Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5519

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
200.207.612_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:9275
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage jongmeerderjarige.

Bepalen behoefte jongmeerderjarige.

Onderhoudsverplichting voor stiefkind. Artikel 1:395 jo 1:395a lid 2 BW en artikel 1:397 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/48
JPF 2018/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.207.612/01

zaaknummer rechtbank : C/03/220425 / FA RK 16-1547

beschikking van de meervoudige kamer van 14 december 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I. Vorbach te Venlo,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.C. van Heerd te Venlo.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 27 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 13 januari 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De man heeft op 28 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 7 augustus 2017 met bijlagen, ingekomen op 9 augustus 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 13 oktober 2017 met bijlagen, ingekomen op 13 oktober 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 25 oktober 2017 met bijlagen, ingekomen op 26 oktober 2017;

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 7 november 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van partijen is op 8 juni 2011 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2002 (hierna: [minderjarige] ).

3.4.

Bij beschikking van 18 juli 2012 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 maart 2012 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) een bedrag van € 375,- per maand zal voldoen. Deze alimentatie bedraagt met ingang van 1 januari 2016 ingevolge de wettelijke indexering € 392,93 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 18 juli 2012, de kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2016 tot 1 september 2016 bepaald op een bedrag van € 271,- per maand en met ingang van 1 september 2016 op een bedrag van € 101,-- per maand.

De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de man tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie af te wijzen.

4.2.

De grieven van de vrouw zien op:

- de ingangsdatum (grief 1);

- de behoefte van [de jongmeerderjarige] , het stiefkind van de man (grief 2);

- het aandeel van de diverse onderhoudsplichtigen in de behoefte van [de jongmeerderjarige] (grief 8);

- de draagkracht van de diverse onderhoudsplichtigen voor [de jongmeerderjarige] (grief 3 en 7);

- de draagkracht van de man en de vrouw (grief 4, 5 en 6);

- de verkeerde datum van de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht in het dictum van de bestreden beschikking (grief 9).

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.

Er heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan in de zin van artikel 1:401 van het Burgerlijke Wetboek (BW), die rechtvaardigt dat de kinderalimentatie voor [minderjarige] opnieuw wordt beoordeeld. De wijziging van omstandigheden is gelegen in het feit dat de man op 13 mei 2015 in het huwelijk is getreden met mevrouw [partner van de man] , waardoor hij overeenkomstig artikel 1:395 jo 1:395a lid 2 BW onderhoudsplichtig is geworden voor de tot zijn gezin behorende, thans jongmeerderjarige dochter van zijn echtgenote, [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] . Voorts komt de man ingevolge de invoering van de Wet Herziening Kindregelingen met ingang van 1 januari 2015 niet langer in aanmerking voor een fiscale aftrek in verband met de door hem te betalen kinderalimentatie.

Deze wijzigingen van omstandigheden zijn tussen partijen niet in geschil.

Ingangsdatum wijziging

5.2.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de onderhoudsbijdrage moet ingaan. De rechtbank heeft de wijziging van de onderhoudsbijdrage vastgesteld op 1 maart 2016, nu de man de vrouw bij schrijven van 16 februari 2016 op de hoogte heeft gesteld van zijn wens om een herberekening te maken van de door hem te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] .

Het hof zal bij deze datum aansluiten, nu de vrouw er sinds het schrijven van de man van 16 februari 2016 rekening mee heeft kunnen en moeten houden dat de alimentatie gewijzigd zou kunnen worden. Nu de rechtbank voorts heeft geoordeeld dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling aan de man van hetgeen zij tot op heden (eventueel) teveel aan kinderalimentatie van hem heeft ontvangen en de man hiervan niet in (incidenteel) appel is gekomen, heeft de vrouw ook verder geen belang bij deze grief.

Samenloop van onderhoudsverplichtingen

5.3.

Nu de man door zijn huwelijk met mevrouw [partner van de man] overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:395 jo 1:395a BW als stiefouder onderhoudsplichtig is geworden voor haar jongmeerderjarige dochter [de jongmeerderjarige] zal het hof in het navolgende zowel de behoefte van [minderjarige] als die van [de jongmeerderjarige] vaststellen.

Behoefte [minderjarige]

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] rekening houdend met de wettelijke indexering in 2016 € 393,- bedraagt.

Behoefte [de jongmeerderjarige]

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de jongmeerderjarige] in de periode van 1 maart 2016 tot 1 september 2016, rekening houdend met de wettelijke indexering, € 565,75 per maand bedroeg. De rechtbank heeft geoordeeld dat in voornoemde periode volledig in de behoefte van [de jongmeerderjarige] werd voorzien door middel van de bijdragen van haar ouders en de tegemoetkomingen op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Nu hiertegen geen grieven zijn gericht zal het hof hiervan uitgaan en in het navolgende alleen nog oordelen over de behoefte van [de jongmeerderjarige] met ingang van

1 september 2016, waarover partijen verdeeld zijn gebleven.

5.5.1.

[de jongmeerderjarige] is met ingang van 1 september 2016 gestart met de opleiding “B Vastgoed en Makelaardij” aan de Fontys Hogeschool te [vestigingsplaats] en haar behoefte is met ingang van die datum door de rechtbank vastgesteld op een bedrag van € 1.027,- per maand, te weten het WSF-normbedrag voor een student hoger onderwijs.

De vrouw voert in hoger beroep aan dat, hoewel zij in beginsel geen bezwaar heeft tegen het hanteren van de WSF-normen voor [de jongmeerderjarige] met ingang van 1 september 2016, deze norm dient te worden gecorrigeerd, nu in het sinds 1 september 2015 geldende studiefinancieringsstelsel niet langer onderscheid wordt gemaakt tussen het leenbudget voor thuis- en uitwondende studenten in het hoger onderwijs en [de jongmeerderjarige] thuiswonend is.

De man is van mening dat de rechtbank de behoefte van [de jongmeerderjarige] op juiste wijze heeft vastgesteld.

5.5.2.

Vaststaat dat [de jongmeerderjarige] valt onder het sinds 1 september 2015 geldende studiefinancierings- stelsel (leenstelsel). Het hof zal, anders dan de rechtbank, niet uitgaan van het onder dit stelsel geldende maximale leenbedrag inclusief collegegeldkrediet. Het enkele feit dat het financieringssysteem voor de studiefinanciering met ingang van 1 januari 2015 is gewijzigd, betekent niet dat de daadwerkelijke kosten van levensonderhoud en studie van een studerende jongmeerderjarige zijn veranderd. Of van het onder het nieuwe systeem maximaal beschikbare leenbedrag daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt, zal afhangen van de persoonlijke omstandigheden van de individuele student. Nu deze persoonlijke omstandigheden door het hof niet beoordeeld kunnen worden, ziet het hof aanleiding uit te gaan van het normbudget voor levensonderhoud voor een thuiswondende student hoger onderwijs zoals dat gold onder het oude stelsel, vermeerderd met het collegegeldkrediet. In dit normbedrag zijn immers bedragen verdisconteerd voor levensonderhoud, ziektekosten en studiekosten van een thuiswonende student hoger onderwijs. Het hof zal hierbij uitgaan van de bedragen zoals die golden in de periode 1 september 2016 tot en met 31 december 2017.

Tussen partijen is niet in geschil dat een correctie toegepast dient te worden in verband met de door [de jongmeerderjarige] ontvangen zorgtoeslag.

Partijen zijn het er verder over eens dat de eigen inkomsten van [de jongmeerderjarige] niet in mindering strekken op haar behoefte.

Het hof stelt de behoefte van [de jongmeerderjarige] derhalve vast op een bedrag van € 655,70 (normbudget levensonderhoud) + € 162,58 (collegegeldkrediet) -/- € 82,- (zorgtoeslag) = € 736,- (afgerond).

Verhouding waarin ieder tot de onderhoudsgerechtigde staat (art. 1:397 lid 1 BW)

5.6.

De vrouw heeft betoogd dat geen rekening dient te worden gehouden met de draagkracht van de man als stiefouder van [de jongmeerderjarige] . Zij voert daartoe het volgende aan.

Gelet op het bepaalde in artikel 1:397 lid 2 BW dient de door ieder van de onderhoudsplichtigen te betalen bijdrage niet alleen af te hangen van ieders draagkracht, maar ook van de “verhouding waarin ieder tot de onderhoudsgerechtigde staat”.

Indien de ouders samen voldoende draagkracht hebben om in de kosten van hun kind te voorzien, terwijl tussen de vader en het kind een veel nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefvader en het kind – hetgeen in de regel wel het geval is indien het contact met de vader na de echtscheiding in stand is gebleven – kan dat aanleiding zijn om geen rekening te houden met de draagkracht van de stiefouder (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2013, WCLI:NL:GHARL:2013:BZ0641).

Nu niet is aangetoond dat de ouders van [de jongmeerderjarige] onvoldoende draagkracht hebben om volledig in haar eventuele aanvullende behoefte te voorzien en evenmin is gesteld noch gebleken dat de verwantschap tussen [de jongmeerderjarige] en de man minstens zo nauw is als die tussen haar en haar vader, dient bij de berekening van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] geen rekening te worden gehouden met zijn onderhoudsverplichting jegens [de jongmeerderjarige] , aldus de vrouw.

5.6.1.

De man is van mening dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die ertoe zouden moeten leiden dat de onderhoudsverplichting van de diverse onderhoudsplichtigen anders dan naar rato van draagkracht zou moeten worden vastgesteld.

5.6.2.

In geval van samenloop tussen onderhoudsverplichtingen van ouders en stiefouders heeft als uitgangspunt te gelden dat deze onderhoudsverplichtingen van gelijke rang zijn (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2008, RFR 2007, 49 en Gerechtshof Amsterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:615). De rechter kan echter – gelet op ieders verhouding tot de onderhoudsgerechtigde – een correctie toepassen. Daarbij kunnen alle omstandigheden van het geval een rol spelen.

Het hof ziet in hetgeen door de vrouw is aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de gelijke rang van de onderhoudsverplichtingen, zeker niet nu, anders dan door de vrouw is gesteld, vast staat dat de ouders van [de jongmeerderjarige] onvoldoende draagkracht hebben om volledig in haar behoefte te voorzien. In hoger beroep zijn namens de man immers stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat de vader van [de jongmeerderjarige] , de heer [vader van de jongmeerderjarige] , nog steeds in staat van faillissement verkeert. Nu de rechter-commissaris geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid ex artikel 21 Faillissementswet, dient er van worden uitgegaan dat zijn draagkracht nihil is (HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5884).

De stelling van de vrouw dat, nu de heer [vader van de jongmeerderjarige] ondanks zijn faillissement in staat is de door dit hof bij beschikking van 4 september 2008 aan hem opgelegde bijdrage van (geïndexeerd) € 341,00 per maand te betalen, de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de draagkracht van de ouders van [de jongmeerderjarige] , zodat het ervoor gehouden moet worden dat zij in haar volledige behoefte kunnen voorzien, is door de man voldoende gemotiveerd weersproken. De man heeft immers onbetwist gesteld dat de heer [vader van de jongmeerderjarige] samenwoont met een partner die een groter aandeel in de kosten van de huishouding betaalt, waardoor de heer [vader van de jongmeerderjarige] uit het vrij te laten bedrag de bijdrage voor [de jongmeerderjarige] kan voldoen.

Nu de heer [vader van de jongmeerderjarige] ondanks zijn faillissement toch de bijdrage van € 341,- per maand voor [de jongmeerderjarige] betaalt, zal het hof hiermee rekening houden.

5.7.

Op de in rov. 5.5.2. vastgestelde behoefte van [de jongmeerderjarige] strekt derhalve in mindering de door [de jongmeerderjarige] te ontvangen onderhoudsbijdrage van haar vader van € 341,-, alsmede het aandeel van mevrouw [partner van de man] van € 25,- per maand, dat in hoger beroep niet in geschil is. Er resteert derhalve een behoefte van [de jongmeerderjarige] waarin door de man als stiefouder moet worden voorzien van (€ 736,- -/- € 341,- -/- € 25,- =) € 370,-.

Draagkracht

Draagkracht van de vrouw

5.8.

Evenals de rechtbank zal het hof rekening houden met de minimale draagkracht van

€ 25,- aan de zijde van de vrouw, nu dit in hoger beroep niet in geschil is. De vierde grief van de vrouw ten aanzien van haar NBI behoeft geen verdere bespreking, nu de door de vrouw gestelde correcties ten aanzien van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget geen gevolgen hebben voor haar draagkracht.

De man is het overigens met de door de vrouw gestelde correcties eens.

Draagkracht van de man

5.9.

De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de man becijferd op een bedrag van € 2.111,- per maand. De vrouw heeft daartegen geen grief gericht. Zij stelt zich wel op het standpunt dat het inkomen van de man in 2016 gestegen is ten opzichte van het jaar daarvoor. De man heeft gemotiveerd gesteld dat zijn inkomen in 2016 slechts gestegen is met de CAO verhoging en heeft daarvoor verwezen naar zijn jaaropgave 2016. Uitgaande van die jaaropgave had de man in 2016 een belastbaar loon van € 33.767,-, van welk inkomen het hof zal uitgaan. Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in 2016 vast op € 2.131,-.

5.10.

Het hof houdt rekening met de betalingsverplichting ad € 200,- per maand uit hoofde van de aflossing van een lening die de man bij zijn ouders is aangegaan in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. Het betreft een schuld die voortvloeit uit het huwelijk van partijen en waarvan de vrouw in hoger beroep niet langer het bestaan, de aflossingsverplichting en de aflossingen betwist. Zij stelt weliswaar dat indien de man meteen was gaan aflossen de schuld in 2015 reeds afgelost had kunnen zijn, maar daarmee miskent de vrouw dat de man dan tot 2015 minder draagkracht voor een bijdrage voor [minderjarige] zou hebben gehad. Het hof is van oordeel dat de verplichting ziet op een niet vermijdbare, niet verwijtbare schuld. Dit brengt met zich dat het hof het draagkrachtloos inkomen van de man met die last zal verhogen.

5.11.

De draagkracht van de man wordt derhalve vastgesteld aan de hand van de formule 70% [2.131,- - (0,3 € 2.131 + € 890,- + € 200)] = € 281,-- (afgerond).

Nu de gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.

De beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige] en [de jongmeerderjarige]

5.12.

De beschikbare draagkracht van de man per kind berekent het hof op basis van de formule ((behoefte kind / totale behoefte beide kinderen) x draagkracht man).

Van de draagkracht van de man is beschikbaar:

- voor [de jongmeerderjarige] op basis van de formule (€ 370,- / € 763,-) x € 281,- =) € 136,-

- voor [minderjarige] op basis van de formule (€ 393,- / € 763,-) x 281,- =) € 145,-.

5.13.

Het hof zal de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 september 2016 bepalen op € 145,- per maand.

Foutieve datum

5.14.

In de bestreden beschikking wordt in het dictum een onjuiste datum genoemd van de beschikking die gewijzigd wordt, namelijk 28 april 2016 in plaats van 18 juli 2012. Het hof zal dit herstellen.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de beschikking van de rechtbank Roermond van 18 juli 2012 wijzigen en bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal voldoen:

- met ingang van 1 maart 2016 tot 1 september 2016 een bedrag van € 271,- per maand;

- met ingang van 1 september 2016 een bedrag van € 145,-- per maand.

6.2.

Het hof heeft een berekening van het NBI van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 27 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 18 juli 2012 en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, zal voldoen:

- met ingang van 1 maart 2016 tot 1 september 2016 een bedrag van € 271,- per maand;

- met ingang van 1 september 2016 een bedrag van € 145,-- per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling aan de man van hetgeen zij tot op heden teveel aan kinderalimentatie heeft ontvangen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.N.M. Antens en A.J.F. Manders, bijgestaan door mr. E. Verbaarschot-Richie als griffier, en is op 14 december 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.