Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5486

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
05-06-2019
Zaaknummer
200.197.738_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:4047
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2479
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2024
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur mestput

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.197.738/01

arrest van 12 december 2017

in de zaak van

[appellant] ,

h.o.d.n. [transport],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. H.G.M. Hilkens te Echt,

tegen

Maatschap [de maatschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de maatschap,

advocaat: mr. M. Woisch te Sittard,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 augustus 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 mei 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en de maatschap als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4530949 \ CV EXPL 15-10599)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

- De maatschap heeft een mestopslagpunt laten bouwen in de gemeente Nederweert op het perceel gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] .

- Op grond van een mondelinge huurovereenkomst heeft de maatschap de mestopslagput aan [appellant] verhuurd met ingang van 1 september 2012 tegen betaling van een huurprijs van € 5.300,00 per jaar inclusief btw.

- [appellant] heeft de huurtermijnen over de periode van 1 september 2012 tot en met 31 augustus 2014 voldaan. De huur vanaf 1 september 2014 heeft [appellant] onbetaald gelaten.

- De huurovereenkomst tussen partijen is per 1 februari 2016 geëindigd na opzegging

door [appellant] .

3.2.1.

De maatschap heeft in eerste aanleg gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.240,41, te vermeerderen met wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 2 oktober 2015 tot aan de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Het bedrag van € 6.240,41 is als volgt opgebouwd:

- een bedrag van € 5.300,00 ter zake van achterstallige huur over de periode van 1 september 2014 tot 1 september 2015 (factuur 1572012 d.d. 4 januari 2015);

- een bedrag van € 300,41 ter zake van wettelijke handelsrente over het bedrag van

€ 5.300,00 vanaf 18 januari 2015 tot en met 1 oktober 2015;

- een bedrag van € 640,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.2.

[appellant] heeft in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat tussen partijen over de periode van 1 september 2012 tot en met januari 2016 een huurovereenkomst heeft bestaan met betrekking tot een mestopslagput met een inhoud van 700 m3, waarvoor een totale huurprijs werd verschuldigd van € 12.675,84, en de maatschap te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 400,00 inclusief btw wegens geleverde en uitgereden compost, met veroordeling van de maatschap in de kosten in conventie en reconventie inclusief de kosten van executie.

3.2.3.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd, waarop, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling zal worden ingegaan.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter in conventie [appellant] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de maatschap een bedrag van € 5.940,00, bestaande uit € 5.300,00 aan achterstallige huur en € 640,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 5.300,00 vanaf 20 mei 2015 tot aan de voldoening. De kantonrechter heeft in reconventie de vorderingen van [appellant] afgewezen. Voorts heeft de kantonrechter [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie veroordeeld en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4.

[appellant] heeft tegen voornoemd vonnis negen grieven gericht en heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot niet-ontvankelijk verklaring van de maatschap in haar vorderingen in conventie, althans tot afwijzing van deze vorderingen en tot toewijzing van zijn vorderingen in reconventie, met veroordeling van de maatschap in de kosten van beide instanties.

3.5.

De grieven 1 tot en met 4 hebben betrekking op de bewijslastverdeling en de bewijswaardering door de kantonrechter in conventie. De eerste grief houdt in dat de kantonrechter blijk geeft van een onjuiste bewijslastverdeling. In de tweede grief stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de enkele stelling dat de bouw van de mestput conform de vergunning en bouwtekening is uitgevoerd voldoende bewijs is dat de inhoud van de mestput daadwerkelijk 1000 m3 is. De derde grief is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellant] zijn stelling dat de inhoud van de put slechts 700 m3 bedraagt met geen enkel bewijsstuk onderbouwt. In de vierde grief stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte overweegt dat het door [appellant] gedane bewijsaanbod niet is geconcretiseerd en dat zij ten onrechte het verweer van [appellant] heeft gepasseerd. Deze grieven zullen, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk worden behandeld.

3.6.1.

[appellant] stelt dat de kantonrechter de bewijslast onjuist heeft verdeeld tussen partijen. Volgens hem had de maatschap dienen te bewijzen dat de inhoud van de mestput 1000 m3 bedraagt. Hierin is de maatschap naar de mening van [appellant] niet geslaagd, nu de door de maatschap overgelegde bewijsstukken (een bouwtekening, een vergunning en facturen van de aannemer) niets zeggen over de feitelijke inhoud van de put. Als de maatschap al geslaagd is in het bewijs van haar stelling, dan hoeft [appellant] slechts tegenbewijs te leveren ofwel het door de maatschap geleverde bewijs te ontzenuwen, aldus [appellant] . Naar zijn mening heeft hij dit voldoende gedaan. [appellant] stelt voorts dat, als hij al niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs, de kantonrechter hem hiertoe in de gelegenheid had moeten stellen.

Het voorgaande wordt door de maatschap bestreden.

3.6.2.

Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat zij zijn overeengekomen dat [appellant] voor de huur van de mestopslagput een bedrag van

€ 5.300,00 per jaar inclusief btw aan de maatschap zou betalen. Evenmin staat ter discussie dat deze huurprijs van € 5.300,00 is gebaseerd op een inhoud van de mestopslagput van 1000 m3. Partijen zijn dus de huur door [appellant] van een mestopslagput met een inhoud van 1000 m3 overeengekomen. [appellant] voert als verweer dat de mestopslagput feitelijk geen inhoud van 1000 m3 maar een inhoud van 700 m3 heeft en dat de afgesproken huur gelet hierop te hoog is. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat [appellant] stelt dat sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW (de mestopslagput heeft een kleinere inhoud dan was overeengekomen waardoor de mestopslagput aan [appellant] niet het genot kan verschaffen dat hij bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten) en dat gelet daarop een huurprijsvermindering gerechtvaardigd is. [appellant] vordert in reconventie ook voor recht te verklaren dat de huurprijs op grond van de volgens hem kleinere inhoud van de mestopslagput een lager bedrag bedraagt (vgl. 7:207 lid 1 BW). Nu [appellant] stelt dat sprake is van een gebrek – hetgeen de maatschap gemotiveerd betwist - en hij daaraan een rechtsgevolg wenst te verbinden, te weten een vermindering van de door hem verschuldigde huurprijs, rust op grond van artikel 150 Rv op hem de bewijslast van deze stelling. Het hof verwerpt de grieven voor zover zij van een andere bewijslastverdeling uitgaan.

3.6.3.

Vervolgens is het de vraag of [appellant] voldoende heeft aangetoond dat de inhoud van de mestopslagput, anders dan partijen waren overeengekomen, 700 m3 bedraagt. [appellant] voert aan dat hij als mestverwerker een nauwkeurige registratie bijhoudt van het aantal m3 mest dat hij opslaat en dat uit eigen objectief onderzoek is gebleken dat zijn tankopleggers de mestopslagput niet met 1000 m3 mest maar slechts met 700 m3 mest hebben kunnen vullen.

De maatschap betwist dat de mestopslagput slechts een inhoud heeft van 700 m3. Zij heeft in dat kader in eerste aanleg het aanvraagformulier voor de bouwvergunning van de put van 1 juli 1995 waarin een inhoud van 1000 m3 wordt genoemd, de onderliggende bouwtekening van de put en de door de gemeente op grond daarvan verstrekte bouwvergunning van 19 juli 1995 overgelegd (respectievelijk producties 1, 3 en 4 bij de inleidende dagvaarding). Anders dan de maatschap meent, kan op basis van deze stukken niet worden vastgesteld dat de put een inhoud van 1.000 m3 heeft. Uit de afgegeven bouwvergunning blijkt weliswaar dat het de maatschap was toegestaan om een put met een inhoud van 1.000 m3 te bouwen, maar uit de bouwvergunning noch uit de overige stukken, behoudens eventueel productie 20 bij memorie van antwoord, blijkt dat ook daadwerkelijk een put met een dergelijke inhoud is gerealiseerd. Het hof kan op dit punt geen beslissende betekenis toekennen aan de bij memorie van antwoord als productie 20 overgelegde brief van [expert] , omdat [appellant] niet in de gelegenheid is geweest om op deze productie te reageren.

3.6.4.

Aldus is vooralsnog niet komen vast te staan wat de precieze inhoud van de mestput is. Het hof is voorshands van oordeel dat, voor zover [appellant] niet bereid is de juistheid van de metingen van [expert] te erkennen, ter beantwoording van deze vraag een deskundigenonderzoek noodzakelijk is. Het hof is voornemens het voorschot ten bate van de kosten van de deskundige(n) ten laste van [appellant] te brengen, nu op hem de bewijslast rust van zijn stelling dat sprake is van een gebrek, zijnde dat de mestput niet de overeengekomen inhoud van 1.000 m3, maar slechts een inhoud van 700 m3 heeft. [appellant] zal de gelegenheid worden geboden om zich uit te laten over productie 20 bij memorie van antwoord. Partijen zullen voorts in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over het voornemen van het hof, het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

3.6.5.

Gelet op het voorgaande zal in conventie iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3.7.

De zevende grief van [appellant] is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door hem in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot een mestopslagput met een inhoud van 700 m3 waarvoor in de totale huurperiode een totale huurprijs van € 12.674,84 is verschuldigd. Nu de uitkomst van het te gelasten deskundigenonderzoek naar de vraag wat de inhoud van de mestput is ook bepalend is voor de beslissing op deze vordering zal het hof die beslissing en daarmee de behandeling van de zevende grief eveneens aanhouden.

3.8.1.

Grief 8 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de reconventionele vordering tot veroordeling van de maatschap tot betaling van een bedrag van € 400,00 inclusief btw wegens geleverde en uitgereden compost onvoldoende is onderbouwd. [appellant] is van mening dat de kantonrechter ook hier ten onrechte ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het bewijsaanbod van [appellant] en dat het bewijsaanbod van [appellant] voldoende duidelijk had moeten zijn.

3.8.2.

Het hof overweegt ten aanzien hiervan als volgt. [appellant] stelt dat hij in opdracht van de maatschap 80 ton compost heeft geleverd en over de landerijen van de maatschap heeft uitgereden en dat ten aanzien hiervan een prijs werd afgesproken van € 5,00 inclusief btw per ton, zodat de maatschap ter zake in totaal een bedrag aan [appellant] is verschuldigd van

€ 400,00. De maatschap betwist dit gemotiveerd. Zij stelt dat partijen hadden afgesproken dat de compost door [appellant] gratis ter beschikking werd gesteld aan de maatschap, maar dat de maatschap de compost wel zelf moest uitrijden, hetgeen zij ook heeft gedaan. De maatschap heeft in dat kader in eerste aanleg een e-mail van [appellant] van 18 oktober 2015 overgelegd, waarin [appellant] haar medegedeeld heeft genoodzaakt te zijn de compost die de maatschap heeft uitgereden over haar percelen door te berekenen en te factureren, indien er geen correctie factuur volgt van 704 m3 (productie 19 bij conclusie van dupliek in reconventie). De bewijslast van de door [appellant] gestelde afspraak tussen partijen ten aanzien van het uitrijden van 80 ton compost mest en de daarvoor door de maatschap te betalen vergoeding rust op grond van artikel 150 Rv op [appellant] . Het hof is voornemens [appellant] toe te laten tot het leveren van bewijs van zijn stelling op dit punt. Met het oog daarop zal het hof [appellant] in de gelegenheid stellen om bij memorie na deskundigenbericht aan te geven op welke wijze hij dat bewijs wenst te leveren.

3.8.3.

Gelet op het voorgaande wordt ook op dit punt iedere verdere beslissing aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 9 januari 2018 voor akte aan de zijde van partijen met het hiervoor onder r.o. 3.6.4 vermelde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 december 2017.

griffier rolraadsheer