Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5465

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
20-003344-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2186, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van doodslag op zijn (ex-)vriendin, gepleegd in zijn woning te Geertruidenberg, tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003344-15

Uitspraak : 12 december 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 oktober 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-800090-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met dien verstande dat de bewezenverklaring verbeterd zal worden gelezen en wel in die zin dat in plaats van de pleegdatum ‘op 17 januari 2014’ zal worden gelezen: ‘op of omstreeks 17 januari 2014’.

De verdediging heeft:

  • -

    primair bepleit dat het openbaar ministerie in de strafvervolging niet-ontvankelijk zal worden verklaard;

  • -

    subsidiair bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken;

  • -

    meer subsidiair -voor het geval het hof tot enige bewezenverklaring zou komen- bepleit dat een lagere gevangenisstraf zal worden opgelegd dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal thans wordt gevorderd;

  • -

    ten aanzien van de in beslag genomen auto bepleit dat deze teruggegeven dient te worden aan de rechthebbende.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 17 januari 2014 tot en met 21 januari 2014 te Geertruidenberg opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] gewurgd, in elk geval op het lichaam van die [slachtoffer] geweld van buitenaf toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, betoogd dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat te dezen sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van goede procesorde waardoor de met opsporing belaste en/of vervolging belaste ambtenaren met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort hebben gedaan, zodat niet gesproken kan worden van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Daartoe heeft de raadsman -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat er sprake is geweest van tunnelvisie door een gebrek aan kennis over de theorie en regelgeving (werkwijze) met betrekking tot het handelen op de plaats delict. De politie heeft een ‘verdachte geleid onderzoek’ uitgevoerd doordat al medegedeeld was dat de bewoner was aangehouden, er op diverse onderdelen onzorgvuldig of onjuist is gehandeld en diverse goederen met dadersporen niet zijn veilig gesteld en/of onderzocht, waardoor bewijsmateriaal verloren is gegaan.

In het bijzonder blijkt dit uit:

  • -

    het feit dat de politie op de plaats delict geen verschillende scenario’s heeft gehanteerd, zodat geen zorgvuldig forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden;

  • -

    de wijze waarop het onderzoek is ingericht, de wijze waarop de sporen zijn veilig gesteld en de keuzes die zijn gemaakt; dit heeft tot gevolg gehad dat belangrijk bewijsmateriaal verloren is gegaan en nader onderzoek niet meer mogelijk was of niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd;

  • -

    de keuzes van de politie om bepaalde goederen op de plaats delict niet te onderzoeken, te weten: de aangetroffen tas en de stoel waarop het slachtoffer zat; het laken dat over het slachtoffer was gelegd is voorts pas onderzocht na opdracht daartoe van de rechtbank;

  • -

    de omstandigheid dat er een ‘splitsing’ heeft plaatsgevonden in het onderzoek op de plaats delict doordat de politie een dag tussen het eerste deel en het tweede deel van het onderzoek heeft ingelast; het gaat daarbij volgens de verdediging om de vraag of door de splitsing onaanvaardbare risico’s worden genomen voor het verloren gaan van sporen;

  • -

    het feit dat geen onderzoek aan de gebitsprothese van het slachtoffer heeft plaatsgevonden;

  • -

    de omstandigheid dat op de verkeerde plaats de hals van het slachtoffer op biologisch materiaal is bemonsterd; weliswaar is de hals op een aantal plekken bemonsterd, maar op de locatie in de nek waar twee delen van het voorwerp dat voor het omsnoerend geweld heeft gezorgd bij elkaar kwamen heeft geen bemonstering plaatsgevonden;

  • -

    de omstandigheid dat de op de plaats delict aangetroffen sieraden op onjuiste wijze zijn veilig gesteld, zodat sporen kunnen zijn verdwenen of zijn gecontamineerd;

  • -

    de omstandigheid dat er onjuist onderzoek heeft plaatsgevonden naar het tijdstip van overlijden van het slachtoffer, in het bijzonder omdat het ‘nomogram van Henssge’ niet is toegepast;

  • -

    de omstandigheid dat op sporendragers aangetroffen in de berging van de woning sporen van een lid van de forensische opsporing van politie zijn aangetroffen, waaruit blijkt dat de regels met betrekking tot het veiligstellen van sporen niet zijn nageleefd;

  • -

    er niet gericht is gezocht naar betrokkenheid van een ander dan verdachte, terwijl DNA-sporen van een derde zijn aangetroffen.

Het hof overweegt als volgt.

Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Met de advocaat-generaal en ook de verdediging is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in ieder geval niet is gebleken dat de betrokken ambtenaren doelbewust de belangen van verdachte hebben geschonden. Met betrekking tot de vraag of bedoelde ambtenaren met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte hebben gehandeld, geldt het volgende.

Scenario’s

Uit het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] d.d. 27 februari 2015 blijkt dat de politie tijdens het onderzoek op de plaats delict geen verschillende scenario’s heeft gehanteerd. Die keuze is gemaakt om het onderzoek ‘breed’ te houden. Dit vindt voorts zijn bevestiging in het verhoor van [verbalisant] door de raadsheer-commissaris op 21 februari 2017, in welk verhoor [verbalisant] heeft verklaard dat er geen scenario’s neergezet kunnen worden als met het onderzoek wordt begonnen, er dient volgens [verbalisant] met een open mind gehandeld te worden en de keuzes die [verbalisant] over het veilig stellen van sporen heeft gemaakt zijn gebaseerd op zijn ervaring.

Anders dan de raadsman vermag het hof niet in te zien dat het feit dat de politie op de plaats delict aanvankelijk geen verschillende scenario’s heeft gehanteerd, moet leiden tot de conclusie dat geen zorgvuldig forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat sprake is geweest van tunnelvisie.

Het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] is aangetroffen, afgedekt met een laken, zittend in de werkkamer op een stoel naast een bureau, met daarop een computer, in de flatwoning van de verdachte aan de [adres] te Geertruidenberg. Van de keuze van de politie om het sporenonderzoek in eerste instantie hoofdzakelijk te beperken tot de werkkamer en het in die werkkamer aanwezige lichaam van het slachtoffer, zijnde de directe plaats delict, kan niet gezegd worden dat die keuze duidt op tunnelvisie aan de zijde van de politie. Immers, vervolgens is een tweede onderzoek ingesteld dat zich hoofdzakelijk heeft gericht op het sporenonderzoek in de woning.

Voorts is sprake geweest van een buurtonderzoek, het onderzoeken van de alibi’s van een groot aantal personen in de omgeving van het slachtoffer (betrekking hebbend op een alternatief scenario), het oproepen van getuigen in een brief van de politie (zie pagina 654 van het eindproces-verbaal) en uitgebreid onderzoek naar een persoon met een witte [merk personenauto 1] , waarover de verdachte heeft verklaard en welke onderzoek derhalve ook betrekking heeft op het alternatief scenario. Ook heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van diverse onderzoekswensen van de verdediging. Het hof leidt hieruit af dat in de loop van het onderzoek wel degelijk is gekeken naar andere scenario’s en dat voor de conclusie dat sprake is geweest van een te beperkt onderzoek, voortkomend uit tunnelvisie, geen grond bestaat.

Onderzoek tas, laken en stoel

De verdediging heeft voorts gewezen op een aantal keuzes in het onderzoek waaruit tunnelvisie kan worden afgeleid.

Zo is de tas van het slachtoffer welke door de politie in de woonkamer van verdachte op een stoel bij de eettafel is aangetroffen niet op DNA-materiaal onderzocht. Verbalisant [verbalisant] heeft in zijn aanvullend proces-verbaal d.d. 27 februari 2015 gerelateerd dat deze tas niet is onderzocht op DNA-sporen, omdat de plaats en wijze van aantreffen daarvoor geen aanleiding gaf. De tas is op 23 januari 2014 inbeslaggenomen (dossierpagina 93) en op 19 maart 2014 is de inhoud van de tas tactisch onderzocht (dossierpagina’s 1152-1154). Het materiaal van de tas bleek niet geschikt voor dactyloscopisch onderzoek.

De verdediging heeft erop gewezen dat de politie de keuze heeft gemaakt geen onderzoek te verrichten aan de stoel waarin het slachtoffer zich bevond. In zijn aanvullend proces-verbaal van 24 februari 2016 heeft verbalisant [verbalisant] naar aanleiding van vragen van de verdediging ter terechtzitting van het hof van 15 december 2015 deze keuze nader toegelicht. Deze toelichting komt erop neer dat de onderhavige stoel niet geschikt was voor onderzoek naar de aanwezigheid van dactyloscopische sporen en dat, omdat een stoel een voorwerp is dat door meerdere personen wordt gebruikt, ervoor is gekozen om niet de stoel, maar het laken dat over het slachtoffer was gelegd veilig te stellen voor eventueel later DNA-onderzoek.

Gelet op de wijze waarop het slachtoffer in de stoel werd aangetroffen en de omstandigheid dat het laken dat over het slachtoffer was gelegd zich deels onder een wieltje van de stoelpoot bevond, neemt het hof redelijkerwijs aan dat de dader rechtstreeks contact met de stoel moet hebben gehad, zodat nader onderzoek aan de stoel voor de hand zou hebben gelegen.

Het hof stelt echter ook vast dat, op 16 september 2014 in aanwezigheid van de raadsman een schouw is verricht in de woning aan de [adres] te Geertruidenberg en dat als waarneming in het daarvan opgemaakte proces-verbaal is geschreven dat in de kamer waarin het slachtoffer is aangetroffen een vast telefoontoestel werd waargenomen, op het bureau naast de bureaustoel waar het slachtoffer in werd aangetroffen. Het hof begrijpt daar uit dat ten tijde van de schouw de bureaustoel kennelijk nog aanwezig was. De stoel was toentertijd derhalve nog voor onderzoek beschikbaar. Niet is gebleken dat de raadsman om onderzoek van de stoel heeft verzocht.

Met de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat het onderzoek aan het laken in een eerder stadium verricht had kunnen worden. Het laken lag over het slachtoffer heen, zodat het een logische keuze was geweest om, naast de kleding van het slachtoffer, ook het laken op sporen te onderzoeken. Deze omissie is echter hersteld tijdens het voorbereidend onderzoek, zodat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad.

Met betrekking tot de keuzes die gemaakt zijn voor wat betreft het onderzoek aan de tas, het laken en de stoel merkt het hof op dat, voor zover gezegd kan worden dat meer onderzoek gedaan had kunnen worden dan in feite is gebeurd, in ieder geval niet gezegd kan worden dat uit de gemaakte keuzes blijkt dat tunnelvisie de leidraad is geweest bij het maken van de keuzes. Met name met het onderzoek aan het laken is het nadeel van het niet onderzoeken van de stoel gecompenseerd.

Splitsing onderzoek op de plaats delict

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, door verdeling van het onderzoek op de plaats delict over twee dagen onaanvaardbare risico’s zijn genomen voor het verloren gaan van sporen en potentieel ontlastend bewijsmateriaal kan zijn verdwenen.

Het hof begrijpt dat de splitsing van het onderzoek te maken had met het niet onwenselijk lang willen laten doorwerken van het forensische team en de onwenselijkheid om het onderzoek aan een opvolgend team te moeten overdragen terwijl de plaats delict hermetisch kon worden afgesloten.

Het hof is van oordeel dat er geen enkele aanwijzing naar voren is gekomen dat door de splitsing van het onderzoek op de plaats delict, sporen in het ongerede zijn geraakt of dat daardoor het sporenonderzoek op enige wijze is geschaad. Het hof heeft daarbij ook gelet op de verklaring die de bij deze zaak betrokken deskundige dr. [voorletters 1] [deskundige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, inhoudende dat de periode tussen het achterlaten van een spoor en de bemonstering op den duur gevolgen kan hebben voor de uitkomst, maar een periode van drie dagen tussen het overlijden en het bemonsteren te kort is om van invloed te kunnen zijn geweest op de uitkomst.

Onderzoek gebitsprothese

Tijdens het opsporingsonderzoek is de keuze gemaakt om geen onderzoek te verrichten op de op de plaats delict aangetroffen gebitsprothese van het slachtoffer.

Uit het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] d.d. 27 februari 2015 en de verklaring van de deskundige [deskundige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg, blijkt dat de kans dat er bruikbare epitheelsporen of andere sporen op de gebitsprothese aanwezig waren, verwaarloosbaar klein is vanwege de aanwezigheid van een grote hoeveelheid speeksel op een gebitsprothese. De deskundige [deskundige 1] heeft verklaard dat normaliter een gebit teveel speeksel bevat om deugdelijk sporenonderzoek te kunnen verrichten.

Gegeven deze onderbouwing valt naar het oordeel van het hof niet in te zien dat de keuze om geen onderzoek aan dit voorwerp te doen zou zijn gemaakt vanuit een vorm van tunnelvisie.

Plaats bemonstering sporen hals/nek van het slachtoffer

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de keuze om uitsluitend de hals van het slachtoffer op sporen te bemonsteren volstrekt ten onrechte en onbegrijpelijk is geweest, omdat veel eerder dadersporen waren te verwachten in de nek van het slachtoffer, omdat dat het punt is waar de handen van de dader met kracht moeten hebben gedrukt. De resultaten van de bemonsteringen zijn als gevolg daarvan weinigzeggend, zo meent de raadsman.

Het hof merkt op dat het standpunt van de raadsman is gebaseerd op een bepaalde aanname over de wijze waarop het feit door de dader kan zijn uitgevoerd, echter de precieze modus operandi kan op grond van de inhoud van het procesdossier niet worden vastgesteld, te meer niet nu niet is kunnen worden vastgesteld met welk voorwerp het slachtoffer is gewurgd. De stelling dat in de nek van het slachtoffer meer dadersporen te verwachten zouden zijn geweest dan in de hals, is slechts een aanname van de verdediging waarvoor geen bevestiging kan worden gevonden in het dossier.

Door de politie werden in de hals van het slachtoffer sporen van strangulatie en insnoering waargenomen en op basis van die bevindingen heeft men de hals van het slachtoffer in de directe omgeving van de bloeduitstortingen in de hals bemonsterd. Voorts werd onder meer de huid rond de mond bemonsterd. Dergelijke keuzes zijn niet onbegrijpelijk en konden redelijkerwijs worden gemaakt. Niet valt in te zien dat uit deze wijze van bemonstering zou blijken van tunnelvisie.

Wijze veiligstellen sieraden

De op de plaats delict aangetroffen sieraden zijn door de politie in eerste instantie gezamenlijk veilig gesteld en pas later van elkaar gescheiden. De raadsman meent dat daardoor het onaanvaardbare risico is genomen dat sporen verdwijnen of vermenging van sporen ontstaat (contaminatie), waardoor het uiteindelijke resultaat van het onderzoek aan die sieraden onbruikbaar/nutteloos is geworden. Wat er echter ook zij van de wijze waarop de sieraden zijn veilig gesteld, daaruit kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat dit is gedaan vanuit de gedachte bij de politie dat uitsluitend naar DNA-sporen van verdachte moest worden gezocht. Van enige tunnelvisie is in dit verband niet gebleken.

Onderzoek naar het tijdstip van overlijden/het nomogram van Henssge

Uit het procesdossier blijkt dat er zeer uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden naar het tijdstip van overlijden van het slachtoffer. Gebruikmaking van de methode van Henssge vereist een diep rectaal gemeten temperatuur en mogelijk zou deze werkwijze hebben kunnen leiden tot sporenvernietiging. Bovendien blijkt uit het rapport d.d. 3 juli 2014 van NFI-deskundige [voorletters 2] [deskundige 2] , forensisch arts KNMG, dat er reeds beginnende rottingsverschijnselen aanwezig waren zodat aangenomen kan worden dat de lichaamstemperatuur van het slachtoffer gedaald was tot de omgevingstemperatuur. Bij een dermate gevorderde postmortale afkoeling is de methode van Henssge volgens de deskundige niet meer bruikbaar om het tijdstip van overlijden te berekenen.

De keuze van de politie om de lichaamstemperatuur van het slachtoffer op een andere wijze te meten, is een keuze die men naar het oordeel van het hof redelijkerwijs heeft kunnen maken en dit geeft geen blijk van het ontbreken van kennis of van onkunde.

Sporendragers berging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de politie bij het onderzoek naar sporen in de berging bij de woning van verdachte onzorgvuldig en onjuist heeft gehandeld, doordat daar in eerste instantie niet is gezocht naar strangulatievoorwerpen, maar pas in een later stadium alsnog een drietal sporendragers zijn aangetroffen die mogelijk het voorwerp waarmee het slachtoffer om het leven is gebracht konden zijn. Op die later aangetroffen sporendragers bleek zich bovendien nog DNA-materiaal van een lid van de forensische opsporing te bevinden, waaruit blijkt dat de regels niet zijn nageleefd, aldus de raadsman.

Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat de politie niet onmiddellijk, maar pas op een later moment in de berging van de woning van de verdachte heeft gezocht niet leidt tot de conclusie dat onzorgvuldig is gehandeld of dat sprake is geweest van tunnelvisie. Op het moment dat bekend werd dat het slachtoffer mogelijk met een voorwerp was gewurgd is hier in de berging naar gezocht en heeft verder onderzoek plaatsgevonden.

Het tijdstip waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden lijkt niet relevant te zijn geweest voor de uitkomst daarvan. De omstandigheid dat op één van de sporendragers DNA-materiaal van één van de betrokken politiefunctionarissen is aangetroffen en waarover is gerelateerd hoe dit is gebeurd, betreft een onzorgvuldigheid, maar heeft niet geleid tot enig nadeel voor de verdachte. Het vorenstaande kan niet leiden tot het oordeel dat om deze reden sprake is geweest van een tunnelvisie.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier niet is gebleken dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen en het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging, nu ook overigens niets is gebleken dat daaraan in de weg staat.

Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

De verdediging heeft in eerste aanleg aangevoerd dat sprake is van gebrek aan transparantie in het onderzoek doordat politie en justitie de zogenaamde werkjournaals en het FIT-verslag niet aan de verdediging hebben verstrekt, nu juist deze stukken een belangrijke bron zijn voor de controle van de door politie gehanteerde werkwijze en gemaakte keuzes.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2015 heeft het hof het opnieuw gedane verzoek tot voeging van het forensische intakegesprek en de werkjournaals, afgewezen, omdat de noodzaak daarvan niet is gebleken. Ter terechtzitting van het hof van 14 november 2017 heeft de verdediging nogmaals om toevoeging van deze stukken aan het procesdossier verzocht, voor het geval het hof het niet-ontvankelijkheidsverweer zou verwerpen. Het hof acht zich echter op grond van de inhoud van het procesdossier, in het bijzonder in de zich daarin bevindende aanvullende processen-verbaal waarin uitleg is gegeven over de door de politie gemaakte keuzes tijdens het opsporingsonderzoek, voldoende voorgelicht omtrent het door de verdediging opgeworpen vraagpunt. Het hof acht het daarom niet noodzakelijk dat de werkjournaals en het FIT-verslag alsnog aan het dossier zullen worden toegevoegd.

Partiële vrijspraak

Met de advocaat-generaal, de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte met voorbe-dachten rade het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Ten aanzien van dat onderdeel zal derhalve vrijspraak volgen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 17 januari 2014 tot en met 18 januari 2014 te Geertruidenberg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] gewurgd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn als bijlage aan dit arrest gehecht. De inhoud daarvan wordt geacht hier te zijn ingevoegd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I. Feiten en omstandigheden van de zaak

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof de navolgende feiten en omstandigheden af.

I-a.

De verdachte heeft vanaf november 2012 een relatie gehad met het (latere) slachtoffer [voorletters 3] [voornaam/roepnaam] ) [slachtoffer] . Vanaf december 2012 is de verdachte met [slachtoffer] gaan samenwonen in de flatwoning van de verdachte aan de [adres] te Geertruidenberg.

Getuigen omschrijven de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] als een ‘knipperlichtrelatie’, waarin laatstgenoemde meerdere keren de woning tijdelijk heeft verlaten. Bovendien heeft de verdachte gedurende de relatie [slachtoffer] volgens door haar gedane meldingen bij de politie of getuigen meerdere keren gewelddadig bejegend, als gevolg waarvan zij lichamelijk letsel, bestaande uit blauwe plekken op verschillende plaatsen van haar lichaam, heeft opgelopen.

In de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] zijn ook kort voorafgaand aan de dood van het slachtoffer problemen ontstaan. [slachtoffer] heeft op 2 januari 2014, na een hevige ruzie tussen de verdachte en haarzelf, waarbij de politie bij de woning van de verdachte is verschenen, de woning van de verdachte verlaten en is toen door de politie naar een vriendin in Breda gebracht. De verdachte heeft daarbij tegen de politie gezegd dat hij van de flat af wilde springen, omdat hij het niet meer zag zitten. De verdachte heeft daarbij de sleutels en de telefoon van [slachtoffer] ingenomen.

I-b.

Het slachtoffer [slachtoffer] is op dinsdag 21 januari 2014 omstreeks 14.30 uur dood aangetroffen in de woning van de verdachte op het adres [adres] in Geertruidenberg. Het slachtoffer bevond zich in de studeerkamer c.q. het kantoor van de woning, zittend in een bureaustoel, naast een bureau waarop een ingeschakelde computer stond die zich in de slaapstand bevond, met de rugzijde naar de toegangsdeur en haar gezicht in de richting van het raam. De computer was op vrijdag 17 januari 2014 om 13.13 uur in de slaapstand gegaan. Het slachtoffer was afgedekt met een laken, dat door de verdachte is herkend als een laken (tafelkleed) afkomstig uit een kast in de betreffende kamer. Eén van de wieltjes van de bureaustoel stond op een hoek van het laken.

Nadat het slachtoffer door de politie uit de bureaustoel was genomen, werden op de zitting van de stoel, bij de aansluiting van de zitting met de rugleuning, twee slotjes van oorknopjes aangetroffen. In de rechter oorlel van het slachtoffer bevond zich een zilverkleurig oorknopje met twee transparante steentjes. Het slotje van dit oorknopje ontbrak. Tijdens het ontkleden van het slachtoffer door de politie viel uit de gehaakte trui een tweede zilverkleurig oorknopje met twee transparante steentjes. Het slotje van dit oorknopje ontbrak. Dit oorknopje was identiek aan het oorknopje aangetroffen in de rechter oorlel. Tevens werd geklemd onder de kleding van het slachtoffer een zilverkleurige halsketting aangetroffen. Deze halsketting was bij de aansluiting van het slotje gebroken.

I-c.

Het slachtoffer vertoonde ernstige bloeduitstortingen aan de hals en nek. Bij de sectie is geconstateerd dat in de hals en de nek van het slachtoffer zich een vrijwel circulair verlopend bandvormig gebied met wisselende breedte bevond, bestaande deels uit huidbeschadigingen en onderhuidse bloeduitstortingen van allerlei aard. Verder zijn daarbij geconstateerd uitgebreide bloeduitstortingen in de mondbodem en de tong, bloeduitstortingen rond het strottenhoofd en het tongbeen en een breuk aan het strottenhoofd. Het overlijden van het slachtoffer kan zonder meer worden verklaard door verstikking ten gevolge van samendrukkend geweld op de hals (strangulatie).

Het rapport van de forensisch arts dr. [deskundige 2] van 8 januari 2015, houdt

-zakelijk weergegeven- met betrekking tot het tijdstip van overlijden in dat:

  • -

    het waarschijnlijker is dat het overlijden van [slachtoffer] op vrijdag 17 januari 2014 heeft plaatsgevonden dan dat het overlijden op maandag 20 januari 2014 heeft plaatsgevonden;

  • -

    het waarschijnlijker is dat het overlijden van [slachtoffer] op vrijdag 17 januari 2014 heeft plaatsgevonden dan dat het overlijden op zondag 19 januari 2014 heeft plaatsgevonden;

  • -

    de hypothese dat het slachtoffer is overleden op vrijdag 17 januari 2014 (ongeveer) even waarschijnlijk is als de hypothese dat zij op zaterdag 18 januari 2014 is overleden.

I-d.

Zes bemonsteringen van de hals en mond van het slachtoffer werden onderzocht op DNA-sporen. Geconcludeerd werd dat alle bemonsteringen DNA-mengprofielen bevatten. Bij de sporen aan de hals AAFW1808NL, AAFW1809NL en AAFW1811NL werd een DNA-mengprofiel aangetroffen, afkomstig van minimaal twee donoren. Bij spoor AAFW1808NL kon het slachtoffer niet uitgesloten worden als donor. Bij de aanname dat het slachtoffer donor van celmateriaal in de bemonstering is geweest, resteerden er nog een gering aantal DNA-kenmerken, welke overeen kwamen met het DNA-profiel van verdachte. Ten aanzien van spoor AAFW1809NL matcht het DNA-hoofdprofiel met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het DNA-nevenprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. De frequentie van het DNA-nevenprofiel is kleiner dan één op één miljoen. Ten aanzien van de sporen AAFW1810NL (hals) en AAFW1832NL (mond) werd er een mengprofiel aangetroffen, afkomstig van minimaal drie donoren. Het DNA-hoofdprofiel van deze sporen matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer. Verdachte kan niet worden uitgesloten als donor van celmateriaal in de bemonstering.

Forensisch DNA-deskundige dr. [deskundige 1] heeft de bemonsteringen van het laken dat over

het slachtoffer heen hing, onderzocht. De opgestelde DNA-profielen van bemonsteringen van het laken zijn vergeleken met de DNA-profielen van het slachtoffer en verdachte. Bij twee bemonsteringen kon verdachte niet worden uitgesloten als donor en twee bemonste-ringen matchen met het DNA-profiel van verdachte.

De bemonsteringen van de trui, de spijkerbroek en de riem van het slachtoffer zijn eveneens door forensisch DNA-deskundige dr. [deskundige 1] onderzocht. Ten aanzien van de bemonsteringen aan de trui betreffen het in alle gevallen mengprofielen van minimaal twee, drie of vier donoren. Verdachte is bij geen enkele bemonstering uit te sluiten als donor. In de bemonsteringen AAFW1815NL#03, #04 en #06 van de trui zijn alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van verdachte aangetoond in het DNA.

Ten aanzien van de veertien bemonsteringen aan de spijkerbroek en de riem betreffen het in alle gevallen mengprofielen van minimaal drie donoren. Bij elf sporen is verdachte niet uitgesloten als donor. In de bemonsteringen AAFW1821NL#01, #05 en #11 zijn alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van verdachte aangetoond in het DNA-mengprofiel.

I-e.

In de woning van de verdachte zijn negen schoensporen veiliggesteld, die na onderzoek allemaal overeen bleken te komen met het profiel van de zolen van de schoenen van de verdachte of van betrokken politieambtenaren.

I-f.

Er bestaan in totaal vier sleutels waarmee via de voordeur toegang kan worden verkregen tot de woning van verdachte. Bij zijn aanhouding op 21 januari 2014 had de verdachte één van die sleutels in zijn bezit, twee van deze sleutels zijn door de politie aangetroffen in de woning van verdachte en de vierde sleutel was in bezit van [getuige 1] , de broer van verdachte, die deze sleutel heeft gebruikt bij het openen van de voordeur op dinsdagmiddag 21 januari 2014. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de sleutel toen drie keer moest omdraaien om de deur te openen omdat de voordeur op slot was gedraaid. Ten aanzien van één van de twee huissleutels die in de woning zijn aangetroffen heeft de verdachte verklaard dat die van het slachtoffer was.

I-g.

Bij het opsporingsonderzoek is niet gebleken van enige braakschade aan de woning van de verdachte.

I-h.

Volgens de verklaring van de verdachte is [slachtoffer] is op vrijdag 17 januari 2014, omstreeks 13.30/14.00 uur, in de woning van de verdachte aangekomen. Zij had met de verdachte de afspraak dat zij later op de dag gezamenlijk naar de woning van haar zoon [getuige 2] in België zouden gaan om de huur van diens appartement te gaan betalen. Uit e-mailcontact van eerder op de dag blijkt dat de verdachte tegen [slachtoffer] had gezegd dat hij geld in huis had gehaald. Met [getuige 3] , de verhuurder van het appartement van [getuige 2] , had de verdachte afgesproken om diezelfde avond om 18.00 uur, dan wel 19.30 uur, het geld te zullen brengen. Verdachte en het slachtoffer zijn niet op deze afspraak verschenen.

Volgens de verklaring van de verdachte heeft hij samen met het slachtoffer op die vrijdagmiddag in zijn woning, zittend aan de eettafel in de woonkamer, gekaart, waarbij zowel hijzelf als het slachtoffer meerdere glazen alcoholhoudende drank hebben gedronken1. Bij onderzoek is in het bloed van het slachtoffer alcohol aangetroffen. Op de eettafel in de woonkamer is bij de schouw door de rechtbank een schaaltje walnoten met nootschilfers op het kleed waargenomen. Uit onderzoek is gebleken dat zich in de maag van het slachtoffer resten van walnoten bevonden.

De verdachte heeft naar eigen zeggen op vrijdag 17 januari 2014, omstreeks 18.00 uur, zijn woning verlaten. In ieder geval bevond hij zich tussen 18.14 en 18.17 uur bij de in de buurt van zijn woning gelegen supermarkt [merknaam 1] , waar hij een ‘sixpack’ bier en twee losse blikjes bier heeft gekocht.2

De verdachte is naar eigen zeggen op vrijdag 17 januari 2014, omstreeks 20.00 uur, weer naar zijn woning teruggekeerd. Het slachtoffer was toen volgens verdachte weg.

In de daarop volgende periode heeft de verdachte op meerdere dagen vervolgens meerdere pogingen gedaan zichzelf van het leven te beroven. In zijn woning is een handgeschreven en door hem ondertekend briefje aan de uitvaartverzekeringsmaatschappij [merknaam 2] aangetroffen, met daarop aantekeningen met betrekking tot de wijze waarop zijn crematie moest worden geregeld.

Op vrijdagavond 17 januari 2014, na terugkomst in zijn woning, heeft de verdachte volgens eigen zeggen een eerste suïcidepoging gedaan door veertig pillen in te nemen en naar bed te gaan. De verdachte is vervolgens op zaterdag 18 januari 2014 toch weer wakker geworden. Rondom 10.00 uur is hij vervolgens naar Dorst gereden met het voornemen om voor een trein te springen. Vervolgens wilde hij naar Gorinchem rijden met het voornemen om daar van de brug af te springen, in de Merwede. Later op de dag heeft hij morfine-pleisters op zijn lichaam geplakt en is hij naar huis gereden waar hij omstreeks 16.00 of 17.00 uur is gearriveerd. Vervolgens heeft hij in zijn woning naar eigen zeggen nog zeker zeventig pillen ingenomen.

De verdachte is desondanks vervolgens op zondag 19 januari 2014 wakker geworden en heeft toen weer morfinepleisters opgeplakt. Hij is volgens eigen zeggen de gehele zondag thuis gebleven. Die zondag heeft verdachte tegen zijn buurvrouw [getuige 4] gezegd dat het hem niet lukte zelfmoord te plegen.

Op maandag 20 januari 2014 is de verdachte omstreeks 8.00 uur vanaf zijn woning met de auto van het slachtoffer vertrokken naar Werkendam waar hij nog drie morfinepleisters heeft opgeplakt.

De verdachte is later op de dag naar Slot Loevestein vertrokken. Daar zou hij de hele nacht van maandag op dinsdag in de auto op de parkeerplaats hebben doorgebracht.

Op dinsdag 21 januari 2014, rondom 14.00 uur, is de verdachte in verwarde toestand gesignaleerd bij Slot Loevestein.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij een toekomst voor ogen had met [slachtoffer] en in dat verband in het weekend van 11 en 12 februari 2014 samen met haar naar een woning had gekeken. Meermalen daar naar bevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen verklaring kunnen geven waarom hij, in weerwil van de toekomstplannen die hij samen met het slachtoffer had, meerdere zelfmoordpogingen heeft ondernomen in de periode vanaf vrijdagavond 17 januari 2014 tot 21 januari 2014.

I-i.

Getuige [getuige 5] had op donderdag 16 januari 2014 een afspraak met [slachtoffer] . Zij hadden afgesproken dat [slachtoffer] haar telefoonnummer nog door zou geven. Dit heeft zij echter niet meer gedaan.

Getuige [getuige 6] had op vrijdagavond 17 januari 2014 te 20.00 uur een afspraak met [slachtoffer] voor een sollicitatiegesprek. Die avond verscheen [slachtoffer] zonder afzegging niet op het gesprek, terwijl, zoals onder meer blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 7] , zij heel de week actief was geweest om een baan te zoeken en zelfs die middag voorafgaand aan het sollicitatiegesprek ‘alvast ging kijken voor het adres’.

[slachtoffer] heeft na vrijdag 17 januari 2014, 12.25 uur, met niemand meer contact gehad via e-mail, sms, facebook of telefoon, terwijl zij voordien juist zeer actief communiceerde via deze middelen3.

I-j.

Het slachtoffer is op dinsdag 21 januari 2014 dood aangetroffen in dezelfde kleding als die zij droeg toen zij op vrijdag 17 januari 2014 in de woning van de verdachte aankwam.

I-k.

Verdachte na 17 januari 2014 te 12.25 uur4 op geen enkel moment

geprobeerd contact te krijgen met [slachtoffer] . Op eerdere momenten dat zij weg was, probeerde de verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, haar juist wel te bereiken via mail of via sms of WhatsApp, minimaal eenmaal per dag tot hij haar te pakken kreeg, en zoals ook blijkt uit het mailverkeer tussen verdachte en [slachtoffer]5. Verdachte heeft verklaard dat hij geen e-mails meer heeft verzonden omdat zijn internetverbinding niet meer werkte, maar blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft verdachte op vrijdag 17 januari 2014 tot 12.25 uur zijn e-mail nog meerdere keren gebruikt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is deze stelling van de verdachte niet aannemelijk geworden. Ook is niet op andere wijze door verdachte getracht contact op te nemen met [slachtoffer] , zoals hij dat normaal gesproken deed.

I-l.

Het hondje [naam] ) van [slachtoffer] is vanaf vrijdag 17 januari 2014 tot en met 21 januari 2014 in de woning van de verdachte aanwezig geweest, terwijl meerdere getuigen en ook verdachte zelf hebben verklaard dat [slachtoffer] haar hondje (vrijwel) altijd meenam als zij wegging.

I-m.

De rode jas van het slachtoffer hing aan de kapstok in de woning. Aan dezelfde kapstok hing een hondenriem. Naast deze (opvallende) rode jas hingen er geen andere jassen aan de kapstok.6 Bovendien bevond de blauwe sporttas van [slachtoffer] met daarin onder meer haar portemonnee, rijbewijs en ID-kaart, zich op een stoel van de eettafel waaraan zij en de verdachte op vrijdagmiddag 17 januari 2014 samen hadden zitten kaarten en drinken.

Voorts heeft verdachte verklaard, ondanks zijn aanwezigheid in de woning in die periode, niet te weten hoe het slachtoffer in zijn woning onder het laken terecht is gekomen en dat hem niet is opgevallen dat haar jas aan de kapstok hing en haar spullen in de woning waren achtergebleven.

I-n.

Verdachte maakte gebruik van de [merk personenauto 2] van het slachtoffer. In die auto zijn twee [merknaam personenauto] -sleutels aangetroffen.

I-o.

De verdachte heeft voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] tegenover verschillende getuigen uitlatingen gedaan die erop wijzen dat hij haar mogelijk iets aan wilde doen indien zij hem zou verlaten. Zo heeft verdachte vaak tegen getuige [getuige 9] gezegd: “Als zij bij mij weggaat dan zoek ik haar en vermoord ik haar”. Hij heeft tegen getuige [getuige 11] gezegd dat hij en [slachtoffer] samen oud worden, en als hij haar niet heeft, dan niemand niet. Voorts heeft [slachtoffer] tegen haar ex-vriend [getuige 10] gezegd dat verdachte tegen haar had gezegd: “Als ik je niet kan krijgen, dan kan niemand je krijgen”.

II. Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van de gehele tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat zich in procesdossier een aantal aanwijzingen bevinden die in de richting van een andere dader dan verdachte leiden (alternatief scenario).

II.1

De raadsman heeft ter onderbouwing van het verweer in zijn pleitnota verwezen naar DNA-sporen op het aangetroffen laken, in het nagelvuil van het slachtoffer en in de hals en mond van het slachtoffer, waarin DNA-sporen/DNA-kenmerken van andere, onbekend gebleven donoren, zijn aangetroffen, die er volgens de raadsman op duiden dat een ander dan de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

II.2

De raadsman heeft aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de verdachte voor de aanwezigheid van DNA-sporen van de verdachte in de hals en rond de mond van het slachtoffer, een deugdelijke verklaring heeft gegeven, te weten: dat deze sporen afkomstig zijn van een kus of een omhelzing.

II.3

In verband met het geschetste alternatieve scenario heeft de verdachte gedurende het onderzoek zelf een aantal keren verklaard -zakelijk weergegeven- dat [slachtoffer] op vrijdagavond 17 januari 2014, tussen 18.00 en 20.00 uur, zijn woning moet hebben verlaten en dat zij tegen hem had gezegd dat zij die avond moest solliciteren en dat zij opgehaald zou worden door een witte [merk personenauto 1] .

Het hof overweegt als volgt.

II.1.

Uit onderzoek is gebleken dat een aantal bemonsteringen aan de hals, mond en de trui van

het slachtoffer en het laken dat over het slachtoffer hing een mengprofiel bevatten van twee

of meer donoren. De deskundige dr. [deskundige 1] heeft in zijn rapport van 21 september 2015 ten aanzien van deze bemonsteringen weergegeven dat het niet mogelijk is een uitspraak te doen over een mogelijk gelijke donor naast het slachtoffer en verdachte in de bemonste-ringen. Reden hiervoor is dat er met name in de bemonsteringen AAFW1810NL (hals slachtoffer), AAFW1832NL (mond slachtoffer) en de bemonsteringen van het laken en de trui slechts een zeer gering aantal resterende DNA-kenmerken aanwezig is. Ten aanzien van de door de raadsman aangeduide ‘pieken’ in 5 bemonsteringen van nagelvuil van het slachtoffer geldt dat niet duidelijk is of dit DNA-kenmerken van een ander persoon zijn of dat het technische artefacten zijn.7

Ten aanzien van de door raadsman bedoelde DNA-sporen/kenmerken is uit het onderzoek terechtzitting niet komen vast te staan dat dit DNA-sporen/kenmerken van één en dezelfde persoon betreffen. Bovendien heeft te gelden dat in de woning van de verdachte geen enkel ander (onverklaarbaar) spoor van een derde persoon is aangetroffen. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is dat de zwakke DNA-kenmerken van een of meer onbekend gebleven derde personen die naast de DNA-sporen van de verdachte in diverse bemonsteringen zijn aangetroffen, dadersporen zijn.

II.2

De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer op vrijdag 17 januari 2014 bij binnenkomst in zijn woning (omstreeks 14.00 uur) heeft begroet met een kus en dat hij haar ook bij het verlaten van de woning (omstreeks 18.00 uur) een kus heeft gegeven.

De deskundige dr. [deskundige 1] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 september 2015 verklaard dat hij het aannemelijker acht dat het DNA-materiaal op het slachtoffer is gekomen door langdurig contact dan door een korte aanraking en voorts dat hij het aannemelijker acht dat er langdurig contact tussen verdachte en slachtoffer heeft plaatsgevonden dan dat het DNA afkomstig is van een kus.

Op grond daarvan acht het hof niet aannemelijk dat de van de verdachte aangetroffen DNA-sporen op de hals en mond afkomstig zijn van de door de verdediging bedoelde kus of omhelzing. In samenhang bezien met de overige feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komen, moeten de gewraakte DNA-sporen als dadersporen worden beschouwd.

II.3.

Het politieonderzoek naar de witte [merk personenauto 1] , waarover uitsluitend de verdachte heeft verklaard, heeft geen enkele aanwijzing opgeleverd8. Bij geen van de door de politie onderzochte personen bleek een witte [merk personenauto 1] op naam te staan dan wel in gebruik te zijn, noch bleek dit uit registraties uit het politiesysteem. In het procesdossier valt voorts geen enkele aanwijzing te bespeuren dat [slachtoffer] op vrijdag 17 januari 2014 door een derde is opgehaald bij de woning van de verdachte. Zij is bovendien, zoals hiervoor reeds overwogen, op vrijdagavond 17 januari 2014 te 20.00 uur zonder enige afzegging niet verschenen op het geplande sollicitatiegesprek met getuige [getuige 6] . De door de verdachte naar voren gebrachte gang van zaken is bijgevolg uit het onderzoek ter terechtzitting op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

III. Conclusies hof

Samenvattend leidt het hof -kort gezegd- uit de feiten en omstandigheden zoals vermeld onder I-a tot en met I-o en zoals nader uitgewerkt in de bijgevoegde bewijsmiddelen het volgende af:

  • -

    Verdachte had een relatie met het slachtoffer.

  • -

    Er hadden zich relatieproblemen voorgedaan en verdachte had zich dreigend uitgelaten over wat er zou gebeuren als [slachtoffer] bij hem weg zou gaan.

  • -

    Verdachte is degene geweest die het slachtoffer in zijn woning voor het laatst levend heeft gezien.

  • -

    Niemand heeft daarna meer van het slachtoffer vernomen, zij is haar afspraken op 17 januari 2014 niet nagekomen.

  • -

    Het slachtoffer is op 21 januari 2014 onder een laken dood aangetroffen op een bureaustoel in de studeerkamer van de woning van verdachte. Zij was gewurgd. Zij droeg dezelfde kleding als bij aankomst in de woning op 17 januari 2014.

  • -

    Diverse resultaten van DNA-onderzoeken wijzen in de richting van verdachte, waaronder sporen in de hals van het slachtoffer.

  • -

    Er waren geen sporen van braak aan de woning.

  • -

    In de woning waren diverse persoonlijke spullen van het slachtoffer, haar jas aan de kapstok, tas op een eetkamerstoel waar verdachte en het slachtoffer hadden gekaart en tevens haar bril. Ook de huissleutel van de woning van verdachte, in bezit van het slachtoffer, lag in de woning. Tevens was het hondje van het slachtoffer bij verdachte sinds 17 januari 2014.

  • -

    In totaal waren er vier huissleutels, de sleutel aangetroffen bij verdachte, twee sleutels aangetroffen in de woning (waaronder de sleutel van het slachtoffer) en de sleutel die de broer van verdachte had.

  • -

    Verdachte heeft vanaf vrijdagavond 17 januari 2014 diverse keren gepoogd zichzelf van het leven te beroven.

  • -

    Verdachte gebruikte de auto van het slachtoffer.

  • -

    Verdachte heeft op geen enkele wijze getracht in contact te komen met het slachtoffer, daar waar hij dat voorheen wel deed.

  • -

    Verdachte heeft geen verklaring gegeven waarom hij, in weerwil van de toekomstplannen die hij met het slachtoffer had, zelfmoord wilde plegen, noch heeft hij antwoord kunnen geven op de vraag hoe het kan dat het lichaam van het slachtoffer in zijn studeerkamer is terecht gekomen.

  • -

    Niet aannemelijk is geworden dat een ander betrokken was bij het overlijden van het slachtoffer.

Op grond van al het voren overwogene trekt het hof de conclusie dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] , na haar aankomst in de woning van verdachte op vrijdag 17 januari 2014, op enig moment in of omstreeks de periode van 17 januari tot en met 18 januari 2014 in die woning door verwurging om het leven heeft gebracht, zoals in de bewezenverklaring is omschreven.

IV.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer] , die ten tijde van het feit 50 jaar oud was, door haar in zijn woning te verwurgen. Daarmee heeft hij het slachtoffer het grootste goed, het leven dat nog voor haar lag, op gewelddadige wijze ontnomen.

Verdachte heeft een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht en groot leed toegebracht aan de nabestaanden, vrienden en kennissen van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare.

Door te handelen zoals bewezen verklaard, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Door een dergelijk delict wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van:

  • -

    het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 september 2017, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit eerder onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld, onder meer in het jaar 1995 ter zake van poging tot doodslag op zijn (toenmalige) echtgenote;

  • -

    het briefrapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, d.d. 24 januari 2014, opgemaakt door drs. [deskundige 3] , justitieel forensisch psychiater;

  • -

    het rapport, d.d. 10 juli 2014, opgemaakt door dr. [deskundige 4] , psychiater;

  • -

    het rapport, d.d. 1 juli 2014, opgemaakt door drs. [deskundige 5] , psycholoog;

  • -

    het rapport pro justitia van het Nederlands Forensisch Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 6 februari 2015, opgemaakt door [deskundige 6] , hoofd rapportage bij afwezigheid van [deskundige 7] , psycholoog, [deskundige 8] , psychiater in opleiding, en [deskundige 9] , psychiater;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hierboven genoemde psychiatrische rapport van dr. Trompenaars houdt -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende in:

(p. 15)

Wanneer de ter beschikking gestelde informatie wordt bestudeerd, met name de informatie

zoals die in het proces-verbaal staat opgetekend, komt daaruit het beeld naar voren dat betrokkene een man is die twee kanten lijkt te hebben: enerzijds wordt hij beschreven als een man die rustig, vriendelijk, zuinig, precies, behulpzaam en zorgzaam is en die niet snel boos te krijgen is en bij wie géén sprake is van psychiatrische problemen, anderzijds als een man die mogelijk bekend is met agressieregulatie-problemen, problematisch gebruik van alcohol, klachten van terugkerende depressiviteit en achterdochtigheid, die herhaaldelijk suïcidaal gedrag heeft vertoond (in de vorm van het dreigen met het plegen van zelfmoord en het ondernemen van concrete pogingen daartoe), die zich mogelijk ook seksueel grensoverschrijdend heeft opgesteld en die tegenover meerdere getuigen verhalen over zijn gezondheid heeft verteld (namelijk dat hij (een) kwaadaardige ziekte(n) zou hebben) die kennelijk niet met de werkelijkheid overeenkomen, wat aanwijzingen zijn die erop wijzen dat er bij hem wèl sprake zou kunnen zijn van psychiatrische problemen. Bij het huidige psychiatrische onderzoek is door rapporteur eenzelfde beeld waargenomen: wanneer aan betrokkene de gelegenheid wordt geboden om zelf zijn verhaal te doen presenteert hij zich tijdens de gesprekken als een rustige man die géén psychische problemen heeft (betrokkene ontkent de aanwezigheid van agressieregulatie-problemen, van problematisch gebruik van alcohol en van de aanwezigheid van psychische problemen) en die ook geen problemen heeft gehad in zijn relatie met het slachtoffer; wanneer er bij betrokkene echter door rapporteur gericht op onderwerpen wordt doorgevraagd, aan betrokkene wordt gevraagd

of hij toestemming wil verlenen aan zijn huisarts om informatie over hem aan rapporteur te

verstrekken en aan betrokkene de informatie uit het dossier wordt voorgelegd, is waar te

nemen dat het moeilijk is om dan echte concrete informatie van betrokkene te krijgen, dat

betrokkene het geven van toestemming weigert, dat hij snel erg gespannen en geprikkeld raakt en dat hij dan ook snel erg achterdochtig wordt, op grond waarvan rapporteur de indruk krijgt dat er bij betrokkene juist wèl sprake zou kunnen zijn van psychiatrische problematiek. Op grond van het voorgaande kan rapporteur op basis van dit ambulante psychiatrisch onderzoek aantonen noch uitsluiten dat er bij betrokkene sprake zou kunnen zijn van psychiatrische problematiek.

Het hof legt deze overwegingen mede ten grondslag aan zijn beslissing.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige, onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op uitspraken van dit gerechtshof met betrekking tot doodslag, ter zake waarvan doorgaans een gevangenisstraf van 8 tot 12 jaren wordt opgelegd.

Gelet op hetgeen omtrent de persoon van de verdachte uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, in het bijzonder:

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich in het verleden eerder heeft schuldig gemaakt aan een gewelddadig delict tegen zijn levenspartner, te weten: poging tot doodslag op zijn toenmalige echtgenote, waarvoor hij in 1995 is veroordeeld;

  • -

    de omstandigheid dat er sterke aanwijzingen bestaan dat bij de verdachte sprake is van agressieregulatie-problematiek, problematisch alcoholgebruik en klachten van terugkerende depressiviteit en achterdochtigheid;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in zijn persoon en in zijn handelwijze ten aanzien van het bewezen verklaarde,

schat het hof de kans dat de verdachte zich binnen een nieuwe relatie met een vrouw opnieuw aan een feit als het onderhavige schuldig zal maken, als niet gering in. Het hof acht het noodzakelijk dat de maatschappij langdurig tegen dat risico zal worden beschermd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de datum waarop het hoger beroep is ingesteld, te weten: 2 november 2015, en de datum waarop het hof de onderhavige uitspraak doet, 12 december 2017, een periode van meer dan 2 jaren is verstreken. Weliswaar is in hoger beroep op verzoek van de verdediging nader onderzoek verricht, maar het hof is van oordeel dat niet het gehele tijdsverloop daardoor kan worden verklaard. Dat brengt met zich mee dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. In verband met het feit dat het om een zeer geringe overschrijding van de redelijke termijn gaat, kan in dit geval worden volstaan met de enkele constatering daarvan.

Alle hiervoor weergegeven omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof oplegging van de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, alleszins passend en geboden.

Beslag

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. Het hof zal daarvan de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de navolgende in beslag genomen, niet teruggeven goederen:

  • -

    een personenauto, merk [merknaam personenauto] , type [typenaam] , kleur [kleur] , kenteken [kleur] , goednr. 1074359;

  • -

    2.00 STK Sleutel;

  • -

    1 STK Slot, merk Dom Cilinder, kleur grijs, cilinderslot kleine slaapkamer balkondeur, goednr. 1096619.

Aldus gewezen door

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 12 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zie het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 27 maart 2014, p. 489.

2 Zie het proces-verbaal van bevindingen, nr. PL202M-2014015189-43, d.d. 24 januari 2014, p. 1089-1090 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 20TGO14003-2014015189.

3 Zie de rapportage criminaliteitsanalyse d.d. 20 oktober 2014 van Politie Midden en West Brabant / Zeeland-West-Brabant.

4 Zie voornoemde rapportage criminaliteitsanalyse, pagina 5 en verder.

5 Zie pagina’s 1246 tot en met 1293 van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Zie de foto op pagina 336 van het dossier met nummer PL206C-2014015189.

7 Zie het rapport van het NFI, d.d. 4 februari 2015, opgemaakt door dr. [deskundige 10] .

8 Zie de processen-verbaal van bevindingen, pagina’s 1577, 1583, 1584, 1586 en 1587 en 1595 tot en met 1600 van voornoemd eindproces-verbaal