Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5800

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
200.203.336_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2174
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1099
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verzet
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Deskundigenonderzoek naar echtheid handtekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.203.336/01

arrest van 19 december 2017

in de zaak van

[opposant] ,

wonende te [woonplaats] ,

opposant,

oorspronkelijk geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: [opposant] ,

advocaat: mr. M.N. Mense te Haarlem,

tegen

[geopposeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geopposeerde,

oorspronkelijk appellante,

hierna aan te duiden als: [geopposeerde] ,

advocaat: mr. A.M.V. Bandhoe te 's-Gravenhage,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 mei 2017 op het verzet tegen de onder zaaknummer 200.174.061/01 bij verstek gewezen arresten van dit hof van 26 april 2016 en 13 september 2016 tussen [opposant] als geïntimeerde en [geopposeerde] als appellante.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 16 mei 2017;

  • -

    het proces-verbaal van de contra-enquête van 24 augustus 2017;

  • -

    de memorie na contra-enquête van [opposant] ;

  • -

    de antwoordmemorie na contra-enquête van [geopposeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

De raadsheer-commissaris die de getuige in contra-enquête heeft gehoord, is wegens ziekte niet in staat dit arrest mee te wijzen.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Het tussenarrest

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof:

- geoordeeld dat [opposant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in incidenteel appel;

- geoordeeld dat het geschil in principaal appel beperkt blijft tot het door de grief van [geopposeerde] ontsloten deel van het geschil: de door [geopposeerde] gestelde terugbetaling van een bedrag van

€ 2.600,--;

- [opposant] in dat kader toegelaten om in hoger beroep alsnog getuigen in contra-enquête te doen horen;

- overwogen dat afhankelijk van de uitkomst van het getuigenverhoor daarna eventueel, zoals subsidiair door [geopposeerde] in de memorie van grieven verzocht, een deskundige kan worden benoemd om onderzoek te verrichten naar de authenticiteit van de handtekening van [opposant] onder de “Verklaring terugbetaling gestort giraal geld”.

6.2.

Het bewijs

6.2.1.

Het hof brengt in herinnering dat [geopposeerde] bij verstekarrest van 26 april 2016 werd toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen “dat zij op 16 augustus 2013 contant een bedrag van € 2.600,-- aan [opposant] heeft teruggeven”. [geopposeerde] heeft zichzelf en haar zus [zus van geopposeerde] doen horen en een beroep gedaan op een (kopie en het origineel van) de schriftelijke verklaring met de titel “Verklaring terugbetaling gestort giraal geld”.

Deze (getypte) verklaring luidt:

‘Heden, 16 augustus 2013 verklaren wij: ik [geopposeerde] en [opposant] in vertegenwoordiging van de getuigen [zus van geopposeerde] en [getuige] het volgende:

Op 05 juli 2013 (2000 euro) en 31 juli 2013 (600 euro) heeft de heer [opposant] een geldbedrag groot: te weten 2600 euro, gestort op de bankrekening van mevrouw [geopposeerde] .

Dit geldbedrag te weten 2600 euro is contant teruggegeven aan de heer [opposant] in aanwezigheid van getuigen: [zus van geopposeerde] en [getuige] .

Het bovengenoemd geldbedrag is geteld en geverifieerd als zijnde 2600 euro door de vier aanwezigen: [geopposeerde] , [opposant] , [zus van geopposeerde] en [getuige] .

De heer [opposant] erkend het geldbedrag (2600 euro) te hebben ontvangen en een (ondertekend) exemplaar van dit document te hebben ontvangen en ondertekend.’

Onder deze verklaring staan de namen van [geopposeerde] , [opposant] , [zus van geopposeerde] en [getuige] getypt. Onder elke naam staat een handtekening.

6.2.1.

[geopposeerde] heeft op 27 juli 2016 als getuige verklaard (zie het arrest van 13 september 2016):

‘U vraagt mij of ik op 16 augustus 2013 een bedrag van € 2.600,- aan de heer [opposant] heb teruggegeven. Mijn antwoord daarop is ja. Ik heb dat bedrag betaald in de woonkamer van het huis van de heer [opposant] . Ik had met de heer [opposant] een afspraak gemaakt om langs te komen om dat bedrag terug te betalen. Op

16 augustus 2013 waren mijn zuster [zus van geopposeerde] en de heer [getuige] ook bij de heer [opposant] aanwezig. Ik had hen gevraagd om erbij te zijn als getuige dat ik het geld netjes aan de heer [opposant] had terugbetaald. De bijeenkomst bij de heer [opposant] duurde 10 tot 15 minuten. Er werd Nederlands gesproken, maar er is verder niet veel besproken.

Ik heb het bedrag van € 2.600,- contant aan de heer [opposant] betaald en wel in biljetten van 50 en 20 euro. Ik heb het geld voor de heer [opposant] uitgeteld.

U toont mij de ‘verklaring terugbetaling gestort giraal geld’. U zegt mij dat deze verklaring is gevoegd bij de memorie van grieven. Ik heb deze verklaring opgesteld en wel voordat ik naar de heer [opposant] ging. De heer [opposant] heeft deze verklaring gelezen voordat ik het geld aan hem overgaf. Hij vond het prima om de verklaring te ondertekenen. Nadat het geld was betaald hebben wij allen, dus ook mijn zus en de heer [getuige] , de verklaring bij de heer [opposant] thuis getekend. Voordat mijn zus haar handtekening plaatste heb ik in grote lijnen de inhoud van de verklaring voor mijn zus naar het Spaans vertaald. Mijn zus wilde weten waaronder zij haar handtekening plaatste.

(…).’

[zus van geopposeerde] heeft op 27 juli 2016 als getuige verklaard (zie het arrest van 13 september 2016):

‘(…)

U vraagt mij of mijn zus, hier aanwezig, op 16 augustus 2013 een bedrag van

€ 2.600,- aan de heer [opposant] heeft teruggegeven. Mijn antwoord daarop is ja. Mijn zus moest dat bedrag terugbetalen aan de heer [opposant] . [getuige] , mijn zus, de heer [opposant] en ikzelf waren toen aanwezig. (…)

(…)

Het bedrag van € 2.600,- is door mijn zus [geopposeerde] contant aan de heer [opposant] gegeven. Mijn zus heeft het geld op de tafel afgeteld. Het waren bankbiljetten, maar de waarde van de bankbiljetten weet ik mij niet meer te herinneren. De afspraak was bij de heer [opposant] thuis en duurde tien minuten. Mijn zus heeft de heer [opposant] betaald en toen zijn we weer gegaan.

(…)

U laat mij zien de ‘verklaring terugbetaling gestort giraal geld’, waarvan u zegt dat deze is gevoegd bij de memorie van grieven. Ik heb deze verklaring op 16 augustus 2013 bij de heer [opposant] getekend. Daarin is vastgelegd dat mijn zus € 2.600,- aan de heer [opposant] heeft betaald. De anderen hebben ook getekend. Met de anderen bedoel ik mijn zus, de heer [opposant] en de heer [getuige] . Mijn zus had deze verklaring al opgesteld en heeft hem meegenomen naar de bijeenkomst bij de heer [opposant] op 16 augustus 2013. Mijn zus heeft deze verklaring voor mij vertaald. Dat was dus bij de heer [opposant] . Ik heb pas getekend nadat mijn zus de verklaring had vertaald. Ook de anderen hebben pas getekend nadat het geld aan de heer [opposant] was teruggegeven. (…).’

[opposant] heeft in het kader van de contra-enquête zichzelf op 24 augustus 2017 doen horen.

Hij heeft het volgende verklaard:

‘Op 16 augustus 2013 zou ik geld hebben ontvangen van [geopposeerde] in aanwezigheid van getuigen. Het klopt dat ze bij mij is geweest op die dag, maar ze was alleen. We hebben gesproken over de geldlening. Zij ontkent weliswaar dat er een geldlening was, maar ik blijf erbij dat ik haar geld geleend heb. Zij heeft mij op die dag geen geld gegeven. Ze liet me een armband zien en zei dat die € 10.000,- waard was en dat ze die wilde verkopen, maar ze wist nog niet waar. Tot aan die verkoop zou ze mij honderd euro per maand aflossen op de geldlening. Ze heeft nooit iets afgelost. Ik heb haar nooit meer gezien. Ik weet dat ze een ander verhaal heeft en dus liegt één van ons.

Ik ben bekend met de “verklaring terugbetaling gestort giraal geld”. Ik zag die verklaring voor het eerst bij de behandeling in Bergen op Zoom. Ik kreeg hem thuisgestuurd van de griffier. Ik heb een dergelijke verklaring niet getekend en betwist de echtheid van mijn handtekening en de daargenoemde getuige [zus van geopposeerde] en [getuige] heb ik nooit gezien.

(…)

Na 16 augustus 2013 heb ik nog een aantal sms-en gekregen. In de laatste sms staat: ‘je doet maar wat je wil, van een kale kip kun je niet plukken’. Ik ben toen meteen naar een advocaat gegaan.

(…).’

6.2.2.

Het hof stelt het volgende voorop.

Artikel 164 lid 1 Rv laat de partijgetuigen-verklaring als bewijsmiddel toe. Die verklaring heeft in beginsel, zoals andere getuigenverklaringen, vrije bewijskracht zodat de rechter overeenkomstig artikel 152 lid 2 Rv in beginsel vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933).

Vraag is of in dit geval aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [geopposeerde] voldoende geloofwaardig maken. Het hof dient alle voorhanden bewijsmiddelen in de bewijswaardering te betrekken. Nu [opposant] ook als getuige heeft betwist dat de handtekening op de “Verklaring terugbetaling gestort giraal geld” van 16 augustus 2013 onder ‘Dhr. [opposant] ’ van hem afkomstig is, is het hof van oordeel dat - alvorens een oordeel over het bewijs kan worden gegeven - een deskundigenonderzoek naar de authenticiteit van die handtekening gelast dient te worden.

6.3.

Alvorens verder te beslissen zal het hof [geopposeerde] conform haar aanbod in de gelegenheid stellen nader bewijs te leveren door middel van een deskundigenbericht.

Het hof trof de als productie 1 bij de memorie van grieven in de verstekzaak 200.174.061 overgelegde, volgens [geopposeerde] originele, “Verklaring terugbetaling gestort giraal geld” van 16 augustus 2013 met daarop - volgens [geopposeerde] - de originele handtekening van [opposant] , in het griffiedossier van de verstekzaak aan. Die verklaring zal het hof te zijner tijd aan de te benoemen deskundige(n) ter beschikking stellen.

Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Het hof geeft partijen in overweging om in verband met de te maken kosten zich te beperken tot één deskundige. Het hof geeft partijen ook in overweging de persoon van de te benoemen deskundige over te laten aan het oordeel van het hof.

Het hof is voornemens de volgende vragen aan de deskundige(n) te stellen:

1. Kunt u vaststellen of de handtekening op de “Verklaring terugbetaling gestort giraal geld” van 16 augustus 2013 onder ‘Dhr. [opposant] ’ van [opposant] afkomstig is?

2. Wilt u bij de beantwoording van uw vraag zoveel mogelijk onderbouwen op welke gronden u tot uw beslissing bent gekomen?
3. Heeft u nog iets op te merken dat u voor de beoordeling van deze zaak van belang acht?

Gelet op de bewijslastverdeling is het hof voornemens het voorschot op de kosten van de deskundige ten laste van [geopposeerde] te brengen.

6.4.

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich (tegelijkertijd) bij akte uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en suggesties te doen over de hiervoor geformuleerde vragen. Daarna zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om (eveneens tegelijkertijd) op elkaars akte te reageren bij antwoordakte.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 16 januari 2018 voor het nemen van een akte door beide partijen tegelijkertijd, met het in r.o. 6.2.4. omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, S.M.A.M. Venhuizen en A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 december 2017.

griffier rolraadsheer