Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5458

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
16/03787
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5420, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1195
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Schade niet aannemelijk gemaakt. Wel heeft het ontbreken van Nederlandstalige handleidingen en Nederlandse software een waardeverminderend effect op de handelswaarde van de auto. Beroep op Innameprotocol leasemaatschappij verworpen. Geen reden voor correctie op koerslijstwaarde in verband met aantal vorige eigenaren. Interne compensatie mogelijk. Dat koerslijstwaarde Eurotaxglass’s mede wordt bepaald door BTW-auto’s rechtvaardigt geen correctie op die waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/155
Viditax (FutD), 25-01-2018
FutD 2018-0314
Viditax (FutD), 13-07-2018
NTFR 2018/488 met annotatie van mr. H.A. Elbert
NLF 2018/0323 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03787

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 augustus 2016, nummer BRE 15/6606, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 31 december 2014 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een motorrijtuig van het merk [merk] , type [type] , met identificatienummer [nummer] (hierna: de auto). De op aangifte verschuldigde BPM ten bedrage van € 13.832 is voldaan.
Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] met dagtekening 17 april 2015 een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 831. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 83 en is € 9 aan belastingrente in rekening gebracht.

De naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur met dagtekening 29 september 2015 gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de boete, de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking vernietigd, de boetebeschikking vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.484 en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503.

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. De Inspecteur bij brief van 8 februari 2017 (getiteld “verweerschrift”) en belanghebbende bij brief van 10 februari 2017. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 22 februari 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door de heer [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] , [D] en [E] . De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan bij brief van 14 maart 2017 (belanghebbende) en 11 april 2017 (de Inspecteur).

1.7.

De nadere zitting heeft plaatsgehad op 25 oktober 2017 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren mr. [F] en [D] .
Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van twee bladzijden van een website met te koop staande auto’s van het merk [merk] .

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van beide zittingen is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de registratie in het Nederlandse kentekenregister van de auto, afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie, een bedrag van € 13.832 aan BPM op aangifte voldaan. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [B] (hierna: de taxateur), verbonden aan [G] (hierna: het taxatierapport). In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto (€ 67.398) bepaald aan de hand van de koerslijst Eurotaxglass’s (€ 71.484) waarop een schadebedrag (€ 4.086) in mindering is gebracht. De auto is door belanghebbende gekocht voor een bedrag van € 65.000 (exclusief BTW en BPM).

2.2.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd om de auto te laten hertaxeren door een medewerker van [H] te [plaats] . Belanghebbende heeft de auto niet voor hertaxatie aangeboden.

2.3.

Met dagtekening 17 april 2015 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 831. De herberekening van de verschuldigde BPM is gebaseerd op de door belanghebbende overgelegde koerslijst, die volgens de taxateur leidt tot een handelsinkoopwaarde van € 71.484. Het schadebedrag dat door belanghebbende is opgevoerd, is door de Inspecteur niet in aanmerking genomen.

2.4.

Bij de waardebepaling volgens de koerslijst Eurotaxglass’s heeft de taxateur een “Bijstelling aantal eigenaren” aangegeven van /1%, hetgeen een waardevermindering van € 579 betekent.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de handelsinkoopwaarde door de Inspecteur op een te hoog bedrag vastgesteld in verband met aanwezige schade?

II. Dient bij het vaststellen van de schade uitgegaan te worden van de regels die in het Innameprotocol van [K] Autolease zijn opgenomen?

III. Mag de Inspecteur in hoger beroep alsnog een correctie toepassen op de door de taxateur berekende koerslijstwaarde?

IV. Mag de koerslijstwaarde in dit geval worden gecorrigeerd met een bepaald percentage vanwege het feit dat er sprake is van een marge-auto?

Belanghebbende is van mening dat de eerste, tweede en vierde vraag bevestigend en de derde vraag ontkennend moeten worden beantwoord.
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

De door belanghebbende in de brief van 10 februari 2017 ingenomen stelling dat de naheffingsaanslag in ieder geval met € 8 gecorrigeerd moet worden, heeft zij ter zitting van 22 februari 2017 ingetrokken.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zittingen is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de naheffingsaanslag betreft, en vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Overwegingen vooraf

4.1.

De Inspecteur heeft verzuimd binnen de door het Hof gestelde termijn een verweerschrift in te dienen. Evenmin is een verweerschrift ingediend nadat het Hof de Inspecteur heeft gewezen op dit verzuim. Pas na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting heeft de Inspecteur een nader stuk ingediend, aangeduid als ‘verweerschrift’. Het Hof heeft geconstateerd dat dit verzuim niet berust op een incidentele fout, maar dat dit structureel plaatsvindt in zaken betreffende de heffing van BPM. Het Hof heeft in haar uitspraken in de zaken 16/00057, 16/03494, 16/03497 en 16/03498, dienaangaande het volgende overwogen:

“Het handelen van de Inspecteur is in strijd met het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb. Uiteindelijk heeft de Inspecteur weliswaar met toepassing van artikel 8:58 van de Awb een stuk ingediend met een inhoudelijk verweer tegen het gestelde in het hogerberoepschrift, maar door deze handelwijze ontneemt de Inspecteur de wederpartij de mogelijkheid van het indienen van een conclusie van repliek en noodzaakt de wederpartij tot het op het allerlaatste moment nog indienen van nadere stukken als reactie op het “verweerschrift”. Voornoemd gedrag van de Inspecteur en de vervolgeffecten daarvan verstoren voorts de voorbereiding van het Hof. Het aldus handelen door de Inspecteur belemmert een efficiënte procesgang. Met een dergelijk gedrag miskent de Inspecteur zijn positie als professionele procespartij, in het bijzonder nu hij optreedt namens de overheid.

Het Hof volstaat op dit moment met een laatste waarschuwing aan de Inspecteur. In toekomstige zaken waarin dit gebeurt zal het Hof aan het handelen van de Inspecteur consequenties verbinden, bijvoorbeeld door middel van het toekennen van een proceskostenvergoeding, ongeacht de uitkomst van het geschil.”

4.2.

Deze uitspraken zijn gedaan op 17 maart 2017. Dat is na de in de onderhavige zaak gestelde termijn voor het indienen van een verweerschrift zodat de Inspecteur daar nog geen rekening mee heeft kunnen houden. Het Hof zal daarom in deze zaak nog geen consequenties aan het handelen van de Inspecteur verbinden.

Ten aanzien van het geschil

4.3.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd om de auto te laten hertaxeren door een medewerker van [H] te [plaats] . Belanghebbende is op deze uitnodiging niet ingegaan. Aangezien de Inspecteur niet in de gelegenheid is geweest om de auto te laten hertaxeren, heeft de Inspecteur met een waardevermindering wegens schade geen rekening gehouden en heeft hij de verschuldigde BPM bepaald op basis van de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat (inclusief BTW en BPM) van € 71.484, zoals bepaald aan de hand van de door belanghebbende overgelegde Eurotaxglass’s koerslijst.

4.4.

Het feit dat de Inspecteur niet in de gelegenheid is gesteld om de auto te hertaxeren, betekent naar het oordeel van het Hof niet dat de Inspecteur enkel om die reden voorbij kan gaan aan de door belanghebbende gestelde waardevermindering in verband met schade. Nog steeds dient aan de hand van de door belanghebbende – op wie de bewijslast voor waardevermindering als gevolg van de schade rust – aangevoerde bewijsmiddelen, beoordeeld te worden of op de handelsinkoopwaarde van de auto, welke door haar aan de hand van Eurotaxglass’s koerslijst is bepaald op € 71.484, een bedrag aan schade in mindering kan worden gebracht. Door het niet voldoen aan de toonplicht heeft belanghebbende haar bewijspositie wel verzwakt. Voor zover op basis van de getoonde foto’s niet of onvoldoende kan worden vastgesteld of een bepaalde schade is te kenschetsen als normale slijtage of gebruikssporen die inherent zijn aan de leeftijd van de auto, dan wel of sprake is van daarvan afwijkende bijzondere vormen van schade, zal het voordeel van de twijfel aan de Inspecteur dienen te worden verleend, omdat deze immers de mogelijkheid is onthouden om ter zake een feitelijk oordeel te vellen.

4.5.

Blijkens het taxatierapport bestaat de schade volgens de taxateur onder andere uit steenslag op diverse plaatsen, diverse krassen, beschadiging van de velgen, vervuiling van het interieur en het ontbreken van Nederlandse boekjes en Nederlandse software.

4.6.

Voor wat betreft de onder 4.5 vermelde schade is naar het oordeel van het Hof aan de hand van de foto’s niet, dan wel onvoldoende, vast te stellen of sprake is van normale slijtage of gebruikssporen die inherent zijn aan de leeftijd van de auto en die reeds verdisconteerd zijn in de Eurotaxglass’s koerslijst, dan wel of sprake is van daarvan afwijkende bijzondere vormen van schade. Belanghebbende heeft de door haar gestelde schade dan ook niet aannemelijk gemaakt. Het Hof acht het aannemelijk dat het ontbreken van Nederlandstalige handleidingen en Nederlandse software een waardeverminderend effect heeft op de handelswaarde van deze auto. Het Hof stelt, overeenkomstig de schadecalculatie, het hiermee samenhangende schadebedrag vast op een bedrag van € 254 inclusief BTW.

4.7.

Het Hof verwerpt het beroep van belanghebbende op het Innameprotocol van [K] Autolease. De Inspecteur heeft gemotiveerd bestreden het standpunt van belanghebbende dat het beleid van de Belastingdienst is om dit protocol als leidraad te hanteren voor het bepalen van normale slijtage en gebruikssporen en andere schade. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst in het algemeen, dan wel de Inspecteur in het bijzonder, een dergelijk beleid voert. Het enkele feit dat in een individuele casus een inspecteur van een andere eenheid van de Belastingdienst in het kader van de afhandeling van een bezwaarschrift het protocol in ogenschouw heeft genomen, is onvoldoende voor de door belanghebbende getrokken conclusie. Daaruit volgt niet dat er sprake is van beleid.

4.8.

De Inspecteur heeft - met een beroep op interne compensatie - gesteld dat de taxateur ten onrechte een correctie in verband met het aantal vorige eigenaren heeft toegepast ter bepaling van de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van Eurotaxglass’s. Vaststaat dat deze koerslijst de mogelijkheid biedt voor een dergelijke correctie, indien er sprake is van twee of meer vorige eigenaren. Voor iedere vorige eigenaar hoger dan één, geeft de koerslijst een correctie van -/- 1%. In de onderhavige casus is er sprake van één vorige eigenaar. Op basis van de koerslijst bestaat er dan geen reden voor een correctie. Het Hof is dan ook van oordeel dat de taxateur deze correctie ten onrechte heeft toegepast.

4.9.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur geen beroep kan doen op interne compensatie, aangezien hij in de procedure bij de Rechtbank akkoord is gegaan met de door de taxateur berekende handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst. De Inspecteur heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard dat uitgegaan kan worden van een handelswaarde van € 71.484 en dat geen schadebedrag in mindering kan worden gebracht. De Inspecteur is daarbij kennelijk afgegaan op de juistheid van de door de taxateur verstrekte gegevens. In hoger beroep is komen vast te staan, dat de taxateur in afwijking van de koerslijst een correctie van -/-1% heeft toegepast gebaseerd op zijn eigen ervaring. Naar het oordeel van het Hof behoefde de Inspecteur geen twijfel te koesteren ten aanzien van de aanvankelijk berekende handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst. Van opgewekt vertrouwen is dan ook geen sprake.

4.10.

Ter zitting van 25 oktober 2017 heeft belanghebbende zich nader op het standpunt gesteld dat een correctie op de koerslijstwaarde gerechtvaardigd is, omdat sprake is van een marge-auto en de koerslijstwaarde Eurotaxglass’s mede wordt bepaald door BTW-auto’s. Belanghebbende heeft in dat kader verwezen naar het arrest Hoge Raad 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45, BNB 2017/67 (koerslijst XRAY), de uitspraak van het Hof van 17 maart 2017, nr. 16/03494, ECLI:NL:GHSHE:2017:1069 (koerslijst Autotelex) en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 10 januari 2017, nrs. 15/00182 en 15/00270, ECLI:NL:GHARL:2017:131 (koerslijst Autotelex).

4.11.

Het Hof stelt voorop dat belanghebbende diverse mogelijkheden heeft om de afschrijving van de auto te verdedigen. Belanghebbende kan kiezen voor een taxatie van de auto, een waardebepaling aan de hand van een koerslijst dan wel toepassing van de forfaitaire tabel als bedoeld in artikel 8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

4.12.

In de praktijk bestaan er diverse koerslijsten die in de branche worden aanvaard. Zowel de koerslijst XRAY als de koerslijst Eurotaxglass’s zijn algemeen aanvaarde koerslijsten, die ook door de Belastingdienst worden aanvaard. De verschillende koerslijsten hebben elk hun eigen waarderingssysteem, waarbij sommige waardebepalende factoren expliciet worden benoemd en andere niet. Dit laatste sluit niet uit dat die factoren wel in de koerslijsten zijn verwerkt. Gelet op de verschillende wijze van totstandkoming van de koerslijsten kan naar het oordeel van het Hof niet zomaar een element van de ene koerslijst worden gehanteerd als correctie op een andere koerslijst, aangezien onduidelijk is in hoeverre zo’n element reeds in de andere koerslijst is verwerkt. Indien een belastingplichtige wil afwijken van een door hem gehanteerde koerslijst, zal hij bewijs moeten leveren in hoeverre in het concrete geval de waarde van de auto afwijkt van de waarde die volgt uit de koerslijst. Dit zal veelal moeten plaatsvinden aan de hand van een taxatie van de auto.

Belanghebbende heeft derhalve de keus om een koerslijst te gebruiken waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen BTW-auto’s en marge-auto’s. Ook thans had belanghebbende nog een dergelijke keuze kunnen maken, doch heeft dit niet gedaan.

4.13.

Belanghebbende heeft ook nog gewezen op het beleid van de Belastingdienst om ter zake van de koerslijst Autotelex wel een correctie toe te staan. De Inspecteur heeft ter zitting toegelicht dat de directeur van Autotelex de Belastingdienst ervan heeft kunnen overtuigen, dat in de desbetreffende koerslijst uitsluitend BTW-auto’s zijn begrepen omdat de koerslijst gevoed wordt door BTW belaste transacties, aangeleverd via leasemaatschappijen. Om die reden is een praktische afspraak gemaakt om een correctie van 5 percent op de koerslijstwaarde van Autotelex toe te passen. Het Hof acht de door de Inspecteur gegeven toelichting geloofwaardig. De koerslijst van Autotelex is derhalve niet vergelijkbaar met de koerslijst Eurotaxglass’s, waarvan vaststaat dat deze is samengesteld uit zowel BTW-auto’s als marge-auto’s.

4.14.

Het vorenstaande betekent dat de handelsinkoopwaarde dient te worden vastgesteld op € 71.484 -/- € 254 + € 579 = € 71.809. De naheffingsaanslag is derhalve eerder op een te laag bedrag vastgesteld.

Slotsom

4.15.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.16.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.17.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 7 december 2017 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.