Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:6040

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
16-08-2019
Zaaknummer
200.179.629_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:3031
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tweede tussenbeschikking in een zaak betreffende gezag en omgang (eerste beschikking is gegeven op 23 juni 2016)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 juli 2017

Zaaknummer: 200.179.629/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/04/123065 / FA RK 13-641

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.H.M. Verstraten,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.H.M. Handring (voorheen: mr. S.H.J. van der Linden).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: Zuidoost Nederland, locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 23 juni 2016

Bij die beschikking heeft het hof, voor zover hier van belang:

  • -

    partijen verwezen naar de Mutsaersstichting voor het traject Begeleide Omgangsregeling (BOR), met daarbij ook begeleiding van het ouderschap;

  • -

    bepaald dat de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , (hierna: [minderjarige] ) voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden onder begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR-traject), waarbij de invulling wordt overgelaten aan de Mutsaersstichting;

Het hof heeft daartoe overwogen: “Nu beide partijen zich bereid hebben verklaard nogmaals onder professionele begeleiding bij de Mutsaersstichting het traject Begeleide Omgangsregeling (BOR) in te gaan teneinde het contact tussen de vader en [minderjarige] te bewerkstellingen en de onderlinge verhouding tussen de ouders te verbeteren, zal het hof de beslissing inzake de verzoeken van de vader ten aanzien van de omgang met [minderjarige] en het gezamenlijk ouderlijk gezag aanhouden tot pro forma 8 december 2016, in afwachting van de uitkomst van het BOR-traject.”

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Verstraten;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Handring;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

6.2.

Het hof heeft – in aanvulling op de stukken die ten tijde van de beschikking van 23 juni 2016 onderdeel uitmaakten van het dossier – voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier d.d. 21 februari 2017 van mr. Handring dat zij de zaak overneemt van mr. Van der Linden;

  • -

    de brief van de Mutsaersstichting d.d. 9 maart 2017 met bijgevoegd het eindverslag van de Mutsaersstichting van 13 februari 2017, ondertekend op 15 februari 2017, (hierna: het eindverslag);

  • -

    het V-formulier met brief van de advocaat van de vader d.d. 13 maart 2017;

  • -

    de brief van de Mutsaersstichting d.d. 17 maart 2017 met bijgevoegd een bijlage bij het eindverslag, te weten de reactie van de zijde van de vader op het eindverslag;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de vader d.d. 15 mei 2017.

6.3.

Bij V-formulier van 7 juli 2017 met brief heeft de advocaat van de vader een afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] met een latere vermelding betreffende erkenning aan het hof overgelegd. Uit de latere vermelding blijkt dat de vader [minderjarige] op 6 juli 2017 heeft erkend.

7 De verdere beoordeling

7.1.

In het eindverslag van de Mutsaersstichting wordt het volgende vermeld.

De begeleide omgang is niet gestart. Uit de intakegesprekken met de ouders kwamen signalen van onrust en onveiligheid naar voren. Deze signalen zijn door de geconsulteerde partijen (politie, veiligheidshuis, gezinscoach, school en advocaat van de moeder) niet bevestigd. De Mutsaersstichting heeft vervolgens intern geconstateerd dat niet aan de voorwaarden voor BOR is voldaan. De Mutsaersstichting verwacht van de ouders dat er zes maanden geen signalen van onveiligheid komen, waarna met de begeleide omgang kan worden gestart. Dit heeft de Mutsaersstichting echter niet met de ouders kunnen bespreken. Het is niet gelukt afspraken met hen in te plannen.

De Mutsaersstichting concludeert dat de situatie nog steeds onrustig is en dat het perspectief voor BOR onduidelijk is. Zij heeft besloten het dossier te sluiten, daarbij opmerkend dat een nieuwe aanmelding nog kan plaatsvinden.

De Mutsaersstichting vermeldt verder dat de school van [minderjarige] in oktober 2016 heeft gemeld dat [minderjarige] last heeft van concentratiemoeilijkheden en onrustig gedrag. De moeder herkent dit beeld. Het is een aanwijzing voor een vergrote kwetsbaarheid van [minderjarige] .

7.2.

De vader voert in zijn reactie op het eindverslag het volgende aan.

De vader is steeds correct aanwezig geweest bij alle gesprekken die werden gepland. Hij is, in tegenstelling tot wat het eindverslag vermeldt, ook steeds bereikbaar geweest voor de Mutsaersstichting, die bekend was met het feit dat hij is gedetineerd. Vanwege zijn detentie kan hij niet te allen tijde telefonisch contact onderhouden. Brieven zijn steeds in goede orde ontvangen. De moeder heeft vanaf het begin getracht het BOR traject te frustreren. Gesprekken werden door haar steeds afgezegd dan wel uitgesteld en zij blijft steeds ongefundeerde uitspraken en beschuldigingen uiten jegens de vader. Door de opstelling van de moeder zal er nimmer een half jaar rust gecreëerd kunnen worden. Dit terwijl de signalen van onveiligheid bij navraag niet door de instanties worden bevestigd.

De vader wenst dat het BOR traject alsnog aanvangt. Hij wil graag contact met [minderjarige] , hetgeen steeds wordt tegengewerkt.

7.3.

De ouders hebben ter zitting bij het hof hun standpunten nader toegelicht.

7.4.

De raad heeft het hof geadviseerd de vader niet mede met het gezag over [minderjarige] te belasten. De raad ziet hier, in het belang van [minderjarige] , nog altijd geen mogelijkheden toe.

Wat de omgang tussen de vader en [minderjarige] betreft heeft de raad aangeboden een aanvullend onderzoek te doen. Zo nodig zal de raad dit onderzoek uitbreiden naar een beschermingsonderzoek. De raad maakt zich –los van de vraag hoe de moeder het doet- zorgen over [minderjarige] . Het feit dat de school – blijkens het eindverslag van de Mutsaersstichting – in oktober 2016 heeft gemeld dat [minderjarige] last heeft van concentratiemoeilijkheden en onrustig gedrag, wijst erop dat [minderjarige] zich in een lastige positie bevindt. Na hetgeen de raad ter zitting bij het hof heeft gehoord, maakt de raad zich nog meer zorgen. De huidige situatie kan [minderjarige] niet onberoerd laten.

7.5.

Het hof overweegt als volgt.

Gezag

7.6.

Het hof is met de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat het belang van [minderjarige] er zich tegen verzet dat de vader mede met het gezag over [minderjarige] wordt belast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de ouders nog altijd niet met elkaar kunnen communiceren. De situatie tussen de ouders lijkt alleen nog maar meer verhard. Dit heeft zijn weerslag op het welzijn van [minderjarige] .

Omgang

7.7.

Het hof acht zich – mede gezien de door de Mutsaersstichting en de raad geuite zorgen over [minderjarige] – op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over de omgang tussen [minderjarige] en de vader. Het hof zal de raad verzoeken om een aanvullend onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:

  1. Welke omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?

  2. Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

  3. Zijn er contra-indicaties voor omgang, en zo ja, welke?

  4. In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen: hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

  5. Is hulpverlening nodig, zo ja, met welk doel?

  6. Is een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel nodig?

7.8.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak, wat de omgang tussen de vader en [minderjarige] betreft, vier maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

Conclusie

7.9.

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen wat betreft de afwijzing van het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten. Het hof zal iedere verdere beslissing pro forma aanhouden tot 20 november 2017.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 september 2015, voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten;

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 7.7. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 20 november 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, H. van Winkel en M.L.F.J. Schyns en is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.