Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5505

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
200.176.677_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:2623
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4425
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:658BW;

beroepsziekte;

rugklachten;

bewijsopdrachten;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6544
AR-Updates.nl 2017-1501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.176.677/01

arrest van 12 december 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. E.H.J.M. Dohmen te Roermond,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [de vennootschap] ,

advocaat: mr. R.C. Breuls te Geleen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 oktober 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 2625403/ CV EXPL 13-13474 gewezen vonnis van 1 april 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 4 oktober 2016;

  • -

    de akte van 1 november 2016 van [de vennootschap] ;

  • -

    de akte van 29 november 2016 van [appellant] met productie 16;

  • -

    de akte van 27 december 2016 van [de vennootschap] .

Partijen hebben vervolgens inventarisstaten overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van akten om:

* [appellant] in de gelegenheid te stellen te preciseren op welke cao-bepalingen hij doelt met zijn stelling dat in artikel 4 van de cao metaal en techniek verplichtingen zijn opgenomen voor de werkgever tot het treffen van preventieve maatregelen (3.29);

* beide partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de personen van de te benoemen deskundigen en de door het hof voorgestelde vragen (3.35).

cao-verplichtingen

6.2.

[appellant] heeft in zijn akte van 29 november 2016 over dit onderwerp vermeld dat hij in zijn memorie van grieven abusievelijk heeft gesteld dat artikel 4 van de cao de werkgever verplicht tot het treffen van preventieve maatregelen om te voorkomen dat werknemers uitvallen wegens arbeidsongeschiktheid. Volgens [appellant] is op de arbeidsovereenkomst altijd de cao voor de metaal- en elektrotechnische industrie (ook genoemd de cao grootmetaal) van toepassing geweest, maar kent de cao niet een dergelijke bepaling. Wél wordt in de considerans van de cao vermeld dat het verzuim wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid een blijvend punt van zorg is en dat partijen daartoe aanbevelen een preventief beleid binnen de onderneming te ontwikkelen.

6.3.

Het hof leidt uit een en ander af dat [de vennootschap] geen concrete cao-voorschriften met betrekking tot de veiligheid en gezondheid van [appellant] heeft geschonden.

de door het hof voorgestelde vragen en de onderzoeksgegevens

6.4.

Het hof constateert dat partijen op de voorgestelde vragen geen kritiek hebben geuit. Het hof zal de in het tussenarrest voorgestelde vragen stellen aan de deskundigen en deze vragen voor de duidelijkheid nog eens hierna vermelden.

6.5.

[de vennootschap] heeft het hof verzocht om duidelijk aan te geven in welk stadium de deskundigen de vragen dienen te beantwoorden. [de vennootschap] heeft gevraagd om daarin een duidelijk onderscheid te maken. [appellant] heeft zich daarbij aangesloten.

6.6.

Het hof zal niet voldoen aan dit verzoek. Het hof is van oordeel dat de vragen met betrekking tot de arbeidsomstandigheden, de zorgplicht en het verband tussen de gezondheidsschade en de zorgplicht nauw met elkaar samenhangen en het hof wenst de deskundigen niet onnodig te beperken in de beantwoording van de aan hen te stellen vragen. Het hof heeft duidelijk in 3.36 van het tussenarrest uiteengezet op welke wijze de deskundigen dienen te rapporteren. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met het onderscheid in het ‘eigen’ oordeel van de betreffende deskundige en het oordeel naar aanleiding van nadere informatie van de andere deskundigen. Een verdere beperking acht het hof niet nodig en ook niet passend.

6.7.

[de vennootschap] heeft verzocht dat het hof in de vraagstelling zal opnemen dat enkel onderzoek naar rugklachten moet worden gedaan en dus niet naar psychische klachten of andere klachten dan rugklachten.

6.8.

Het hof zal in zoverre tegemoet komen aan dit verzoek, dat het hof zal vermelden dat de vragen uitdrukkelijk betrekking hebben op rugklachten. [appellant] verwijt [de vennootschap] in dit geding immers dat zijn rugklachten zijn veroorzaakt door de bij [de vennootschap] uitgevoerde werkzaamheden. Dat betekent echter niet dat de deskundigen in hun onderzoek geen andere klachten mogen of moeten betrekken. Het hof laat dat aan de deskundigheid van de deskundigen over (zie hierna 6.14).

6.9.

[appellant] heeft erop gewezen dat in de processtukken slechts gedeelten uit zijn medisch dossier zijn opgenomen. Het hof laat het aan de deskundigen over welke nadere informatie zij nodig hebben om de vragen te kunnen beantwoorden. Het hof volgt [de vennootschap] dus niet in haar standpunt dat de deskundigen zich dienen te beperken tot de medische informatie uit het procesdossier. Anders dan [de vennootschap] heeft aangevoerd, kon van [appellant] niet verlangd worden dat hij alle medische gegevens in het geding bracht. Het gaat immers om zeer vertrouwelijke informatie. Het hof wijst er in dit verband voorts op dat gegevens die door de ene partij aan de deskundigen worden verschaft, tegelijkertijd in afschrift of ter inzage worden verstrekt aan de wederpartij, maar dat dit niet onverkort geldt voor medische gegevens die aan de deskundigen worden verstrekt. [appellant] kan eventueel gebruik maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b, BW. [appellant] is, met het oog op de eventuele uitoefening van zijn blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door hem aan de deskundigen verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan [de vennootschap] in afschrift of ter inzage te verstrekken. Indien [appellant] van zijn blokkeringsrecht geen gebruik maakt en het deskundigenbericht ter beschikking van de [de vennootschap] wordt gesteld, dan is [appellant] , indien [de vennootschap] het verlangt of op bevel van de rechter, alsnog verplicht alle door hem aan de deskundige verschafte medische gegevens aan [de vennootschap] in afschrift of ter inzage te verstrekken. Weigert hij dit te doen, zonder dat hij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv heeft aangevoerd welke door het hof gegrond zijn geoordeeld, dan zal het hof uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht.

de te benoemen deskundigen

6.10.

[de vennootschap] heeft geen deskundigen voorgedragen. Zij heeft reeds op voorhand bezwaar gemaakt tegen de door [appellant] voor te stellen deskundigen, dus nog voordat [appellant] zich hierover had uitgelaten. [appellant] heeft voorgesteld om de volgende personen als deskundigen te benoemen:

als orthopedisch chirurg: drs. [orthopedisch chirurg 1] of dr. [orthopedisch chirurg 2] ;

als arbeidsdeskundige: bureau Radar of [arbeidsdeskundig bureau] ;

als verzekeringsarts: drs. [verzekeringarts] .

6.11.

Het hof passeert het bezwaar van [de vennootschap] tegen de door [appellant] voorgestelde deskundigen, nu dat zonder nadere motivering naar voren is gebracht. Het hof zal echter niet alle door [appellant] voorgestelde personen benoemen, omdat niet alle genoemde personen bereid waren om het onderzoek uit te voeren en omdat het hof niet van alle genoemde personen aanwijzing heeft dat zij ervaring hebben met het rapporteren in procedures als de onderhavige.

6.12.

Het hof heeft de volgende personen bereid gevonden om als deskundigen te worden benoemd:

als orthopedisch chirurg: prof. dr. [orthopedisch chirurg 3]

Neuro-Orthopaedisch Centrum

[adres] , geb. [geb.nr.]

[postcode] [kantoorplaats]

als arbeidsdeskundige: mw. [arbeidsdeskundige] ,

[arbeidsdeskundig bureau]

[adres]

[postcode]

als verzekeringsarts: mr. [verzekeringsarts]

Medisch adviesbureau [medisch adviesbureau]

[adres]

[kantoorplaats]

het onderzoek en de wijze van rapporteren

6.13.

Zoals in het tussenarrest al is aangekondigd, zal het hof deskundigen benoemen om onderzoek te doen naar de vraag

a. a) of [appellant] werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn gezondheid,

b) of en welke maatregelen [de vennootschap] heeft getroffen om aan haar zorgplicht te voldoen, en

c) of en in welke mate er verband is tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden.

6.14.

De arbeidsdeskundige zal onderzoek dienen te verrichten naar a en b, en een orthopedisch chirurg en een verzekeringsarts naar c.

Het hof zal de deskundigen gelijktijdig benoemen.

Alle vragen hebben betrekking op rugklachten en dienen dus te worden beantwoord voor zover het rugklachten betreft. Wanneer de deskundigen andere klachten van belang achten voor beantwoording van de vragen, dan dienen zij daarvan uitdrukkelijk melding te maken en aan te geven (voor zover mogelijk) of en in welke mate die klachten een rol spelen of van invloed zijn op de beantwoording van de vragen.

6.15.

De deskundigen dienen het onderzoek als volgt uit te voeren:

a. a) eerst zal de arbeidsdeskundige onderzoek moeten verrichten en de antwoorden op de vragen moeten vastleggen in een conceptrapport, dat zij - nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen om vragen te stellen en opmerkingen te maken, welke vragen en opmerkingen in het rapport behandeld dienen te worden - aan de griffier van het hof zendt;

b) vervolgens zal het hof dit rapport van de arbeidsdeskundige aan de orthopedisch chirurg verstrekken die antwoord zal moeten geven op de aan hem gestelde vragen; tevens dient de orthopedisch chirurg in een apart hoofdstuk in te gaan op de bevindingen van de arbeidsdeskundige; ook hier geldt dat de orthopedisch chirurg zijn rapport - nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen om vragen te stellen en opmerkingen te maken, welke vragen en opmerkingen in het rapport behandeld dienen te worden - aan de griffier van het hof zendt;

c) daarna zal het hof beide rapporten, bedoeld onder a) en b) aan de verzekeringsgeneeskundige verstrekken die antwoord dient te geven op de hem gestelde vragen waarbij hij de bevindingen van de arbeidsdeskundige en de orthopedisch chirurg dient te betrekken; ook hier geldt dat de verzekeringsgeneeskundige zijn rapport - nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen om vragen te stellen en opmerkingen te maken, welke vragen en opmerkingen in het rapport behandeld dienen te worden - aan de griffier van het hof zendt;

d) tot slot zal het hof de beide rapporten van de orthopedisch chirurg en de verzekeringsgeneeskundige aan de arbeidsdeskundige sturen die in een apart hoofdstuk een aanvulling dient te geven op haar reeds uitgebrachte rapport naar aanleiding van de bevindingen van de orthopedisch chirurg en de verzekeringsgeneeskundige. De arbeidsdeskundige zendt de aanvulling op haar rapport aan de griffier van het hof nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen om vragen te stellen en opmerkingen te maken, welke vragen en opmerkingen in het rapport behandeld dienen te worden.

vragen aan de deskundigen

6.16.

Het hof wijst nog eens uitdrukkelijk op hetgeen hiervoor in 6.8 en 6.14 is overwogen.

6.17.

De arbeidsdeskundige dient de volgende vragen te beantwoorden:

i. i) Waren de werkzaamheden die [appellant] bij [de vennootschap] moest verrichten in het algemeen belastend voor de rug?

ii) Zo ja, op welke aspecten en in welke mate?

iii) Heeft [de vennootschap] maatregelen getroffen om te voorkomen dat de werkzaamheden in het algemeen belastend waren voor de rug?

iv) Zo ja, waren die maatregelen in het algemeen afdoende?

v) Zo nee, had [de vennootschap] redelijkerwijs (dat wil zeggen naar de toenmalige stand van techniek en wetenschap) maatregelen kunnen nemen?

vi) Welke maatregelen had [de vennootschap] dan kunnen nemen en had dat (en in hoeverre) rugklachten in het algemeen kunnen voorkomen?

vii) Acht u de in 3.11 sub b weergegeven stelling van [appellant] van belang voor de beoordeling van het onderhavige geschil en zo ja, van hoeveel gewicht is het antwoord op die vraag ten opzichte van het totale onderzoek?

viii) Kunt u vaststellen of, en zo ja in hoeverre, uitval bestaat in de uitoefening van de werkzaamheden, uitgaande van de door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde beperkingen?

ix) Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

U dient bij de beantwoording van de vragen uit te gaan van hetgeen in rov. 3.13, 3.19 en 3.28 van het tussenarrest is overwogen en beslist.

6.18.

De orthopedisch chirurg dient de volgende vragen te beantwoorden:

1. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard, ernst en het verloop van de rugklachten van [appellant] (hierna: betrokkene):

- in 1996 (indiensttreding bij [de vennootschap] );

- in 2001 en 2002 (gestelde opgetreden hernia);

- in/op 2007, 2009 en (1 november) 2010 (telkens uitval met rugklachten);

- per heden?

Worden door de betrokkene nog andere klachten en beperkingen op uw vakgebied gemeld per voormelde data? Welke behandelingen zijn toegepast en wat is het resultaat van die behandelingen?

2. Wilt u op basis van het medisch dossier van betrokkene een beschrijving geven van de medische voorgeschiedenis van de betrokkene op uw vakgebied?

3. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

4. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de betrokkene zelf, de feiten zoals die uit het medisch onderzoek naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

5. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de betrokkene op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusie u daaruit trekt?

6. Wat is de diagnose op uw vakgebied per 1996, 2001, 2002, 2007, 2009, 2010 en heden? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven? Voor zover er door u verschillen zijn aangeven in de diagnose op de verschillende momenten, kunt u aangeven waar die verschillen door worden/zijn veroorzaakt? Is er verband tussen deze diagnoses en, zo ja, welke?

7. Wilt u per 1996, 2001 en 2002, 2007, 2009, 2010 en heden aangeven welke beperkingen bij de betrokkene op uw vakgebied naar uw oordeel bestaan in relatie tot de werkzaamheden die hij bij [de vennootschap] verrichtte, zoals deze zijn beschreven door de arbeidsdeskundige?

8. Bestaan er naar uw oordeel bij de betrokkene op uw vakgebied beperkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als de betrokkene deze werkzaamheden niet bij [de vennootschap] zou hebben verricht?

9. Zo ja, kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de beperkingen dan zouden zijn ontstaan?

10. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering dan wel verslechtering? Zo ja welke? Op welke termijn? In welke mate?

11. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen?

12. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

13. Acht u expertise op een ander vakgebied wenselijk, en zo ja, op welk vakgebied?

6.19.

De verzekeringsgeneeskundige dient de volgende vragen te beantwoorden:

Wilt u aan de hand van het rapport van de orthopedisch chirurg de functionele beperkingen van [appellant] in verband met de rugklachten omschrijven en de belastbaarheid neerleggen in een belastbaarheidsprofiel, een en ander ten behoeve van het arbeidsdeskundig onderzoek?

Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?

kosten

6.20.

Zoals reeds in 3.37 is overwogen, worden de kosten van de deskundigen voorshands gelijkelijk ten laste van partijen gebracht. Aangezien [appellant] op basis van een toevoeging procedeert, kan hem ingevolge artikel 195 Rv in verbinding met artikel 199 Rv niet worden opgelegd het voorschot te betalen. Het hof zal daarom bepalen dat de helft van de kosten van de deskundigenberichten voorlopig ten laste van ’s Rijks kas zullen komen. Hangende het geding wordt het ten laste van ’s Rijks kas betaalde bedrag voorlopig in debet gesteld.

De deskundigen hebben hun kosten begroot op de volgende bedragen die als voorschotten zullen worden toegekend:

€ 5.747,50 (inclusief btw) voor de orthopedisch chirurg;

€ 6.134,70 (inclusief btw) voor de arbeidsdeskundige;

€ 9.196,- (inclusief btw) voor de verzekeringsarts;

dus in totaal € 21.078,20.

tot slot

6.21.

Het hof heeft in 3.36 vermeld dat het in overweging neemt om na het deskundigenbericht een zitting te bepalen waarin de deskundigen worden gehoord over hun bevindingen. Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat dit aan de orde komt na het vierde deskundigenbericht (dus nadat de arbeidsdeskundige voor de tweede keer heeft gerapporteerd). Over de wenselijkheid daarvan kunnen partijen zich uitlaten met een akte op de rol. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

7.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 6.16 tot en met 6.19 van dit arrest geformuleerde vragen;

7.2.

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:

prof. dr. [orthopedisch chirurg 3] ,

mw. [arbeidsdeskundige] ,

en mr. [verzekeringsarts] ;

7.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de eerste deskundige, en nadien telkens binnen één week na afronding van de in 6.15 genoemde fasen aan de volgende deskundigen, ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

7.4.

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek beginnen nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundigen te rapporteren op de wijze als in 6.15 omschreven;

bepaalt de termijn waarbinnen het eerste schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen, en de vervolgberichten telkens op drie maanden na afronding van het vorige bericht (zie 6.15);

wijst de deskundigen en partijen op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 6.9 is overwogen met betrekking tot het inzage- en blokkeringsrecht;

bepaalt dat de deskundigen in hun rapporten aangeven welke medische gegevens zij hebben ontvangen, waaronder ook die welke zij weliswaar hebben ontvangen maar niet aan hun deskundig oordeel ten grondslag hebben gelegd;

bepaalt dat de deskundigen in hun rapporten vermelden of en zo ja op welke wijze zij hebben voldaan aan hun verplichting om [appellant] in de gelegenheid te stellen mede te delen of hij van zijn inzage- en blokkeringsrecht gebruik wenste te maken;

7.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op de door de deskundigen begrote bedragen van € 21.078,20 tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat [de vennootschap] wordt belast met de helft van genoemd voorschot van € 21.078,20, derhalve € 10.539,10,

bepaalt dat [de vennootschap] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

bepaalt dat het voorschot van [appellant] , nu aan deze partij een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt;

verzoekt de deskundigen, indien hun kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

7.6.

benoemt mr. M. van Ham tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffier dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

7.7.

verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2018 in afwachting van het eerste deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het laatste deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor akte door beide partijen over de wenselijkheid van een zitting;

7.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M. van Ham en E.J. Wervelman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 december 2017.

griffier rolraadsheer