Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5906

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
200.181.435_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:2589, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen vergoedingsrecht voor ex-partner omdat niet kan worden vastgesteld dat betalingen ten behoeve van de (eenvoudige) gemeenschap zijn geschied ten laste van het privévermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2018/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.181.435/01

arrest van 19 december 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. I.K. Kolev te Hapert,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 januari 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/267230/HA ZA 13-596 gewezen vonnis van 15 april 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 19 januari 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 22 maart 2016;

  • -

    de memorie van grieven met eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties/eiswijziging.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn in 1990 gaan samenwonen. Op 20 juni 1997 zijn partijen een samenlevingsovereenkomst overeengekomen. De relatie van partijen is in 2012 geëindigd.

6.1.2.

Tussen partijen bestond een eenvoudige gemeenschap. Partijen bezaten twee polissen bij [levensverzekeringsmaatschappij] met de nummers [polisnummer 1] en [polisnummer 2] . Partijen waren beiden van beide polissen verzekeringnemer. De vrouw was de verzekerde op de polis [polisnummer 2] . De man was de verzekerde op polis [polisnummer 1] .

6.2.1.

De man heeft de vrouw bij dagvaarding van 8 augustus 2013 in rechte betrokken. Hij heeft, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd dat de rechtbank de vrouw gelast opdracht te geven aan de verzekeringsmaatschappij tot uitbetaling van de polissen met de nummers [polisnummer 1] en [polisnummer 2] en wel zo dat aan elk van partijen de helft van de uitbetaling toekomt en dat aandeel rechtstreeks op de privérekeningen van partijen wordt uitgekeerd, op straffe van een dwangsom.

6.2.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

6.2.3.

Tussen partijen was in geschil of partijen ieder recht hebben op de helft van de waarde van de polissen dan wel naar rato van ieders bijdrage aan de premiebetalingen.

De rechtbank heeft overwogen dat op grond van art. 3:166 lid 2 BW de aandelen van deelgenoten in een gemeenschap gelijk zijn, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Het enkele feit dat sprake is van ongelijkheid in financiering leidt er niet toe dat uit de rechtsverhouding van partijen voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. Gesteld noch gebleken is dat partijen afspraken hadden gemaakt over de grootte van hun aandeel in de polissen en daarmee de grootte van hun aanspraak in de waarde daarvan. De hoogte van de premie-inleg is een vrije keuze van partijen geweest.

Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid brengen niet mee dat van een afwijkende wijze van verdeling van de waarde van de polissen moet worden uitgegaan, omdat daarvoor volgens de rechtbank onvoldoende grond bestaat.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de polis met nummer [polisnummer 1] moet worden afgekocht en de opbrengst hiervan bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. De polis met nummer [polisnummer 2] zal door de vrouw worden voortgezet. Het aandeel van de man hierin is aan de vrouw toegedeeld, waarbij de vrouw de helft van de waarde per de datum van de wijziging van de tenaamstelling van de polis aan de man moet vergoeden.

De rechtbank heeft ten slotte de proceskosten gecompenseerd.

6.3.1.

De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. Zij heeft daartoe één grief aangevoerd. Ook heeft zij daarbij een “wijziging van eis” ingediend. Zij vordert in hoger beroep:

  • -

    vernietiging van het bestreden vonnis;

  • -

    veroordeling van de man om aan haar te voldoen een bedrag van € 9.214,04 als vergoeding van het bedrag dat uit haar privémiddelen voor de verkrijging van de polissen is besteed, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van feitelijke verdeling van de eenvoudige gemeenschap.

De vrouw betoogt met haar grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de waarde van de twee beleggingsverzekeringen bij helfte moet worden verdeeld. Ten onrechte is geen rekening gehouden met hetgeen ten laste van het privévermogen van de vrouw is besteed aan de premiebetalingen voor beide polissen.

De vrouw heeft voor de verkrijging van het opgebouwd vermogen uit de polissen meer uit privémiddelen bijgedragen dan de man. Voor de polis met nummer [polisnummer 1] heeft de zij 8,7% (en de man 91,3%) van de maandpremie (€ 68,06 waarvan € 5,90 door vrouw en € 62,16 door man) voldaan. Voor de polis met nummer [polisnummer 2] heeft de vrouw 95,4% (en de man 4,6%) van de maandpremie (€ 136,13 waarvan € 117,96 door vrouw en € 8,17 door man) voldaan.

Door partijen is in totaal € 56.868,36 aan premies voldaan, waarvan € 37.646,82 door de vrouw en € 19.118,73 door de man. De vrouw heeft derhalve € 18.428,09 meer aan premies betaald dan de man. De vrouw vordert thans veroordeling van de man tot betaling van de helft van dit bedrag (€ 9.214,04) aan haar.

De vrouw heeft de betalingen tot medio 1998 gedaan ten laste van haar inkomen uit arbeid. Nadien zijn deze betalingen voldaan ten laste van de aan haar door de belastingdienst betaalde bedragen aan heffingskorting. De man heeft de premies voldaan uit zijn inkomen uit arbeid.

6.3.2.

De man heeft de grief bestreden. De man heeft hiertoe het volgende – kort samengevat – aangevoerd:

  • -

    de man betwist dat de vrouw in totaal een bedrag van € 37.646,82 van haar privérekening heeft voldaan ten behoeve van de premies voor de polissen;

  • -

    haar privérekening werd slechts tot 1999 gevoed door haar salaris en nadien enkel met middelen die de vrouw verkreeg vanwege (het inkomen van) de man;

  • -

    de polissen waren verpand aan de hypotheekverstrekker. De premies maakten dus deel uit van de woonlasten en moeten daarom worden aangemerkt als kosten van de huishouding;

  • -

    de vrouw heeft geen financiële stukken overgelegd zodat niet kan worden vastgesteld of zij een vergoedingsrecht heeft en wat de omvang daarvan zou zijn;

  • -

    er bestaat geen rechtsgrond voor een vergoedingsrecht: de samenlevingsovereenkomst van partijen bepaalt daar niets over en het beroep van de vrouw op het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006 (NJ 2007, 395) kan niet slagen, omdat in onderhavige zaak sprake is van ongehuwd samenlevers. Het ligt niet voor de hand dat voor samenlevers – wanneer zij gedurende de betrekkelijk lange duur van de samenwoning in ongelijke mate bijdragen aan de lopende bestedingen – sprake is van verrekeningsaanspraken/vergoedingsrechten ten gunste van de ene partner voor “te veel” betaalde premies;

  • -

    vanwege fiscale redenen is de premie gesplitst en bestaat deze uit ongelijke delen;

  • -

    als al sprake zou zijn van een vergoedingsrecht ten gunste van de vrouw, dan is sprake van verjaring ex art. 3:307 BW in die zin dat de vordering van de vrouw niet verder dan tot 31 mei 2011 kan teruggaan. In die periode had de vrouw niet de beschikking over “eigen” inkomen.

6.4.

Het hof is van oordeel dat de grief niet kan slagen en overweegt daartoe als volgt.

6.4.1.

Bij de beoordeling van de grief stelt het hof het volgende voorop.

In het arrest van 21 april 2006 (NJ 2007, 395) heeft de Hoge Raad over de eenvoudige gemeenschap als volgt geoordeeld:

“Wanneer echtgenoten gezamenlijk een goed in eigendom verkrijgen en met betrekking tot dat goed een bijzondere gemeenschap tussen hen ontstaat, is dat goed in beginsel voor rekening en risico van beide echtgenoten naar verhouding van hun aandeel in de aldus ontstane gemeenschap met betrekking tot dat goed.

Uit art. 3:166 lid 2 vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privé-vermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. Wel heeft bij verdeling van die gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privé-vermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Niet geheel uitgesloten is, dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt (HR 10 januari 1992, nr. 14631, NJ 1992, 651) maar het onderhavige geval biedt - naar tussen partijen ook niet in geschil is - hiervoor geen grond. Hetgeen na aftrek van het totaal van die vergoedingen van de waarde of, bij vervreemding, van de opbrengst van het goed resteert, komt iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap - en dus niet naar evenredigheid van hetgeen hij ten behoeve van de verkrijging heeft besteed uit zijn privé-vermogen - toe.”

Nu dit arrest betrekking heeft op de eenvoudige gemeenschap, die zowel door gehuwden als door ongehuwde samenlevers – waarvan in deze zaak sprake is – kan worden gevormd, is de rechtsregel die uit dit arrest voortvloeit, ook van kracht in onderhavig geschil.

6.4.2.

Het gaat er derhalve om of de vrouw recht heeft op vergoeding door de gemeenschap van (de helft van) het bedrag dat zij uit haar privévermogen heeft besteed voor de verkrijging van de waarde van polissen.

Daartoe dient allereerst te worden vastgesteld, nu de man dit heeft betwist, dat de vrouw ten laste van haar privévermogen de gestelde premiebetalingen heeft voldaan. Naar het oordeel van het hof kan dit niet worden vastgesteld. De vrouw heeft, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, nagelaten te onderbouwen dat de door haar gestelde betalingen zijn geschied ten laste van een privérekening van haar, waarbij het hof met het begrip “privérekening” doelt op een bankrekening waarvan tot het saldo enkel de vrouw gerechtigd is. Bescheiden waaruit dit blijkt ontbreken immers in beide instanties.

Daarbij klemt te meer dat niet in geschil is dat de privérekening van de vrouw sinds 1999 niet meer werd gevoed door inkomen en vermogen dat door haar zelf was gegenereerd, maar slechts met door de belastingdienst aan haar uitbetaalde bedragen aan heffingskortingen die gerelateerd moeten worden geacht aan het door de man gegenereerde inkomen.

Sinds 1999 hebben dus geen betalingen ten laste van haar privévermogen kunnen plaatsvinden en de vrouw heeft niet met verificatoire stukken onderbouwd dat dit in de periode vanaf 1991 (het afsluiten van de beleggingsverzekeringen) tot en met 1998 wel is geschied.

6.4.3.

Gelet op het voorgaande kan het hof niet vaststellen dat de vrouw recht heeft op vergoeding door de gemeenschap van (een gedeelte van) het bedrag dat zij uit haar privé-vermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Reeds hierom faalt de grief van de vrouw en kan bespreking van de andere betwistingen en verweren door de man achterwege blijven. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

Proceskosten

6.5.

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo art. 353 Rv (partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partijen de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt, voor zover aan het oordeel van het hof onderhevig, het bestreden vonnis van 15 april 2015 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 december 2017.

griffier rolraadsheer