Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5482

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
200.185.615_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3752
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:505, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte op grond van dringend eigen gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.185.615/01

arrest van 12 december 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. S. Atçeken-Ata te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.C.E. Wirken te Oosterhout (NB),

als vervolg op het door het hof gewezen arrest in incident van 23 augustus 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer 3992349/CV EXPL 15-1866 gewezen vonnis van 14 oktober 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het arrest in het incident van 23 augustus 2016;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel;

  • -

    het pleidooi van 5 oktober 2017, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de door [geïntimeerde] ten behoeve van het pleidooi vooraf toegezonden producties 8 en 9, die namens [geïntimeerde] bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Het hof gaat uit van de navolgende feiten:

- [geïntimeerde] is eigenaar van de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).

- [geïntimeerde] heeft met ingang van 5 december 2008 voornoemde woning verhuurd aan [appellant] tegen betaling van een huurprijs van € 575,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

- [geïntimeerde] heeft bij aangetekende brief van 30 december 2014 de huurovereenkomst met [appellant] opgezegd per 1 juli 2015 wegens dringend eigen gebruik. [geïntimeerde] heeft de aangetekende brief niet in ontvangst genomen.

- De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft bij aangetekende brief van 2 februari 2015 [appellant] gewezen op de opzegging van de huurovereenkomst door [geïntimeerde] wegens dringend eigen gebruik bij de eerdere aangetekende brief van 30 december 2014 en [appellant] een termijn gesteld om te reageren op de opzegging.

- [appellant] heeft niet ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst.

6.2.1.

[geïntimeerde] heeft vervolgens [appellant] in rechte betrokken en in eerste aanleg, voor zover thans van belang, gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

I. vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen;

II. vaststelling van het tijdstip van ontruiming van de woning op de dag die valt op de dag dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, althans op een in goede justitie te bepalen andere dag, met afgifte van de sleutels;

III. veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Hij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat zijn relatie is verbroken, dat zijn ex-partner in hun gezamenlijke woning is gebleven die inmiddels is verkocht, dat hij geen eigen woonruimte heeft en tijdelijk bij een kennis verblijft en dat hij geen nieuwe woning kan verwerven, omdat hij freelancer is en al twee hypothecaire leningen heeft.

6.2.2.

[appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.

6.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, geoordeeld dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik, nu hij onbetwist heeft gesteld dat hij niet langer over zelfstandige woonruimte beschikt, dat hij bij een kennis verblijft en dat deze situatie niet langer meer kan voortduren. De kantonrechter heeft daarnaast voldoende aannemelijk geacht dat voor [appellant] andere passende woonruimte beschikbaar is. Verder is de kantonrechter van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van [geïntimeerde] uitvalt in die zin dat, gelet op de belangen, van [geïntimeerde] niet gevergd kan worden dat de huurovereenkomst wordt voortgezet. De kantonrechter heeft ten slotte, voor zover thans van belang, toekenning van een vergoeding als bedoeld in artikel 7:275 BW van € 7.500,00 gepast geacht, nu [appellant] de woning moet verlaten, omdat [geïntimeerde] de woning zelf in gebruik wenst te nemen.

Op grond van het voorgaande heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, bepaald dat de huurovereenkomst tussen partijen per 1 februari 2016 eindigt, [appellant] veroordeeld om de woning uiterlijk op 1 februari 2016 te ontruimen en te verlaten onder afgifte van de sleutels aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] een verhuis- en inrichtingsvergoeding te betalen van € 7.500,00, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten. De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard met uitzondering van de beëindiging van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming.

6.4.

Bij vonnis in kort geding van 24 maart 2016 (zaak-/rolnummer 312497 KG ZA 16-154) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, [appellant] bevolen de executie van het vonnis waarvan beroep te staken en gestaakt te houden totdat dit hof eindarrest heeft gewezen in het onderhavige hoger beroep dan wel totdat het vonnis waarvan beroep in kracht van gewijsde is gegaan op straffe van een door [appellant] te verbeuren dwangsom van € 10.000,00, indien hij niet aan voornoemd bevel voldoet. Dit vonnis in kort geding is door het hof bij arrest van 30 december 2016 (zaaknummer 200.190.621/01) bekrachtigd.

6.5.

In deze zaak heeft het hof bij arrest in incident van 30 augustus 2016 de vordering van [geïntimeerde] om het bestreden vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor wat betreft de beëindiging van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming afgewezen.

In de hoofdzaak

Principaal appel

6.4.

[appellant] heeft drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. In zijn eerste grief stelt hij, kort gezegd, dat hij in eerste aanleg ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld, omdat [geïntimeerde] bij het dagvaarden van [appellant] de termijn van zes weken als bedoeld in artikel 7:272 lid 2 BW niet in acht heeft genomen. De tweede grief houdt in dat de kantonrechter ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat [geïntimeerde] zich in zijn opzeggingsbrief niet heeft beroepen op een belangenafweging, zodat hij in de opzeggingsbrief niet alle opzeggingsgronden waarop hij zijn vordering baseert, heeft genoemd. In de derde grief stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte zijn bewijsaanbod tot het horen van de door [geïntimeerde] ingeschakelde makelaar, mevrouw [makelaar] , heeft gepasseerd.

[appellant] heeft vervolgens geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van de inleidende vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties en de nakosten.

6.5.1.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] het door de kantonrechter aangenomen dringend eigen gebruik aan de zijde van [geïntimeerde] inhoudelijk bestreden en heeft hij in dat kader een aanvullend bewijsaanbod gedaan door middel van het horen van de hospita van [geïntimeerde] . Daarnaast heeft [appellant] bij pleidooi zijn eis vermeerderd door tevens te vorderen dat het hof bepaalt dat het hem wordt toegestaan de aan te wijzen kosten voor veiligheid en/of kosten voor herstel van gebreken, zoals genoemd in het in opdracht van [appellant] opgestelde bouwkundige rapport van RIVO d.d. 30 augustus 2016, aan te wenden voor de woning en deze kosten te verrekenen met aan [geïntimeerde] verschuldigde gebruikersvergoedingen.

6.5.2.

Op grond van artikel 347 lid 1 Rv moeten alle principale grieven in beginsel in de memorie van grieven aan de orde worden gesteld (de zgn. twee-conclusie-regel). Het hof is van oordeel dat de inhoudelijke betwisting door [appellant] van het dringend eigen gebruik bij pleidooi te kwalificeren is als een nieuwe grief die voor het eerst bij pleidooi wordt aangevoerd, zodat sprake is van strijd met de hiervoor genoemde twee-conclusie-regel. Van het bij pleidooi voortbouwen op een reeds bij memorie van grieven aangevoerde grief of grondslag is geen sprake. De grieven van [appellant] , zoals aangevoerd bij memorie van grieven, betreffen alle drie formeelrechtelijke onderwerpen, waarbij niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of al dan niet sprake is van dringend eigen gebruik. [geïntimeerde] heeft deze grieven ook zo begrepen, gezien de memorie van antwoord in principaal appel en zijn reactie bij pleidooi.

De twee-conclusie-regel van artikel 347 lid 1 Rv beperkt voorts de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Nu [appellant] zijn eis eerst bij pleidooi heeft vermeerderd, is ook deze eisvermeerdering in strijd met de twee-conclusie-regel en eveneens te laat.

6.5.3.

Gesteld noch gebleken is dat er reden is voor het maken van een uitzondering op de twee-conclusie-regel gezien de aard van het geschil of vanwege nieuw voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden, terwijl evenmin is gebleken dat sprake is van het ondubbelzinnig instemmen van [geïntimeerde] met de nieuwe grief en de eisvermeerdering. Integendeel, [geïntimeerde] heeft tijdens het pleidooi bezwaar gemaakt tegen de nieuwe stellingen van [appellant] in verband met de betwisting van het dringend eigen gebruik en tegen de eisvermeerdering en is hierop niet inhoudelijk ingegaan. Het hof acht de inhoudelijke betwisting door [appellant] van het dringend eigen gebruik voor het eerst bij pleidooi daarnaast in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof kan dus niet toekomen aan de beoordeling van de nieuwe grief/nieuwe stellingen en de eisvermeerdering. Om die reden gaat het hof ook voorbij aan het door [appellant] bij pleidooi gedane bewijsaanbod tot het horen van de hospita van [geïntimeerde] , nu dit betrekking heeft op door de hem bij pleidooi ingenomen nieuwe stellingen.

Gelet op het voorgaande dient voor de beoordeling door het hof tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik.

6.6.1.

Het hof komt vervolgens toe aan de beoordeling van de eerste grief van [appellant] in principaal appel. Zoals hiervoor al overwogen, komt deze grief erop neer dat de kantonrechter niet [appellant] maar [geïntimeerde] in de proceskosten had moeten veroordelen, omdat [geïntimeerde] niet de termijn van zes weken van artikel 7:272 lid 2 BW in acht heeft genomen. [appellant] voert in dat kader aan dat de inleidende dagvaarding twee dagen te vroeg (op 16 maart 2015) aan hem is betekend, nu hij eerst op 3 februari 2015 een opzeggingsbrief van mr. Wubbena namens [geïntimeerde] heeft ontvangen. [appellant] betwist de opzeggingsbrief van [appellant] van 30 december 2014 te hebben ontvangen.

[geïntimeerde] heeft hiertegen ingebracht dat de opzeggingsbrief van 30 december 2014 zowel per gewone post als per aangetekende post naar [appellant] is verstuurd, dat [appellant] de ontvangst van de aangetekende brief heeft geweigerd en dat [geïntimeerde] de betreffende opzeggingsbrief ook nog eens per e-mail van 17 januari 2015 naar [appellant] heeft gestuurd. Ook al zou [geïntimeerde] de termijn van zes weken niet in acht hebben genomen, dan zijn hieraan geen consequenties verbonden en heeft [appellant] hiervan bovendien geen nadeel ondervonden, aldus [geïntimeerde] .

6.6.2.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 7:272 lid 2 BW bepaalt dat de verhuurder, indien hij zes weken na de opzegging niet van de huurder een schriftelijke mededeling heeft ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst toestemt, op de gronden vermeld in de opzegging kan vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen. Zoals [geïntimeerde] terecht stelt, verbindt de wet geen juridische consequenties aan het niet in acht nemen van deze termijn van zes weken. Ook al zou ervan moeten worden uitgegaan dat [geïntimeerde] [appellant] heeft gedagvaard voordat de termijn van zes weken was afgelopen, dan heeft dat dus in beginsel geen gevolgen. Het niet in achtnemen van de zes-weken-termijn zou bij toewijzing van de beëindigingsvordering hoogstens kunnen leiden tot een proceskostenveroordeling aan de zijde van de verhuurder in de situatie waarin een huurder had willen berusten in de opzegging van de huurovereenkomst en daarmee een procedure had willen voorkomen, maar niet de kans heeft gehad om dit tijdig kenbaar te maken, omdat de verhuurder de huurder heeft gedagvaard voordat de termijn van zes weken na de opzegging was verstreken. Deze situatie is hier niet aan de orde, aangezien uit de procesopstelling van [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep volgt dat hij nimmer heeft willen instemmen met de opzegging van de huurovereenkomst. Daar komt bij dat in het geval [appellant] eerst op 3 februari 2015 een opzeggingsbrief heeft ontvangen, de betekening van de dagvaarding slechts twee dagen te vroeg heeft plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] hiervan nadeel heeft ondervonden. [appellant] heeft inhoudelijk verweer kunnen voeren en ook gevoerd. Ook dient het voor zijn rekening en risico te komen dat hij de brief van 30 december 2014 niet in ontvangst heeft genomen. [appellant] heeft niet gegriefd tegen de overweging van de kantonrechter dat de aangetekende opzeggingsbrief van 30 december 2014 aan hem is aangeboden. De eerste grief treft dus geen doel.

6.7.1.

[appellant] stelt in zijn tweede grief dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] had dienen af te wijzen, omdat in de opzeggingsbrief van [geïntimeerde] van 2 februari 2015 niet de belangenafweging als opzeggingsgrond is vermeld.

[geïntimeerde] brengt hiertegen in dat hij wel degelijk heeft voldaan aan het vereiste van artikel 7:272 BW dat de opzeggingsbrief de gronden moet vermelden, aangezien hij in zijn opzeggingsbrief heeft medegedeeld de woning dringend nodig te hebben voor eigen gebruik.

6.7.2.

Het hof overweegt als volgt. In artikel 7:274 lid 1 sub a tot en met f zijn de zes limitatieve en beperkte gronden opgesomd waarop de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen en waarop de rechter een beëindigingsvordering (na correcte opzegging) kan toewijzen. De derde beëindigingsgrond (sub c) betreft het geval waarop [geïntimeerde] een beroep heeft gedaan: de verhuurder heeft het verhuurde dringend nodig voor eigen gebruik. Artikel 7:271 lid 4 BW bepaalt dat de opzegging door de verhuurder de gronden voor de opzegging moet vermelden en dat het moet gaan om gronden zoals genoemd in artikel 7:274 lid 1 BW. [geïntimeerde] heeft hieraan voldaan, nu hij in zijn opzeggingsbrief van 2 februari 2015 (en in die van 30 december 2014) dringend eigen gebruik als opzeggingsgrond heeft genoemd. [geïntimeerde] heeft zijn beëindigingsvordering ook op deze grond gebaseerd. Anders dan [appellant] meent, kan de belangenafweging niet als afzonderlijke opzeggingsgrond worden beschouwd. De belangenafweging ligt immers in het verlengde van de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik. Hieraan dient te worden toegekomen als de rechter in een procedure tot beëindiging van de huurovereenkomst aannemelijk acht dat er sprake is van dringend eigen gebruik en dat de huurder over andere passende woonruimte kan beschikken: dan dient te worden vastgesteld of niet van de verhuurder kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd (c.q. voortgezet). Aldus was niet vereist dat de belangenafweging specifiek in de opzeggingsbrief werd vermeld. Overigens heeft [appellant] geen afzonderlijke grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de belangenafweging in het voordeel van [geïntimeerde] uitvalt. De tweede grief faalt dus eveneens.

6.8.

De derde grief van [appellant] komt erop neer dat de kantonrechter niet voorbij had mogen gaan aan het aanbod van [appellant] om de makelaar, mevrouw [makelaar] , te horen en om afschriften op te vragen van de notities in het dossier van de woning bij [makelaardij] Makelaardij. Het hof stelt vast dat [appellant] geen afzonderlijke grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik en dat voor [appellant] andere passende woonruimte beschikbaar is. Evenmin is, zoals overwogen, een afzonderlijke grief gericht tegen de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging. Het hof heeft dus, als hiervoor reeds aangehaald, van voornoemde oordelen van de kantonrechter uit te gaan. Gelet hierop heeft [appellant] geen belang bij het doen horen van de makelaar, mevrouw [makelaar] . Hij wenst door middel hiervan immers te bewijzen dat [geïntimeerde] de woning niet zelf wil gaan gebruiken maar wil verkopen, terwijl in hoger beroep niet ter discussie staat dat [geïntimeerde] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Het horen van mevrouw [makelaar] als getuige doet dus niet ter zake voor de in dit hoger beroep te nemen beslissingen. Het hof ziet ook geen aanleiding bedoelde stukken op te vragen. De derde grief treft evenmin doel.

6.9.

Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden vonnis in principaal appel zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal appel. Deze begroot het hof aan de zijde van [geïntimeerde] op € 314,00 voor griffierecht en € 2.682,00 voor salaris advocaat (3 punten [mva 1, pleidooi 2] maal tarief II). De door [appellant] gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig het liquidatietarief. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zullen eveneens worden toegewezen.

Incidenteel appel

6.10.

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] twee grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor wat betreft de vastgestelde tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten en de niet uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de veroordeling tot ontruiming en de beëindiging van de huurovereenkomst en tot:

  • -

    toekenning van een door [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen tegemoetkoming ter zake van de verhuis- en inrichtingskosten van € 0,00 dan wel een door het hof te bepalen bedrag van maximaal € 5.892,00 onder de voorwaarde dat deze tegemoetkoming eerst hoeft te worden voldaan bij daadwerkelijke verhuizing door [appellant] ;

  • -

    uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de beëindiging van de huurovereenkomst en de veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de woning;

  • -

    veroordeling van [appellant] in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

6.11.1.

De eerste grief van [geïntimeerde] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten op een bedrag van € 7.500,00 heeft vastgesteld en ten onrechte hieraan niet de voorwaarde heeft gekoppeld dat [geïntimeerde] deze tegemoetkoming pas aan [appellant] is verschuldigd bij daadwerkelijke verhuizing door [appellant] . [geïntimeerde] voert in dat kader aan dat er in het dit geval niet door [appellant] is gevraagd om een tegemoetkoming en dat er geen verplichting betstaat om deze toe te kennen, dat er in de concrete omstandigheden van het dit geval geen aanleiding bestaat om tot toekenning van een dergelijk hoge tegemoetkoming over te gaan, nu het gaat om een spreekwoordelijk “doekje voor het bloeden”, en de minimumvergoeding in geval van dringend eigen gebruik in verband met renovatie of het verwezenlijken van een bestemmingsplan op dit moment (hof: ten tijde van memorie van grieven) € 5.892,00 bedraagt. [geïntimeerde] is van mening dat de aan [appellant] toe te kennen tegemoetkoming in ieder geval niet hoger kan zijn dan laatstgenoemd bedrag.

[appellant] betwist het voorgaande.

6.11.2.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 7:275 lid 1 BW geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om in het geval hij een vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst op grond van (onder meer) dringend eigen gebruik toewijst een bedrag vast te stellen dat de verhuurder aan de huurder moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten. Hieruit volgt dat het feit dat een huurder geen vaststelling van een tegemoetkoming heeft gevorderd, er niet aan in de weg hoeft te staan dat een tegemoetkoming door de rechter wordt vastgesteld. Het hof acht vaststelling van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten in het dit geval gepast, nu [appellant] het gehuurde moet verlaten omdat [geïntimeerde] het gehuurde zelf in gebruik wenst te nemen. Dit wordt door [appellant] ook niet zozeer bestreden. In de situaties waarin een huurder een zelfstandige woning, woonwagen of standplaats dient te verlaten vanwege renovatie of verwezenlijking van een bestemmingsplan is de discretionaire bevoegdheid van de rechter beperkt en geldt dat in ieder geval een minimumbedrag aan tegemoetkoming dient te worden vastgesteld (artikel 7:275 lid 3 jo lid 4 BW). Dit minimumbedrag is door de minister per 28 februari 2017 vastgesteld op € 5.910,00. Hoewel in dit geval renovatie of verwezenlijking van een bestemmingsplan niet aan de orde is, acht het hof het redelijk om [appellant] niet slechter af te laten zijn dan huurders in voornoemde gevallen en dus om voor de vaststelling van de hoogte van het bedrag aan tegemoetkoming aansluiting te zoeken bij voornoemd bedrag. Het hof zal de door [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten dan ook op dit bedrag vaststellen. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan een hoger bedrag aan tegemoetkoming zou dienen te worden toegekend, zijn gesteld noch gebleken. In zoverre slaagt de eerste grief.

6.11.3.

[geïntimeerde] stelt er belang bij te hebben dat aan de tegemoetkoming de voorwaarde wordt gekoppeld dat deze eerst verschuldigd is bij daadwerkelijke verhuizing van [appellant] , nu [appellant] in hoger beroep is gegaan van het vonnis in kort geding van 24 maart 2016 waarbij [appellant] bevolen is de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis ten aanzien van de tegemoetkoming te staken en gestaakt ten houden totdat op dit hoger beroep is beslist dan wel totdat het vonnis waarvan beroep in kracht van gewijsde is gegaan. Dat is inmiddels het geval: dit hof heeft het vonnis in kort geding bekrachtigd bij arrest van 20 december 2016. Het hof ziet aanleiding om de veroordeling tot betaling van de tegemoetkoming niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het hier gaat om een tegemoetkoming in kosten die pas worden gemaakt als het gehuurde daadwerkelijk verlaten en ontruimd wordt. In die zin is de tegemoetkoming gekoppeld aan de ontruiming, dat wil zeggen de daadwerkelijke beëindiging van de bewoning van het gehuurde. Gelet hierop ligt het niet in de rede om de veroordeling tot betaling van de tegemoetkoming wel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, terwijl de ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard (zie hierna grief 2). Nu het hof de veroordeling tot betaling van de tegemoetkoming niet uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, heeft [geïntimeerde] geen belang bij de door hem gewenste voorwaarde aan de tegemoetkoming.

6.12.1.

In zijn tweede grief stelt [geïntimeerde] dat de kantonrechter ten onrechte de gevorderde en toegewezen ontruiming en beëindiging van de huurovereenkomst niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. [appellant] heeft alleen hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis om de ontruiming en de beëindiging van de huurovereenkomst zo lang mogelijk uit te kunnen stellen, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is van mening dat zijn belang bij het zo spoedig mogelijk beëindigen van de huurovereenkomst veel zwaarder weegt dan het belang van [appellant] om de woning te kunnen blijven wonen.

Het voorgaande wordt door [appellant] betwist.

6.12.2.

Zoals al overwogen in het tussen partijen gewezen arrest in het incident ex artikel 234 Rv van 23 augustus 2016, blijft een huurovereenkomst ter zake van woonruimte op grond van artikel 7:272 lid 1 BW na opzegging door de verhuurder van kracht totdat door de rechter onherroepelijk is beslist over de beëindiging van de huurovereenkomst en brengt dit mee dat beslissingen op de in artikel 7:272 lid 2 BW bedoelde vorderingen, waaronder de vordering van [geïntimeerde] valt, in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad mogen worden verklaard. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad in afwijking van voornoemd artikel kan slechts plaatsvinden in uitzonderlijke, door de verhuurder aan te voeren omstandigheden. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer deze omstandigheden duiden op misbruik van recht, zoals de situatie waarin de huurder kennelijk alleen hoger beroep heeft ingesteld om een kansloze zaak te rekken, of wanneer van de verhuurder niet kan worden gevergd het gehuurde nog langer aan de huurder ter beschikking te stellen. Een enkele belangenafweging volstaat niet.

6.12.3.

Zoals het hof ook in het arrest in het incident overwogen heeft, ziet het hof onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat [appellant] uitsluitend in hoger beroep is gekomen met de bedoeling de ontruiming uit te stellen in de wetenschap dat zijn vordering in hoger beroep geen enkele kans van slagen zou hebben. De door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden, die niet wezenlijk anders zijn dan de door hem in het incident aangevoerde omstandigheden, zijn hiervoor onvoldoende. Aldus kan geen misbruik van recht worden aangenomen. Het feit dat zijn grieven uiteindelijk geen van alle slagen, brengt daarin geen verandering.

6.12.4.

Evenals in het incident voert [geïntimeerde] aan dat van hem niet kan worden gevergd om de woning nog langer aan [appellant] ter beschikking te stellen. De door hem in dat kader aangevoerde omstandigheden (tijdelijk verblijf bij kennis dat niet langer meer kan voortduren, beschikbare passende woonruimte voor [appellant] ) zijn naar het oordeel van het hof niet zodanig uitzonderlijk dat zij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, ondanks het bepaalde in artikel 7:272 lid 1 BW, zouden rechtvaardigen.

6.12.5.

Het hof komt dus tot de conclusie dat de vordering van [geïntimeerde] om de beëindiging van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet voor toewijzing in aanmerking komt. De tweede grief treft dus geen doel.

6.13.

Het voorgaande betekent dat het bestreden vonnis in incidenteel appel zal worden vernietigd voor zover daarbij aan [appellant] een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van € 7.500,00 is toegekend. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

6.14.

Nu partijen in incidenteel appel over en weer in het gelijk worden gesteld, zal het hof de kosten van het incidenteel appel tussen partijen compenseren.

In het incident

6.15.

Het hof heeft in het tussen partijen gewezen arrest in incident de beslissing ten aanzien van de proceskosten aangehouden totdat in de hoofdzaak is beslist. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het incident. Deze worden aan de zijde van [appellant] begroot op € 894,00 aan salaris advocaat (1 punt [conclusie van antwoord in incident] maal tarief II).

7 De uitspraak

Het hof:

in de hoofdzaak:

in principaal appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 314,00 aan griffierecht en op € 2.682,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart voornoemde kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in incidenteel appel

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [geïntimeerde] daarbij uitvoerbaar bij voorraad is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van € 7.500,00;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van € 5.910,00;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de op het incidenteel appel gevallen proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het incident:

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten en begroot deze aan de zijde van [appellant] op

€ 894,00 aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, J.P. de Haan en P.S. Kamminga en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 december 2017.

griffier rolraadsheer