Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5472

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
200.189.307_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:7546, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:2880, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onjuiste verklaring derdenbeslag;

onvoldoende gespecificeerd bewijsaanbod in geval van aanvullend tegenbewijs in hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.189.307/01

arrest van 12 december 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. de gezamenlijke erfgenamen van mevrouw [betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [appellant] c.s.,

advocaat: mr. M.A.J. Kemps te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 februari 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 29 april 2015 en 16 december 2015, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] c.s. als gedaagden en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/267667/HA ZA 13-619)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met producties;

  • -

    het herstelexploot van 30 maart 2016;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In overweging 2.1-2.23 van het tussenvonnis van 29 april 2015 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

a. a) [geïntimeerde] is vanaf 1972 in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de heer [ex-echtgenoot van geïntimeerde] (hierna [ex-echtgenoot van geïntimeerde] ). Het huwelijk is op 15 april 1998 door echtscheiding ontbonden. Uit het huwelijk zijn twee (inmiddels volwassen) kinderen geboren, hierna te noemen [kind 1 en kind 2] . [geïntimeerde] en [ex-echtgenoot van geïntimeerde] hebben vele kort gedingen en bodemprocedures gevoerd omtrent de afwikkeling van de boedelscheiding.

b) Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden onder andere:

- de onroerende zaken aan de [adres 1 en 2] te [plaats 1]

- een geldschuld aan de Rabobank waarvoor als zekerheidsrechten waren verstrekt hypotheekrechten op [adres 1 en 2] , alsmede een pandrecht op een vordering op de Staat der Nederlanden uit hoofde van een Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (hierna de RBV-subsidie).

c) De onroerende zaken aan de [adres 1 en 2] en de schuld aan de Rabobank zijn in het kader van de boedelscheiding door dit hof bij beschikking van 23 november 2004 toebedeeld aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] .

d) Bij notariële akte van 2 maart 2005, waarin wordt verwezen naar een - niet overgelegde - koopovereenkomst van 19 augustus 2004, heeft [ex-echtgenoot van geïntimeerde] [adres 2] geleverd aan [appellant] , vrij van hypotheek. De koopprijs was bepaald op € 435.000,00.

e) Eveneens op 2 maart 2005 heeft [appellant] de vordering van de Rabobank op [ex-echtgenoot van geïntimeerde] ten belope van € 297.192,25 met de daaraan verbonden nevenrechten (zoals de hypotheekrechten op [adres 1 en 2] en het pandrecht op de vordering op de Staat ter zake de RBV-subsidie) gekocht en geleverd gekregen.

f) In juni 2005 heeft [appellant] [geïntimeerde] ontslagen uit haar (hoofdelijke) aansprakelijkheid voor de schuld aan (oorspronkelijk de Rabobank en toen) [appellant] . Dit is gebeurd ter gelegenheid van een tussen [appellant] en [geïntimeerde] gevoerd kort geding.

g) In een door [appellant] overgelegde overeenkomst van geldlening tussen [appellant] en [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] (de echtgenote van [ex-echtgenoot van geïntimeerde] , met wie hij op huwelijksvoorwaarden is gehuwd), die is gedateerd 15 juli 2005, staat vermeld dat [appellant] € 260.000,00 aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] uitleent en dat de betaalbaarstelling van dit bedrag in onderling overleg zal plaatsvinden. Vast staat dat [appellant] dit bedrag nooit daadwerkelijk aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] ter leen heeft verstrekt.

h) Op 20 juli 2005 is [adres 1] notarieel toegescheiden aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] .

i. i) Eveneens op 20 juli 2005 is [adres 1] door [ex-echtgenoot van geïntimeerde] op grond van een - niet overgelegde - koopovereenkomst overgedragen aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] . [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] verscheen niet zelf bij de notaris maar via een gevolmachtigde.

j) De koopprijs werd bepaald op € 260.000. [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] heeft de koopprijs niet aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] betaald. De transportakte vermeldt hierover: “De koopprijs zal door koper schuldig gebleven worden onder nader door partijen vast te stellen voorwaarden”.

In de hierop volgende transportakte met betrekking tot hetzelfde pand van 12 december 2005 (zie hierna onder n) waarbij [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] [adres 1] doorleverde, staat evenwel onder het kopje “Verkrijging door de verkoper” vermeld dat de akte van levering waarbij [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] op 20 juli 2005 het pand verkreeg “kwijting voor de koopsom” inhoudt.

k) De transportakte van 20 juli 2005 met betrekking tot [adres 1] maakt voorts melding van het oorspronkelijke recht van eerste hypotheek van de Rabobank, dat als nevenrecht van de hypothecaire vordering van de bank met de cessie daarvan is overgaan op [appellant] .

l) In een door [appellant] overgelegde notariële akte van 20 juli 2005 staat vermeld dat [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] op [adres 1] een recht van tweede hypotheek verstrekt aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] in verband met het onbetaald gelaten deel van de koopsom ten bedrage van € 260.000,00 voor de aankoop van [adres 1] .

m) Door [geïntimeerde] is overgelegd een uittreksel uit het kadaster met een krediet-hypotheekakte waaruit blijkt dat [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] op 15 september 2005 aan [appellant] een recht van krediet-hypotheek tot een hoofdsom van € 260.000,00 heeft verstrekt op [adres 1] .

n) Op 12 december 2005 heeft [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] (wederom vertegenwoordigd door een gevolmachtigde) [adres 1] op grond van een - niet overgelegde - koopovereenkomst overgedragen aan [appellant] .

o) De koopprijs werd bepaald op € 435.000,00. In de transportakte staat: “…welke total[e] koopsom is betaald en waarvoor bij deze kwitantie wordt gegeven. Voormelde betaling is geschied via het kantoor van mij, notaris.

Verder maakt de transportakte er melding van dat het verkochte niet is bezwaard met hypotheken.

p) In de door de instrumenterende notaris opgemaakte nota van afrekening met betrekking tot de [adres 1] van 9 december 2005 staat vermeld dat [appellant] dient te betalen een koopsom van € 435.000,00 (en enige met de overdracht samenhangende kosten) en heeft te ontvangen van de verkoper ( [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] ) € 260.000,00 zodat te betalen resteert

€ 187.073,43. Verder staat op de nota vermeld: “Het nog te betalen bedrag dient u voor het passeren der akte(n) op een van onderstaande bankrekeningen over te maken”.

q) Bij beschikking van 1 december 2005 heeft het Ministerie van Landbouw aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] bericht dat de RBV-subsidieaanvraag was goedgekeurd en dat op 22 december 2005 een bedrag van € 308.553,95 uitgekeerd zou worden. Dit bedrag is aan [appellant] (als openbaar pandhouder) betaald.

r) Bij brief van 2 januari 2006 schrijft [geïntimeerde] aan [appellant] :

Om uit de aansprakelijkheid ontslagen te worden voor de schulden van de Rabobank [Rabobank] die u overgenomen had, welke schulden mijn ex-man toebedeeld waren in de boedelverdeling, heb ik toegestaan dat u pandrecht verkreeg op het subsidiebedrag i.v.m. de opkoopregeling van [adres 1] te [plaats 1] . (uitspraak mr. [mr.] )

Dit bedrag is een nagekomen bate op de boedelverdeling, uit te betalen door [derde] te [plaats 2] aan u, i.v.m. pandrecht, totdat de schulden door mijn ex-man gedelgd zijn (……).

Omdat per 12 december j.l. [adres 1] te [plaats 1] uw eigendom geworden is, zijn de schulden van mijn ex-man gedelgd, en vervalt het pandrecht voor mijn aansprakelijkheid jegens u voor deze schulden waardoor de subsidie (……) als nagekomen bate op de boedel volgens uitspraak van het Hof aan partijen overgemaakt kan worden door u.

(……)

s) In een (niet ondertekende) brief van 8 januari 2006 schrijft [appellant] aan [geïntimeerde] :

Ik heb 02-03-2005 de vorderingen , zijnde € 297.192,25, en de pandrechten, zijnde € 308.553,95 , van de Rabobank [Rabobank] overgenomen.

Door de uitbetaling van de pandrechten ( RBV subsidie ) aan mij zijn de vorderingen incl. rentes hiermee afgelost.

Voor mij is de zaak hierbij gesloten.

Voor overige onduidelijkheden dient u zich te wenden tot uw ex-man.

t) [ex-echtgenoot van geïntimeerde] is per 31 mei 2006 in staat van faillissement verklaard, welk faillissement is geëindigd met een akkoord.

u) [appellant] heeft sedert december 2005 een bedrag van ruim € 200.000, onder zich. Dit bedrag (€ 202.106,60) is door [appellant] op 21 november 2008 in depot gegeven aan [notarissen] notarissen te [plaats 3] , over welk depot [appellant] alleen tezamen met [kind 2] kan beschikken.

v) Door [geïntimeerde] zijn diverse (derden)beslagen gelegd onder [appellant] . Bij brief van 20 maart 2009 heeft [appellant] naar aanleiding van het kort daarvoor onder hem gelegde conservatoire beslag ten laste van [ex-echtgenoot van geïntimeerde] verklaard:

“(……)

Op 21-11-2008 heb ik het bedrag (€ 200.000,) elders op een derden rekening laten storten zodat:

A. Partijen niet de illusie hebben dat wij het geld “niet uit willen betalen”.

B. Er niet steeds, ook voor ons kostenverslindende, acties worden ondernomen om het bedrag op te eisen.

C. Wij in deze zaak onpartijdig willen blijven.

De beheerder houd het geld in depot totdat er duidelijkheid is waar dit naartoe mag.

(……)

w) De rechtbank Gelderland heeft bij vonnis van 3 juli 2013 bepaald dat (onder meer) de RBV-subsidie een nagekomen bate van de huwelijksgoederengemeenschap betreft, de RBV-subsidie aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] toegedeeld en geoordeeld dat [ex-echtgenoot van geïntimeerde] aan [geïntimeerde] dient te betalen een bedrag van € 172.290,15 te verhogen met rente. [ex-echtgenoot van geïntimeerde] heeft dit bedrag niet aan [geïntimeerde] betaald.

x) [geïntimeerde] heeft vervolgens executoriaal beslag gelegd onder [appellant] ten laste van [ex-echtgenoot van geïntimeerde] .

y) [appellant] heeft bij brief van zijn raadsman van 12 augustus 2013 de volgende verklaring afgelegd:

Naar de overtuiging van cliënt bestaat er op dit moment geen rechtsverhouding tussen cliënt en de heer [ex-echtgenoot van geïntimeerde] . Cliënt is naar zijn overtuiging ook niets aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] verschuldigd.

Namens cliënt wil ik benadrukken dat hij de intentie heeft om een juiste verklaring af te leggen. Zoals u weet heeft cliënt in het verleden de onroerende zaak [adres 1] gekocht van mevrouw [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] . De koopsom is door cliënt slechts deels betaald. Het bedrag dat cliënt naar zijn overtuiging nog aan mevrouw [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] dient te voldoen staat in depot bij notariskantoor [notarissen] te [plaats 3] .

Ik veronderstel u bekend met het feit dat er diverse partijen zijn die zich de afgelopen jaren op het standpunt hebben gesteld dat het bedrag dat inmiddels al geruime tijd geleden is gedeponeerd door cliënt aan hen dient te worden uitbetaald. Deze partijen zijn de heer [ex-echtgenoot van geïntimeerde] , zijn voormalige curator, de zoons van uw cliënte en handelsonderneming [handelsonderneming] . Mijn cliënt betaal[t] graag maar een dergelijke betaling dient absoluut als bevrijdend te gelden.

(……)

z) Er is geen beslag gelegd ten laste van [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] . [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] heeft nooit een bedrag uit welke hoofde ook gevorderd van [appellant] .

3.2.1.

[geïntimeerde] heeft [appellant] in rechte betrokken. Primair vordert zij betaling van € 191.894,90 (met rente). Zij heeft daartoe kort samengevat aangevoerd dat de verklaring van [appellant] , dat hij niets aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] verschuldigd is, onjuist is, omdat [appellant] ruim € 200.000,00 verschuldigd is aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] en niet aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] (zoals [appellant] heeft verklaard). [appellant] moet daarom van het bedrag van ruim € 200.000, dat hij in depot heeft geplaatst, op grond van het daarop gelegde executoriale beslag aan [geïntimeerde] betalen dat wat zij van [ex-echtgenoot van geïntimeerde] te vorderen heeft. Per 15 augustus 2013 bedraagt de vordering van [geïntimeerde] op [ex-echtgenoot van geïntimeerde] € 191.894,90. Subsidiair vordert [geïntimeerde] dit bedrag als schadevergoeding omdat [appellant] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door in deze omstandigheden geen gebruik te maken van zijn uitwinningsmogelijkheden op grond van het eerste hypotheekrecht op [adres 1] , maar in plaats daarvan zich als eerste pandhouder te verhalen op de (destijds mede aan [geïntimeerde] toekomende) RBV-subsidie.

Subsidiair vordert [geïntimeerde] dat [appellant] wordt veroordeeld om rekening en verantwoording af te leggen van de door hem ontvangen RBV-subsidie op straffe van een dwangsom.

3.2.2.

[appellant] heeft verweer gevoerd.

3.2.3.

Bij tussenvonnis van 29 april 2015 heeft de rechtbank overwogen dat uit al hetgeen in de procedure naar voren is gekomen in voldoende mate volgt dat [appellant] het bedrag van

€ 202.106,60 dat hij in depot heeft geplaatst aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] verschuldigd is. De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] het geld verschuldigd is aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] is dus voorshands bewezen, behoudens tegenbewijs van [appellant] , waartoe [appellant] wordt toegelaten.

Na bewijslevering door [appellant] , heeft de rechtbank bij eindvonnis van 16 december 2015 overwogen dat [appellant] niet in het opgedragen tegenbewijs is geslaagd, zodat vaststaat dat [appellant] (het depotbedrag van) € 202.106,60 is verschuldigd aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] . [appellant] is, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 191.894,90 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2013, en van de kosten van de procedure.

3.2.4.

Op 17 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant] tot schorsing van de executie afgewezen. Op 1 april 2016 heeft [appellant] de vordering van [geïntimeerde] voldaan.

3.2.5.

In hoger beroep vordert [appellant] onder aanvoering van acht grieven vernietiging van de vonnissen van de rechtbank en restitutie van het bedrag dat hij aan [geïntimeerde] heeft betaald ter zake de hoofdsom, rente daarover en proceskosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3.1.

Kern van het geschil in hoger beroep is de vraag of [appellant] een bedrag verschuldigd is aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] . De grieven zien alle op dit punt en het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

Bij de beoordeling van de grieven neemt het hof, evenals de rechtbank, tot uitgangspunt dat de bewijslast van de verschuldigdheid van een bedrag door [ex-echtgenoot van geïntimeerde] aan [appellant] rust op [geïntimeerde] , terwijl [appellant] gehouden is zijn verklaring als derdebeslagene dat van een dergelijke rechtsverhouding geen sprake is zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden.

3.3.2.

Het belangrijkste punt in dit verband is de verkoop en levering en de afwikkeling daarvan van het pand [adres 1] . [geïntimeerde] stelt dat deze verkoop en levering door [ex-echtgenoot van geïntimeerde] aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] een schijnhandeling was, bedoeld om het pand [adres 1] in het vermogen van [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] te “parkeren”. Verder stelt zij dat bij de daaropvolgende verkoop en levering door [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] aan [appellant] de koopprijs door [appellant] volledig aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] is voldaan.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de stelling dat sprake was van een schijnhandeling “verre van onhoudbaar” is, en dat het op de weg van [appellant] had gelegen - gezien, zo begrijpt het hof, de vraagtekens die de transacties rond [adres 1] oproepen en waarop de rechtbank uitvoerig is ingegaan en de positie van [appellant] als derdebeslagene en de verplichtingen die dat voor hem meebrengt - om een sluitende verklaring te geven voor de gang van zaken rond de verschillende transacties waarbij [appellant] in diverse hoedanigheden betrokken is geweest en zijn stelling dat daaruit in ieder geval niet volgt dat [appellant] geld aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] verschuldigd is. Een dergelijke verklaring heeft [appellant] niet gegeven, aldus de rechtbank. Zij achtte de stellingen van [geïntimeerde] dat [appellant] geld aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] verschuldigd is, daarom voorshands bewezen.

3.3.3.

Het hof deelt dit standpunt. Naast de hierna nog te bespreken ongerijmdheden rondom de aan- en verkoop van [adres 1] heeft [appellant] ook in hoger beroep geen verklaring gegeven voor de aanzienlijke prijsstijging van de [adres 1] : van

€ 265.000,00 naar € 435.000,00 binnen ruim een half jaar. Of anders gezegd, temeer nu ook de [adres 2] voor € 435.000,00 aan [appellant] is verkocht rijzen er vooral vraagtekens bij de zeer lage prijs waarvoor [ex-echtgenoot van geïntimeerde] het pand aan zijn echtgenote [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] verkocht, terwijl de koopprijs vervolgens onbetaald bleef (en kennelijk ook niet meer door [ex-echtgenoot van geïntimeerde] is of zal worden opgevorderd, getuige de vermelding in de akte van 12 december 2005 dat [ex-echtgenoot van geïntimeerde] aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] kwijting had geschonken). [appellant] heeft omtrent deze transactie - waarbij hij nauw betrokken was zo heeft [geïntimeerde] onbetwist gesteld - geen openheid van zaken gegeven terwijl dat wel op zijn weg lag, gezien de gemotiveerde en onderbouwde vraagtekens die door [geïntimeerde] hierbij zijn geplaatst. Ook de met stukken onderbouwde stelling van [geïntimeerde] - die zij reeds in eerste aanleg uitvoerig had betrokken - dat de [adres 1] zakelijk gezien eigenlijk niet los van de [adres 2] kon worden verkocht en geleverd, geeft een extra aanwijzing voor haar stelling dat de levering van [adres 1] aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] een schijnhandeling was, bedoeld om het pand uit het vermogen van [ex-echtgenoot van geïntimeerde] te brengen. Dit is door [appellant] op geen enkele wijze gemotiveerd weersproken. Tezamen met het gegeven dat [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] bij geen enkele transactie is verschenen, er geen verklaring van haar is overgelegd en zij evenmin als te horen getuige is aangeboden, en de verklaring van mr. Kemps (advocaat van [appellant] ) tijdens de eerste comparitie in eerste aanleg “Van [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] hebben we nooit iets gehoord”, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] voldoende heeft bewezen dat sprake is geweest van een schijnovereenkomst tussen [ex-echtgenoot van geïntimeerde] en [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] .

3.3.4.

Bij de verkoop en levering van [adres 1] door “ [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] ” aan [appellant] heeft de instrumenterende notaris eerst op de nota van afrekening vermeld dat [appellant] van [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] € 260.000,00 diende te ontvangen en dat [appellant] het restantbedrag voor het passeren van de akte op de bankrekening van de notaris diende over te maken (zie hiervoor rov 3.1. onder p). Vervolgens heeft de notaris in de transportakte vermeld dat de totale koopsom was betaald en dat daarvoor kwitantie werd gegeven. Met deze stukken heeft [geïntimeerde] voorshands voldoende bewezen dat door [appellant] de gehele koopsom aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] was betaald, zodat [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] ter zake niets meer van [appellant] te vorderen had. Nu gesteld noch gebleken is dat [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] op andere gronden van [appellant] nog geld tegoed had, heeft [geïntimeerde] hiermee tevens voorshands voldoende aangetoond dat [appellant] het geld dat in depot stond, in ieder geval niet aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] behoefde uit te betalen (hetgeen hij ook niet heeft gedaan, ondanks dat er in ieder geval door [geïntimeerde] geen beslag ten laste van [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] onder [appellant] was gelegd). [appellant] heeft ook, ondanks dat [geïntimeerde] hierover stellingen had ingenomen, geen enkele verklaring gegeven voor het feit dat hij in zijn eerste verklaring naar aanleiding van het gelegde conservatoire derdenbeslag (op 20 maart 2009) heeft verklaard dat hij niet wist aan wie hij moest betalen, en hij pas in zijn latere verklaring van 12 augustus 2013 verklaarde dat hij het bedrag aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] verschuldigd is.

3.3.5.

[appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat de notaris zich had vergist. Het bedrag van € 260.000,00 dat in de nota van afrekening stond vermeld, zag op de leningsovereenkomst die [appellant] op 15 juli 2005 met [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] had gesloten. Weliswaar had [appellant] het bedrag van € 260.000,00 nooit daadwerkelijk aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] verstrekt, maar de notaris verkeerde in de - onjuiste - veronderstelling dat dit wel het geval was. Daarom heeft de notaris dit bedrag zo in de nota van afrekening opgenomen, aldus nog steeds [appellant] .

[appellant] heeft op dit punt onvoldoende gesteld terwijl dat wel op zijn weg lag. Onvoldoende onderbouwd is verder ook de stelling van [appellant] dat de notaris uit eigen beweging een bedrag van € 260.000,00 op de te betalen koopprijs in mindering had gebracht. Desgevraagd bij pleidooi in hoger beroep kon [appellant] geen sluitende verklaring geven voor deze gestelde “vergissing” c.q. dit gestelde eigen initiatief van de notaris, noch voor het feit dat hij - terwijl hij beaamde dat hij wel een concept-nota van afrekening had gekregen - toch genoegen had genomen met een verrekening die in zijn ogen niet klopte.

3.3.6.

Het hof oordeelt datgene wat door [appellant] is ingebracht tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [geïntimeerde] dermate ongeloofwaardig en ongesubstantieerd, dat het door [geïntimeerde] geleverde bewijs hiermee ook in hoger beroep niet is ontzenuwd.

3.3.7.

In hoger beroep heeft [appellant] nog wel aangeboden zijn stellingen nader te bewijzen. Het gaat hier als gezegd om een tegenbewijsaanbod, waarvoor in beginsel geen specificatie-eis geldt. In eerste aanleg is deze kwestie echter ook reeds door de rechtbank op dezelfde wijze beoordeeld, nadat de rechtbank aan [appellant] de gelegenheid had gegeven om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stellingen van [geïntimeerde] . Gezien het feit dat reeds in eerste aanleg tegenbewijslevering door [appellant] heeft plaatsgevonden door het horen van getuigen (waarbij schriftelijke bewijsstukken zijn overgelegd), op grond waarvan feiten zijn vastgesteld waartegen het tegenbewijs in hoger beroep zich zou richten, ziet het bewijsaanbod van [appellant] in hoger beroep op aanvullend tegenbewijs. Een dergelijk aanbod tot het leveren van aanvullend tegenbewijs dient voldoende gespecificeerd te zijn. Nu [appellant] in eerste aanleg reeds getuigen heeft laten horen in het kader van het leveren van tegenbewijs, en zijn bewijsaanbod in hoger beroep dus strekt tot het leveren van aanvullend tegenbewijs, diende [appellant] dit bewijsaanbod nader te onderbouwen. Van hem mocht worden verwacht dat hij bijvoorbeeld aan zou geven waarom bepaalde getuigen opnieuw of alsnog zouden moeten worden gehoord en wat reeds gehoorde getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan. [appellant] heeft dit echter nagelaten.

Het hof passeert daarom het bewijsaanbod van [appellant] .

3.3.8.

Hiermee staat vast dat de op 12 augustus 2013 door [appellant] afgelegde verklaring in ieder geval onjuist is op het punt waar hij verklaart dat hij nog geld verschuldigd is aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] en dat het geld ten behoeve van [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] in depot wordt gehouden.

3.4.1.

[geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat [appellant] bij de aankoop van [adres 1] van “ [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] ” het door hem onbetaalde deel van de koopsom van € 260.000,00 heeft verrekend met de hypothecaire vordering op [ex-echtgenoot van geïntimeerde] die [appellant] van de Rabobank had overgenomen, waardoor [appellant] geen vordering meer had op [ex-echtgenoot van geïntimeerde] . [appellant] heeft dit betwist.

Het hof heeft reeds vastgesteld dat de verkoop van [adres 1] door [ex-echtgenoot van geïntimeerde] aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] een schijnhandeling was, en dat [appellant] niets verschuldigd was aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] . Desalniettemin heeft [appellant] , zo heeft het hof vastgesteld, het deel van de koopsom van € 260.000,00 op enigerlei wijze voldaan, aldus dat hij volledig was gekweten ten tijde van het transport (zoals de transportakte vermeldde).

Door [appellant] - in wiens domein dit ligt - is geen enkele aannemelijke verklaring hierover gegeven, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen.

3.4.2.

Daarnaast is er het volgende. [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] heeft op 15 september 2005 aan [appellant] een recht van krediet-hypotheek tot een hoofdsom van € 260.000,00 verstrekt op [adres 1] , zo blijkt uit een overgelegde krediethypotheekakte van 15 september 2005 en bijbehorend uittreksel uit het kadaster. In deze akte wordt melding gemaakt van het eerder door [appellant] verkregen eerste hypotheekrecht op [adres 1] (door [appellant] als cessionaris verkregen als nevenrecht bij de cessie van de vordering op [ex-echtgenoot van geïntimeerde] ). In die krediethypotheekakte wordt evenwel geen melding gemaakt van een op 20 juli 2005 door [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] verstrekt recht van tweede hypotheek. Sterker nog, in de akte staat vermeld dat [adres 1] , behoudens genoemd recht van eerste hypotheek, niet is bezwaard met hypotheek. Het hof gaat er daarom bij gebreke van andere informatie en gezien de bewijskracht van een notariële akte vanuit dat genoemd hypotheekrecht van [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] op [adres 1] in ieder geval op 15 september 2005 niet meer bestond.

Op 15 september 2005 was [adres 1] dus bezwaard met een recht van eerste hypotheek ten gunste van [appellant] en een (tweede) krediethypotheekrecht, eveneens ten gunste van [appellant] .

3.4.3.

In de transportakte van12 december 2005 waarbij “ [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] ” aan [appellant] [adres 1] heeft geleverd staat echter vermeld dat de koop en levering is aangegaan onder (onder meer) de bepaling dat “ [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] ” ervoor in staat dat een recht van eigendom wordt geleverd dat “niet is bezwaard met hypotheken”. Het hof leidt hieruit af dat de vorderingen, waarvoor aan [appellant] hypotheek was verstrekt vóór het transport, reeds deels waren afgelost (vordering op [ex-echtgenoot van geïntimeerde] ) c.q. nooit zijn ontstaan (vordering op [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] ). Ook hiermee wordt de stelling van [geïntimeerde] onderbouwd dat [appellant] zich voor zijn vordering op [ex-echtgenoot van geïntimeerde] voor het grootste deel heeft voldaan via zijn door een eerste hypotheek gedekte zekerheid op [adres 1] .

3.4.4.

[appellant] heeft hier geen (met stukken) onderbouwde verweren tegen ingebracht. Omdat het gaat om de onderbouwing van zijn eigen als derdebeslagene afgelegde verklaring omtrent zijn rechtsverhouding met [ex-echtgenoot van geïntimeerde] , had dit wel van hem mogen worden verwacht. De enkele stelling dat [appellant] in de memorie van grieven “dat er nog een aantal vorderingen van [appellant] op [ex-echtgenoot van geïntimeerde] bestonden” (bij pleidooi aangeduid als vorderingen van [appellant] uit hoofde van “zakelijke leveranties”), welke vorderingen door [appellant] met toestemming van [ex-echtgenoot van geïntimeerde] zouden zijn verrekend, is ook onvoldoende concreet om [appellant] op dit punt tot het door hem aangeboden bewijs toe te laten. Ook hier had van [appellant] kunnen worden verwacht dat hij deze - voor het eerst in hoger beroep ingenomen stelling - nader zou hebben onderbouwd met relevante gegevens en bescheiden. In ieder geval had van [appellant] verwacht mogen worden dat hij zou toelichten welke concrete vorderingen, die hij heeft verrekend, [ex-echtgenoot van geïntimeerde] op hem had. Hij heeft dat echter niet gedaan.

3.4.5.

Voorts acht het hof de stelling van [appellant] dat [kind 2] nog een vordering op hem zou hebben eveneens onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het hof wijst er in dit verband op dat mr. Kemps tijdens de tweede comparitie in eerste aanleg heeft verklaard: “ [kind 2] pretendeert niet recht te hebben op dat depot” en “Wij vinden ook dat [kind 2] geen recht heeft op dat geld, maar hij is nu eenmaal partij bij die depotovereenkomst”. Reeds omdat [appellant] ook op dit punt zijn betwisting dat hij nog geld is verschuldigd aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd, dient daaraan voorbij te worden gegaan. Overigens leiden de getuigenverklaring van [kind 2] en notaris [notaris] het hof niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft geen grief gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank op dit punt in rov. 2.4 t/m 2.8 van het eindvonnis, met welke waardering het hof zich overigens volledig kan verenigen.

3.4.6.

Tenslotte heeft de rechtbank in rov. 4.13 van het tussenvonnis geoordeeld, samengevat, dat [appellant] niets naar voren heeft gebracht over een mogelijke aanspraak van [handelsonderneming] BV op de depotgelden, en dat [geïntimeerde] heeft gesteld dat een mogelijke aanspraak van [handelsonderneming] BV door de curator in het faillissement van [handelsonderneming] BV aan [geïntimeerde] is overgedragen. Grief V is tegen deze rechtsoverweging gericht, maar de toelichting op de grief bevat geen klacht tegen deze vaststellingen door de rechtbank. Bovendien heeft [appellant] ook in hoger beroep zijn stelling over een mogelijke aanspraak van [handelsonderneming] BV niet van een nadere onderbouwing voorzien, terwijl dat wel van hem had mogen worden verwacht, zeker in het licht van voormelde stelling van [geïntimeerde] die hij niet heeft betwist. Ook de stelling van [appellant] over de mogelijke aanspraak van [handelsonderneming] BV wordt daarom als onvoldoende onderbouwd verworpen.

3.4.7.

Het gevolg van het hiervoor overwogene is dat [appellant] , toen hij de RBV-subsidie aan zich liet uitbetalen, op het grootste gedeelte daarvan geen recht had. Nu de RBV-subsidie aan [ex-echtgenoot van geïntimeerde] toekwam en [appellant] zich op (het grootste deel van) dit bedrag ten onrechte heeft verhaald, heeft het ten laste van [ex-echtgenoot van geïntimeerde] door [geïntimeerde] onder [appellant] gelegde derdenbeslag dus doel getroffen.

Zelf erkent [appellant] dat hij op een bedrag van (ruim) € 200.000,00, dat hij in depot heeft gegeven, geen recht had. Zijn (later ingenomen) stelling dat hij dit bedrag aan [echtgenote van ex-echtgenoot van geïntimeerde] verschuldigd is, is door het hof onjuist bevonden. Wat daar van zij, [appellant] is aan [geïntimeerde] verschuldigd het bedrag dat [ex-echtgenoot van geïntimeerde] aan haar verschuldigd is krachtens het vonnis van de rechtbank Gelderland van 3 juli 2013, nu [appellant] voor [ex-echtgenoot van geïntimeerde] een bedrag onder zich heeft dat voldoende is om genoemde vordering te betalen.

3.4.8.

Het hof heeft reeds geoordeeld dat en waarom hij de (tegen)bewijsaanbiedingen van [appellant] passeert.

3.5.

De slotsom is dat het hof het oordeel van de rechtbank deelt dat [appellant] een onjuiste verklaring derdenbeslag heeft afgelegd. De grieven falen dus en de beroepen vonnissen van de rechtbank zullen worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Op verzoek van [geïntimeerde] zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beroepen vonnissen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 314,00 aan verschotten en € 2.682,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, D.A.E.M. Hulskes en J.W.H. van Wijk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 december 2017.

griffier rolraadsheer