Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5928

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
20-000014-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994, dood door schuld. Dodelijk verkeersongeval te Wijk en Aalburg door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Verdachte (beginnend bestuurder) reed met de auto onder invloed van alcohol bij duisternis op een onverlichte weg. Hij is zonder zich voldoende te vergewissen of de rijbaan vrij was naar links uitgeweken, waarbij hij een op die weghelft bevindende jongeman niet heeft opgemerkt. Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte de jongeman tijdig had kunnen en moeten zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000014-16

Uitspraak : 22 december 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-821198-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te 's-Hertogenbosch op [geboortedatum] ,

wonende te [geboorteplaats] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde (overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, kort samengevat: schuldig aan een verkeersongeval met dodelijke afloop, terwijl de verdachte onder invloed van alcohol verkeerde). Tevens is de verdachte vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde (overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, kortweg: gevaarlijk rijgedrag).

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van de tweede subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 (kortweg: rijden onder invloed door een beginnend bestuurder), veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden ontzegd voor de duur van 2 jaren.

De verdediging heeft – naar het hof begrijpt – bepleit dat het hof overeenkomstig de rechtbank zal beslissen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

Primair:
hij op of omstreeks 31 augustus 2014 in de gemeente Aalburg, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Smart), daarmede rijdende over de weg, de Parallelweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door - bij duisternis en na het gebruik van alcoholhoudende drank - zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend met die personenauto te rijden, immers is/heeft hij, verdachte, aldaar - gelet op de wegsituatie en/of de aanwezigheid van fietsers/personen en/of de lichtgesteldheid en/of de door hem, verdachte, gevoerde verlichting - gereden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of is - zonder zich voldoende te vergewissen of de rijbaan vrij was - uitgeweken naar het - bezien vanuit zijn, verdachtes, rijrichting - linker gedeelte van de weg, althans heeft hij, verdachte, niet zoveel mogelijk rechts gehouden, waarbij hij niet, in elk geval te laat, een zich op die Parallelweg bevindende persoon, te weten de heer [slachtoffer] , heeft opgemerkt en/of waarbij hij, verdachte, de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en/of niet voldoende heeft (kunnen) verminderd/ verminderen waardoor, althans mede waardoor, een botsing/aanrijding is ontstaan tussen die personenauto en die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] werd gedood, althans zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dat deze ten gevolge daarvan (later) is overleden, zulks terwijl hij, verdachte, toen daar dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 265 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, althans terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij, verdachte, niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

subsidiair:
hij op of omstreeks 31 augustus 2014 in de gemeente Aalburg, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Smart), over de weg, de Parallelweg, bij duisternis en na het gebruik van alcoholhoudende drank, met dat motorrijtuig - gelet op de wegsituatie en/of de aanwezigheid van fietsers/personen en/of de lichtgesteldheid en/of de door hem, verdachte, gevoerde verlichting - heeft gereden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of is - zonder zich voldoende te vergewissen of de rijbaan vrij was - uitgeweken naar het - bezien vanuit zijn, verdachtes, rijrichting - linker gedeelte van de weg, althans heeft hij, verdachte, niet zoveel mogelijk rechts gehouden, waarbij hij niet, in elk geval te laat, een zich op die Parallelweg bevindende persoon, te weten de heer [slachtoffer] , heeft opgemerkt en/of waarbij hij, verdachte, de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en/of niet voldoende heeft (kunnen) verminderd/ verminderen, waardoor, althans mede waardoor, een botsing/aanrijding is ontstaan tussen die personenauto en die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] (dodelijk) letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

tweede subsidiair:
hij op of omstreeks 31 augustus 2014 in de gemeente Aalburg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 31 augustus 2014 in de gemeente Aalburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Smart), daarmede rijdende over de weg, de Parallelweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door - bij duisternis en na het gebruik van alcoholhoudende drank - aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend met die personenauto te rijden, immers is hij, verdachte, aldaar - gelet op de wegsituatie en/of de aanwezigheid van fietsers/personen en/of de lichtgesteldheid - zonder zich voldoende te vergewissen of de rijbaan vrij was - uitgeweken naar het - bezien vanuit zijn, verdachtes, rijrichting - linker gedeelte van de weg, waarbij hij niet een zich op die Parallelweg bevindende persoon, [slachtoffer] , heeft opgemerkt waardoor een aanrijding is ontstaan tussen die personenauto en die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dat deze ten gevolge daarvan is overleden, zulks terwijl hij, verdachte, toen daar dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 265 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft bepleit dat het hof overeenkomstig de rechtbank zal beslissen en de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs zal vrijspreken van het onder primair ten laste gelegde.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Op zondag 31 augustus 2014 omstreeks 01.46 uur heeft op de Parallelweg te Wijk en Aalburg , gemeente Aalburg, een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto, een Smart met kenteken [kenteken] , in aanrijding is gekomen met een persoon, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] (p. 36-41 en p. 100-101). De Smart werd bestuurd door verdachte (p. 127). Als gevolg van dit ongeval heeft het slachtoffer, [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel opgelopen ten gevolge waarvan hij dezelfde dag is overleden (p. 203-204).

Verdachte heeft op 31 augustus 2014 ten overstaan van de politie verklaard dat hij 60 kilometer per uur reed (p. 129). Die snelheid is conform de ter plaatse geldende maximumsnelheid (p. 36). Omdat verdachte aan de rechterkant van de weg twee kleine witte lampjes zag, waarvan hij vermoedde dat het fietsers waren, is verdachte naar links uitgeweken (p. 128). Hij heeft verklaard dat hij niets tegemoet zag komen en dat hij opeens een harde klap hoorde, glas voelde en toen heeft geremd (p. 129). Voorts heeft verdachte verklaard dat hij die avond (naar het hof begrijpt: alvorens de auto te besturen) alcohol heeft gedronken, te weten 7 à 8 bier, een mixdrankje Bacardi Ras en nog een fles bier (p. 127). Uit een ademanalyse-onderzoek, dat op 31 augustus 2014 om 03.22 uur aanving, ruim anderhalf uur na het ongeval, is vastgesteld dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 265 µg/l bedroeg (p. 47).

De bijrijder in de door verdachte bestuurde personenauto, getuige [getuige] , heeft op 31 augustus 2014 ten overstaan van de politie verklaard dat verdachte met gedimd licht ongeveer 40-50 kilometer per uur reed. Toen verdachte en hij twee witte lichtjes zagen is verdachte naar het midden van de weg uitgeweken. Andere stuurbewegingen van de auto heeft hij niet gezien of gevoeld. Er was voldoende licht van de auto om de weg te kunnen overzien (p. 70). De getuige heeft verklaard dat hij een fiets aan de linkerkant van de Parallelweg zag staan met een jongen rechts naast de fiets. De getuige zag dat de jongen stil stond. Vervolgens hoorde hij een klap, zag hij dat de voorruit van de auto kapot was en voelde hij dat er werd geremd. Toen hij uitstapte zag hij een jongen in de berm liggen. Ze stopten bij de jongens (het hof begrijpt: de jongens met “de twee witte lichtjes”), die aan de rechterkant van de weg stonden en die ze niet gepasseerd waren (p. 65). Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige diens verklaring bevestigd (verhoor d.d. 16 augustus 2017): “Het klopt dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) geen snelheid heeft geminderd.(…) Ik kan mij herinneren dat [verdachte] nadat ik die twee lichten had gezien naar links is uitgeweken. Ineens stond er iemand op de weg, naast een fiets. (…) Die persoon bleek later [slachtoffer] te zijn. (…) Hij stond vanuit onze richting gezien aan de linkerkant van de Parallelweg, waarbij zijn fiets nog meer links stond, dus dichterbij de linker berm dan hijzelf. Ik ben er zeker van dat ik [slachtoffer] niet heb zien bewegen. Ook vandaag herinner ik mij dat hij stil stond toen ik hem op de weg zag.

Uit het Proces-Verbaal Forensisch Onderzoek blijkt dat de voor het openbaar verkeer openstaande (verharde) Parallelweg, bestaand uit één rijbaan, bestemd voor verkeer in beide richtingen, op de plaats van het ongeval een recht wegverloop had, dat het weer ter plaatse ten tijde van het onderzoek, omstreeks 02.30 uur, helder en droog was en dat aldaar geen straatverlichting aanwezig was (p. 144-148). Het uitzicht door de voorruit van de Smart werd niet belemmerd door obstakels op de weg (p. 156) en op het wegdek zijn geen remsporen aangetroffen (p. na p. 148 en p. 168). De gehele linkerzijde van de voorruit en de linker koplamp van de Smart vertoonden breukschade (p. na 155 (p. 26 van 45 van het Proces-Verbaal Forensisch Onderzoek)). De gloeispiraal van de lamp van het dimlicht vertoonde sporen die erop duidden dat deze lamp licht uitstraalde ten tijde van het ongeval (p. 159). De fiets op de plaats van het ongeval had geen zichtbare aanrijdingschade (p. 156).

Gelet op de eindpositie van het slachtoffer en de positie en het verloop van schuifsporen in de linker berm van de Parallelweg en de sporen op de spijkerbroek van het slachtoffer is vastgesteld dat het passend is dat deze recent gevormde schuifsporen zijn veroorzaakt door het slachtoffer, die na de botsing met de personenauto werd weggeworpen.

Deze sporen en de schade waren passend bij het scenario dat de personenauto heeft gereden over de Parallelweg in de richting van het Lange Pad. Aan de hand van de contactsporen is vastgesteld dat het slachtoffer van de achterzijde werd aangereden door de linker voorzijde van de personenauto en dat de aangetroffen sporen en verklaringen passen bij het scenario dat het conflictpunt was gelegen in het midden en links van het midden op de Parallelweg, gezien vanaf de rijrichting van de personenauto (p. na 156 (p. 28 van 45 van het Proces-Verbaal Forensisch Onderzoek) en p. 157).

Voorts blijkt uit het Proces-Verbaal Reconstructie – waarbij drie personen van gemiddeld 76,7 kilo in de Smart met gedimd licht hebben plaatsgenomen – dat het slachtoffer vanuit de Smart voor de bestuurder waarneembaar was vanaf een afstand van 45 meter. Uitgaande van een langzame reactietijd en een langzame remvertraging was de personenauto bij een maximumsnelheid van 63 kilometer per uur binnen een afstand van 45 meter tot stilstand te brengen (p. 229).

Uit de aangetroffen situatie, de sporen, de eindpositie van en de schade aan de personenauto, wordt als vermoedelijke toedracht geconcludeerd dat de bestuurder van de personenauto heeft gereden over de Parallelweg te Wijk en Aalburg , komende uit de richting vanaf de Bosseweg en gaande in de richting van het Lange Pad, dat het slachtoffer rechts naast zijn fiets op de Parallelweg stond en dat de personenauto met de linker voorzijde tegen de achterzijde van het slachtoffer is gereden, waarna het slachtoffer door de kracht van de botsing is weggeworpen, schuifsporen zijn ontstaan en het slachtoffer in de linker berm is beland (p. na 163 (p. 42 van 45 van het Proces-Verbaal Forensisch Onderzoek)).

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden overweegt het hof als volgt.

De uit het forensisch onderzoek geconcludeerde toedracht vindt ondersteuning in de verklaring van bijrijder [getuige] , die heeft verklaard dat verdachte naar het midden van de weg is uitgeweken en dat hij, [getuige] , het slachtoffer vóór het ongeval rechts naast zijn fiets op de Parallelweg stil zag staan. Hieruit leidt het hof af dat derhalve geen sprake is geweest van een bewegend slachtoffer die plotseling op de Parallelweg tevoorschijn kwam.

Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen reden uit te gaan van andere uitgangspunten dan waar in het forensisch onderzoek van uit is gegaan.

Tegen de achtergrond van de verklaringen van de getuige [getuige] en verdachte en bij gebrek aan andersluidende informatie gaat het hof ervan uit dat verdachte zich heeft gehouden aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 kilometer per uur en voorts dat hij met gedimd licht reed. Uit het voorgaande leidt het hof evenwel, anders dan de rechtbank, af dat verdachte het slachtoffer had kunnen zien en dat hij de personenauto tijdig tot stilstand had kunnen brengen.

Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of verdachte op grond van het hiervoor overwogene een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en zo ja, in welke vorm.

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (primair ten laste gelegde)

Bij de beoordeling of verdachte van het ongeval een verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, dus of er op zijn minst genomen sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid, komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en de omstandigheden waaronder die overtreding(en) is/zijn begaan. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit het voorgaande stelt het hof vast dat verdachte als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol op een donkere, onverlichte weg een uitwijkmanoeuvre heeft uitgevoerd en zich daarbij onvoldoende heeft vergewist of de weghelft waar hij naar uitweek vrij was. Verdachte had het slachtoffer naar het oordeel van het hof onder de in de onderhavige zaak genoemde omstandigheden bij oplettend rijden zodanig tijdig kunnen en moeten opmerken, dat hij een aanrijding had kunnen voorkomen. Daarmee is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat het verkeersongeval ten gevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] is komen te overlijden aan verdachtes schuld is te wijten in de zin van de door artikel 6 van de Wegenverkeerswet minimaal vereiste mate van schuld. Tevens acht het hof de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel a, van deze wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Verdachte, een beginnend bestuurder, heeft zich op 31 augustus 2014 aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen door na het nuttigen van teveel alcoholhoudende drank te gaan autorijden en tijdens het rijden een bijzondere manoeuvre te verrichten zonder zich voldoende te vergewissen of dit kon, waarbij hij [slachtoffer] niet heeft opgemerkt. Als gevolg daarvan is hij met de door hem bestuurde personenauto in aanrijding gekomen met [slachtoffer] . [slachtoffer] is ten gevolge van deze aanrijding komen te overlijden. Het jonge slachtoffer – ten tijde van het ongeval 18 jaren oud – is daarmee zijn belangrijkste bezit, het leven, ontnomen. [slachtoffer] had de toekomst voor zich en daar is een streep doorgezet door het laakbare handelen van verdachte. Als gevolg van het handelen van verdachte is zeer groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, die zich geconfronteerd zien met de dood van hun dierbare. Dit is ook gebleken uit de slachtofferverklaringen die de ouders van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep hebben voorgelezen. De angst van elke ouder, het verliezen van een kind, is voor hen bewaarheid geworden. Het verdriet, het gemis, dat de ouders van [slachtoffer] , zijn naasten en zijn vrienden moeten voelen is vreselijk.

Voorts overweegt het hof dat misdrijven als de onderhavige in de maatschappij gevoelens van onrust, boosheid en onveiligheid teweegbrengen.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en met het oog op generale preventie, is het hof van oordeel dat in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 oktober 2017 is verdachte niet eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van het begaan van strafbare feiten. Voorts heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsrapport d.d. 16 november 2015. Uit dit rapport en uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het ongeval ook op verdachte een grote impact heeft gehad. Verdachte ziet het laakbare van zijn handelen in. Bovendien neemt het hof in overweging dat verdachte zal moeten leren leven met het gegeven dat hij door zijn schuld [slachtoffer] het leven heeft ontnomen. Verdachte heeft hiervoor psychologische hulp gezocht, zo blijkt uit het door de raadsman verstrekte behandelplan van Mentaal Beter van mei 2016.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het bewezen verklaarde voor de duur van 2 jaren aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Het hof ziet in het verhandelde ter zitting geen aanleiding om deze duur in te korten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Aldus gewezen door

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,

en op 22 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.