Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5513

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
20-004016-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:7494, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot verleiding en poging tot grooming.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het voornemen van verdachte om de benadeelde partij te verleiden tot het plegen of van verdachte dulden van ontuchtige handelingen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

Verder is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat poging tot grooming strafbaar is. Parlementaire geschiedenis, noch wet, noch het Verdrag van Lanzarote sluit een strafbare poging tot grooming uit.

Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004016-14

Uitspraak : 13 december 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 december 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-860054-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te Valkenswaard op [geboortedag] 1964,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van kort gezegd poging tot verleiding en poging tot grooming, in eendaadse samenloop gepleegd, veroordeelt tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van 2 jaar en tot een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd een deel groot € 500,00 van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De verdediging heeft ter zake van de poging tot verleiding primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd en heeft ter zake van de poging tot grooming primair vrijspraak bepleit, subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging en meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

A:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 21 juni 2013 te Helmond en/of Oploo, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meermalen door gift(en) en/of belofte(n) van geld of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, bestaande uit:

- het geven van een (zilveren) (hals)ketting en/of oorring(en) en/of nagellak en/of enig ander goed aan die [benadeelde partij] en/of

- het (aanzienlijke) leeftijdsverschil en/of

- het meermalen verklaren van de liefde, dan wel gevoelens, aan die [benadeelde partij] en/of

- de afhankelijkheidsrelatie tussen hem, verdachte, in de hoedanigheid van docent en die [benadeelde partij] als scholiere van de [naam school] en/of

- het vertellen/berichten aan die [benadeelde partij] dat haar ouder(s) niet om haar geven en/of haar kapot zullen maken en/of

- het verbieden de (mobiele) telefoon van die [benadeelde partij] uit te lenen en/of te laten zien (aan een ander persoon) en/of elke dag de sms-berichten te moeten wissen,

een persoon, te weten [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag] 1997, van wie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen, te weten seks te hebben en/of vrijen en/of (tong)zoenen en/of aanraken en/of betasten van/met die [benadeelde partij] , te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden, opzettelijk:

- met die [benadeelde partij] contact heeft gezocht en/of een of meermalen contact heeft gehad via de sms en/of

- met die [benadeelde partij] een of meermalen in een afgesloten (les)lokaal gesprekken heeft gevoerd en/of

- [benadeelde partij] heeft gevraagd hem (een) foto(s) van haar in bikini te sturen aan hem, verdachte, en/of

- die [benadeelde partij] per sms heeft voorgesteld en/of gezegd "en als je echt iets met me wil opbouwen, dan wil ik over een paar jaar.je weet wel wat ik bedoel" en/of "en je aanraken en dat jij mij aanraakt" en/of "en ja met jou wil ik vroeg of laat naar bed daar kijk ik nu al naar uit" en/of "je hoeft nergens bang voor te zijn ook niet voor het tongen" en/of "met z'n tweetjes in een heet bad te zitten en lekker met elkaar te vrijen" en/of "ik doe echt wel voorzichtig bij jou de eerste keer" en/of "het lijkt me geweldig om aan je te mogen komen, om je te proeven, om met je te vrijen" en/of

- die [benadeelde partij] heeft getracht te bewegen met hem, verdachte, (alleen) weg te gaan

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

B:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 21 juni 2013 te Helmond en/of Oploo, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voor te stellen met een persoon, te weten [benadeelde partij] (geboren [geboortedag] 1997), van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen en/of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken, te vervaardigen en ter verwezenlijking van dat voorstel enige handeling te verrichten:

- via sms-berichten contact heeft gelegd/gezocht met die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] heeft benaderd via sms en/of

- aan die [benadeelde partij] seksueel getinte sms-berichten heeft gezonden en/of

- die [benadeelde partij] heeft gevraagd (een) foto(s) van haar in bikini te sturen aan hem, verdachte, en/of

- aan die [benadeelde partij] heeft voorgesteld seksuele handelingen met hem, verdachte, te plegen en/of dulden en/of met die [benadeelde partij] te vrijen en/of aan te raken/betasten en/of te (tong)zoenen en/of

- die [benadeelde partij] duidelijk heeft gemaakt dat hij haar graag zou willen ontmoeten en/of (alleen) met haar weg zou willen gaan en/of

- aan die [benadeelde partij] heeft voorgesteld samen naar Limburg te gaan en/of

- binnen een periode, althans binnen drie maanden, samen weg te gaan en/of

- aan die [benadeelde partij] verzocht de afspraak te bevestigen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voor kwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1A en 1B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

A:
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 21 juni 2013 te Helmond en/of Oploo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om meermalen door giften en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, bestaande uit:

- het geven van een zilveren halsketting en oorringen en nagellak aan die [benadeelde partij] en

- het aanzienlijke leeftijdsverschil en

- de afhankelijkheidsrelatie tussen hem, verdachte, in de hoedanigheid van docent en die [benadeelde partij] als scholiere van de [naam school]

een persoon, te weten [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag] 1997, van wie verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen, te weten seks te hebben en/of vrijen en/of (tong)zoenen en/of aanraken en/of betasten van/met die [benadeelde partij] , te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden, opzettelijk:

- met die [benadeelde partij] contact heeft gezocht en/of een of meermalen contact heeft gehad via de sms en/of

- met die [benadeelde partij] meermalen gesprekken heeft gevoerd en/of

- [benadeelde partij] heeft gevraagd hem een foto van haar in bikini te sturen aan hem, verdachte, en/of

- die [benadeelde partij] per sms heeft voorgesteld en/of gezegd "en als je echt iets met me wil opbouwen, dan wil ik over een paar jaar.je weet wel wat ik bedoel" en/of "en je aanraken en dat jij mij aanraakt" en/of "en ja met jou wil ik vroeg of laat naar bed daar kijk ik nu al naar uit" en/of "je hoeft nergens bang voor te zijn ook niet voor het tongen" en/of "met z'n tweetjes in een heet bad te zitten en lekker met elkaar te vrijen" en/of "ik doe echt wel voorzichtig bij jou de eerste keer" en/of "het lijkt me geweldig om aan je te mogen komen, om je te proeven, om met je te vrijen" en/of

- die [benadeelde partij] heeft getracht te bewegen alleen met hem, verdachte, weg te gaan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


en


B:
hij in de periode van 1 januari 2012 tot 21 juni 2013 te Helmond en/of Oploo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voor te stellen met een persoon, te weten [benadeelde partij] (geboren [geboortedag] 1997), van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen en ter verwezenlijking van dat voorstel enige handeling te verrichten:

- via sms-berichten contact heeft gelegd/gezocht met die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] heeft benaderd via sms en/of

- aan die [benadeelde partij] seksueel getinte sms-berichten heeft gezonden en/of

- die [benadeelde partij] heeft gevraagd een foto van haar in bikini te sturen aan hem, verdachte, en/of

- aan die [benadeelde partij] heeft voorgesteld seksuele handelingen met hem, verdachte, te plegen en/of dulden en/of met die [benadeelde partij] te vrijen en/of aan te raken/betasten en/of te (tong)zoenen en/of

- die [benadeelde partij] duidelijk heeft gemaakt dat hij haar graag zou willen ontmoeten en/of (alleen) met haar weg zou willen gaan en/of

- aan die [benadeelde partij] heeft voorgesteld samen naar Limburg te gaan en/of

- binnen een periode samen weg te gaan en/of

- aan die [benadeelde partij] verzocht de afspraak te bevestigen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De verweren van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van beide feiten en daartoe kort gezegd het volgende aangevoerd:

  1. het opzet (feit A) en het oogmerk (feit B) ontbreken
    Verdachte had geen ontuchtige bedoelingen. Er hebben talloze ontmoetingen plaatsgevonden en die hebben nooit geleid tot ontuchtige handelingen. De sms-berichten hadden als doel [benadeelde partij] door een moeilijke periode te helpen en haar te weerhouden zichzelf te beschadigen.

  2. het voltooide delict van feit B ziet na wijziging niet langer op de ten laste gelegde periode; [benadeelde partij] is dan immers 16 jaar of ouder.
    Het hof begrijpt de raadsman aldus dat hij verwijst naar afspraken die zouden moeten plaatsvinden in de zomervakantie van 2013 en [benadeelde partij] is in [maand] 2013 16 jaar geworden.

  3. er is geen begin van uitvoering (feit A)
    De ten laste gelegde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet reeds gericht op voltooiing van het delict als bedoeld in artikel 248a Sr. De sms-berichten met een seksuele connotatie zijn onvoldoende voor het aannemen van een begin van uitvoering van het voornemen tot het plegen van ontuchtige handelingen.

  4. er is geen sprake van grooming als door de wetgever bedoeld (feit B)
    Bij grooming gaat het om het op internetsites of in chatrooms, nieuwsgroepen of msn-groepen benaderen en verleiden van een kind met als uiteindelijk doel het plegen van seksueel misbruik van dat kind. Grooming is een instrument in de digitale wereld, een proces om de uiteindelijke seksafspraak mogelijk te maken. Zonder het digitale proces zou het kind niet vatbaar zijn voor dit contact en zou de afspraak niet tot stand zijn gekomen.
    In dit geval gaat het om een situatie, waarin reeds jarenlang dagelijks lijfelijke ontmoetingen plaatsvinden tussen verdachte en [benadeelde partij] . De aard van de handelingen van verdachte is dermate ver verwijderd van de bedoeling van de wetgever bij het strafbaar stellen van grooming, dat daar hier geen sprake van kan zijn.

Met betrekking tot feit B heeft de verdediging voorts ontslag van alle rechtsvervolging bepleit en daartoe aangevoerd dat poging tot grooming niet strafbaar is. Zulks volgt uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot de algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en de strafbaarstelling van grooming. De wetgever heeft grooming strafbaar willen stellen vanaf het moment dat het zich concretiseert tot een voorstel voor een ontmoeting met het kind, gevolgd door ‘material acts leading to a meeting’. Een verdere verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase zou betekenen dat het loutere internetcontact strafbaar zou zijn en dat zou te ver voeren. Het beschermde belang van onze zedelijkheidswetgeving en van het Verdrag van Lanzarote is de bescherming van de minderjarige tegen daadwerkelijk fysiek misbruik. Uit het gegeven dat Nederland geen gebruik heeft gemaakt van de in het Verdrag van Lanzarote gegeven mogelijkheid poging tot grooming niet strafbaar te stellen (opt out regeling), mag niet de conclusie worden verbonden dat de wetgever, in afwijking van de eigen parlementaire geschiedenis, bedoeld heeft poging tot grooming strafbaar te stellen, aldus de verdediging.

De overwegingen van het hof dienaangaande

Het debat heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep toegespitst op de vraag of poging tot grooming strafbaar is. Hierin ziet het hof aanleiding het volgende op te merken over grooming en een poging daartoe.

Grooming

Artikel 248e Sr stelt grooming strafbaar. Het wetsartikel is gebaseerd op artikel 23 van het op 25 oktober 2007 te Lanzarote tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Trb. 2008, 58) (Verdrag van Lanzarote). Bedoeling was de digitalisering en de ontwikkelingen in de techniek in ogenschouw nemend- op adequate wijze bescherming te bieden aan minderjarigen tegen bedoelingen van pedoseksuelen om daadwerkelijk een situatie te creëren waarin zij seksueel contact met die minderjarigen kunnen hebben.

Artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote luidt:

Elke Partij neemt de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn voor het strafbaar stellen van het doen van een voorstel, door middel van informatie- en communicatietechnologie, door een volwassene aan een kind dat de ingevolge artikel 18, tweede lid, vastgestelde leeftijd niet heeft bereikt, tot een ontmoeting met als vooropgezet doel het plegen van een overeenkomstig artikel 18, eerste lid, onderdeel a, of artikel 20, eerste lid, onderdeel a, strafbaar gesteld feit tegen hem of haar, wanneer dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden.

In het implementatietraject heeft de wetgever gesteld dat de gedraging zoals omschreven in artikel 248e Sr ‘in feite’ een voorbereidingshandeling is, een bijzondere vorm van het voorbereiden van een ander zedendelict (Kamerstukken II 2008/09, 31 810, nr. 3 p. 9 en nr. 7, p. 8), en is er benadrukt dat de uitvoeringshandeling – de finaliserende handeling van grooming – van wezenlijk belang is voor zowel de handhaving als de strafwaardigheid van het handelen:

“De strafbaarstelling in het Verdrag vereist wel dat het gedrag van de dader zich concreti-seert tot een voorstel voor een ontmoeting met het kind gevolgd door ‘material acts leading to a meeting’. Er is voor strafbaarheid derhalve meer nodig dan het uitsluitend op internet communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen. Een zodanige verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase zou te ver voeren en is bovendien niet goed handhaafbaar. Voor de strafwaardigheid is het wezenlijk dat de communicatiefase uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Deze gedragingen onderstrepen de vastheid van het voornemen van de dader om zijn digitaal misbruik daadwerkelijk om te zetten in het plegen van fysiek misbruik. Vanuit het oogpunt van een effectieve bescherming van kinderen is het zaak dat tegen deze gedragingen strafrechtelijk kan worden opgetreden.” (Kamerstukken II 2008/09, 31810, nr. 3, p. 6-7).

Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 810, nr. 3) is voor strafbaarheid van “grooming” ex artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht dus vereist dat de communicatiefase, waarbij de dader het kind verleidt tot het delen van intimiteiten en op die wijze het kind in de digitale wereld vatbaar maakt voor seksueel misbruik in de fysieke wereld, uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting.

Deze bevindingen en de jurisprudentie (zoals ECLI:NL:HR:2014:3140) leiden kort gezegd tot de conclusie dat vereist is, wil er sprake zijn van een voltooide grooming, een ontmoeting wordt voorgesteld met het oogmerk op het plegen van ontuchtige handelingen en dat voorbereidingen, gericht op het verwezenlijken van de ontmoeting, zijn getroffen. Deze voorbereidingen moeten concrete vormen hebben aangenomen, maar niet is vereist dat ieder onderdeel van de afspraak volledig is ingevuld. Onder omstandigheden, bijvoorbeeld als betrokkenen elkaars telefoonnummer hebben, kunnen ook op onderdelen globale afspraken voldoende zijn.

Poging tot grooming

Vervolgens ligt de vraag voor of grooming in een pogingsvorm kan bestaan.

Met betrekking tot de commune vorm van strafbare voorbereiding zoals neergelegd in artikel 46 Sr, wordt aangenomen dat deze niet in de vorm van een poging kan worden begaan.

Door de hierboven al aangehaalde zinsnede dat de gedraging zoals omschreven in artikel 248e Sr ‘in feite’ een voorbereidingshandeling is, een bijzondere vorm van het voorbereiden van een ander zedendelict, is discussie ontstaan over de vraag of poging tot grooming kan bestaan.

Het hof heeft ter beantwoording van deze vraag acht geslagen op het volgende:

In Kamerstukken II 2015/16, 34 372 nr. 3, p. 91 (Wet computercriminaliteit III, MvT) wordt het volgende voorbeeld aangehaald:

“Er kan sprake zijn van een strafbare poging tot grooming als de communicatie heeft geleid tot het voorstel voor een ontmoeting maar geen handeling is onder-nomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een voorstel voor een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te verrichten, waarbij de minderjarige of degene die zich voordoet als minderjarige daar niet op in gaat of waarbij een ouder bijtijds heeft ingegrepen. Het voorstel voor de ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging te vervaardigen waarbij het slachtoffer is betrokken, vormt dan het begin van uitvoering van het delict grooming.”

In het nader rapport (Kamerstukken II 2015/16, 34 372, nr. 4 (Wet computercriminaliteit III)) schrijft de minister:

“(…) ben ik van mening dat voor de strafbaarstelling van een poging tot grooming geen uitdrukkelijke wettelijke regeling noodzakelijk is. Artikel 24 van het op 25 oktober 2007 te Lanzarote tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Trb. 2008, 58) verplicht verdragspartijen tot het strafbaar stellen van poging tot (onder andere) grooming, tenzij een partij zich het recht heeft voorbehouden de poging niet toe te passen (artikel 24, derde lid). Nederland heeft zich in het kader van het ratificatietraject van het verdrag (Kamerstukken II 31 808, nr. 3; artikelsge-wijze toelichting bij artikel 24), onder verwijzing naar artikel 45 Sr, op het stand-punt gesteld dat poging tot het plegen van misdrijven in Nederland strafbaar is. Er is geen gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die het verdrag biedt. Bij wet is de strafbaarheid van de poging tot grooming derhalve niet uitgesloten.”

Het voorgaande kan naar het oordeel van het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat de parlementaire geschiedenis een strafbare poging tot grooming niet uitsluit. Wet en het Verdrag van Lanzarote doen dat naar het oordeel van het hof evenmin. Grooming is weliswaar door de wetgever aangemerkt als ‘in feite’ een voorbereidingshandeling, maar artikel 248e Sr is niet als specifiek voorbereidingsdelict aangemerkt. In het Wetboek van Strafrecht wordt een (strafbare) poging tot grooming niet uitgesloten. Volgens artikel 24 van het Verdrag van Lanzarote dient de poging tot het plegen van de in het Verdrag strafbaar gestelde feiten strafbaar te worden gesteld. De wetgever heeft geen gebruik gemaakt van de ter zake geboden opt out regeling.

Het hof komt aldus tot het oordeel dat poging tot grooming strafbaar is.

De onderhavige feiten

In deze zaak overweegt het hof dat verdachte gedurende een geruime periode door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst contact heeft gehad met [benadeelde partij] en via die kanalen seksueel getinte berichten heeft verstuurd en uitnodigingen met het oogmerk op ontuchtige handelingen heeft gedaan. Er zijn echter geen concrete handelingen ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting.

Daarom acht het hof in deze zaak poging tot grooming bewezen.

Ten tijde van de handeling die verdachte heeft gepleegd was het slachtoffer nog geen zestien jaar oud en dat was verdachte bekend. Dat de ontmoeting na haar zestiende verjaardag zou kunnen gaan plaatsvinden is in deze niet relevant.

Anders dan de verdediging stelt, staat het feit dat verdachte en [benadeelde partij] elkaar al kenden voordat de strafbare feiten werden gepleegd en zij naast de sms-contacten elkaar ook in het echt ontmoetten, naar het oordeel van het hof niet aan een bewezenverklaring van poging tot grooming in de weg. Verdachte heeft, zoals eerder opgemerkt, sms-berichten aan [benadeelde partij] gestuurd die gaan over het hebben van seks met [benadeelde partij] . Waar de bestaande contacten in de werkelijke wereld tussen verdachte en [benadeelde partij] hun oorsprong vonden in de wens van verdachte haar te ondersteunen, heeft hij parallel daaraan juist in de digitale wereld een andere werkelijkheid laten zien en ernaar gestreefd daadwerkelijk een situatie te creëren waarin hij seksueel contact met haar zou kunnen hebben. Daarmee is voldaan aan de delictsomschrijving van poging tot grooming.

Voorts is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de inhoud van de door verdachte aan [benadeelde partij] gestuurde sms-berichten, zoals die in de tenlastelegging staan vermeld, in onderling verband bezien, blijk geven van het opzet [benadeelde partij] te bewegen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden (feit A) en van het oogmerk om ontuchtige handelingen met [benadeelde partij] te plegen (feit B). De teksten van de sms-berichten gaan immers over het hebben van seks met [benadeelde partij] , het met elkaar vrijen, tongzoenen en betasten. Het is mogelijk dat verdachte, zoals door de verdediging is gesteld, aanvankelijk en gedurende enige tijd van plan was [benadeelde partij] door een moeilijke periode te helpen en haar te weerhouden zichzelf te beschadigen, maar op enig moment is deze intentie omgeslagen in een niet mis te verstane uitnodiging tot seksuele handelingen.

Uit de inhoud van de sms-berichten die verdachte aan [benadeelde partij] heeft verzonden, kan niet alleen worden afgeleid dat bij verdachte het voornemen bestond [benadeelde partij] te verleiden, maar ook dat het versturen van de sms-berichten erop was gericht dat voornemen te voltooien. In de sms-berichten dringt verdachte steeds meer aan op een seksafspraak op korte termijn. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [benadeelde partij] dat verdachte heeft voorgesteld dat zij binnen drie maanden met de trein naar hem toe zou komen, dat hij haar zou komen ophalen op het station en dat ze samen naar Limburg zouden rijden om te knuffelen, zoenen en vrijen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het voornemen van verdachte [benadeelde partij] te verleiden ontuchtige handelingen te plegen of van verdachte te dulden zich zo door een begin van uitvoering heeft openbaard.

De verweren worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot door giften en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voort-vloeiend overwicht een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of van hem te dulden

en

poging tot door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstellen met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, terwijl hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting

in eendaadse samenloop gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte, leraar op een school, heeft geprobeerd een 15-jarige leerlinge van zijn school te verleiden seks met hem te hebben en heeft geprobeerd, onder andere via het sturen van sms-berichten, om haar daartoe te bewegen.

Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de psychische integriteit van de leerlinge. [benadeelde partij] kampte destijds al met psychische problemen en vond daarvoor een luisterend oor bij verdachte. Hij heeft de steun die hij haar bood gecorrumpeerd door haar lastig te vallen met zijn eigen seksuele verlangens. Hij heeft zich te weinig rekenschap gegeven van zijn positie als leraar en van de kwetsbaarheid van zijn leerlinge. Aldus heeft hij de vertrouwensrelatie tussen leraar en leerling ernstig beschaamd. Het hof rekent verdachte dit aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het volgende:

- een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 16 juli 2014;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting van het hof is gebleken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd voor beide feiten, in eendaadse samenloop gepleegd, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis op te leggen en heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte al genoeg gestraft is, aangezien deze verdenking hem zijn baan als leraar heeft gekost, zijn huwelijk is beëindigd en het contact met zijn zoon op een laag pitje is komen te staan en aangezien de zaak veel publiciteit heeft getrokken, terwijl de school is gelegen in een klein dorp.

Gelet op de ernst van de feiten kan een straf niet uitblijven. Het hof acht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 100 uur subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis passend en geboden.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de strafvervolging van verdachte is in hoger beroep de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden. Gelet echter op de op te leggen straffen, volstaat het hof met het oog op het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 juni 2008, NJ 2008/358, met deze enkele constatering.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vorde-ring tot schadevergoeding van € 19.628,20, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof begroot deze immateriële schade naar billijkheid, rekening houdend met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en verder met alle omstandigheden van het geval, op ten minste € 500,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarvan het hof de ingangsdatum bepaalt op de laatste dag van de ten laste gelegde periode, te weten 20 juni 2013, en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een oneven-redige belasting van het strafgeding zou opleveren. Vaststaat immers dat de benadeelde partij al kampte met psychische problemen voordat verdachte de bewezen verklaarde feiten pleegde. Een onderzoek ten gronde naar de vraag welk deel van de schade door verdachte is toegebracht, vormt een voor de strafprocedure onevenredige belasting. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering voor het overige niet worden ontvangen en kan haar vordering voor het overige slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 55, 248a en 248e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder A en B ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder A en B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;

vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder A en B bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 juni 2013;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder A en B bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 juni 2013.

Aldus gewezen door

mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mr. F.C.J.E. Meeuwis en mr. E.F.G.M. Gelderman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Martens, griffier,

en op 13 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E.F.G.M. Gelderman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.