Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:6014

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
20-000311-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000311-16

Uitspraak : 24 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-800163-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de inhoud van de ‘akte rechtsmiddel’ d.d. 4 februari 2016 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is naderhand niet beperkt door een partiële intrekking.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat er voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal derhalve de verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, zal bevestigen.

De raadsman van verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

3.
hij op of omstreeks 13 februari 2014, te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 33.500 euro en/of 1.609,40 euro, althans een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een geldbedrag van 33.500 euro en/of 1.609,40 euro, althans een geldbedrag, was en/of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een geldbedrag van 33.500 euro en/of 1.609,40 euro, althans een geldbedrag, voorhanden had en/of heeft verworven en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemd voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.
hij op 13 februari 2014, te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 33.500 euro voorhanden had terwijl hij wist dat voornoemd voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

1. Het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 56), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 13 februari (het hof: begrijpt) 2014, waren wij verbalisanten, ter plaatse aan de [adres 2] te Rijen. Ter plaatse werd verdachte [verdachte] aangehouden. Er werd vastgesteld dat [verdachte] een bedrijfsauto bij zich had met kenteken [kenteken] . Hij overhandigde de sleutel van die auto. Op de passagiersstoel lag onder een jas een gele plastic zak met het opschrift Jumbo. In de plastic tas zat een wit diepvriesbakje met blauw deksel. Toen wij dit bakje openden zagen wij gebundelde bankbiljetten van verschillende coupures. Na telling bleek dit in totaal € 33.500,-.

2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 februari 2014 (dossierpagina’s 316-326), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

(p. 318)

Ik ben vanochtend 13 februari (het hof begrijpt) 2014 opgehaald door een kennis, waarvan ik de naam niet wil noemen. Hij was erg gestrest. Ik ben opgehaald vlak voor mijn woning. Ik laat mij door hem nooit voor mijn woning ophalen omdat ik weet dat hij niet altijd nette dingen doet.

(p. 319)

Onderweg in de auto werd hij gebeld en werd hij nog meer gestrest. Hij vroeg mij of ik op de carpoolplek bij Gilze-Rijen een zak met geld aan ene [naam 1] , af wilde geven. Ik zou daar van hem € 1.000,- voor krijgen. Ik moest om 13.00 uur op die carpoolplek staan. Die kennis van mij verliet in Dongen de auto en ik nam de auto toen van hem over. Tijdens het rijden heb ik in de zak gekeken en zag ik dat er veel geld in zat.

Het was een gele plastic zak, van de Jumbo. In de tas zat een trommeltje, blauw-wit volgens mij. Ik heb meer aandacht aan de inhoud besteed. Er zat echt geld in. Duizenden euro’s gok ik. Ik zag stapeltjes zitten. Ik kreeg natuurlijk niet voor niks die € 1.000,- van hem. Ik gok dat het rond de € 15.000,- was. Ik vond dat niet zo gek, want dat is wel een beetje zoals ik hem ken. Ik weet dat hij dingen doet die niet helemaal officieel zijn.

Hij heeft mij verteld dat geld in de zak zat. Ik moest het geld aan [naam 1] afgeven, want hij kon het zelf niet doen. (p. 323)

Ik weet dat hij foute dingen doet. Ik kreeg daar € 1.000,- voor, dat is ook niet gewoon.

3. De door verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 januari 2016 afgelegde verklaring, luidende:

Ik heb geen vragen gesteld. Ik wilde het gewoon doen.

4. De door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 maart 2017 afgelegde verklaring, luidende:

De man die mij vroeg het geld aan [naam 1] af te leveren heet [naam 2] . Hij is een grote handelaar in illegaal vuurwerk. Ik heb in het verleden illegale zaken met hem gedaan.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde witwassen van een geldbedrag van € 33.500,-. De raadsman heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de mogelijke criminele afkomst van het geldbedrag en geen handelingen heeft verricht om de herkomst van het geld te verhullen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof is van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geldbedrag van

€ 33.500,-, dat zich in het plastic doosje in de Jumbo-tas bevond, afkomstig was van enig misdrijf. De verdachte heeft omtrent de herkomst van het geld verklaard dat hij het geld in opdracht van ene “ [naam 2] ” bij een derde (ene [naam 1] ) moest afleveren en dat hij wist dat deze [naam 2] verwikkeld was in illegale activiteiten en dat hij ‘niet voor niets” € 1.000,- kreeg als beloning. Dat verdachte op het moment van aanvaarden, toen hem kennelijk ook de

€ 1.000,- als beloning werd aangeboden, wellicht geen wetenschap had van het exacte geldbedrag in de plastic zak, zoals door de raadsman van verdachte wordt gesteld, doet hieraan niet af.

Ook het betoog van de raadsman dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte handelingen heeft verricht die geschikt en bestemd waren om de werkelijke aard of herkomst van het geld te verbergen of te verhullen, treft geen doel. Immers, voor een veroordeling van witwassen in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr, waar het gaat om het voorhanden hebben van voorwerpen (in dit geval een geldbedrag) afkomstig uit enig misdrijf, en dus niet afkomstig uit eigen misdrijf van verdachte, geldt niet het vereiste dat de verdachte enige verhullingshandeling heeft verricht.

Het hof verwerpt het verweer.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde witwassen de onderliggende criminaliteit wordt gefaciliteerd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 januari 2017, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder onherroepelijk tot gevangenisstraf is veroordeeld, hetgeen betekent dat verdachte een gewaarschuwd man was;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding om - anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd - geen taakstraf op te leggen doch een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk. Hierbij is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemening met zich meebrengt.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 33.500,- is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp betreft met betrekking tot welke het feit is begaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit geldbedrag niet aan verdachte toebehoorde, maar aan eerder genoemde [naam 2] , bekend van illegale zaken.

Gelet op het verzoek van deze [naam 2] en de daarbij in het vooruitzicht gestelde betaling aan verdachte kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de eigenaar bekend is met het gebruik of de bestemming in verband met het strafbaar feit.

Het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 1.000,- is vatbaar voor verbeurdverklaring nu gebleken is dat het geldbedrag toebehoort aan verdachte en in het geheel door middel van of uit de baten van het strafbare feit is verkregen.

Het hof zal daarom beide hiervoor genoemde geldbedragen verbeurd verklaren.

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van een geldbedrag van € 609,40, nu dit bedrag niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een geldbedrag van € 33.500,- alsmede een geldbedrag van € 1.000,-.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 609,40.

Aldus gewezen door:

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 24 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Zeeland West-Brabant, proces-verbaalnummer 2014031293, sluitingsdatum 8 april 2015, doorgenummerde pagina’s 1-422. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisant(en) en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.