Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5832

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
200.226.366_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 21 december 2017

Zaaknummer : 200.226.366/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/322668 / FT RK 17/579

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.L.A. Klaassen te Vught.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 19 oktober 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2017, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Bij die gelegenheid is [appellant] , bijgestaan door mr. Klaassen, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 september 2017;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 4 december 2017.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 212.831,21. Daaronder bevinden zich een drietal belastingschulden voor een totaalbedrag van € 26.261,00, een schuld aan het UWV van € 8.873,96 alsmede een clusterschuld aan het CJIB van € 2.629,19. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijke weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. Uit de dossierstukken is de rechtbank gebleken dat de schuld aan het CJIB bestaat uit zeven boetes op vijf verschillende kentekens. Uit de stukken blijkt voorts dat vijf van deze boetes zijn opgelegd in de afgelopen vijf jaar, met een nadruk op het jaar 2014.

2.3.1.

De schuld aan de Belastingdienst is opgebouwd uit aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014 alsmede een terugvordering huurtoeslag 2014 en aanslagen motorrijtuigenbelasting 2013 en 2014. De meeste van deze belastingschulden, afgezien van de aanslagen inkomstenbelasting 2009 en 2010, zijn blijkens het schuldenoverzicht van de Belastingdienst van 16 november 2015 in de afgelopen vijf jaar opgelegd. Dit maakt dat van het bedrag van € 38.265,14 een bedrag van € 6.865.00 resteert aan belastingschulden die in de afgelopen vijfjaar zijn ontstaan.

2.3.2.

De schuld aan het UWV, ontstaan in 2016, is volgens verzoeker ontstaan als gevolg van het feit dat hij niet had doorgegeven dat hij was gaan werken.

2.3.3.

Schulden aan het CJIB, de Belastingdienst en het UWV, worden geacht naar hun

aard niet te goeder trouw te zijn ontstaan (vgl. ook artikel 5.4.4. Bijlage IV Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken). Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schulden wel te goeder trouw zijn ontstaan.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Met betrekking tot de schuld aan het CJIB stelt [appellant] dat het hier niet gaat om 5 substantiële geldboetes. De vijf boetes samen belopen een bedrag ad € 1.991,00.

[appellant] benadrukt dat het hier handelt om begane overtredingen tijdens zijn toenmalige werk als koerier, hetgeen met zich heeft gebracht dat hij toen meer risico liep op het begaan van verkeersovertredingen, niet omdat hij lak zou hebben gehad aan verkeersregelgeving, maar door de opgelegde werkdruk, inherent aan het koerierswerk, zo ook de vele kilometers op de weg. Ook speelt mee dat hij in die periode - medio 2012 tot medio 2015 - in staat van faillissement verkeerde. Met enkele Mulder-boetes is hij eerst veel later bekend geraakt omdat deze op het kantoor van de curator aankwamen maar vervolgens in het ongerede raakten. [appellant] heeft ook al jaren geen verkeersovertreding meer begaan en momenteel loopt er nog steeds een afbetalingsregeling met een gerechtsdeurwaarderskantoor ad € 100,00 per maand. Met betrekking tot zijn belastingschulden stelt [appellant] dat de IB aanslag 2011 en - deels - de IB aanslag 2012 voortvloeit uit inkomsten gegenereerd in een periode die langer geleden is dan de zogenaamde vijfjaarsperiode. De beide IB heffingen zijn daarenboven ook alweer geruime tijd geleden ontstaan. De IB heffing over 2014 is relatief zeer klein in omvang. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de beide aanslagen motorrijtuigenbelasting: andere aanslagen motorrijtuigenbelasting zijn overigens wel door [appellant] voldaan. De terugvordering huurtoeslag kan en mag al evenmin als een niet te goeder trouw aangegane schuld worden aangemerkt. Dat een en ander onbetaald is gebleven vindt mede zijn oorzaak in het gegeven dat [appellant] in de periode medio 2012 tot medio 2015 in staat van faillissement verkeerde. Met betrekking tot de schuld aan het UWV stelt [appellant] dat in december 2012 aan zijn echtgenoot door het UWV een terugbetalingsverplichting ad € 8.774,00 is opgelegd. De echtgenoot van [appellant] ontvangt al sedert 2005 een WIA-uitkering en nimmer eerder was het inkomen van [appellant] uit loondienst voor het UWV een issue. [appellant] heeft zich indertijd dan ook in het geheel niet gerealiseerd dat hij kennelijk het UWV had moeten informeren omtrent zijn loondienstverband per 1 december 2011. Tot slot doet [appellant] een nadrukkelijk beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] benadrukt dat zijn echtgenoot, met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, wel tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten en dat het dus wel erg cru is dat, indien [appellant] niet alsnog tot de schuldsaneringsregeling zou worden toegelaten, de schuldeisers na drie jaar, zelfs indien de echtgenoot van [appellant] een schone lei zou krijgen, toch weer aan de deur zouden staan. Voorts stelt [appellant] dat veel van zijn schulden al wat ouder zijn, vaak al ouder dan vijf jaar, en dat er bij het ontstaan van deze schulden eigenlijk ook geen, althans niet in grote mate, sprake is geweest van kwade trouw. Zo is de schuld aan het UWV ontstaan omdat [appellant] zich niet gerealiseerd had dat hij in het kader van de uitkering van zijn echtgenoot de uitkeringsinstantie van zijn nieuwe arbeidsbetrekking op de hoogte had dienen te stellen, acht hij het ontstaan van de verkeersboetes die tot de schuld aan het CJIB hebben geleid min of meer inherent aan zijn toenmalige werkzaamheden als koerier en zouden de zakelijke belastingschulden deels zijn ontstaan omdat de Belastingdienst klaarblijkelijk niet door de Kamer van Koophandel is bericht met betrekking tot het feit dat [appellant] zijn onderneming al in 2011 zou hebben gestaakt. Tot slot herhaalt [appellant] zijn beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw. [appellant] voert hierbij aan dat hij op dit moment geen motorvoertuig meer op zijn naam heeft staan en daarnaast alles op alles zet om weer een betaalde arbeidsbetrekking te verwerven.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Er is sprake van een belastingschuld van op zijn minst € 6.865,00, onder meer bestaande uit niet afgedragen omzet- en inkomstenbelasting, niet betaalde motorrijtuigenbelasting en een terugvordering van een onterecht ontvangen huurtoeslag. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellant] verzuimt om in alle gevallen de exacte aard en toedracht met betrekking tot deze belastingschuld ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken middels bewijsstukken dan wel anderszins te onderbouwen acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest. Dat [appellant] vanwege een detentie enige tijd niet in staat is geweest om zijn fiscale zaken naar behoren af te wikkelen, zoals door hem bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gesteld, maakt dit, daargelaten nog dat hij deze stelling op geen enkele wijze voldoende aannemelijk weet te maken, naar het oordeel van het hof geenszins anders.

3.6.3.

Ten aanzien van de schuld aan het CJIB oordeelt het hof als volgt. Uit punt 5.4.4. van eerder genoemde bijlage volgt eveneens dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Hierbij overweegt het hof dat het bovendien om meerdere geldboetes gaat. [appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat het oplopen van deze geldboetes min of meer inherent is geweest aan zijn toenmalige werkzaamheden al koerier, mede gelet op het grote aantal kilometers dat hij in het kader van die arbeidsbetrekking per jaar aflegde. Het hof is evenwel van oordeel dat het gelet op zijn reeds toen al problematische schuldenpositie nadrukkelijk op de weg van [appellant] lag om de geldende verkeersregels en –voorschriften nauwgezetter na te (gaan) leven dan thans het geval is gebleken, zeker nadat hij al een aantal keren was beboet. [appellant] heeft evenwel volhard in het plegen van strafbare gedragingen in het verkeer, hetgeen dan ook verwijtbaar heeft geleid tot nog meer geldboetes. Daarbij komt dat [appellant] ook is beboet voor verkeersdeelname met een onverzekerd motorvoertuig, hetgeen geheel los staat van zijn toenmalige koerierswerkzaamheden. [appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat hij een op zijn naam geregistreerd motorvoertuig welbewust onverzekerd heeft gelaten omdat het hem op dat moment aan de hiertoe benodigde financiële middelen zou hebben ontbroken. Het hof overweegt dat [appellant] , nu hij met dit onverzekerd motorvoertuig aan het verkeer heeft deelgenomen, hetgeen hij ook erkent, klaarblijkelijk wel over de financiële middelen beschikte om bijvoorbeeld de brandstof te betalen, daargelaten nog dat het hof van oordeel is dat [appellant] , indien hij financieel niet meer in staat zou zijn geweest om alle aan het bezit en gebruik van een motorvoertuig verbonden kosten te voldoen, dit motorvoertuig van de hand had dienen te doen, dan wel het bijbehorende kentekenbewijs had dienen te laten schorsen. Door weloverwogen met een onverzekerd motorvoertuig aan het verkeer deel te nemen heeft [appellant] bovendien een financieel risico gelopen indien hij in geval van een aanrijding of ongeval voor de kosten daarvan aansprakelijk zou zijn gesteld.

3.6.4.

Daarbij is het hof van oordeel dat ook het ontstaan van de schuld aan het UWV, inclusief de boete, [appellant] terdege kan worden verweten. [appellant] wist, althans had dienen te onderkennen, dat het feit dat hij vanwege het verwerven van een (nieuwe) betaalde arbeidsbetrekking meer inkomsten zou gaan genieten gevolgen zou (kunnen) hebben voor de hoogte van de uitkering van zijn echtgenoot met wie hij immers in gemeenschap van goederen is gehuwd en duurzaam een gezamenlijke huishouding voert. Het hof is op grond van het vorengaande dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat

[appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend immer te goeder trouw is geweest.

3.6.5.

Voorts is het hof van oordeel dat het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw niet kan slagen nu hij onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken welke omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan van zijn schulden hij thans onder controle heeft gekregen. De door [appellant] genoemde omstandigheden, meer in bijzonder het feit dat hij thans geen motorvoertuig meer op zijn naam geregistreerd heeft, volop solliciteert (waarvan hij overigens geen enkel schriftelijk bewijs heeft overgelegd) en zijn echtgenoot wel tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten betreffen immers geen omstandigheden zoals bedoeld in art. 288, lid 1 onder b Fw, dan wel art. 288, lid 2 onder c Fw, zodat de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw hierop niet van toepassing kan zijn.

3.6.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof, temeer nu bovendien ook de onderbouwing, al dan niet door middel van bewijsstukken, ten aanzien van een groot aantal schulden zoals vermeld op de verklaring ex art. 285 Fw ontbreekt zodat ook van deze schulden niet kan worden vastgesteld of deze schulden te goeder trouw zijn ontstaan, dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, A.P. Zweers-van Vollenhoven en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.