheid’ kunnen worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat de VvE mogelijk zelf kan bemiddelen bij de verhuur en dat de beheerder het beheer uitvoert in opdracht van de VvE is daarvoor onvoldoende. Ook de kwalificatie uitbesteden of delegatie van de bemiddeling van de verhuur leidt niet zonder meer tot aansprakelijkheid.

De vraag is – in de vergelijking van de AG - of de verhouding van VvE tot de beheerder vergeleken kan worden met die tussen opdrachtgever en aannemer of als die tussen aannemer en onderaannemer.

3.3.6.

Op [geïntimeerde] rust ingevolge artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die zijn stelling onderbouwen en de conclusie rechtvaardigen dat de beheerder de verhuurwerkzaamheden heeft verricht ter uitoefening van het bedrijf van de VvE. Bemiddeling bij verhuur van appartementen, kavels e.d. is niet een primaire ondernemingstaak van een Vereniging van Eigenaren.

3.3.7.

Het hof neemt eerst in aanmerking dat de wet niet voorziet in een opdracht aan een Vereniging van Eigenaren om de belangen van de leden bij verhuur van appartement of kavel te behartigen. Verhuur van appartementen of kavels wordt door de wetgever niet aangemerkt als werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van de VvE. Een VvE valt ook niet aan te merken als onderneming; zij treedt op als belangenbehartiger van de leden.

Onder omstandigheden kan dit anders zijn, bijvoorbeeld als dit uit de akte van oprichting of uit de feitelijke uitvoering van de taken van de VvE blijkt.

3.3.8.

[geïntimeerde] (en ook de kantonrechter) wijst voor zijn standpunt op de akte van oprichting van de VvE van 16 april 1996 (het huishoudelijk reglement bevat geen relevante bepaling).

Blijkens artikel 2 stelt de VvE zich ten doel:

a. het beheren, onderhouden en instandhouden van alle percelen grond en waterpartijen met toebehoren in gemeld recreatiepark aan de [adres] te [postcode] [vestigingsplaats] , voorzover in (juridische of economische) eigendom toebehorend aan de vereniging, bestaande uit de wegen, bos, groenvoorzieningen, parkeerplaatsen, speeltuin, vennen, greppels, sloten, bermen, paden en erfverhardingen;

In artikel 6 (rechten en verplichtingen) lid 18 wordt dit beheer nader uitgewerkt als volgt:

De leden dienen de recreatiebungalows/-chalets via de vereniging te verhuren.

Gebruik door de eigenaar of huur per (groep van) gebruiker(s) mag plaatsvinden voor een aaneengesloten periode van maximaal twaalf weken.

Per zelfde (groep van) gebruiker(s), hieronder medebegrepen de eigenaar, dient tussen deze periode en een volgende gebruikersperiode een tijdvak van minstens zes weken te liggen.

De vereniging zal opdracht geven aan [Parc] B.V. of een door deze vennootschap aan te wijzen derde om de recreatiebungalows/-chalets te verhuren, waarvoor [Parc] B.V. of die derde een provisie zal berekenen van vijf en twintig procent ( 25%) van de huuropbrengst.

3.3.9.

Naar het oordeel van het hof kan hieruit niet meer worden afgeleid dan dat de VvE bij de verhuur van de kavels (vrijwel exclusief; alleen voor verhuur aan familie geldt een uitzondering) enige zeggenschap heeft gekregen. Maar daarmee is nog niet gegeven dat de VvE op grond van deze akte gehouden is tot exploitatie van de kavels (verhuur) of de taak van bemiddeling op zich heeft genomen, nog minder dat zij een bedrijf gericht op bemiddeling bij de verhuur ten behoeve van de kaveleigenaren is gaan voeren.

Daaraan doet niet af dat de VvE zich bemoeid heeft met de exploitatie van de kavels doordat zij ten behoeve van haar leden betrokken is geweest bij de opdrachtverlening aan de beheerder. De VvE regelt de verhuur ten behoeve van de kaveleigenaren door het sluiten van een overeenkomst met de beheer en is in zoverre opdrachtgever, niet degene die het werk onder aanbesteedt.

Een bemiddelingstaak bij de verhuur volgt niet uit deze teksten, hooguit kan daaruit worden afgeleid dat de VvE betrokken is bij de verhuur aan een door een kaveleigenaar aangedragen huurder. Of en in hoeverre de VvE zeggenschap heeft over de verhuurvoorwaarden, in het bijzonder de huurprijs, blijkt niet. Uit de tekst valt niet veel meer aft te leiden dan dat de VvE enig zicht wil houden op orde en veiligheid op het park.

Evenmin blijkt uit de akte dat huurders steeds de huurbetalingen via de VvE of haar beheerder moeten doen. Rechtstreekse betaling aan de kaveleigenaar wordt door de tekst niet uitgesloten.

Uit deze teksten volgt ook geenszins dat de VvE op zich heeft genomen een bemiddelingsonderneming te gaan voeren. Van een bedoeling daartoe blijkt ook niet. Het beheer van het park is steeds, ook in het verleden, uitgevoerd door een beheerder. De beheerder is kennelijk, als service aan de kaveleigenaren, gaan bemiddelen bij de totstandkoming van de huurovereenkomsten en de uitvoering daarvan.

Ook de term beheer wijst niet in de richting van het voeren van een onderneming gericht op verhuur.

3.3.10.

De VvE heeft overgelegd de beheersovereenkomst van 9 september 2010 tussen de VvE en Beheer BV Parc [Parc] B.V. (WOM B.V.). De VvE wordt hierin aangeduid met VEP en Beheer BV met Beheer. Daarin staat opgenomen:

Overwegende dat:

(…)

b. VEP het beheer en de exploitatie van Parc [Parc] (zijnde verhuurbemiddeling) wenst uit te besteden aan Beheer (…)

(…)

Komen overeen als volgt:

1. Beheer/exploitatie

1.1.

VEP verleent Beheer het uitsluitende (onderstreping: hof) recht met ingang van 1 oktober 2009 op het beheer en de exploitatie van Parc [Parc] , zoals hieronder nader omschreven, hierna: de “Beheeractiviteiten”.

1.2.

De Beheeractiviteiten bevatten de volgende activiteiten:

- Onderhoud aan het park, zijnde het gezamenlijke bezit van de VEP op Parc [Parc]

- Alle verhuur van de op Parc [Parc] gelegen (te verhuren) objecten.

1.4.

Beheer kan zich laten bijstaan door een in te stellen “Begeleidingsgroep Beheer” (de “Begeleidingsgroep”), met maximaal zeven leden van verspreid over Parc [Parc] gevestigde kaveleigenaren, onder voorzitterschap van WOM-Nederland. (…)

Naar het oordeel van het hof – in het bijzonder volgend uit het woordje ‘uitsluitend’ – blijkt hier uit dat de verhuurbemiddeling in haar geheel is op- dan wel overgedragen aan de beheerder en daarmee geen deel uitmaakt van een bedrijfsvoering door de VvE. Daarmee kunnen de VvE en de beheerder niet ‘als een zekere eenheid’ beschouwd worden.

3.3.11.

Het hof voegt hier nog aan toe dat [geïntimeerde] goed op de hoogte was, althans geacht moet worden te zijn geweest, van de verhouding tussen de VvE en de beheerder. Hij heeft gebruik gemaakt van de diensten van de beheerder voor de bemiddeling bij de verhuur. Tegen deze achtergrond heeft hij niet, althans onvoldoende onderbouwd dat of welke bijzondere omstandigheden meebrengen dat de door [geïntimeerde] door toedoen van (de directeur van) de beheerder geleden schade voor risico van de VvE zou komen.

3.3.12.

Op grond van vorenstaande is het hof van oordeel dat in de verhouding van de VvE tot de beheerder artikel 6:171 BW toepassing mist. Grief 3 slaagt. Daarmee is tevens gegeven dat de andere grieven geen bespreking behoeven.

3.4.

Ingevolge de devolutieve werking van het appel dient het hof de overige stellingen en verweren van [geïntimeerde] alsnog te beoordelen.

3.4.1.

[geïntimeerde] heeft zich mede beroepen op ondeugdelijk controleren van de achtergrond van de beheerder en niet tijdig ageren tegen de beheerder door de VvE. De kantonrechter heeft deze stelling (deels) beoordeeld en afgewezen in de rechtsoverwegingen 2.7 en 2.8, waar is geoordeeld dat niet is gebleken dat de beheerder zijn zorgplicht niet is nagekomen en dat daardoor schade is ontstaan.

Het hof is van oordeel dat de stellingen dat er geen deugdelijke achtergrond-/integriteitscheck is uitgevoerd door de VvE, alvorens de beheerder in kwestie werd aangesteld en dat de VvE onvoldoende controle en toezicht heeft uitgeoefend onvoldoende zijn onderbouwd. In het bijzonder blijkt niet dat [geïntimeerde] in de betreffende periode bij de VvE concrete klachten heeft gepresenteerd. Bovendien is het causaal verband tussen dat onvoldoende toezicht en de schade niet, althans ontoereikend toegelicht. Het beroep op persberichten, die voor zover negatief, dateren van na mei 2011, volstaat niet. Zo wordt niet onderbouwd dat bij beter beheer of meer controle de inboedel niet zou zijn verdwenen en er geen elektriciteit zou zijn ontvreemd. De omstandigheden waaronder deze feiten zich hebben voorgedaan zijn niet nader onderbouwd.

[geïntimeerde] stelt ook niet dat de VvE is betrokken geweest bij de ontvreemding van inboedel en de diefstal van elektriciteit. Van een eigen onrechtmatige daad of een tekortschieten door de VvE anderszins, blijkt ook niet. Niet valt in te zien dat de VvE aansprakelijk is voor de onverhuurbaarheid van de huisjes als gevolg van het verdwijnen van de inboedel. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de eigenaar van een kavel de huisjes in verhuurbare staat te houden.

3.5.

[geïntimeerde] heeft nog een bewijsaanbod gedaan. Nu hij evenwel geen feiten heeft gesteld die, mits bewezen, tot een ander kunnen leiden, komt het hof niet aan een bewijsfase toe. De conclusie is dan de incidentele grieven van [geïntimeerde] falen en dat zijn vorderingen in reconventie dienen te worden afgewezen, en dat de vordering in conventie als onbetwist dient te worden toegewezen met afwijzing van het beroep op verrekening.

3.6.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zien slechts deels op vorderingen terzake waarvan [geïntimeerde] op of na 1 juli 2012 in verzuim is geraakt. Het hof zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voor-werk II. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden meer hebben omvat dat de verzending van een enkele (eventueel) herhaalde aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

3.7.

[geïntimeerde] wordt in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de VvE zullen worden vastgesteld op € 923,- aan griffierecht en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief 4,5 punten x € 250,00 = € 1.125,00. De dagvaarding in eerste aanleg vermeldt geen explootkosten, zodat deze niet kunnen worden toegewezen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de VvE zullen worden vastgesteld op € 95,82 aan explootkosten, € 711,00 griffierecht en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief 2 punten x € 632,00 = € 1.264,00.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

in conventie en in reconventie

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 7.126,31 aan de VvE, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2007, 2008, 2009, 2011, 2011, 2012 en 2013 (over de helft van bedragen genoemd in bijlage 1 bij de inleidende dagvaarding) tot de dag der voldoening;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de VvE op

€ 923,00 aan griffierecht in eerste aanleg

€ 1.125,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg

€ 95,82 aan dagvaardingskosten

€ 711,00 aan griffierecht in hoger beroep

€ 1.264,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

en verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, P.M.A. de Groot-van Dijken en M.E. Smorenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 februari 2017.

griffier rolraadsheer