Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:585

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
200 142 127_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:7721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling periodiek verrekenbeding na echtscheiding, in het bijzonder: berekening van de te verrekenen investering met overgespaard inkomen in de voormalige echtelijke woning die eigendom is van één van de ex-echtgenoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.142.127/01

arrest van 21 februari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm te Veghel,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. J.M.H. Vullings te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 januari 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 7 december 2011, 16 januari 2013, 3 juli 2013 en 20 november 2013, door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant zittingsplaats 's-Hertogenbosch gewezen tussen de man
als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer /01/177733/HA ZA 08-1319)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar de tussenvonnissen van 24 september 2008 en 26 augustus 2009.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en (voorwaardelijke) eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

Partijen zijn op 28 april 1988 gehuwd, na het maken van huwelijkse voorwaarden. Die huwelijkse voorwaarden houden onder meer in: een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen alsmede een periodiek verrekenbeding. De relevante bepalingen in de akte huwelijkse voorwaarden zijn opgenomen in het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 26 augustus 2009 (rechtsoverweging 2.1). Het hof verwijst daarnaar.

In het tussenvonnis van 26 augustus 2009 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de periodieke verrekenverplichting is uitgevoerd (rechtsoverweging 3.1). Dit oordeel is in hoger beroep door dit hof bekrachtigd (arrest van 5 oktober 2010).

Met betrekking tot de verrekening van de wederzijdse vermogens hebben partijen een groot aantal geschilpunten aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank heeft – na het wijzen van een vijftal tussenvonnissen – op die geschilpunten beslist bij eindvonnis van 20 november 2013. In het eindvonnis heeft de rechtbank in conventie de man veroordeeld om aan de vrouw ter zake van verrekening een bedrag van € 161.446,05 te betalen met wettelijke rente zoals vermeld in het vonnis. In reconventie heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld tot afgifte van een BMW en tot betaling aan de man van een bedrag van € 798,-, vermeerderd met een bedrag van € 33,25 per maand vanaf 1 september 2008 de dag van de feitelijke afgifte van de BMW aan de man.

De proceskosten in conventie en in reconventie zijn door de rechtbank gecompenseerd.

3.2.

De man kan zich met een aantal onderdelen van de beslissing niet verenigen en is in hoger beroep gekomen. Zijn hoger beroep richt zich tegen de tussenvonnissen van 7 december 2011, 16 januari 2013 en 3 juli 2013, alsmede tegen het eindvonnis van 20 november 2013. Tegen het tussenvonnis van 7 december 2011 zijn door de man geen grieven aangevoerd, zodat hij in zijn hoger beroep tegen dat tussenvonnis niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Het hoger beroep van de man betreft uitsluitend de beslissingen van de rechtbank in conventie, met dien verstande dat hij in hoger beroep zijn reconventionele vordering voorwaardelijk heeft gewijzigd in die zin dat hij thans vordert, voor het geval hij door het hof wordt veroordeeld om minder aan de vrouw te betalen dan de rechtbank heeft gedaan, dat de vrouw zal worden veroordeeld om het onverschuldigd betaalde bedrag aan hem terug te betalen, met wettelijke rente. Tegen deze eiswijziging is geen bezwaar gemaakt; het hof zal beslissen op de gewijzigde eis.

3.3.

Ook de vrouw heeft hoger beroep ingesteld. Haar hoger beroep richt zich eveneens tegen de tussenvonnissen van 7 december 2011, 16 januari 2013 en 3 juli 2013 alsmede tegen het eindvonnis van 20 november 2013. Ook haar hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op de beslissingen in conventie.

3.4.

Partijen hebben in hoger beroep twee geschilpunten aan het hof voorgelegd:

- de omvang van de verrekenvordering van de vrouw met betrekking tot de voormalige echtelijke woning [adres] in [plaats] , eigendom van de man (grieven 1 en 2 van de man en de incidentele grieven 1 en 2 van de vrouw);

- de vraag in hoeverre bij de afrekening tussen partijen rekening moet worden gehouden met een tweetal bedragen die de vrouw respectievelijk als schenking en uit een nalatenschap heeft ontvangen (incidentele grief 3 van de vrouw)

.

Het hof zal deze geschilpunten achtereenvolgens beoordelen.

3.5.

De rechtbank heeft het bedrag dat de man aan de vrouw verschuldigd is in verband met de verrekening van het met overgespaard inkomen geïnvesteerde bedrag in de voormalige echtelijke woning berekend op € 163.092,24 (rechtsoverweging 2.19 van het eindvonnis van 20 november 2013). De rechtbank is daarbij uitgegaan van de volgende gegevens:

- waarde van de woning op peildatum 5 september 2007: f. 1.144.034,- (€ 519.140,-);

- totale investering in de woning: f. 266.632,26 (f. 108.632,26 in verband met de aankoop van de bouwgrond en f. 158.000,- aan bouwkosten);

- investering in de woning met overgespaard inkomen: f. 167.529,79 (f. 16.029,79 in verband met de grondaankoop en f. 151.500,- in verband met de bouw van de woning)

De voormelde waarde van de woning op de peildatum is niet in geschil; ten aanzien van de overige door de rechtbank gehanteerde cijfers verschillen partijen wél van mening.

Volgens de man zijn zowel de kosten van aankoop van de bouwgrond als de bouwkosten nagenoeg volledig betaald met zijn privévermogen en is slechts met een bedrag van f. 23.614,88 aan overgespaard inkomen in de woning geïnvesteerd. Uitgaande van de door de rechtbank gehanteerde waarde van de woning op de peildatum en van een totale investering in de woning ten bedrage van f. 266.632,26 zoals door de rechtbank is berekend, levert dit in de visie van de man een verrekenvordering van de vrouw ter zake van de woning op van € 22.386,54.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de totale investering in de woning geen f. 266.632,26 heeft bedragen maar f. 317.469,29 (f. 108.632,26 in verband met de aankoop van de bouwgrond en f. 208.837,- aan bouwkosten). Volgens de vrouw is die investering grotendeels, namelijk tot een bedrag van f. 278.769,-, bekostigd uit overgespaard inkomen. Zij berekent op basis van deze gegevens haar verrekenvordering met betrekking tot de voormalige echtelijke woning op € 254.255,-.

3.6.

Uit het voorgaande blijkt dat het geschil tussen partijen ter zake van de voormalige echtelijke woning betrekking heeft op twee kwesties:

a. a) de hoogte van het in de woning geïnvesteerde bedrag (waarbij het in het bijzonder gaat om de bouwkosten; de aankoopprijs voor de bouwgrond is niet in geschil);

b) de vraag in hoeverre die investering is gefinancierd met overgespaard inkomen dan wel met privévermogen van de man.

Het hof zal eerst de onder a) genoemde kwestie beoordelen.

3.7.

De man is timmerman in de bouw en heeft de voormalige echtelijke woning in de periode van najaar 1993 tot najaar 1995 in eigen beheer gebouwd met behulp van familieleden. De man heeft in eerste aanleg bij conclusie van antwoord een lijst met bouwkosten geproduceerd (productie 13), uitkomend op een bedrag van f. 174.174,74. Ter onderbouwing van de op de lijst voorkomende bedragen heeft hij (als productie 14) bankafschriften overgelegd van de op zijn naam staande bouwrekening met nummer [bankrekeningnummer 1] . In een later stadium van de procedure in eerste aanleg, bij antwoordakte na tussenvonnis, heeft hij als productie 43 een gecorrigeerde lijst overgelegd van de bouwkosten, uitkomend op een bedrag van f. 154.651,92.

De vrouw stelde zich in eerste aanleg op het standpunt dat de bouwkosten aanmerkelijk meer hebben bedragen dan het door de man genoemde bedrag van f. 154.651,92. Zij noemde in dit verband een extra bedrag van f. 70.348,08 (later verhoogd tot f.112.870,38).

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 3 juli 2013 aan de vrouw opgedragen te bewijzen (kort gezegd) dat de bouwkosten f. 70.348,08 méér hebben bedragen dan in productie 43 van de man is vermeld.

In het eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw niet is geslaagd in de aan haar gegeven bewijsopdracht, dit met uitzondering van de kosten van het sierhekwerk die door de man ten onrechte niet zijn vermeld in productie 43. De rechtbank heeft de kosten voor het sierhekwerk vastgesteld op f. 3.349,- en de totale bouwkosten aldus vastgesteld op f. 154.651,92 + f. 3.349,- = f. 158.000,92.

3.8.

De vrouw is het met deze beslissing niet eens.

Anders dan de vrouw lijkt te veronderstellen ligt de bewijslast van de omvang van de bouwkosten niet bij de man maar bij haar. Het gaat hier niet om de omvang van het vermogen van de man op de peildatum, waarvoor het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW geldt, maar om de omvang van het in de woning geïnvesteerde bedrag. Ingevolge artikel 150 Rv rust op dit punt de bewijslast bij de vrouw.

3.9.

De vrouw stelt in hoger beroep dat de bouwkosten f. 208.837,- hebben bedragen. Zij leidt dit bedrag af uit de door de man overgelegde bankafschriften van de bouwrekening met nummer [bankrekeningnummer 1] , betrekking hebbend op de periode 22 september 1993 tot en met 16 januari 1996. Uit die bankafschriften blijken volgens de vrouw de volgende boekingen/opnamen:

- overboeking rekening-courant: f. 40.000,-

- kosten hypotheek: f. 600,-

- kasopnamen totaal: f. 12.731,-

- betalingen aan leveranciers: f. 161.831,-

Het hof merkt hierbij op dat optelling van deze bedragen leidt tot een ander totaalbedrag dan door de vrouw is genoemd.

De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de man zelf aanvankelijk (in productie 13 CvA) de bouwkosten heeft berekend op f. 174.174,74 en nadien, zonder deugdelijke verklaring, dit bedrag in zijn productie 43 heeft verlaagd tot f. 154.651,92.

Volgens de vrouw is productie 43 van de man onvolledig. Zo zijn daarin onder meer de kasopnamen niet vermeld. Concreet noemt zij in dit verband (onder randnummer 9 van haar memorie van grieven in incidenteel appel):

- kasopname 1 oktober 1993: f. 1.500,-

- kasopname 24 februari 1994: f. 2.000,-

- kasopname 7 december 1994: f. 2.000,-.

Het hof merkt hierbij op dat de laatstgenoemde kasopname van f. 2.000,- niet terug te vinden is in het overzicht op pagina 7 van de memorie van grieven in incidenteel appel van de vrouw.

3.10.

Het hof overweegt omtrent het voorgaande dat vergelijking van de door de man geproduceerde lijsten (respectievelijk productie 13, uitkomend op f. 174.174,74 en productie 43, uitkomend op f. 154.651,92) oplevert dat het verschil nagenoeg volledig te herleiden is tot het feit dat in productie 13 wél contante opnamen zijn vermeld (tot een bedrag van f. 22.500,-) en in productie 43 niet.

Volgens de man zijn er geen contante opnamen geweest om bouwkosten te betalen, met dien verstande dat hij aan het slot van de opsomming in productie 43 wel twee contante betalingen noemt, namelijk voor tuinplanten tot een bedrag van f. 750,- en voor een bad dat bij Praxis is gekocht voor f. 1.005,- Bij gebreke van andersluidende informatie gaat het hof ervan uit dat deze contante betalingen zijn gedaan met geld dat is opgenomen van de bouwrekening.

Naar het oordeel van het hof is de stelling van de man dat hij (voor het overige) geen contante betalingen heeft gedaan voor de bouw van de woning ongeloofwaardig, dit gelet op het feit dat die bouw door hem in eigen beheer met behulp van familieleden is gerealiseerd. Dit geldt temeer nu hij aanvankelijk (in zijn productie 13) wel meerdere contante opnamen heeft gekoppeld aan bouwkosten; enige toelichting waarom die bedragen vervolgens weer door hem zijn geschrapt, is niet gegeven.

Het hof begrijpt de stellingen van de vrouw aldus dat volgens haar een bedrag van f. 12.731,- aan contante opnamen in aanmerking moet worden genomen. Het door haar genoemde bedrag van f. 2.231,- is echter niet terug te vinden in productie 13 van de man en ook niet op andere wijze te traceren. Mogelijk doelt de vrouw op de betaling aan [betoncentrale] betoncentrale ad f. 2.231,91, maar die betaling is vermeld op de lijsten van de man. Bij gebreke van enige toelichting houdt het hof geen rekening met het door de vrouw genoemde bedrag van f. 2.231,-.

Dit betekent dat het hof bij de berekening van de bouwkosten – als onvoldoende betwist door de man – rekening zal houden met contante betalingen ten bedrage van f. 12.731,- minus f. 2.231,- = f. 10.500,-.

3.11.

Op het overzicht van de vrouw op pagina 7 van haar memorie is een overboeking vermeld ten bedrage van f. 40.000,- van de bouwrekening naar de rekening-courant.

Hieromtrent heeft de man aangevoerd dat het om een overboeking naar de rekening met nummer [bankrekeningnummer 2] gaat en dat met het genoemde bedrag Amerikaanse dollars zijn gekocht. Nu de vrouw niet heeft onderbouwd dat het hier bedoelde bedrag voor de bouw van de woning is gebruikt, dient het bedrag bij de berekening van de bouwkosten buiten beschouwing te blijven.

3.12.

De vrouw stelt (onder randnummer 9 van haar memorie) verder dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een tweetal betalingen, van respectievelijk f. 593,42 en f. 450,53. Uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat het hierbij gaat om betalingen aan respectievelijk Autobedrijf [autobedrijf] en aan VOF [VOF] . Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het hier om bouwkosten gaat waarmee rekening dient te worden gehouden.

3.13.

De vrouw stelt onder randnummer 9 van haar memorie ook nog dat rekening moet worden gehouden met de volgende correctieposten:

- kosten architect: 800,-

- sierhekwerk f. 3.349,-

- inrichting badkamer: P.M.

- planten voor de tuin: P.M.

3.14.

Wat betreft de kosten van de architect heeft de man er terecht op gewezen dat die kosten (ten bedrage van f. 750,-) zijn vermeld in productie 43.

De kosten van het sierhekwerk zijn door de rechtbank aanvaard als extra bouwkosten. Tegen deze beslissing is door de man niet gegriefd. Ook het hof zal van deze kosten ten bedrage van f. 3.349,- uitgaan.

Wat betreft de inrichting van de badkamer heeft de man er op gewezen dat in productie 43 een contante betaling van f. 1.005,- voor het bad is opgenomen en dat voor het overige sanitair in productie 43 een betaling aan Raymakers ten bedrage van f. 5.006,92 is vermeld.

Naar het oordeel van het hof is er, gelet op deze stelling van de man, geen grond om op dit punt het bedrag aan bouwkosten te corrigeren.

Met betrekking tot de planten voor de tuin heeft de man er terecht op gewezen dat in productie 43 voor tuinaanplant een contant bedrag van f. 750,- is opgenomen. Gelet hierop ontbreekt ook op dit punt een grond om het bedrag aan bouwkosten te corrigeren.

3.15.

In eerste aanleg heeft de vrouw ook nog kosten opgevoerd voor manuren wegens ingeschakelde derden, voor een tuinarchitect, voor een tuinhuisje, voor trappen, voor een houten vloer, voor de huur van een kraan en wegens het ontbreken van drie bankafschriften van de bouwrekening.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht overwogen dat, gelet op de betwisting van de man, door de vrouw onvoldoende is aangetoond dat het hier om extra bouwkosten gaat die ontbreken in productie 43. Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en beslist.

3.16.

De conclusie is dat het door de rechtbank berekende bedrag aan bouwkosten ad f. 158.000,92 moet worden verhoogd met een bedrag van f. 10.500,- tot f. 168.500,92. De tweede incidentele grief van de vrouw is in zoverre gegrond.

3.17.

Het voorgaande betekent dat de totale investering in de voormalige echtelijke woning f. 108.632,26 + f. 168.500,92 = f. 277.133,18 bedraagt.

3.18.

Ter beoordeling staat thans de vraag in hoeverre de aldus berekende investering in de voormalige echtelijke woning is gefinancierd met overgespaard inkomen dan wel met privévermogen van de man.

3.19.

De man stelt zich op het standpunt dat de koop van de bouwgrond en de bouw van de woning nagenoeg geheel zijn gefinancierd uit zijn privévermogen. Dat privévermogen had hij opgebouwd met aanbrengsten ten huwelijk, met de verkoopopbrengst van een woning in [plaats] die hij reeds vóór het huwelijk in eigendom had, met gelden uit erfenis en schenkingen alsmede met speculatiewinst en renteopbrengsten. Volgens de man was zijn vermogen toereikend om, gevoegd bij de hypothecaire lening ten bedrage van f. 60.000,-, welke lening hij grotendeels voor zijn rekening heeft genomen, de aankoop van de bouwgrond en de bouw van de woning te bekostigen. Volgens de man had hij aan privémiddelen, gevoegd bij de hypothecaire geldlening, in totaal f. 296.821,59 beschikbaar en is dat bedrag ook nagenoeg geheel gebruikt, gelet op het feit dat na de aankoop van de grond en de bouw van de woning nog slechts een privévermogen van ongeveer f. 30.189,33 resteerde.

3.20.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw er terecht op gewezen dat de privégelden van de man vermengd zijn geraakt met gelden die als overgespaard inkomen moeten worden aangemerkt. Zo is de opbrengst van de woning in [plaats] gestort op een en/of rekening van partijen en vervolgens (met andere gelden) weer gestort op een privérekening van de man. Dit brengt mee dat de door de man genoemde renteopbrengsten en speculatiewinsten niet zonder meer (geheel) kunnen worden gerekend tot het privévermogen van de man.

Zowel de aankoop van de bouwgrond als de bouw van de voormalige echtelijke woning zijn gefinancierd met de aldus vermengde vermogensbestanddelen. Het hof zal een zo nauwkeurig mogelijke inschatting maken van de verdeling tussen respectievelijk de investering met privégeld en de investering met overgespaard inkomen.

Uitgangspunt hierbij is het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 1:141 lid 3 BW, hetgeen betekent dat alleen investeringen met gelden waarvan in voldoende mate vaststaat dat deze tot het privévermogen van de man horen, buiten de verrekening dienen te blijven.

3.21.

De man stelt, onder verwijzing naar de akte huwelijkse voorwaarden, dat hij ten tijde van de huwelijkssluiting een bedrag aan spaargeld had van f. 11.000,- en dat hij daarnaast een vordering had op het Sociaal Fonds Bouwnijverheid en tevens geld van Obragas heeft terug ontvangen. Hij stelt dat die gelden zijn gestort op zijn privérekening met nummer [privérekeningnummer] en dat die rekening eind 1988 een saldo had van f. 18.792,78 (productie 65 MvG).

Naar het oordeel van het hof heeft de man niet onderbouwd dat de hier bedoelde gelden nog aanwezig waren ten tijde van de aankoop van de bouwgrond (op 20 september 1993) en de daarop volgende bouw van de woning en dat die gelden daadwerkelijk voor deze doeleinden zijn gebruikt.

Dit betekent dat de hier bedoelde gelden niet kunnen worden aangemerkt als gelden die zijn geïnvesteerd in de voormalige echtelijke woning.

3.22.

Ten tijde van de huwelijkssluiting op 28 april 1988 was de man eigenaar van een woning in [plaats] . Hij had die woning op 3 februari 1987 gekocht voor f. 97.881,50. Het hof gaat er van uit, gelet op de betrekkelijk korte tijd tussen de beide genoemde data en nu partijen zelf hier ook van uit lijken te gaan, dat de waarde van de woning in [plaats] op de huwelijksdatum ongewijzigd was.

De aankoop van de woning in [plaats] was door de man deels gefinancierd met een hypothecaire lening van f. 50.000,-.

De man heeft de woning in [plaats] op 28 november 1991, dus tijdens het huwelijk, verkocht voor een bedrag van f. 178.000,-. Op dat moment bedroeg de hypotheekschuld nog

f. 39.488,80. De man gaat er van uit dat dat de gedeeltelijke aflossing van de lening ad

f. 10.511,20 is geschied uit overgespaard inkomen. Ook het hof zal hiervan uitgaan. Dit betekent dat van de verkoopopbrengst van de woning in [plaats] een deel groot (10.511,20 : 97.881,50) x f.178.000,- = f. 19.114,87 moet worden toegerekend aan overgespaard inkomen. Het overige deel van de netto opbrengst: f. 138.423,40 – f. 19.114,87 = f. 119.308,53 moet worden aangemerkt als privégeld van de man.

3.23.

De netto verkoopopbrengst van de woning in [plaats] is (op 29 november 1991) gestort op de en/of rekening van partijen met nummer [bankrekeningnummer 2] . Op dezelfde dag heeft de man van die rekening een bedrag van f. 141.000,- overgeboekt naar zijn privérekening met nummer [privérekening van de man] . Op die rekening is het geld vermengd met eerdere stortingen en rentebijschrijvingen (productie 66 MvG).

Op 14 april 1992 is het totale saldo van rekening [privérekening van de man] overgeboekt naar rekening [bankrekeningnummer 2] en vervolgens gestort in het zogenoemde Florente Fund.

Uitgaande van productie 66 MvG was op rekeningnummer [privérekening van de man] in totaal een bedrag van f. 193.470,- gestort en is over de gestorte gelden een bedrag aan rente gegenereerd van in totaal f. 8.130,52. Een deel van die rente valt toe te rekenen aan het privévermogen van de man. Het hof stelt dat deel schattenderwijs vast op (119.308,54 : 193.470,-) x f. 8.130,52 = f. 5.013,91.

3.24.

Zoals vermeld is het saldo van rekeningnummer [privérekening van de man] (in totaal f. 200.747,70) via rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] gestort in het Florente Fund. Op de rekening van het Florente Fund is in de periode 1992 – 1994 een rente ontvangen van f. 3.376,96. Een deel van die rente valt toe te rekenen aan het privévermogen van de man. Het hof stelt dat deel schattenderwijs vast op (119.308,54 : 200.747,70) x f. 3.376,96 = f. 2.007,-.

3.25.

In de jaren 1992 en 1993, vóór de aankoop van de bouwgrond, heeft man met gelden die afkomstig waren van zijn rekening met nummer 1146.132.425 en van het Florente Fund gespeculeerd door middel van aan- en verkoop van dollars en ponden (productie 68 MvG). Met die aan- en verkoop heeft hij een speculatiewinst behaald van f. 22.846,92.

Een deel van die winst valt toe te rekenen aan het privévermogen van de man. Het hof stelt dat deel schattenderwijs vast op (119.308,53 : 200.747,70) x f. 22.846,92 = f. 13.578,40.

3.26.

Naar het oordeel van het hof heeft de man met de door hem bij memorie van grieven overgelegde producties 69 en 70 in voldoende mate aangetoond dat hij op 2 december 1993 een bedrag van f. 6.500,- uit de nalatenschap van zijn oom heeft ontvangen en op 2 juni 1994 een schenking van zijn ouders ten bedrage van f. 32.242,- en tevens dat die gelden zijn gestort op de bouwrekening die is gebruikt voor de betaling van de bouwkosten van de voormalige echtelijke woning.

Dit betekent dat de genoemde bedragen als investeringen met privévermogen van de man kunnen worden aangemerkt.

3.27.

Niet in geschil is dat ten behoeve van de bouw van de voormalige echtelijke woning een hypothecaire lening is verstrekt van f. 60.000,-. Evenmin is in geschil dat de man een deel, groot f. 6.500,- van de lening heeft afgelost met een schenking van zijn ouders en dat hij de restschuld op de peildatum ten bedrage van f. 39.000,- voor zijn rekening heeft genomen. Deze beide bedragen dienen als investeringen met privévermogen van de man te worden aangemerkt.

De man heeft (onder randnummer 24 van zijn memorie van grieven) gesteld dat hij ook nog met een bedrag van f. 10.000,- aan privémiddelen heeft afgelost op de hypothecaire lening. De vrouw heeft dit betwist. Naar het oordeel van het hof zijn de door de man overgelegde bewijsstukken (producties 75, 76 en 77) ontoereikend om te kunnen concluderen dat de bedoelde aflossing inderdaad met privégeld van de man heeft plaatsgevonden. Aanvullend bewijs is niet aangeboden. Dit betekent dat de hier bedoelde stelling van de man niet kan worden aanvaard.

3.28.

Het hof gaat ervan uit dat de in de voorgaande rechtsoverwegingen berekende vermogensbestanddelen daadwerkelijk in de voormalige echtelijke woning zijn geïnvesteerd, nu door de vrouw niet is weersproken dat het aanwezige privégeld, vermengd met overgespaard inkomen, nagenoeg geheel was besteed toen eenmaal de bouw van de voormalige echtelijke woning gereed was.

Samengevat heeft de man met de volgende bedragen aan privévermogen in de voormalige echtelijke woning geïnvesteerd:

  • -

    opbrengst van de woning in [plaats] f. 119.308,53

  • -

    rente rekening [privérekening van de man] f. 5.013,91

  • -

    rente Florente Fund f. 2.007,--

  • -

    speculatiewinst f. 13.578,40

  • -

    erfenis f. 6.500,--

  • -

    schenking ouders f. 32.242,--

  • -

    aflossing hypotheek f. 6.500,--

  • -

    restschuld hypotheek f. 39.000,--

Totaal f. 224.149,84

3.29.

Gelet hierop en gelet op het in totaal in de woning geïnvesteerde bedrag van

f. 277.133,18, gaat het hof ervan uit dat met een bedrag van f. 277.133,18 - f. 224.149,84 =

f. 52.983,34 in de voormalige echtelijke woning is geïnvesteerd met overgespaard inkomen.

De verrekenvordering van de vrouw ter zake van de voormalige echtelijke woning kan aldus worden berekend op de helft van (52.983,34 : 277.133,18) x € 519.140,- = € 49.625,53.

Dit betekent dat de grieven van de man in zoverre gegrond zijn en dat het eindvonnis waarvan beroep in zoverre niet in stand kan blijven.

De eerste incidentele grief van de vrouw faalt, gelet op het voorgaande.

3.30.

De derde incidentele grief van de vrouw heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank met betrekking tot een drietal bedragen die volgens de vrouw buiten de verrekening van haar vermogen dienen te blijven, te weten:

- een schenking in 2002 ten bedrage van € 19.412,-

- een schenking in 2003 ten bedrage van € 4.000,-

- een uitkering uit een nalatenschap ten bedrage van € 2.779,77.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 7 december 2011 beslist dat de schenking van

€ 19.412,- in mindering moet worden gebracht op het te verrekenen vermogen van de vrouw. Partijen waren het hierover eens. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het voorgaande niet geldt voor de twee andere bedragen, aangezien de man heeft aangevoerd dat die bedragen zijn opgegaan in het huishouden terwijl de vrouw niet heeft gesteld en in ieder geval niet heeft onderbouwd dat de twee bedoelde bedragen op de peildatum nog aanwezig waren.

De vrouw is het met de beslissing van de rechtbank niet eens en handhaaft haar standpunt dat ook de twee laatstgenoemde bedragen in mindering moeten worden gebracht op het te verrekenen vermogen aan haar zijde.

3.31.

Het hof stelt vast dat dat de vrouw niet heeft gegriefd tegen het door de rechtbank gehanteerde uitgangpunt dat de voormelde schenking en erfenis slechts dán in mindering dienen te worden gebracht op het te verrekenen vermogen van de vrouw, indien (en voor zover) die schenking en erfenis nog niet waren verteerd en nog aanwezig waren op de peildatum. Om die reden zal ook het hof dit uitgangspunt hanteren.

De vrouw grieft evenmin tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw niet heeft gesteld en in ieder geval niet heeft onderbouwd dat voormelde bedragen nog aanwezig waren op de peildatum Zij stelt in hoger beroep slechts dat op de man de verplichting rustte om een deugdelijke administratie te voeren en dat de man dient te bewijzen dat de hier bedoelde bedragen waren verteerd op de peildatum.

3.32.

Naar het oordeel van het hof kan dit standpunt van de vrouw niet worden aanvaard. Ingevolge de huwelijkse voorwaarden (artikel 14) diende de vrouw van haar inkomen en vermogen zelf behoorlijk boek te houden. Ingevolge artikel 150 Rv rust op haar de bewijslast met betrekking tot de aanwezigheid van de bedoelde bedragen op de peildatum. Bewijs dat de bedragen op de peildatum nog aanwezig waren ontbreekt, evenals een voldoende concreet bewijsaanbod van de vrouw op dit punt.

Het voorgaande betekent dat de derde grief van de vrouw faalt.

3.33.

De vrouw heeft in haar memorie van antwoord/memorie van grieven in incidenteel appel, in algemene termen bewijs van haar stellingen aangeboden. Dat bewijsaanbod wordt, als te vaag, door het hof gepasseerd.

3.34.

De slotsom is dat op de berekening van de rechtbank van het door de man per saldo aan de vrouw te betalen bedrag ad € 161.446,05 op één punt een correctie moet plaatsvinden: de verrekenvordering van de vrouw op de man ter zake van de voormalige echtelijke woning bedraagt geen € 163.092,24 maar € 49.625,53. Dit betekent dat op het bedrag dat in het dictum van het eindvonnis in conventie is genoemd een bedrag van € 163.092,24 minus

€ 49.625,53 = € 113.466,71 in mindering moet worden gebracht zodat een (in totaal) door de man te betalen bedrag resteert van € 47.979,34.

Het hof zal, opnieuw rechtdoende, aldus beslissen.

Tevens zal het hof, zoals door de man bij voorwaardelijke vermeerdering van eis in reconventie is gevorderd, de vrouw veroordelen om aan de man terug te betalen hetgeen hij meer aan de vrouw heeft betaald dan waartoe hij thans door het hof wordt veroordeeld, te vermeerderen met wettelijke rente zoals gevorderd.

De vonnissen waarvan beroep zullen voor het overige worden bekrachtigd.

De kosten van het hoger beroep zullen door het hof worden gecompenseerd, nu partijen voormalige echtgenoten zijn.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 7 december 2011;

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank van 20 november 2013, gewezen in conventie, voor zover de man daarin is veroordeeld om aan de vrouw een bedrag te betalen van

€ 161.446,05 met wettelijke rente en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag te betalen van € 47.979,34, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 1 januari 2008 tot aan de dag van de volledige betaling;

veroordeelt de vrouw om aan de man terug te betalen hetgeen de man meer aan de vrouw heeft betaald dan waartoe de man door het hof is veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van de onverschuldigde betaling door de man tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 februari 2017.

griffier rolraadsheer