Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5902

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
200.191.885_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht;

Bindend advies taxatieverklaring woning;

Gebruiksvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2018/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 december 2017

Zaaknummer: 200.191.885/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/210649 / FA RK 15-2974

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.W.C. Vranken, voorheen mr. F.H. Kuiper,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.F.A.D.C. Tjalma.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 februari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met de producties 1 tot en met 5, ingekomen ter griffie op 23 mei 2016, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) aan de vrouw is toegedeeld tegen een waarde van € 270.000,-- en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

  • -

    het bindend advies, bestaande uit de taxatieverklaring van registermakelaar-taxateur [registermakelaar-taxateur] , zal worden vernietigd en de woning zal worden getaxeerd middels een taxatierapport tegen een waarde hoger dan € 270.000,--, dan wel een waardebepaling te realiseren als door het hof te bepalen;

  • -

    de vrouw aan de man met ingang van 1 januari 2016 een gebruiksvergoeding verschuldigd is ter hoogte van € 325,-- per maand, dan wel ter hoogte van een bedrag en met ingang van een datum als door het hof te bepalen.

2.2.

Op 17 juni 2016 is het procesdossier in eerste aanleg ingekomen ter griffie.

2.3.

Bij verweerschrift met de producties 1 tot en met 6, ingekomen ter griffie op 27 juli 2016, heeft de vrouw verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen, met bekrachtiging van de beschikking en de man te veroordelen in de proceskosten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. Vrancken namens de man;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Tjalma.

2.4.1.

De man is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V5-formulier van de advocaat van de man d.d. 23 mei 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 24 mei 2017;

  • -

    het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 21 juli 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 11 juni 1993 te Gulpen na het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd, waarbij zij elke gemeenschap van goederen hebben uitgesloten.

3.2.1.

Op 4 november 2014 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.2.2.

Bij beschikking van 30 december 2015 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, daarop de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 14 januari 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.3.

Voorts is bij voormelde echtscheidingsbeschikking – voor zover thans van belang – de beslissing ten aanzien van de woning aangehouden in afwachting van bericht van partijen, zoals in die beschikking onder het kopje ‘Echtelijke woning’ is overwogen.

3.3.

Bij de bestreden eindbeschikking van 22 februari 2016, heeft de rechtbank:

  • -

    de woning toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 270.000,-- en daarbij bepaald dat de vrouw de helft van deze waarde, zijnde € 135.000,--, aan de man dient te betalen op het moment dat het transport van deze woning via de notaris aan de vrouw plaatsvindt;

  • -

    de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4.

De man kan zich (op onderdelen) met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De man heeft een grief gericht tegen de waarde waartegen de woning aan de vrouw is toegedeeld. Voorts heeft de man verzocht tot vaststelling van een gebruiksvergoeding. Het hof zal in het hiernavolgende daar nader op ingaan.

3.6.

De woning

3.6.1.

Grief 1 van de man keert zich tegen de beslissing van de rechtbank om conform de taxatieverklaring van de makelaar de woning aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van € 270.000,--. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

De man is het niet eens met de door de makelaar vastgestelde waarde van de woning en is van mening dat de taxatieverklaring van de makelaar, waarvan partijen hadden afgesproken dat dit advies voor hen bindend zou zijn, op grond van het bepaalde in art. 7:904 BW vernietigd moet worden.

Allereerst bevat de taxatieverklaring op geen enkele wijze een onderbouwing of motivering voor de door de makelaar vastgestelde waarde van de woning en niet kan worden nagegaan op welke gronden de makelaar tot die waarde is gekomen. De taxatieverklaring is dan ook niet deugdelijk c.q. gebrekkig tot stand gekomen en dient om die reden te worden vernietigd. Ten tweede is de door de makelaar vastgestelde waarde veel te laag. Gebondenheid aan de waardebepaling zou – zoals art. 7:904 lid 1 BW het bepaalt – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan ook onaanvaardbaar zijn. De man wordt door deze te lage waardebepaling onevenredig in zijn belangen geschaad. De makelaar had nimmer tot deze waardebepaling mogen komen. Derhalve dient er een nieuwe waardebepaling te worden opgesteld, bij voorkeur middels een uitgebreid taxatierapport.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man bij wijze van vermeerdering van zijn verzoek verzocht om de woning opnieuw te laten taxeren, ongeacht de vraag of de bindende kracht van de onderhavige taxatieverklaring kan worden aangetast.

3.6.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Het is de man geweest die uitdrukkelijk een waardeverklaring wenste en geen taxatierapport. Dit omdat een waardeverklaring goedkoper was. Het kan best zijn dat de man het niet eens is met de door de makelaar vastgestelde waarde van de woning, maar niet vergeten dient te worden dat beide partijen zelf uitdrukkelijk ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg met elkaar zijn overeengekomen dat de te benaderen makelaar een bindend advies zou uitbrengen waaraan beide partijen gebonden zouden zijn. Niet valt in te zien waarom de gebondenheid aan de waardebepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat de door de makelaar vastgestelde waarde volgens de man te laag is, wil nog niet zeggen dat daarom de waardeverklaring niet juist is. Bovendien heeft de man zijn stelling ten aanzien van de waarde van de woning in het geheel niet onderbouwd. Geen enkel bescheid is er zijdens de man ter zake van de door hem gestelde waarde overgelegd.

3.6.3.

Het hof overweegt als volgt.

3.6.3.1. De vermeerdering van verzoek met betrekking tot het opnieuw laten taxeren van de woning ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is in strijd met de twee-conclusie-regel. Van uitzonderingen daarop is niet gebleken, zodat het hof met beoordeling van grief 1 zal volstaan.

3.6.3.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad – zoals door de Hoge Raad samengevat in zijn arrest van 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0727 – kan ingevolge art. 7:904 lid 1 BW de bindende kracht van een advies door een betrokken partij worden aangetast indien gebondenheid hieraan in verband met inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze strikte maatstaf brengt mee dat een partij bij een bindend advies niet elke onjuistheid in het advies kan inroepen teneinde de bindende kracht daarvan aan te tasten, doch zulks slechts hierop kan gronden dat het advies uit hoofde van zijn inhoud of wijze van totstandkoming zo zeer indruist tegen redelijkheid en billijkheid dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat zij aan dit advies zou kunnen worden gehouden (vgl. HR 25 maart 1994, LJN ZC1311, NJ 1995/23). Alleen ernstige gebreken kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de wederpartij te houden aan de door een bindend adviseur in opdracht van partijen gegeven beslissing (vgl. HR 22 december 2009, LJN BK3585, NJ 2010/18). Voorts bindt de vaststelling partijen ook voor zover zij leidt tot een rechtstoestand die afwijkt van die welke tussen hen zou hebben bestaan indien zij geen regeling zouden hebben getroffen (vgl. HR 12 september 1997, LJN ZC2427, NJ 1998/382). Indien bij de totstandkoming van een bindend advies procedurele fouten zijn gemaakt, is voor de beantwoording van de vraag of een partij haar wederpartij aan een bindend advies mag houden, mede van belang of, en zo ja in welke mate, door de procedurefout nadeel aan de wederpartij is toegebracht (vgl. HR 20 mei 2005, LJN AS5890, NJ 2007/114).

3.6.3.3. Op grond van art. 150 Rv is het aan de man om te stellen en zo nodig te bewijzen dat er, kort weergegeven, ernstige gebreken zijn in de inhoud van de taxatieverklaring of de wijze van totstandkoming daarvan als hiervoor nader omschreven.

Het hof stelt voorop dat de man niet, althans onvoldoende, de stelling van de vrouw heeft betwist dat partijen, in verband met de kosten, gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan de makelaar tot het opstellen van een taxatieverklaring, waarin slechts de verwachte verkoopwaarde en het vraagprijsadvies van de woning wordt aangegeven, en niet tot het opstellen van een taxatierapport dat, in tegenstelling tot een taxatieverklaring een volledig en uitgebreid rapport is waarin de waarde van een woning wordt vastgelegd, de waardebepalende eigenschappen van de woning uitgebreid worden omschreven en de waarde van de woning wordt afgezet tegen de waarden van vergelijkbare panden in de buurt. Uit de benaming en inhoud van de overgelegde taxatieverklaring blijkt evenmin dat opdracht is gegeven tot een uitgebreid taxatierapport in boven omschreven zin.

In dat licht bezien is de enkele bewering dat de door de makelaar vastgestelde waarde van de woning veel te laag is en de taxatieverklaring op geen enkele wijze een onderbouwing of motivering bevat voor die waarde, ontoereikend om te oordelen dat de inhoud of wijze van totstandkoming van de taxatieverklaring zo gebrekkig is dat het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man niet aan deze bindende taxatieverklaring kan worden gehouden. Mitsdien faalt de grief van de man.

3.7.

Gebruiksvergoeding

3.7.1.

De man verzoekt ter zake van de aan beide partijen in eigendom toebehorende woning een met ingang van 1 januari 2016 door de vrouw aan hem te betalen gebruiksvergoeding vast te stellen van € 325,-- per maand.

3.7.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt zich, kort weergegeven, op het standpunt dat het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding moet worden afgewezen nu de man zijn verzoek dienaangaande, alsmede de hoogte van de door hem verzochte gebruiksvergoeding niet heeft onderbouwd. De man mist in het geheel niet het woongenot van de echtelijke woning. Zonder de vrouw daarover in te lichten, heeft hij in het najaar van 2015 een appartement gekocht en betrokken in [plaats] . De vrouw, die noodgedwongen in augustus 2014 de woning heeft moeten verlaten, woonde tijdelijk tegen betaling van huur elders. Als de vrouw had geweten dat de woning leeg stond, dan had zij al eerder dan pas per 1 januari 2016 de woning kunnen betrekken en daarmee een aantal maanden huurpenningen kunnen besparen. Als er al een gebruiksvergoeding zou moeten worden betaald, dan stelt de vrouw zich op het standpunt dat dit al niet vanaf 1 januari 2016 dient te zijn, maar op zijn vroegst vanaf 14 januari 2016 en dan tot uiterlijk 22 februari 2016, de dag waarop de rechtbank Limburg heeft beslist dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld.

3.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.3.1. Op grond van art. 3:169 BW kan een gebruiksvergoeding door de man worden gevorderd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 3:169 BW (onder meer: HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA9143 en HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176) volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is die andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen.

3.7.3.2. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de vrouw gehouden is om – voor de periode dat zij de voormalige echtelijke woning met uitsluiting van de man gebruikt – aan de man een gebruiksvergoeding te betalen. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

De enkele omstandigheid dat de man in het najaar van 2015 een appartement heeft gekocht en betrokken, betekent nog niet dat hij niet hoeft te worden gecompenseerd voor het feit dat hij verstoken is gebleven van het gebruik en genot van de woning waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft.

3.7.3.3. De gebruiksvergoeding van een onroerende zaak kan worden bepaald aan de hand van een rentepercentage over de waarde (minus hypotheek ingeval het gaat om een met een hypotheek belaste onroerende zaak) van het desbetreffende goed.

Het hof bepaalt de aan de man als schadeloosstelling toe te kennen gebruiksvergoeding op de helft van 2,5% van de (over)waarde van de woning, nu een dergelijk rentepercentage, mede gelet op de thans in de markt gehanteerde renten, het hof billijk voorkomt. Tussen partijen is niet in geschil dat op de woning geen hypothecaire geldlening rust. Gelet op het hiervóór overwogene in rov. 3.6.3 e.v. gaat het hof voor de (over)waarde van de woning uit van de getaxeerde waarde van € 270.000,--. Dit in aanmerking nemende stelt het hof de gebruiksvergoeding vast op (€ 270.000,-- maal 0,025 is € 6.750,--. De helft van € 6.750,-- is € 3.375,-- per jaar ofwel) € 281,25 per maand.

3.7.3.4. De ingangsdatum van de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding stelt het hof vast op 1 april 2016. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij door de man niet op de hoogte was gebracht van het feit dat hij in het najaar van 2015 al uit de woning was vertrokken en dat zij bij bekendheid hiervan eerder dan op 1 januari 2016 haar intrek in de woning had kunnen nemen. Daarmee heeft de man de vrouw gedurende een aantal maanden het woongenot onthouden, hetgeen ter compensatie daarvan een latere ingangsdatum rechtvaardigt van de door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding.

Anders dan de vrouw betoogt, heeft als einddatum van de verschuldigde gebruiksvergoeding te gelden de datum waarop het aandeel van de man in de woning “notarieel” aan haar wordt geleverd. Tot die tijd zijn partijen immers gezamenlijk eigenaar van de woning waarvan de vrouw met uitsluiting van de man gebruikmaakt. Voorts zal het hof bepalen dat de vrouw deze vergoeding aan de man dient te betalen op het moment van de notariële levering van de woning.

3.8.

Proceskosten

Het hof zal met toepassing van artikel 289 jo. artikel 353 Rv de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van beide instanties draagt, nu partijen voormalige echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 februari 2016 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en in aanvulling hierop:

veroordeelt de vrouw tot het voldoen van een gebruiksvergoeding van € 281,25 per maand vanaf 1 april 2016 tot de datum waarop het aandeel van de man in de woning aan de [adres] te [woonplaats] (“notarieel”) wordt geleverd aan de vrouw, te voldoen bij de notariële overdracht;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, J.C.E. Ackermans-Wijn en T.J. Mellema-Kranenburg en is op 21 december 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. A.C. Kaemingk, griffier.