Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5468

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
20-000593-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:870, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1288, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 11 jaren wegens doodslag en wapenbezit. Fatale messteek in rug. Hof bevestigt vonnis rechtbank, met uitzondering van opgelegde gevangenisstraf. Aanvullende overwegingen t.a.v. ontvankelijkheid OM, bruikbaarheid getuigenverklaringen en affectieschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000593-17

Uitspraak : 12 december 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 21 februari 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-865020-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [datum] ,

thans verblijvende in PI Vught, Nieuw Vosseveld 2 HvB te Vught.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdacht ter zake van – kort gezegd – doodslag en verboden wapenbezit veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 jaren. Daarnaast is de vordering van de [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van 7.040,82 euro wegens vergoeding van begrafeniskosten. De benadeelde partijen, allen nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] , zijn niet-ontvankelijk verklaard in het hun vorderingen voor zover die zagen op vergoeding van affectieschade.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren.

De verdediging heeft (deels overeenkomstig het pleidooi in eerste aanleg):

  • -

    primair bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging;

  • -

    subsidiair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde doodslag en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ter zake van het onder 2 ten laste gelegde wapenbezit;

  • -

    enkele opmerkingen gemaakt in het kader van de strafoplegging en de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft:

- de opgelegde hoofdstraf en de strafmotivering.

Het hof verenigt zich aldus met:

  • -

    de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging;

  • -

    de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en de gronden waarop dit berust;

  • -

    de kwalificatie van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

  • -

    de beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte;

  • -

    de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen;

  • -

    de beslissingen in het kader van het beslag;

  • -

    de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen.

Evenwel is het hof van oordeel dat, mede naar aanleiding van het onderzoek in hoger beroep, de gronden voor de beslissing omtrent:

  1. de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie,

  2. de bewijsbeslissing en

  3. de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen,

aanvulling behoeven.

ad A. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

i. de rol van [getuige 1] .

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog aangevoerd dat [getuige 1] ten onrechte niet als verdachte is aangemerkt, terwijl drie getuigen zouden hebben verklaard dat hij het slachtoffer nog hardhandig heeft aangepakt na het grondgevecht met de verdachte en hij kennelijk iets te verbergen had bij het afleggen van zijn verklaringen op 10 maart 2016 en 17 juni 2016.

Het hof is van oordeel dat de stelling van de verdediging dat drie getuigen zouden hebben verklaard dat [getuige 1] het slachtoffer nog hardhandig heeft aangepakt na het grondgevecht met de verdachte, geen steun vindt in het dossier. [getuige 2] verklaarde zulks weliswaar, maar dat had zij enkel van [getuige 1] gehoord en niet zelf gezien (pg. 500-501). Haar verklaring vindt bovendien geen steun in de verklaringen van de personen die bij het betreffende gesprek waarin zij een en ander had gehoord aanwezig waren, namelijk [getuige 1] zelf (pg. 691), [getuige 3] (pg. 586-588) en [getuige 4] (pg. 703). Uit de verklaringen van de personen ( [getuige 4] (pg. 407-412), [getuige 5] (619-635), [getuige 6] (pg. 606-618), [getuige 7] (591-605) en [getuige 8] (pg. 557-584)) die aanwezig waren na het grondgevecht gedurende de periode dat het slachtoffer zich naar zijn fiets zou hebben begeven en vervolgens op de grond is beland, komt zulks eveneens geenszins naar voren.

Voorts is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat voor zover [getuige 1] iets te verbergen zou hebben gehad, maar hij vervolgens niet als verdachte is aangemerkt, niet, ook niet in samenhang bezien met de overige onderdelen van het verweer, kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de zaak van verdachte.

ii. de rol van [getuige 9] .

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte geen nadeel heeft ondervonden van het niet tijdig in beslag nemen van de jas van [getuige 9] .

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. De feiten en omstandigheden die de verdediging in hoger beroep hieromtrent heeft aangevoerd leiden het hof niet tot een andere conclusie. Eventuele bloedsporen van het slachtoffer op de jas van [getuige 9] leiden naar het oordeel van het hof immers niet tot de conclusie dat de verdachte niet diegene kán zijn geweest die de dodelijke steekwond aan het slachtoffer heeft toegebracht. Zo had het slachtoffer twee steekwonden, uit welke beide bloed heeft gevloeid, en was [getuige 9] betrokken bij de eerste confrontatie tussen het slachtoffer en de verdachte, het zogenaamde grondgevecht. Gelet hierop zouden bloedsporen op zijn jas geen positieve of negatieve bewijswaarde hebben over de rol van de verdachte.

iii. conclusie.

De aanvullende onderbouwing van het verweer van de verdediging in hoger beroep strekkende tot niet‑ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, treft geen doel. Het hof verwerpt het verweer dan ook en bevestigt mitsdien de beslissing van de rechtbank inhoudende dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

ad B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog aangevoerd dat de verklaring van [getuige 8] , afgelegd op 14 maart 2016, mede onbruikbaar is omdat de verhorend verbalisant hem onjuiste informatie heeft voorgehouden omtrent de verklaring van [getuige 1] . Aan [getuige 1] zou immers reeds op 10 maart 2016 zijn voorgehouden dat [getuige 8] reeds had verklaard over het overgeven van een mes, terwijl zulks pas op 14 maart 2016 voor het eerst door [getuige 8] is verklaard, bovendien nadat hem de verklaring van [getuige 1] was voorgehouden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdediging doelt op de door de verhorend verbalisant aan [getuige 1] op 10 maart 2016 gestelde vraag: “En dan het verhaal van [getuige 8] … het overdragen van het mes?” (pg. 535). Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat dit geen betrekking kan hebben op het voorhouden aan [getuige 1] van een verklaring van [getuige 8] omtrent de overgave van het mes. [getuige 8] heeft hierover immers eerst op 14 maart 2016 verklaard. Dit ligt ook niet voor de hand om reden dat de verhorend verbalisant [getuige 1] tijdens hetzelfde verhoor heeft voorgehouden “ [getuige 8] verklaarde dat hij iets cilindervormigs in zijn handen geduwd kreeg” (pg. 534); dit zag op de verklaring van [getuige 8] van 24 februari 2016 (pg. 440-445).

In hetzelfde verhoor van [getuige 1] van 10 maart 2016 wordt hem echter wel het een en ander voorgehouden naar aanleiding van de verklaring van [getuige 2] (pg. 534-535). Het hof is van oordeel dat het “verhaal van [getuige 8] over het overdragen van het mes” in het licht van de verklaring van [getuige 2] bezien dient te worden. Zij verklaarde immers reeds op 8 maart 2016 (pg. 499-510) dat [getuige 1] tegen haar zou hebben gezegd dat [getuige 8] het mes aan [getuige 4] heeft gegeven en dat [getuige 4] het weer aan [getuige 1] heeft gegeven, die ermee weggefietst is (pg. 502). Zo bezien is het niet een verklaring van [getuige 8] die aan [getuige 1] wordt voorgehouden, maar veeleer zijn eigen uitspraken jegens [getuige 2] , concludeert het hof. [getuige 1] verklaarde hierop een mes aangenomen te hebben van [getuige 8] (pg. 535). De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] worden vervolgens aan [getuige 8] voorgehouden op 14 maart 2016, waarop hij nader verklaart over het ontvangen van het mes van de verdachte (pg. 562).

Aldus biedt het dossier geen steun aan het standpunt van de verdediging dat aan zowel [getuige 1] als [getuige 8] onjuiste informatie is voorgehouden, waardoor die verklaringen onbruikbaar zouden zijn. Het hof verwerpt dan ook dit verweer.

ad C. De vorderingen van de benadeelde partijen

In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het kader van de gevorderde schadevergoeding van affectieschade, overweegt het hof nog als volgt.

Zowel de advocaat-generaal als de verdediging hebben zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de wet op dit moment geen ruimte biedt voor toekenning van een vergoeding wegens affectieschade en dat de rechtbank de vorderingen derhalve in zoverre terecht niet-ontvankelijkheid heeft verklaard.

Aan de vorderingen van de benadeelde partijen is het overlijden van hun zoon c.q. broer [slachtoffer] ten grondslag gelegd. Het hof begrijpt dat door de benadeelden genoegdoening wordt gevraagd voor de ernstige gevolgen die zij moeten ondervinden van het overlijden van [slachtoffer] tot wie zij in een affectieve relatie hebben gestaan. De raadsvrouwe van de benadeelde partijen heeft in haar toelichting op de vordering onderkend dat de wet op dit moment geen basis kent voor toewijzing van een vergoeding wegens dergelijke affectieschade, maar heeft het hof daarbij gewezen op het Wetsvoorstel vergoeding van affectieschade (nr. 34.257) en heeft het hof verzocht op die wetgeving te anticiperen.

Het hof overweegt als volgt.

Algemene overwegingen

Het hof stelt in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:AD5356 (het Taxibus-arrest), het volgende voorop. In het onderhavige geval is sprake van een tragische gebeurtenis die bij alle nabestaanden heeft geleid tot veel pijn en verdriet. De toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade kan slechts in (zeer) beperkte mate hun leed verzachten, doch kan wel in zekere mate een erkenning van het ondervonden leed betekenen. Echter, enkel deze erkenning kan niet de grond voor toewijzing zijn. Daartoe dient een rechtsgrond te worden aangewezen die leidt tot aansprakelijkheid voor schade als de onderhavige. Een rechter mag in dit kader slechts beoordelen welke vergoeding binnen het stelsel van de wet voor toewijzing in aanmerking komt.

Wetsvoorstel tot vergoeding van affectieschade

In lijn met het vonnis van de rechtbank stelt het hof vast dat het huidige wettelijke stelsel – in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – niet, althans op dit moment nog niet voorziet in de mogelijkheid om zogenoemde affectieschade te vergoeden. In dit kader verdient het opmerking dat de Hoge Raad in voornoemd Taxibus-arrest reeds heeft bepaald dat artikel 8 EVRM evenmin ertoe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op immateriële schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Uit het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening – vergoeding van affectieschade – te bieden. Dergelijke ruimte is er ook niet wanneer dergelijke schade het gevolg is van een opzettelijk begane normschending, zoals in het onderhavige geval. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft geoordeeld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen. Dat het wetgevingsproces sinds de behandeling in eerste aanleg verder is gevorderd - het Wetsvoorstel is thans aanhangig bij de Eerste Kamer en er is op 12 september 2017 een Memorie van Antwoord uitgebracht - maakt dit niet anders. Nu de rechter in dit kader terughoudendheid past, zal het hof de raadsvrouwe niet volgen in haar voorstel om te anticiperen op dit wetsvoorstel.

Conclusie

Aldus ziet het hof op dit moment geen grond voor toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van affectieschade. Het hof bevestigt dan ook de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen ter zake.

Op te leggen hoofdstraf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft op 21 februari 2016 de 21-jarige [slachtoffer] met een messteek in de rug om het leven gebracht. Daarnaast had de verdachte twee imitatievuurwapens voorhanden.

Na het verjaardagsfeest van een gemeenschappelijke bekende ontstond ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer. Deze ruzie leek na een ordinair handgemeen afgedaan toen de verdachte in een sloot belandde en het slachtoffer wegliep. Even later besprong de verdachte het slachtoffer echter alsnog van achteren en stak hem daarbij met aanzienlijke kracht een mes in de rug. Daarmee heeft de verdachte het slachtoffer volledig verrast en geen kans gelaten om aan zijn aanval te ontkomen. Het was een gevecht dat hij niet kon winnen. Het slachtoffer raakte vervolgens in coma en zijn familie leefde twee dagen tussen hoop een vrees. Op 23 februari 2016 overleed het slachtoffer echter alsnog ten gevolge van de door de verdachte toegebrachte messteek in de rug.

Zodoende heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, nu het opzettelijk ontnemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting is van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven. Bovendien is dit delict een feit dat de rechtsorde en in het bijzonder ook de plaats Berlicum waar dit delict plaatsvond, ernstig schokt.

De verdachte heeft met zijn handelen een intens diep onherstelbaar leed toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer.

Zijn zus heeft dat treffend geformuleerd: “Al zo lang ik mij kan herinneren is [slachtoffer] mijn maatje en heb ik de behoefte gevoeld om [slachtoffer] te beschermen. (…) Hoe ouder wij werden hoe meer dat andersom ook gold. [slachtoffer] werd groter en sterker en ik werd zijn kleine grote zusje. Als ik ’s nachts nachtmerries had, riep ik om [slachtoffer] . Ik voelde mij veilig bij hem, hij kon mij wel beschermen. (…) [slachtoffer] en ik hadden een bijzondere band. Eenmaal bij [slachtoffer] aangekomen in het ziekenhuis kon ik niks anders dan schreeuwen en huilen. Hij was nog warm toen ik hem knuffelde. De pijn die je dan voelt is onbeschrijfelijk. Mijn lieve broertje [slachtoffer] lag daar dood te zijn en wij stonden daar met z’n allen om hem heen te huilen. (…) Tot op de dag van vandaag is het leven niet meer leuk, heeft het geen inhoud meer. Voor andere mensen gaat het leven gewoon door, maar voor ons staat het stil. Er zullen de rest van ons leven best nog leuke momenten komen, maar die zullen voor altijd zwart omrandt zijn. (…)”

Ook de vader van het slachtoffer heeft de impact van het verlies pijnlijk duidelijk verwoord: “Onzen [slachtoffer] is dood… Als ik ons leven een cijfer had mogen geven vóór deze misdaad dan kwam ik op een hele dikke 7, misschien wel een 8. Daar is nu misschien nog een magere 4 van over. Gelukkig krijgen wij heel veel steun (…). Dit kun je nooit afsluiten. Wij houden hier de rest van ons leven last van. En het doet gewoon heel erg veel pijn. Zonder onze familie en vrienden zou deze pijn ondraaglijk zijn. En de pijn zal niet afnemen in de toekomst, dus we moeten er mee leren omgaan. Dat is ons lot.”

Naar het oordeel van het hof kan onder de gegeven omstandigheden in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zowel uit oogpunt van vergelding als uit oogpunt van bescherming van de maatschappij tegen de verdachte. Daarbij zal rekening worden gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft weliswaar een blanco strafblad, maar de proceshouding die de verdachte heeft gekozen, maakt echter dat zulks naar het oordeel van het hof geen strafmatigende werking heeft. Enerzijds heeft de verdachte geweigerd medewerking te verlenen aan de onderzoeken van de reclassering en het Pieter Baan Centrum, waardoor het hof slechts een beperkt beeld van de verdachte heeft gekregen. Anderzijds heeft de verdachte allerminst openheid van zaken gegeven, heeft hij zich naar het oordeel van het hof onverschillig en respectloos opgesteld en heeft hij zelfs geprobeerd het opsporingsonderzoek tegen te werken. Zijn houding zal bepaald niet bijdragen aan het verwerkingsproces van de nabestaanden. Het hof ziet in de persoon van de verdachte concluderend geen omstandigheden die aanleiding geven tot matiging van de op te leggen straf. Ook in hetgeen de raadsman verder heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding tot matiging.

Anders dan de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat de ernst van het feit onvoldoende tot uitdrukking komt bij oplegging van een gevangenisstraf van 9 jaren of korter. Daarentegen komt het hof evenals de advocaat-generaal tot de slotsom dat een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren met aftrek van voorarrest gerechtvaardigd is. Het hof zal de verdachte dan ook daartoe veroordelen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde hoofdstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. S. Riemens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier,

en op 12 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.