Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5822

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
200.215.385_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2754
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:730, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging voortzetting schuldsaneringsregeling nu saniet de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling ook niet anderszins belemmert dan wel frustreert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 21 december 2017

Zaaknummer : 200.215.385/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/16/424 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats]

geïntimeerde,

Hierna te noemen [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A. van den Eshoff te Echt, gemeente Echt-Susteren.

5 Het tussenarrest van 15 juni 2017

Bij dit arrest heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden teneinde ambtshalve het proces-verbaal van de toelatingszitting van 31 mei 2016 bij de rechtbank op te vragen en een afschrift daarvan aan partijen en aan de bewindvoerder te doen toekomen. Het hof verzocht daarnaast de bewindvoerder het verzoekschrift van [geïntimeerde] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, inclusief alle onderliggende bescheiden waaronder de 285-verklaring met bijlagen en de rapportage van bureau schuldhulpverlening uiterlijk 7 juli 2017 aan het hof en aan beide advocaten te doen toekomen. Partijen en de bewindvoerder kregen daarop de gelegenheid tot uiterlijk 4 augustus 2017 om zich over een en ander nog (nader) uit te laten indien zij dat gewenst achten.

6 De verdere loop van de procedure

6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 17 augustus 2017 en 2 december 2017, de brief van de advocaat van [appellante] d.d. 18 juli 2017 , de reactie van de advocaat van [geïntimeerde] op het tussenarrest van 15 juni 2017 d.d. 17 augustus 2017, de brieven met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 28 juni 2017, 19 juli 2017 en 13 december 2017 alsmede van de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde pleitnotities.

6.2

De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Bij die gelegenheid zijn [appellante] , bijgestaan door mr. Bruggeman, en [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Van den Eshoff, gehoord. De bewindvoerder is, met bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

7 De beoordeling

7.1.

Door en namens [appellante] is in de stukken nader en ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Aan de orde is volgens [appellante] of de schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] beëindigd dient te worden. Volgens [appellante] schiet [geïntimeerde] op meerdere fronten te kort om in het kader van de schuldsaneringsregeling aan zijn verplichtingen te voldoen. Gewezen is op de kwestie met de auto, welke in het zicht van een beslaglegging (in 2013 ter voldoening van één van de schulden) om niet op naam van de (vriendin/)vader van [geïntimeerde] was gezet en thans in het kader van de schuldsaneringsregeling, temeer nu de auto inmiddels op naam van de vriendin van [geïntimeerde] is gezet, aldus ook aan de boedel wordt onttrokken. Doelbewust is op deze manier voldoening van schulden zowel voorafgaand als tijdens de wsnp verhinderd. Een en ander is op de toelatingszitting verzwegen. Op de beëindigingszitting van 13 april 2017 is dit uitgekomen. Verder speelt de kwestie van het inwonen van [geïntimeerde] bij zijn vriendin. Nu een gezamenlijke huishouding immers voordeel voor de schuldeisers zou opleveren is het achterhouden van deze inwoning dan ook een benadeling van de schuldeisers. Het door [geïntimeerde] gestelde woonadres is dus niet correct en dat maakt dat de door hem overgelegde kostgeldovereenkomst eveneens onjuist is. Daar komt nog bij dat [geïntimeerde] volgens [appellante] ook ten aanzien van dit onderwerp bij gelegenheid van zijn toelatingszitting welbewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven.

[appellante] is dan ook van mening dat de schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] gelet op artikel 350 lid 3 sub c, d en f Fw niet kan worden gecontinueerd. [appellante] stelt dat indien bij de toelatingszitting opening van zaken was gegeven over de auto, de samenwoning en de schuld bij de advocaat van de schuldenaar –waarvan [appellante] het bestaan ten zeerste betwijfelt- zou al een hoger bedrag aan de boedel hebben kunnen worden afgedragen en als op het moment van de toelatingszitting de rechter had geweten dat de schuldenaar omtrent voornoemde punten hem/haar trachtte te misleiden, had de rechter de schuldenaar nimmer tot de schuldsaneringsregeling toegelaten.

7.2.

Door en namens [geïntimeerde] is ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Reeds ver voor zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling hadden [geïntimeerde] en zijn vriendin, mede ingeven door alle problemen die er nog steeds tussen [geïntimeerde] en [appellante] zijn, besloten niet (langer meer) te gaan samenwonen. Dat samenwoning wellicht beter voor de schuldeisers zou zijn mag volgens [geïntimeerde] geen reden zijn om deze samenwoning af te dwingen. Met betrekking tot het bezit en gebruik van de auto heeft [geïntimeerde] afspraken met de rechter-commissaris en de bewindvoerder gemaakt en deze komt hij ook na. Voorts stelt [geïntimeerde] dat hij voorafgaand aan het opstellen van de kostgeldovereenkomst ook al kostgeld aan zijn ouders betaalde. Dit was aanvankelijk wel een lager bedrag dan de huidige € 500,00. Voorts licht [geïntimeerde] toe dat zijn auto eerst op naam van zijn vriendin is gezet en daarna op naam van zijn vader en niet, zoals door [appellante] is gesteld, in de omgekeerde volgorde. [geïntimeerde] gebruikt de auto als hij voor zijn werk naar een andere locatie moet dan de hoofdlocatie. Ten aanzien van de hoofdlocatie heeft [geïntimeerde] immers een OV-trajectkaart. Bovendien was de auto al ver voor zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling op naam van zijn vriendin gezet. Daar komt nog bij dat de auto ook alleen maar was aangeschaft zodat [geïntimeerde] aan de afgesproken omgangsregeling met zijn kinderen kon voldoen. Overigens is de dagwaarde van de auto in 2016, een bedrag van € 5.000,00, ook in de boedel gebracht en draagt [geïntimeerde] voor het gebruik van de auto per maand een bedrag van € 160,00 aan de boedel af. Tot slot stelt [geïntimeerde] dat [appellante] hem op alle mogelijke wijzen uit de schuldsaneringsregeling wil laten zetten om dat alsdan zijn alimentatieverplichtingen weer zouden herleven. [appellante] opereert naar zijn idee dan ook niet als een gemiddelde, willekeurige schuldeiser.

7.3.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

7.4.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c, e en f Fw, te beoordelen of er bij [geïntimeerde] , in het licht van alle omstandigheden van het geval, sprake is van het (bij toelating en/of gedurende de schuldsaneringsregeling) niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling, het trachten zijn schuldeisers te benadelen en/of het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.

7.5.

Uit hetgeen in het proces-verbaal van de toelatingszitting tot de schuldsaneringsregeling is opgenomen kan worden opgemaakt dat [geïntimeerde] zowel zijn (historische) woonsituatie als het bezit en gebruik van zijn auto destijds nader heeft toegelicht. Daarbij komt dat [geïntimeerde] de toenmalige (ten tijde van de toelating tot de schuldsanering) dagwaarde van de auto naar aanleiding van de beëindigingszitting ook aan de boedel heeft afgedragen. Aldus is van een benadeling van zijn schuldeisers door het om niet op naam van een derde zetten van deze auto dan ook geen sprake meer. Voorts heeft [geïntimeerde] erkend dat hij, voorafgaand aan zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling, inderdaad enige tijd met zijn vriendin heeft samengewoond, maar dat hij en zijn vriendin, mede vanwege de problematische scheiding van [geïntimeerde] en [appellante] , er op enig moment bewust voor hebben gekozen om deze samenwoning, ondanks het feit dat zij inmiddels samen een kind hadden gekregen, te beëindigen. Sindsdien woont [geïntimeerde] bij zijn ouders in, hetgeen hij blijkens het proces-verbaal bij gelegenheid van de toelatingszitting ook heeft verklaard, en betaalt hij hiervoor een maandelijks kostgeld van (thans) € 500,00. Temeer nu de bewindvoerder bij brief van 13 december 2017 (nogmaals) heeft verklaard dat [geïntimeerde] alle voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren nakomt ziet het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat [geïntimeerde] zijn ouders geen, dan wel minder kostgeld zou betalen dan in de door hem overgelegde kostgeldovereenkomst staat vermeld of dat hij de bewindvoerder hierover onjuist of niet zou informeren. In het kader van zijn informatieplicht dient [geïntimeerde] immers periodiek zijn bankafschriften aan de bewindvoerder te overleggen en laatstgenoemde kan hieruit eenvoudig herleiden of [geïntimeerde] zijn kostgeld immer tijdig en volledig voldoet. Het hof benadrukt hierbij dat [geïntimeerde] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gesteld dat deze kostgeldbetalingen immer via zijn bankrekening bij de ING Bank geschieden en er dus geen sprake is van contante, en daardoor voor de bewindvoerder vrijwel oncontroleerbare, betalingen.

7.6.

Gelet op het vorengaande is het hof dan ook van oordeel dat [geïntimeerde] , temeer nu zulks ook door zijn bewindvoerder wordt onderschreven, de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren nakomt, er na het afdragen van de dagwaarde van de auto bij aanvang van de schuldsaneringsregeling aan de boedel geen sprake (meer) is van het benadelen van de schuldeisers. Dat de kwestie van de auto destijds aan toelating tot de schuldsanering in de weg had gestaan als de thans bekende feiten toen al bekend zouden zijn geweest acht het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt, omdat ook destijds voor een oplossing zou kunnen zijn gekozen, zoals deze thans is gedaan door de betreffende dagwaarde aan de boedel af te dragen. Evenmin is in voldoende mate vast te stellen dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zou zijn afgewezen op grond van de door [geïntimeerde] verstrekte informatie met betrekking tot het wel of niet samenwonen.

7.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] dient te worden gecontinueerd.

8. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.