Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5975

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
001054-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep is gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, gegeven ter terechtzitting. Namens de verdachte is, kort samengevat, betoogd dat verdachte niet het voorwaardelijk opzet op de dood heeft gehad en dat met het verschijnen van de rapporten van deskundigen betreffende de doodsoorzaak het verband tussen de mishandeling en de doodsoorzaak onvoldoende is komen vast te staan en dat daarmee de ernstige bezwaren zijn komen te vervallen voor het primaire en subsidiaire feit, met als gevolg dat de 12-jaarsgrond niet meer aanwezig is en de voorlopige hechtenis, nu deze alleen op de 12-jaarsgrond is gebaseerd, onmiddellijk dient te worden opgeheven.

Bij beschikking van 20-11-2017 hersteld door vervanging van zinsnede 'subsidiair zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend' door subsidiair zware mishandeling met voorbedachten rade de dood ten gevolge hebbende'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Bijzondere zaak, nummer: [nummer]

Parketnummer 1e aanleg: [nummer]

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van [datum] 2017, waarbij namens:

[naam verdachte]

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

thans verblijvende in [detentieadres]

hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van [datum] 2017, bij welke beslissing het verzoek tot opheffing van de aan [naam verdachte] opgelegde voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij namens verdachte tijdig beroep is aangetekend tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, gegeven ter terechtzitting.

Het hof heeft gezien een schriftelijke verklaring van verdachte, waarin deze kenbaar maakt dat hij niet op het hoger beroep wenst te worden gehoord.

Het hof heeft gehoord de raadsvrouwe van verdachte alsmede de advocaat-generaal.

Het hof heeft kennis genomen van het dossier.

Uit het dossier blijkt onder meer het volgende.

Verdachte en zijn medeverdachte wordt verweten het medeplegen van doodslag op

[slachtoffer], subsidiair zware mishandeling met voorbedachten rade de dood tot gevolg hebbende, meer subsidiair mishandeling de dood tot gevolg hebbende. Het primaire en subsidiaire verwijt betreffen strafbare feiten waar naar de wettelijke omschrijving twaalf jaar of meer gevangenisstraf op staat.

De rechtbank heeft bij zijn besluit tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis overwogen dat de ernstige bezwaren voor het primair tenlastegelegde zoals aangenomen in de bevelen tot gevangenhouding, en de 12-jaarsgrond nog onverkort aanwezig zijn.

Namens de verdachte is, kort samengevat, betoogd dat verdachte niet het voorwaardelijk opzet op de dood heeft gehad en dat met het verschijnen van de rapporten van deskundigen betreffende de doodsoorzaak het verband tussen de mishandeling en de doodsoorzaak onvoldoende is komen vast te staan en dat daarmee de ernstige bezwaren zijn komen te vervallen voor het primaire en subsidiaire feit, met als gevolg dat de 12-jaarsgrond niet meer aanwezig is en de voorlopige hechtenis, nu deze alleen op de 12-jaarsgrond is gebaseerd, onmiddellijk dient te worden opgeheven.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld onder verwijzing naar verschillende belastende getuigenverklaringen dat de ernstige bezwaren onverkort van kracht zijn.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft bekend dat hij samen met de medeverdachte op [datum delict] [naam], het slachtoffer, op de openbare weg voor het pool- en snookercentrum ‘[naam]’ aan de [adres] heeft mishandeld. Vast staat dat het slachtoffer kort nadien is overleden. Verdachte verklaart dat het door hem en zijn medeverdachte toegepaste geweld heeft bestaan uit het toedienen van enkele klappen. Verdachte erkent het slachtoffer te hebben geslagen en tussendoor mogelijk te hebben geschopt. Verdachte ontkent echter stellig te hebben geschopt nadat het slachtoffer op de grond was gezakt. Toen verdachte wegliep zou het slachtoffer nog rechtop hebben gestaan, half tegen het raam aan.

In het dossier bevinden zich verklaringen van getuigen die zeggen vanuit ‘[naam]’ waar zij op dat moment aan een biljartcompetitie deelnamen te hebben waargenomen dat het slachtoffer door verdachte en zijn medeverdachte is mishandeld en dat die mishandeling naast vuistslagen ook heeft bestaan uit schoppen.

De getuigen verklaren dat zij de vechtpartij goed hebben kunnen waarnemen, aangezien deze plaatsvond vlak voor de glazen pui, waartegen het slachtoffer op enig moment in elkaar is gezakt.

Nadat het slachtoffer in elkaar was gezakt, heeft een van de daders het slachtoffer nog geschopt. Getuige [naam] heeft het over “zeker één trap tegen de nek van [slachtoffer]”, waarbij hij naar de rechter zijde van zijn nek wijst. Getuige [naam] verklaart dat een van de daders “met zijn gebalde vuisten, linker en rechter hand, een stuk of 5 tot 6 keer op de borst en het hoofd” van het slachtoffer heeft geslagen en ook “ongeveer 3 tot 4 keer tegen het bovenlichaam en misschien het hoofd” van het slachtoffer “schopte, welke toen in elkaar gedoken op de grond lag. Ik denk dat die schoppen hard waren omdat die man met het zwarte jasje iedere keer met zijn vuisten en armen voor zijn hoofd in elkaar kromp op het moment dat hij op de grond lag”, aldus deze getuige.

Getuige [naam] verklaart: “Ik zag dat het slachtoffer in elkaar zakte. Terwijl het slachtoffer tegen het raam op de grond zat, zag ik dat deze van de langste man een schop kreeg. Ik hoorde het geluid van die schop boven de muziek uit.”. Getuige [naam] heeft het over een “trap voor zijn kop” op het moment dat het slachtoffer bezig was in elkaar te zakken nadat de andere dader het slachtoffer net een klap op de kaak heeft gegeven. De trap kwam “boven op het gezicht, een beetje naar links” terecht. “Hij ging al knock-out voordat hij die trap kreeg. Ik zag iemand in elkaar zakken en ik zag dat hij geslagen was. Ik dacht toen dat hij hierdoor knock-out zou gaan. Dit is op basis van mijn ervaring in de vechtsport. Door die manier van vallen zag ik dat [naam] knock-out zou gaan“, aldus getuige [naam]. Toen deze getuige naar buiten kwam, was het slachtoffer al niet meer bij kennis.

Getuige [naam], die als eerste buiten bij het slachtoffer was, zag dat de mond van het slachtoffer vol bloed was.

Hij heeft het slachtoffer daarom op zijn zij gelegd, om te voorkomen dat hij zou stikken. Het lichaam was gedraaid, hij lag gewrongen op de grond, aldus deze getuige.

Uit de verklaringen van deze getuigen kan niet anders dan worden afgeleid dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk niet alleen met forse vuistslagen is geslagen in en op het gezicht en tegen het hoofd, maar dat hij terwijl of nadat hij in elkaar zakte ook geschopt is, volgens een getuige ook tegen het hoofd.

Het hof realiseert zich dat het dossier ook verklaringen bevat van getuigen die anders verklaren, maar het is thans niet aan het hof om de verschillende verklaringen ten behoeve van het bewijs te wegen en een keuze te maken. Aan de orde is slechts de vraag of door verdachte zodanig geweld is toegepast dat een rechter die de zaak op een later moment inhoudelijk dient te beoordelen bij de selectie en waardering van het op dit moment voorhanden bewijs tot de conclusie zou kunnen komen dat sprake is geweest van doodslag subsidiair zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er voldoende ernstige bezwaren jegens verdachte bestaan ter zake van het hem onder primair en subsidiair gemaakte strafrechtelijk verwijt.

De vraag die vervolgens aan de orde is, is of de door de deskundigen opgemaakte rapporten met betrekking tot de mogelijke doodsoorzaak tot een ander voorlopig oordeel moeten leiden.

Over de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer heeft de deskundige [naam], arts en patholoog van het NFI, het volgende gerapporteerd:
“Bij sectie op het lichaam van [naam], [leeftijd] jaren oud geworden, wordt het overlijden verklaard door verwikkelingen van een subarachnoïdale bloeding (bloedophoping onder het spinnenwebvlies) ontstaan door een traumatische ruptuur van de arteria vertebralis rechts ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld aan het hoofd, de hals en de nek.

Daarnaast zijn er pre-existente vaatafwijkingen - vasculopathie (cysteuze mediadegeneratie van de aorta en degeneratie van de a. vertebralis met accumulatie van de zure mucopolysacchariden) vastgesteld sub B2. Bij dit beeld moet met name gedacht worden aan een genetische afwijking. Deze bevinding betekent tevens dat het zeer waarschijnlijk is dat de vaten makkelijker beschadigingen oplopen, mogelijk reeds bij een gering trauma.“

Deze conclusie wordt onderschreven door de deskundige prof. Dr. [naam], arts en patholoog van het NFI.

Bij de sectie zijn aan het hoofd en de hals/nek meerdere bloeduitstortingen vastgesteld.

Het NFI heeft een total body CT-scan in het Maastricht UMC+, unit forensische radiologie, laten uitvoeren. Blijkens het daarvan opgemaakte verslag zijn er geen fracturen aan de schedel of de kaak vastgesteld, noch aan de halswervelkolom. Wel is er in het brein subarachnoïdaal (rondom de hersenen) en intra-ventriculair (in de hersenkamers) bloed aangetroffen en verhoogde druk en inklemming.

Het hof leidt uit de rapportages betreffende de doodsoorzaak af dat het overlijden van het slachtoffer zeer wel verklaard kan worden uit het op het slachtoffer toegepaste geweld in combinatie met pre-existente vaatafwijkingen. De bevindingen van de deskundigen ook waar het betreft de aangetroffen kwetsuren bij het slachtoffer staan naar het oordeel van het hof vooralsnog niet haaks op de waarnemingen van de diverse getuigen zoals hiervoor aangehaald met betrekking tot het door verdachte en zijn medeverdachte op het slachtoffer toegepaste geweld. Een en ander brengt het hof tot de conclusie dat er sprake is van ernstige bezwaren jegens verdachte ter zake van het medeplegen van primair doodslag en subsidiair zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend.

Daaraan doet niet af de vermelding van de deskundigen dat mogelijk reeds bij een gering trauma het opgetreden letsel zou kunnen ontstaan.

Het hof wijst af het beroep.

Namens verdachte is een verzoek tot schorsing gedaan.

Zoals hierboven overwogen betreft het hier een zogenaamd 12-jaarsfeit waardoor bovendien de rechtsorde ernstig is geschokt. In een dergelijk geval is er slechts ruimte voor schorsing van de voorlopige hechtenis indien er sprake is van bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden waardoor het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis moet wijken voor het belang dat de verdachte heeft bij het in vrijheid afwachten van zijn berechting. Van dergelijke omstandigheden is het hof niet gebleken, weshalve het verzoek om schorsing zal worden afgewezen.

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Wijst af het hoger beroep.

Bevestigt de beslissing waarvan beroep.

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gedaan op 16 november 2017

door mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter, mr. F.J.M. Walstock en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. B. Yazi-Koçyilmaz griffier.

De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.

's-Hertogenbosch, 16 november 2017

Gezien d.d.

De directeur van P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 GEV