Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5850

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
16/03461 tot en met 16/03481 en 17/00822
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzingszaak. Erflater was rekeninghouder bij KB-Lux. Geen omkering van de bewijslast. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan ná 1 juli 2011 en vaststaat dat geen informatiebeschikking is genomen. Het Hof is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Het Hof acht aannemelijk dat erflater, mede gelet op zijn eigen verklaring, de microfiches en de stukken van KB-Lux, in de gehele periode van 1990 tot en met 2001 over de rekening bij KB-Lux met een niet meer dan bescheiden saldo heeft beschikt. Er zijn echter onvoldoende bijkomende omstandigheden die bijdragen aan het vermoeden dat erflater in de genoemde periode de beschikking heeft gehad over een aan die rekening gekoppelde onbekende spaarrekening met een aanzienlijk saldo. Het Hof verwerpt de KBL-correcties die zijn gebaseerd op modelmatige berekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/231
V-N 2018/28.15.6
Viditax (FutD), 30-01-2018
FutD 2018-0362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03461 tot en met 16/03481 en 17/00822

Uitspraak op het hoger beroep van

De erven [belanghebbende] ,

domicilie gekozen te [plaats] ,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 1 april 2014, nummers AWB LEE 11/1948 tot en met 11/1969, in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden belastingaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan [belanghebbende] (hierna: erflater) zijn met dagtekening 31 december 2002 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-soort

Jaar

Aanslagnummer [aanslagnummer]

Kenmerk Hof

Belasting (navordering)

Boete

Heffings-rente

IB/PVV

1990

H08

16/03461

ƒ

26.479

13.239

12.437

VB

1991

K18

16/03472

ƒ

4.776

2.388

2.239

1.2.

Aan erflater zijn met dagtekening 31 mei 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de VB opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met boetes. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-soort

Jaar

Aanslagnummer [aanslagnummer]

Kenmerk Hof

Belasting (navordering)

Boete

Heffings-rente

IB/PVV

1991

H18

16/03462

ƒ

24.631

24.631

9.625

IB/PVV

1992

H28

16/03463

ƒ

24.499

24.499

8.117

IB/PVV

1993

H37

16/03464

ƒ

24.288

24.288

6.821

IB/PVV

1994

H47

16/03465

ƒ

17.608

17.608

4.166

IB/PVV

1995

H57

16/03466

ƒ

18.586

18.586

3.897

VB

1992

K28

16/03473

ƒ

4.912

4.912

1.916

VB

1993

K38

16/03474

ƒ

4.688

4.688

1.548

VB

1994

K47

16/03475

ƒ

4.884

4.884

1.368

VB

1995

K57

16/03476

ƒ

4.624

4.624

1.091

VB

1996

K67

16/03477

ƒ

4.630

4.630

968

1.3.

Aan erflater zijn met dagtekening 6 juni 2003 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met boetes. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-soort

Jaar

Aanslagnummer [aanslagnummer]

Kenmerk Hof

Belasting (navordering)

Boete

Heffings-rente

VB

1997

K77

16/03478

ƒ

4.944

4.944

935

VB

1998

K87

16/03479

ƒ

5.376

5.376

842

VB

1999

K97

16/03480

ƒ

5.803

5.803

735

VB

2000

K07

16/03481

ƒ

4.564

4.564

412

1.4.

Aan erflater zijn met dagtekening 7 juni 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met boetes. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-soort

Jaar

Aanslagnummer [aanslagnummer]

Kenmerk Hof

Belasting (navordering)

Boete

Heffings-rente

IB/PVV

1996

H67

16/03467

ƒ

21.568

21.568

4.405

IB/PVV

1997

H77

16/03468

ƒ

23.100

23.100

4.372

IB/PVV

1998

H87

16/03469

ƒ

21.727

21.727

3.406

IB/PVV

1999

H97

16/03470

ƒ

31.971

31.970

4.052

IB/PVV

2000

H07

16/03471

ƒ

29.542

29.541

2.674

1.5.

Aan erflater is met dagtekening 30 november 2004 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-soort

Jaar

Aanslagnummer [aanslagnummer]

Kenmerk Hof

Belasting

Boete

Heffings-rente

IB/PVV

2001

H16

17/00822

46.751

12.813

1.181

1.6.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen heffingsrente verminderd en de boetebeschikkingen vernietigd.

1.7.

Belanghebbenden zijn van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbenden voor elke procedure een griffierecht geheven van € 41.

De Rechtbank heeft het beroep in de zaak met nummer 11/1959 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar in de zaak met nummer 11/1959 vernietigd, de aanslag in de IB/PVV 2001 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.763 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.570, de daarbij vastgestelde beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de beroepen in de overige zaken ongegrond verklaard en de Inspecteur in de zaak met nummer 11/1959 veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50. Tevens heeft de Rechtbank de Inspecteur gelast het griffierecht in de zaak met nummer 11/1959 te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500. De Rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat niet in alle 22 zaken, maar in totaal vijfmaal griffierecht verschuldigd is ter zake van het aanhangig maken van 22 beroepszaken en heeft de griffier gelast het teveel betaalde terug te betalen.

1.8.

Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 122.

Bij zijn uitspraak van 7 mei 2015, nrs. 14/00458 tot en met 14/00478, ECLI:NL:GHSHE:2015:3266, heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

1.9.

Op het beroep in cassatie van belanghebbenden heeft de Hoge Raad bij arrest van 17 juni 2016, nr. 15/02692, ECLI:NL:HR:2016:1206, het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad bij dit arrest het geding verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest (hierna: het verwijzingsarrest).

1.10.

De Inspecteur heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof, bij brief van 7 oktober 2016 geconcludeerd naar aanleiding van het verwijzingsarrest. Belanghebbenden zijn vervolgens door het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van de Inspecteur, hetgeen zij hebben gedaan bij hun conclusie van 8 november 2016.

1.11.

De zitting heeft plaatsgehad op 30 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbenden, bijgestaan door de heer [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] .

1.12.

Partijen hebben ieder te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.13.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.14.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Erflater was gehuwd met mevrouw [D] . Erflater is op [datum] 2006 overleden.

2.2.

Op 27 oktober 2000 zijn door de Belgische autoriteiten op basis van het bepaalde in de EG-Richtlijn van 19 december 1977 (77/799/EEG) in het kader van een spontane uitwisseling van inlichtingen, gegevens inzake Nederlandse ingezetenen met een bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux) aan het Nederlandse Ministerie van Financiën verstrekt. De gegevens bestaan uit fotokopieën van afgedrukte microfiches (hierna: de microfiches), die afkomstig zijn uit de interne administratie van KB-Lux. Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

[nummer] VUE [E] - [F] [belanghebbende] - [D] 308,34”

2.3.

Bij brieven van 2 april 2002 en 14 oktober 2002 heeft de Inspecteur erflater verzocht gegevens te verstrekken ten aanzien van de bankrekening(en) bij KB-Lux.

2.4.

Aanvankelijk heeft erflater ontkend een rekening bij KB-Lux te hebben aangehouden.

2.5.

Bij brief van 21 mei 2002 heeft de Inspecteur aan de toenmalige gemachtigde van erflater, [G] , onder meer het volgende geschreven:

“Naar aanleiding van uw telefonische reactie d.d. 17 mei in verband met mijn uitnodigingsbrief d.d. 13 mei 2002 aan dhr. [belanghebbende] (…), doe ik u hierbij de door u gevraagde informatie toekomen.

Door u werd medegedeeld dat dhr. [belanghebbende] in tegenstelling tot de ingevulde verklaring buitenlandse bankrekening, wel in het bezit is van een buitenlandse bankrekening(en).

Het adres van de door u genoemde bank is: Kredietbank S.A. Luxembourgeoise, 43, Boulevard Royal L-2955 Luxembourg.”

2.6.

[G] heeft bij brief van 27 mei 2002, voor zover thans van belang, de volgende reactie aan de Inspecteur gezonden:

“In uw brief schrijft u ondermeer: “Door u werd medegedeeld dat dhr. [belanghebbende] in tegenstelling tot de ingevulde verklaring buitenlandse bankrekening, wel in het bezit is van een buitenlandse bankrekening(en).” Dit is evenwel onjuist.

Ik heb u meegedeeld dat de heer [belanghebbende] in het verleden vermoedelijk een buitenlandse rekening heeft gehad. Zo hij die heeft gehad (Hij heeft dus geen rekening meer!) is dat reeds lang geleden.”

2.7.

Bij brief van 14 november 2002 heeft de toenmalige gemachtigde van erflater, [H] , de betrokkenheid van erflater bij de Luxemburgse bankrekening als volgt geschetst:

”7. Met betrekking tot de Luxemburgse bankrekening kan cliënt het volgende verklaren. Aan het eind van de tachtiger jaren en in het begin van de negentiger jaren was de situatie in China onrustig. Dat begon met de studentenopstand en het bloedbad op het Plein van de Vrede in 1989. Veel rijke mensen wilden toen uitwijken naar Europa. Dat kon alleen als zij zich als zelfstandige zouden gaan vestigen in een Europees land. Om die reden is de hulp van cliënt ingeroepen, die immers in de Chinese gemeenschap in Europa een belangrijke positie innam en veel vertrouwen genoot. Een paar rijke Chinezen hebben in die tijd via een contactpersoon aan cliënt gevraagd om hen te helpen. De bedoeling was dat zij in Luxemburg zouden proberen om een restaurant te openen, teneinde daar een verblijfsvergunning te verkrijgen. Luxemburg was in die tijd iets gemakkelijker dan Nederland. Het toeristenvisum gaf ook meer ruimte. Er zouden bedragen gestort worden op een rekening bij een Luxemburgse bank van ongeveer, omgerekend in Nederlandse valuta, 2,5 tot 3 ton per persoon. Met de betreffende contactpersoon heeft cliënt daarvoor de contacten bij de bank gelegd. Dat kan de Kredietbank Luxembourg zijn geweest.

8. Uiteindelijk is het allemaal in Luxemburg niet van de grond gekomen. Er ontstond bij de Chinezen wat onenigheid. De situatie in China verbeterde bovendien en de drang om weg te gaan verdween. Om die reden is het hele project afgeblazen.

9. Via de bedoelde contactpersoon zou cliënt wellicht verklaringen kunnen verkrijgen ter bevestiging van de voormelde gang van zaken. Hij vreest echter dat zij gevaar lopen, omdat de emigratie en de uitvoer van gelden niet was toegestaan. Dat wordt in China als een zwaar vergrijp gezien en zou ook nu nog tot vervelende consequenties voor de betrokkenen kunnen leiden. De namen van de betrokkenen zijn mij bekend, maar cliënt durft deze thans nog niet vrij te geven.

10. Cliënt kan zich niet herinneren op wiens naam de rekening bij de Luxemburgse bank is geopend. Hij begrijpt nu dat deze rekening op zijn naam moet zijn gesteld. In ieder geval werd deze rekening niet ten behoeve van cliënt geopend, maar voor zijn Chinese relaties. Voorts kan hij verklaren dat sedert het begin van de negentiger jaren, toen het project is afgeblazen, geen contacten meer met een bank in Luxemburg of een andere buitenlandse bank hebben plaats gevonden.

11. Cliënt zal nu nog trachten om informatie van de Kredietbank Luxembourg te krijgen over de gang van zaken met betrekking tot de rekening. Hij neemt aan dat daarmee bevestiging kan worden verkregen van hetgeen hiervoor is gemeld. Na ontvangst van nadere informatie van cliënt, zal ik u daarover berichten.”

2.8.

De Inspecteur heeft bij de onderhavige (navorderings)aanslagen inkomen of vermogen in verband met de Luxemburgse bankrekening in aanmerking genomen (hierna: KBL-correcties). De hoogte van de KBL-correcties zijn niet gebaseerd op het op de microfiches vermelde saldo maar op modelmatige berekeningen.

2.9.

Bij brief van 6 mei 2011 heeft de huidige gemachtigde [B] stukken van de KB-Lux van 2 februari 2011 gevoegd. Hierop staat onder andere:

“ (KBL) *** DUPLICATA *** DATE D’EDITION : 27/12/2010

RELEVE DES MOUVEMENTS COMPTABLES DU 01/01/2000 AU 12/11/2002 PAGE : 1

52-280010-17 USD VUE

Libelle

montant

Valeur

Ancien solde au 31-12-1999

4,14-

Agios as at 31/12/1999

4,97-

31/12/1999

Solde au 03/01/2000

9,11-

Domiciled mail fees-vat (15%) includes

39,77-

29/12/2000

Solde au 29/12/2000

48,88-

Agios as at 31/12/2000

4,62-

31/12/2000

Solde au 02/01/2001

53,20-

Agios as at 31/03/2001

1,27-

31/03/2001

Solde au 02/04/2001

54,77-

Agios as at 30/06/2001

1,12-

30/06/2001

Solde au 02/07/2001

55,89-

Domiciled mail fees-vat (15%) included

38,04-

28/12/2001

Solde au 28/12/2001

93,93-

Agios as at 31/12/2001

4,38-

31/12/2001

Solde au 02/01/2002

98,31-

Agios as at 31/03/2002

1,40-

31/03/2002

Solde au 02/04/2002

99,71-

Agios as at 30/06/2002

1,43-

30/06/2002

Solde au 01/07/2002

101,14-

Agios as at 30/09/2002

1,45-

30/09/2002

Solde au 01/10/2002

102,59-

Controle du courrier domicilie

102,59+

05/11/2002

Solde au 04/11/2002

0,00+-

2.10.

Bij brief van 16 juni 2011 heeft de Inspecteur de gronden voor zijn uitspraken op de bezwaren kenbaar gemaakt. Die uitspraken hielden in dat de (navorderings)aanslagen zijn verminderd en voorts de boetebeschikkingen zijn vernietigd in verband met het overlijden van erflater. De uitspraken op bezwaar (de verminderingsbeschikkingen) hebben alle de dagtekening 18 juli 2011.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de (navorderings)aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Belanghebbenden hebben de gronden waarop deze (navorderings)aanslagen worden bestreden beperkt tot de volgende vragen:

I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast?

II. Zijn de door de Inspecteur in aanmerking genomen KBL-correcties te hoog?

De berekeningsmethodiek van de KBL-correcties als zodanig bestrijden belanghebbenden niet.

Belanghebbenden zijn van mening dat vraag I ontkennend en vraag II bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de daarbij genomen beschikkingen heffingsrente en tot vermindering van de aanslag in de IB/PVV 2001 en de daarbij opgelegde beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag I

4.1.

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad, voor zover te dezen van belang, het volgende overwogen:

“2.1.8. Bij brief van 16 juni 2011 heeft de Inspecteur de gronden voor zijn uitspraken op de bezwaren kenbaar gemaakt. Die uitspraken hielden in dat de (navorderings)aanslagen zijn verminderd en voorts de boetebeschikkingen zijn vernietigd in verband met het overlijden, op [datum] 2006, van de erflater.

De uitspraken op bezwaar hebben alle de dagtekening 18 juli 2011.

(…)

2.4. (…)

Bij de beoordeling van dit middel wordt vooropgesteld dat, bij gebreke aan een wettelijke bepaling van overgangsrecht waaruit iets anders voortvloeit, voor elke vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar heeft te gelden dat de inspecteur zich slechts op de in artikel 25, lid 3, AWR voorziene omkering en verzwaring van de bewijslast kan beroepen indien hetzij een informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, hetzij de vereiste aangifte niet is gedaan. Ten aanzien van vóór 1 juli 2011 gedane uitspraken op bezwaar moet artikel 25, lid 3, AWR, zoals de bepaling vanaf die datum is komen te luiden, daarentegen buiten toepassing blijven aangezien een informatiebeschikking alleen betrekking kan hebben op een nog te nemen beschikking en de wet vóór 1 juli 2011 nog niet in een informatiebeschikking voorzag (vgl. HR 2 oktober 2015, nr. 14/02335, ECLI:NL:HR:2015:2795, BNB 2016/2).

2.5.

In het door het middel bestreden oordeel van het Hof wordt het hiervoor in 2.4 overwogene miskend. Het middel treft derhalve doel. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen bespreking.”

4.2.

Aangezien de uitspraken op bezwaar zijn gedaan ná 1 juli 2011 en vaststaat dat geen informatiebeschikking is genomen door de Inspecteur, kan de bewijslast slechts worden omgekeerd indien de vereiste aangiften niet zijn gedaan.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie Hoge Raad 24 april 2015, nr. 14/04104, ECLI:NL:HR:2015:1083).

4.4.

De Rechtbank heeft hieromtrent onder meer het volgende overwogen:

“4.15 Vaststaat dat erflater in de onderhavige jaren rekeninghouder was van een bankrekening bij KB-Lux, in ieder geval tot 4 november 2002 (zie 2.5.16). Dit betreft, gelet op de vermelding van de code "VUE" op de onder 2.3.4 opgenomen fotokopie van de microfiche en de stukken van KB-Lux een zogenoemde zichtrekening (rekening-courant). Het saldo van deze rekening bedroeg per 31 januari 1994 volgens deze fotokopie 308,34. Partijen houdt verdeeld de vraag of erflater naast deze zichtrekening ook andere (achterliggende) rekeningen heeft aangehouden en het totale bij KB-Lux aangehouden vermogen derhalve hoger is. Verweerder heeft aangevoerd dat uit de gegevens van belastingplichtigen die hebben meegewerkt, gebleken is dat in vrijwel alle gevallen met de zichtrekening ook andere (achterliggende) rekeningen verbonden waren, veelal depositorekeningen en/of effectenrekeningen, die niet op de microfiches zijn vermeld. Verweerder trekt hieruit de conclusie dat het saldo van de rekening welke op de fotokopie is vermeld niet representatief behoeft te zijn voor het werkelijk bij KB-Lux aangehouden saldo. Gelet op het inmiddels bekende systeem van zicht- en spaarrekeningen bij KB-Lux, waarbij aan elke zichtrekening ten minste één spaarrekening is gekoppeld, acht de rechtbank deze conclusie aannemelijk.

Dit betekent dat het saldo dat vermeld staat op de fotokopie geen inzicht geeft in het vermogen dat op de gezamenlijke rekeningen staat en evenmin een indicatie geeft over de daadwerkelijke omvang van de genoten inkomsten. Het voorgaande rechtvaardigt het vermoeden dat daar ook in het onderhavige geval sprake van is. Daarbij overweegt de rechtbank dat het op de weg van erflater of eisers had gelegen om dit vermoeden te ontzenuwen door middel van het tijdig opvragen van de gegevens bij KB-Lux. Dit hebben erflater en eisers echter in de periode dat alle informatie nog kon worden opgevraagd - in tegenstelling tot wat de toenmalige gemachtigde in 2002 (…) heeft verklaard (…), evenwel niet gedaan, dan wel hebben zij de opgevraagde gegevens niet aan verweerder verstrekt. Daarbij merkt de rechtbank op dat eisers niet hebben gesteld dat deze informatie toentertijd niet kon worden verkregen.”

4.5.

In het kader van de hiervoor bedoelde bewijslastverdeling kan gebruik worden gemaakt van bewijsvermoedens. Een belastingplichtige die aan een bewijsvermoeden wil ontkomen, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag worden gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt ten aanzien van de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. Hoge Raad 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63 en Hoge Raad 25 oktober 2002, nr. 36 898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354).

4.6.

In dit geval behoren tot de stukken van het geding de microfiches waarop vermeld staat dat op 31 januari 1994 op de rekening bij KB-Lux een tegoed stond van USD 308,34 en stukken van KB-Lux waaruit volgt dat op deze (zicht)rekening in de periode 31 december 1999 tot en met 4 november 2002 een negatief tegoed stond. Belanghebbenden en erflater hebben ook erkend dat erflater over deze rekening heeft beschikt. Op basis van deze stukken, alsmede de bekentenis van erflater als zodanig, tezamen met de namens erflater gegeven verklaring van 14 november 2002 (zie 2.7) acht het Hof aannemelijk dat erflater in de gehele periode waarop de (navorderings)aanslagen betrekking hebben, te weten de jaren 1990 tot en met 2001, over de rekening bij KB-Lux heeft beschikt en de tegoeden daarop niet in zijn aangiften IB/PVV heeft verantwoord.

4.7.

Ook al zou het bewijsvermoeden kunnen worden aangenomen dat op basis van het inmiddels bekende systeem van zicht- en spaarrekeningen bij KB-Lux aan deze zichtrekening ten minste één (onbekende) spaarrekening is gekoppeld, kan dit de Inspecteur niet baten. Over de daadwerkelijke omvang van een dergelijke spaarrekening is in het geval van erflater immers niets bekend. Er zijn onvoldoende bijkomende omstandigheden die bijdragen aan het vermoeden dat erflater in de genoemde periode de beschikking heeft gehad over (de/)het door de Inspecteur geschatte (inkomsten uit) vermogen. Uit de verklaringen van erflater en belanghebbenden is niet af te leiden dat erflater over een zodanig groot vermogen heeft beschikt. De stelling van de Inspecteur dat het onlogisch is dat een bankrekening met een verwaarloosbaar saldo wordt aangehouden in een land met een bankgeheim, geeft ook niet meer inzicht in het daadwerkelijke saldo. Ook de verwijzing naar de bevindingen ten aanzien van meewerkers in hetzelfde project van de Belastingdienst is onvoldoende. Uit deze bevindingen is niet af te leiden wat het saldo in het geval van erflater is (geweest). Hieraan doet niet af dat deze bevindingen in gevallen waarin sprake is van omkering van de bewijslast, wel als uitgangspunt kunnen worden gehanteerd bij de redelijke schatting van een belastingaanslag (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324). Bij die schatting geldt voor de hoogte van de belastingaanslag niet de aannemelijkheid ervan als maatstaf, maar de redelijkheid ervan. Het Hof gaat derhalve, anders dan de Rechtbank, voorbij aan de modelmatige berekeningen en de hoogte van de KBL-correcties als gevolg daarvan.

4.8.

Het vorenstaande leidt ertoe dat bij gebrek aan meer informatie de Inspecteur slechts aannemelijk heeft gemaakt dat erflater in de onderhavige jaren heeft beschikt over een rekening bij KB-Lux met een bescheiden saldo van niet meer dan USD 308,34. Hiermee is niet aannemelijk dat een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet is geheven. De bewijslast dient dan ook in geen van de jaren te worden omgekeerd.

Ten aanzien van vraag II

4.9.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat als het Hof tot het oordeel komt dat niet aannemelijk is dat het tegoed op de rekening meer heeft bedragen dan USD 308,34, alle navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd en de aanslag in de IB/PVV 2001 dient te worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.763. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbenden het door hen ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht ten bedrage van respectievelijk € 205 (vijfmaal € 41) respectievelijk € 122 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Nu het door belanghebbenden ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en bij het Hof rederlijkwijs hebben moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank op 2,5 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.856,25.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.485.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof op 1,5 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.113,75.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.13.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bedragen gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen in totaal € 4.455.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade,

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de VB en de daarbij vastgestelde beschikkingen heffingsrente,

  • -

    vermindert de aanslag in de IB/PVV 2001 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.763 en vermindert de daarbij vastgestelde beschikking heffingsrente dienovereenkomstig,

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbenden het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 327 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank, het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het Hof aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op, in totaal, € 4.455.

Aldus gedaan op 21 december 2017 door A.J. Kromhout, voorzitter, P.C. van der Vegt en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

---