Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5858

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
14/01002 tot en met 14/01006
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing na verwijzing HR 24 oktober 2014, nr. 14/01601, ECLI:NL:HR:2014:3016.

Rijnvarende. Rijnvarendenverdrag (Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden; Trb. 1981, 43) en Verordening EEG nr. 1408/71.

E-106 verklaring is geen R-formulier (als bedoeld in het besluit nummer 2 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 2 maart 1989, het besluit nummer 3 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 13 oktober 1989 en het besluit nummer 4 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden 27 maart 1990).

Hof is van oordeel dat aan de heffing van de premie volksverzekeringen niet in de weg staat dat Nederland vóór deze heffing niet de wegen heeft bewandeld van de regularisatie (artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag) of de geschilbeslechting (artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/182
V-N 2018/15.18.9
Viditax (FutD), 25-01-2018
FutD 2018-0307
NTFR 2018/342
NLF 2018/0272 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/01002 tot en met 14/01006

Uitspraak – na verwijzing door de Hoge Raad - op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en op het incidenteel hoger beroep van

de heer [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de in één geschrift verenigde uitspraken van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 20 maart 2012, nummer AWB 09/4493, 09/4494, 09/4495, 10/2345 en 10/2686, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.519. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 839. Deze aanslag en deze beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur, gehandhaafd.

1.2.

Tevens zijn aan belanghebbende aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 2003, 2004, 2006 en 2007. Tevens is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. De aanslagen 2003 en 2004 zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur, verminderd. De uitspraken met betrekking tot de aanslagen en de beschikking zijn in één geschrift verenigd. De aanslagen 2006 en 2007 zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. De uitspraken met betrekking tot de aanslagen en de beschikkingen zijn in één geschrift verenigd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende driemaal een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 20 maart 2012, AWB 09/4493, 09/4494, 09/4495, 10/2345 en 10/2686, ECLI:NL:RBARN:2012:BW0470 het beroep gegrond verklaard en de aanslagen en de heffingsrentebeschikkingen verminderd, omdat naar het oordeel van de Rechtbank belanghebbende voor de jaren 2003, 2004, 2006 en 2007 geen premie volksverzekeringen in Nederland is verschuldigd en omdat belanghebbende voor het jaar 2005 uitsluitend premie volksverzekeringen in Nederland is verschuldigd over de periode 8 juli 2005 tot en met 31 december 2005.

1.3.

Tegen deze in één geschrift verenigde uitspraken heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.5.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij in één geschrift verenigde uitspraken van 18 februari 2014, 12/00236 tot en met 12/00240, ECLI:NL:GHARL:2014:1294 de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover daarbij de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente is verminderd, de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 verminderd tot een aanslag berekend naar een premie-inkomen van nihil onder handhaving van de overige elementen van de aanslag, de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de uitspraak van de Rechtbank voor het overige bevestigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en verstaan dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven.

1.6.

De staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake 2005 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 24 oktober 2014, nr. 14/01601, ECLI:NL:HR:2014:3016 (hierna: het verwijzingsarrest) het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [naar het Hof begrijpt: inzake 2005] vernietigd en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

1.7.

De Inspecteur is door het Hof in de gelegenheid gesteld op het verwijzingsarrest te reageren, hetgeen hij heeft gedaan bij een op 12 januari 2015 door het Hof ontvangen (ongedateerde) conclusie. Belanghebbende is door het Hof in de gelegenheid gesteld op het verwijzingsarrest alsmede de conclusie van de Inspecteur te reageren, hetgeen hij heeft gedaan bij conclusie van 4 februari 2015.

1.8.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 februari 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [D] , [C] , [B] , [E] en [F] .

1.10.

Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft hij bij zijn pleitnota een bijlage overgelegd.

1.11.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.12.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Voor de vaststaande feiten neemt het Hof over hetgeen is vermeld onder 2.1, onder 2.7 tot en met 2.10 en 2.14 en 2.15, van de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, welke vermeldingen als vaststaande feiten worden overgenomen en als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Tevens worden de in het verwijzingsarrest onder 2.1 tot en met 2.1.4 vermelde feitelijke uitgangspunten als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het Hof stelt voorts de volgende feiten vast als tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene partij gesteld en door de andere niet, althans onvoldoende, weersproken:

2.1.

Voor de jaren 2008 tot en met 2010 is een zogenoemde regularisatieovereenkomst op de voet van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag (Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden; Trb. 1981, 43) gesloten, waarin is bepaald dat Luxemburgs sociaal verzekeringsrecht van toepassing is. Voor de periode 8 juli 2005 tot en met 31 december 2005 is op 20 augustus 2010 en 3 mei 2012 bij de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) een regularisatieverzoek ingediend. Ten tijde van het onderzoek ter zitting had de SVB nog niets laten horen.

2.2.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV over het jaar 2005 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.392. In zijn aangifte heeft belanghebbende verzocht om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen. Bij de aanslagregeling is de vrijstelling niet verleend. Voorts is door de Inspecteur de volgende correctie toegepast:

Aangegeven verzamelinkomen € 27.392

Bij: loon [P] SA € 570

Bij: loon [H] € 557

Vastgesteld verzamelinkomen € 28.519.

2.3.

Belanghebbende heeft (onder meer) bezwaar gemaakt tegen het niet-verlenen van de vrijstelling premie volksverzekeringen in het onderhavige jaar. De Inspecteur heeft dit bezwaar ongegrond verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil in welk land belanghebbende verzekerd is voor de sociale verzekeringen over 8 juli 2005 tot en met 31 december 2005. Belanghebbende bepleit dat hij in Luxemburg verzekerd is, volgens de Inspecteur is dat Nederland. De Inspecteur heeft tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk bevestigd dat slechts de periode 8 juli 2005 tot en met 31 december 2005 in geschil is.

3.2.

Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

I. Indien het Rijnvarendenverdrag van toepassing zou zijn: wie is de exploitant van het schip, casu quo behoort het schip tot de onderneming van [H] of tot de onderneming van [Q] B.V. (hierna: [Q] ) in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag?

II. Dient aan de E-106 verklaringen en/of de E-104 verklaring de conclusie te worden verbonden dat belanghebbende een vrijstelling van premie volksverzekeringen toekomt?

3.3.

Belanghebbende bepleit als antwoord op vraag I dat [H] de exploitant van het schip is; de Inspecteur bepleit dat [Q] als exploitant moet worden aangemerkt.

3.4.

Vraag II wordt door belanghebbende bevestigend, en door de Inspecteur ontkennend beantwoord.

3.5.

In hoger beroep voert belanghebbende niet (langer) afzonderlijke grieven aan tegen de heffingsrente.

3.6.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.7.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, en tot vermindering van de aanslag zodanig dat daarin niet een bedrag aan premie volksverzekeringen begrepen zal zijn.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vooraf

4.1.

De Inspecteur heeft tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk bevestigd dat slechts voor de periode 8 juli 2005 tot en met 31 december 2005 in geschil is of belanghebbende een vrijstelling van premie volksverzekeringen toekomt.

4.2.

Gelet hierop is het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep reeds ongegrond. De Rechtbank heeft de Inspecteur immers voor deze periode in het gelijk gesteld.

4.3.

Gelet op het door belanghebbende bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ingediende verweerschrift, het incidenteel hoger beroep, de door belanghebbende bij de zitting van dat Hof overgelegde pleitnota en de geschilomschrijving in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is tussen partijen in hoger beroep niet (meer) in geschil dat belanghebbende als Rijnvarende moet worden aangemerkt.

4.4.

Hetgeen belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting heeft aangevoerd met betrekking tot een E-101 verklaring faalt reeds, omdat in deze zaak geen E-101 verklaring is afgegeven.

Vraag I

Wie is exploitant van het schip?

4.5.

In artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag is bepaald dat op de rijnvarende de wetgeving van de Verdragsluitende Partij van toepassing is op welks grondgebied zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m) bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden heeft in het Besluit nummer 5 van 27 maart 1990 bepaald dat als onderneming waartoe het schip behoort, de onderneming is die het schip exploiteert. Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden heeft in het Besluit nummer 7 van 26 juni 2007 verduidelijkt, wanneer het schip door meerdere vennootschappen wordt geëxploiteerd, dat als exploitant van het schip moet worden aangemerkt de vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip.

4.6.

Uit het verwijzingsarrest volgt dat als belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van het Rijnvarendenverdrag niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen, omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd, een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt dat belanghebbende de ter zake daarvan relevante feiten stelt en in geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ook aannemelijk dient te maken.

4.7.

Belanghebbende heeft gesteld, dat op de door de Luxemburgse autoriteiten aan [H] afgegeven ‘Certificat D’Exploitation’ van 25 augustus 2006 [H] als exploitant van het schip vermeld staat. Belanghebbende heeft gesteld, dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden in 2005 anders waren dan in 2006. Voorts heeft belanghebbende gesteld, dat uit de bij zijn conclusie van 4 februari 2015 overgelegde bijlagen blijkt dat de onderneming waartoe het schip behoort [H] is.

4.8.

De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende betwist. Tot de gedingstukken behoort een uitdraai van de aangifte vennootschapsbelasting van [Q] over het jaar 2005.

4.9.

Het Hof is van oordeel, dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, uit de overgelegde uitdraai van vorenbedoelde aangifte niet is af te leiden dat [Q] diegene is die het schip daadwerkelijk exploiteert en beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip. Zoals overwogen onder 4.6 rust de bewijslast hiervan echter op belanghebbende. Belanghebbende heeft, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt, ook niet met de bij de conclusie van 4 februari 2015 overgelegde stukken, dat [H] diegene is die het schip daadwerkelijk exploiteert en beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip. Mede gelet op hetgeen onder 4.6 is overwogen volgt hieruit dat belanghebbende niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast, zodat niet aannemelijk is geworden dat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd.

4.10.

Gelet op vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat [H] de onderneming is die het schip exploiteert.

4.11.

Vraag I moet aldus worden beantwoord, dat niet aannemelijk is geworden dat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd. Hieruit volgt dat belanghebbende geen vrijstelling toekomt van de Nederlandse wetgeving inzake de premieheffing volksverzekeringen.

Vraag II

4.12.

Het beroep van belanghebbende op de E-106 (van 14 maart 2006) en E-104 verklaringen faalt reeds, omdat uit deze verklaringen niet blijkt dat belanghebbende in onderhavige periode in Luxemburg verzekerd was voor de sociale verzekeringen. Voor de op 11 mei 2004 afgegeven E-106 verklaring overweegt het Hof dat gelet op het overwogene onder 4.3 en de beantwoording van vraag I deze verklaring niet kan leiden tot een vrijstelling van premie volksverzekeringen voor belanghebbende (vgl. arrest van de Hoge Raad van 9 december 2011, nr. 10/03927, ECLI:NL:HR:2011:BQ2938 en van 2 oktober 2015, nr. 14/05262, ECLI:NL:HR:2015:2904).

4.13.

Belanghebbende heeft in zijn pleitnota voor het onderzoek ter zitting – naar het Hof begrijpt - het volgende, kort samengevat, aangevoerd:

a. In het op artikel 72 van het Rijnvarenverdrag berustende besluit nummer 4 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden 27 maart 1990 (hierna: besluit 4) is bepaald dat verdragsstaten die ook lidstaat van de Europese Unie zijn in hun onderlinge verkeer Unierechtelijke formulieren mogen gebruiken. Nederland en Luxemburg zijn lidstaten van de Europese Unie en partijen bij het Rijnvarendenverdrag, zodat op grond van het bepaalde in dit besluit Nederland is gebonden aan de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E-106 verklaring.

b. Het beginsel van loyale samenwerking tussen verdragsstaten, het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht (Trb. 1985, 79) en de goede trouw die partijen bij ten uitvoerlegging van een verdrag in acht hebben te nemen, brengen mee dat de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E-106 verklaring voor Nederland bindend is en dat daaraan niet voorbij kan worden gegaan.

c. Nu Nederland en Luxemburg hebben nagelaten hun geschil op de voet van artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag voor te leggen aan het Administratief Centrum of een scheidsrechterlijk orgaan, is Nederland gebonden aan de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E-106 verklaring, omdat anders dubbele heffing ontstaat die in strijd is met het doel en het systeem van het Rijnvarendenverdrag.

Ad a.

4.14.

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende onder a overweegt het Hof als volgt. Het Hof is, met de Inspecteur, en anders dan belanghebbende, van oordeel dat uit besluit 4 niet volgt dat de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E-106 verklaring voor Nederland bindend is. Het besluit nummer 2 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 2 maart 1989 (hierna: het besluit 2) en het besluit nummer 3 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 13 oktober 1989 (hierna: het besluit 3) bevatten voorgeschreven formulieren, die geen van alle de strekking hebben een verklaring te vormen van de aanvang van prestaties uit hoofde van ziekte. Met andere woorden, de E-106 verklaring kent geen pendant in de besluiten 2 en 3. Uit besluit 4 volgt dat de bepaling, dat verdragsstaten, die ook lidstaat van de Europese Unie zijn, in hun onderlinge verkeer Unierechtelijke formulieren mogen gebruiken, alleen ziet op de vervanging van de in de besluiten 2 en 3 bedoelde formulieren. De stelling van belanghebbende wordt verworpen.

Ad b.

4.15.

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende onder b overweegt het Hof als volgt. Het beginsel van loyale samenwerking tussen verdragsstaten en de goede trouw die partijen bij ten uitvoerlegging van een verdrag in acht hebben te nemen, gaat naar het oordeel van het Hof niet zover, dat Nederland voor de heffing van de premie volksverzekeringen zou moeten terugtreden alleen op grond van een door een andere verdragsstaat afgegeven verklaring – die, zoals overwogen onder ad a, voor de toepassing van het Rijnvarendenverdrag geen betekenis of geen enkele status heeft - dat iemand in die staat recht heeft op prestaties op grond van de sociale wetgeving van die staat ter zake van ziekte.

Ad c.

4.16.

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende onder c overweegt het Hof als volgt. De Inspecteur heeft tijdens het onderzoek ter zitting betoogd dat eerst sprake is van dubbele heffing als de premie-aanslagen in beide landen (Nederland en Luxemburg) onherroepelijk komen vast te staan. Pas hierna, zo stelt de Inspecteur, is er op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag aanleiding voor de verdragsstaten onderling overeenstemming te bereiken (de zogenoemde regularisatie). Bovendien kan als de aanslag premie volksverzekeringen in Nederland onherroepelijk vast komt te staan pas dan een belanghebbende een verzoek om teruggaaf indienen bij de andere verdragsstaat.

4.17.

Het moet belanghebbende worden toegegeven dat het in overleg treden door verdragsstaten om onderling overeenstemming te bereiken nadat in twee of meer verdragsstaten de heffing – eventueel na (zeer) lang lopende rechterlijke procedures - onherroepelijk is komen vast te staan op gespannen voet staat met het doel en de geest van het Rijnvarendenverdrag. Bovendien lijkt uit artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag eerder te volgen, als twee of meer verdragsstaten menen dat een persoon is onderworpen aan hun sociale wetgeving, dat over de toepassing van dit verdrag duidelijkheid wordt verkregen volgens de in dit artikel voorgeschreven procedure alvorens zij tot heffing overgaan. Maar anders dan belanghebbende stelt is het Hof van oordeel dat aan de heffing van de premie volksverzekeringen niet in de weg staat dat Nederland vóór deze heffing niet de wegen heeft bewandeld van de regularisatie (artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag) of de geschilbeslechting (artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag). Zoals hiervoor overwogen onder ad a heeft de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E-106 verklaring voor de toepassing van het Rijnvarendenverdrag geen betekenis of geen enkele status. In die zin is deze verklaring voor Nederland niet bindend. Daarmee kan niet worden geschreven dat Nederland verplicht was alvorens over te gaan tot de heffing van de premie volksverzekeringen van belanghebbende de wegen te bewandelen van de regularisatie (artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag) of de geschilbeslechting (artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag) (vgl. CRvB 9 september 2016, 14/298 AOW, ECLI:NL:CRVB:2016:3578; CRvB 4 november 2016, 14/1278 AOW, ECLI:NL:CRVB:2016:4332; CRvB 28 juli 2017, 15/5365 AOW, ECLI:NL:CRVB:2017:2634 en Rechtbank Den Haag 31 augustus 2017, AWB - 16 _ 3691, ECLI:NL:RBDHA:2017:11686).

4.18.

Belanghebbende wijst er op dat uit artikel 11, lid 1, van het Rijnvarendenverdrag volgt dat slechts de wetgeving van één verdragsstaat van toepassing kan zijn. Dit is juist, maar uit hetgeen is overwogen onder 4.3 en 4.5 tot en met 4.11 volgt dat alleen de wetgeving van Nederland van toepassing kan zijn. De heffing in Luxemburg moet ongedaan worden gemaakt door Luxemburg. Belanghebbende dient in Luxemburg om teruggaaf te verzoeken, dan wel de Sociale Verzekeringsbank of desbetreffende minister te verzoeken de wegen te bewandelen van de regularisatie (artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag) of de geschilbeslechting (artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag).

4.19.

Vraag II moet ontkennend worden beantwoord.

Slot

4.20.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.21.

Op grond van vaste jurisprudentie heeft voor de berechting van de zaak in hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad als uitgangspunt te gelden dat de verwijzingsrechter uitspraak doet binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad (o.a. Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). De Hoge Raad heeft arrest gewezen op 24 oktober 2014. Het Hof heeft heden uitspraak gedaan. Dit betekent dat de hiervoor - als uitgangspunt - genoemde redelijke termijn van een jaar voor de behandeling van het hoger beroep door de verwijzingsrechter is overschreden.

4.22.

Belanghebbende heeft in de onderhavige zaak evenwel niet verzocht om vergoeding van immateriële schade. In onderdeel 3.13.2 van het hiervoor genoemde arrest van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad echter tevens beslist dat een dergelijk verzoek niet wordt verlangd, indien de redelijke termijn eerst verstrijkt na afloop van zes weken voor het doen van uitspraak.

4.23.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het HvJ. Als de behandeling van een zaak door de rechter is aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, vangt vorenbedoelde buiten beschouwing te laten periode niet eerder aan dan op het moment dat de aanhoudende rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen door het HvJ. Deze regel geldt echter alleen voor zaken die worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die zijn gesteld na 1 april 2014. (Hoge Raad van 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636.)

4.24.

In het onderhavige geval heeft de Hoge Raad arrest gewezen op 24 oktober 2014. De door het Hof bij de tussenuitspraak van 7 februari 2014, nr. 13/00040, ECLI:NL:GHSHE:2014:248 aan het HvJ gestelde prejudiciële vragen zijn beantwoord bij arrest van 9 september 2015, C-72/14 en C-197/14, X en Van Dijk, ECLI:EU:C:2015:564. De periode tussen 24 oktober 2014 en 9 september 2015 van 10 maanden en 16 dagen moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing blijven. Gelet hierop is in het onderhavige geval de redelijke termijn welke het Hof in beginsel in acht dient te nemen verstreken op 9 september 2016. Dit is na de tijdens het onderzoek ter zitting van de zaak aangezegde datum voor het doen van uitspraak van 1 april 2016. Dit brengt met zich dat ambtshalve moet worden beoordeeld of de redelijke termijn is overschreden. Aangezien er naar het oordeel van het Hof geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn voor verlenging van de termijn, is de redelijke termijn in dit geval met – naar boven afgerond – een jaar en 6 maanden overschreden. Het Hof zal aan belanghebbende ter zake daarvan een vergoeding van immateriële schade toekennen van € 1.500, te betalen door de Staat (de Minister voor rechtsbescherming).

4.25.

Het Hof zal voorts, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, zaaknummer 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, de Staat (de Minister voor rechtsbescherming) veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 1.500 vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de uitspraak heden in het openbaar van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.

Slotsom

4.26.

Uit al vorenoverwogene volgt, dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.27.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 466.

Ten aanzien van de proceskosten

4.28.

Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het beroep bij het Hof op 1,5 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 742,50

4.29.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    bepaalt dat van de Inspecteur ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 466;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 1.732,50; en

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister voor rechtsbescherming) tot vergoeding van de aan de hoger beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, en tot vergoeding van wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de heden in het openbaar gedane uitspraak van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.

Aldus gedaan op: 21 december 2017 door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en F.P.G. Pötgens, leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.