Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5393

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
200.201.434_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bijdrage jongmeerderjarige;

man is onderhoudsplichtig jegens jongmeerderjarige ongeacht behoeftigheid jongmeerderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/61
PFR-Updates.nl 2017-0343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.201.434/01

zaaknummer rechtbank : C/01/308266 / FA RK 16-2554

beschikking van de meervoudige kamer van 7 december 2017

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.T. Dijkstra te Vlaardingen,

tegen

[de jongmeerderjarige] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de jongmeerderjarige.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juli 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vader is op 12 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 20 juli 2016.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht per fax van de zijde van man van 17 juli 2017 met bijlagen, ingekomen op 17 juli 2017.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 20 juli 2017 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

De jongmeerderjarige is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van de man met mevrouw [de vrouw] (hierna: de vrouw) is ontbonden door echtscheiding.

3.3.

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- de jongmeerderjarige, geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

- [de thans jongmeerderjarige 2] (hierna: [de thans jongmeerderjarige 2] ), geboren op [de geboortedatum van de thans jongmeerderjarige 2] 1999 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , (hierna ook: de kinderen).

3.4.

Er is na de echtscheiding van de man en de vrouw nimmer een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) vastgesteld.

3.5.

De jongmeerderjarige heeft in eerste aanleg om een door de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie (hierna ook: kinderalimentatie) verzocht.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige te betalen kinderalimentatie met ingang van 20 mei 2016 op een bedrag van € 285,67 per maand bepaald.

4.2.

De grieven van de man zien op de ingangsdatum van de kinderalimentatie, de behoefte van de jongmeerderjarige, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw.

4.3.

De man verzoekt in het beroepschrift, verkort weergegeven, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

I. het verzoek van de man tot wijziging van de door hem te betalen kinderalimentatie van € 285,67 per maand naar maximaal € 174,- per maand, toe te wijzen;

II. de door de man te betalen kinderalimentatie toe te wijzen met ingang van de datum waarop de bestreden beschikking aan hem is betekend, te weten 28 juli 2016;

III. althans een zodanige kinderalimentatie vast te stellen en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

4.4.

De jongmeerderjarige heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid, gesteld geen verweer gevoerd tegen voormeld verzoek van de man.

4.5.

Ter zitting in hoger beroep heeft het hof de man – gelet op de door hem ter zitting aangevoerde gewijzigde omstandigheden – in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek in hoger beroep te wijzigen op grond van artikel 283 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) juncto artikel 130 Rv. Voornoemde artikelen zijn geschreven voor de procedure in eerste aanleg en in artikel 362 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard voor de procedure in hoger beroep.

4.6.

De man heeft daarop een gewijzigd beroepschrift ingediend, dat is ingekomen ter griffie van het hof op 22 augustus 2017. De man verzoekt hierin, verkort weergegeven, de bestreden beschikking te vernietigen en de door de jongmeerderjarige verzochte kinderalimentatie (naar het hof begrijpt:) alsnog af te wijzen.

4.7.

Het hof heeft de jongmeerderjarige bij brief van 25 augustus 2017 in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren tegen het gewijzigde verzoek in hoger beroep van de man. De jongmeerderjarige heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

4.8.

Het hof heeft bij voornoemde brief de jongmeerderjarige bericht dat het hof voornemens is de zaak schriftelijk af te doen, ook indien de jongmeerderjarige geen verweer voert. Er heeft daarom geen nadere mondelinge behandeling meer plaatsgevonden.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

5.1.

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, zijnde 20 mei 2016, is in hoger beroep in geschil.

5.2.

De man voert aan dat de bestreden beschikking op 28 juli 2016 aan hem is betekend. De man is van mening dat hij pas vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een maandelijks door hem te betalen bijdrage voor de jongmeerderjarige.

5.3.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

5.3.1.

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

5.3.2.

Het hof hanteert als ingangsdatum van de kinderalimentatie 20 mei 2016, nu het verzoekschrift tot vaststelling van kinderalimentatie van de jongmeerderjarige op die datum bij de rechtbank is ingekomen. Het hof is van oordeel dat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventueel door hem te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarige. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man in zijn beroepschrift aangeeft dat hij indertijd kennis heeft genomen van het door de jongmeerderjarige ingediende verzoekschrift. Voor zover grief 1 van de man is gericht tegen de ingangsdatum van de kinderalimentatie, faalt deze.

Behoefte jongmeerderjarige

5.4.

De (aanvullende) behoefte van de jongmeerderjarige aan de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 285,67 per maand is in hoger beroep in geschil.

5.5.

De man stelt in het gewijzigd beroepschrift dat de jongmeerderjarige in het eigen levensonderhoud kan voorzien, zodat hij geen behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie. De man voert daartoe aan dat de jongmeerderjarige studeert op kosten van zijn werkgever en salaris ontvangt.

5.6.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:392 lid 2 BW in verbinding met artikel 1:395a BW de behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol speelt bij het vaststellen van de onderhoudsplicht van de ouders. Ouders zijn immers onderhoudsplichtig jegens hun kinderen die jonger zijn dan 21 jaar, ook als die kinderen niet behoeftig zijn doordat zij in hun eigen levensonderhoud zouden kunnen voorzien (vgl. Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2234). Het hof is van oordeel dat daarmee de behoeftigheid van de jongmeerderjarige is gegeven. Het hof is verder van oordeel dat de man de door de jongmeerderjarige in het verzoekschrift in eerste aanleg becijferde en met stukken onderbouwde (aanvullende) behoefte van € 285,67 per maand onvoldoende heeft weersproken. Het hof overweegt daartoe dat de man zijn stelling dat de jongmeerderjarige studeert op kosten van zijn werkgever en salaris ontvangt op geen enkele wijze met verificatoire bescheiden heeft onderbouwd, zodat het hof deze stelling zal passeren. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de (aanvullende) behoefte van de jongmeerderjarige zal bepalen op een bedrag van € 285,67 per maand, thans geïndexeerd € 291,67 per maand. Voor zover grief 1 van de man is gericht tegen de behoeftigheid van de jongmeerderjarige, faalt deze.

Draagkracht

5.7.

De draagkracht van de man en de vrouw is in hoger beroep in geschil.

5.8.

Bij het bepalen van het eigen aandeel van de man en de vrouw in de kosten van de jongmeerderjarige dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de jongmeerderjarige staat in de beoordeling te worden betrokken.

5.9.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man en de vrouw het netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

Draagkracht man

5.10.

Het fiscaal jaarinkomen van de man in 2016 bedroeg volgens de jaaropgave 2016 € 29.134,-. Voormeld inkomen dient gecorrigeerd te worden met de fiscale bijtelling in verband met de leaseauto, nu de man deze ook privé gebruikt. De fiscale bijtelling bedraagt € 76,84 per week, waarbij een correctie dient plaats te vinden in verband met de door de man betaalde eigen bijdrage van € 16,25 per week . Het (gecorrigeerde) fiscaal jaarinkomen van de man bedraagt in 2016 derhalve afgerond € 25.983,-.

Nu het inkomen van de man in 2017 ten opzichte van 2016 niet wezenlijk verschilt, zal het hof bij de becijfering van de draagkracht van de man zowel in 2016 als in 2017 met voornoemd jaarinkomen rekening houden.

5.11.

De man is alleenstaand. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het hof stelt het netto besteedbaar inkomen van de man vast op een bedrag van € 1.773,- per maand.

5.12.

De draagkracht van de man dient vervolgens te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)], nu het netto besteedbaar inkomen van de man hoger is dan € 1.550,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 890,- aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

Het hof stelt de draagkracht van de man krachtens voornoemde formule vast op een bedrag van € 245,77 per maand.

Verdeling van de draagkracht

5.13.

De door het hof becijferde draagkracht van de man van € 245,77 per maand dient over alle kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is te worden verdeeld. Gelet op de wijzigingen die in de onderhoudsplicht van de man jegens de kinderen hebben plaatsgevonden, dient een onderscheid te worden gemaakt in de navolgende perioden:

  • -

    de periode van 20 mei 2016 tot 1 maart 2017;

  • -

    de periode 1 maart 2017 tot [de geboortedatum van de thans jongmeerderjarige 2] 2017;

  • -

    de periode met ingang van [de geboortedatum van de thans jongmeerderjarige 2] 2017.

*de periode van 20 mei 2016 tot 1 maart 2017

5.14.

Vast staat dat de man in deze periode geen kinderalimentatie heeft betaald voor [de thans jongmeerderjarige 2] en [minderjarige] . Dit brengt met zich dat de volledige draagkracht van de man van € 245,77 per maand kan worden aangewend voor zijn onderhoudsplicht ten behoeve van de jongmeerderjarige. Nu de jongmeerderjarige ook behoefte heeft aan deze bijdrage zal het hof de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarige in deze periode vaststellen op een bedrag van € 245,77 per maand. Grief 1 van de man, voor zover die grief op de draagkracht van de man in deze periode ziet, faalt derhalve.

*de periode van 1 maart 2017 tot [de geboortedatum van de thans jongmeerderjarige 2] 2017

5.15.

Uit het door de man overgelegde besluit van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: de gemeente) d.d. 24 februari 2017 volgt dat de gemeente aan de man een verhaalsbijdrage ten behoeve van [de thans jongmeerderjarige 2] en [minderjarige] heeft opgelegd van € 138,- per kind per maand, derhalve € 276,- per maand in totaal. Nu deze verhaalsbijdrage vast staat strekt deze verhaalsbijdrage in mindering op de draagkracht van de man ten behoeve van de jongmeerderjarige. Het vorenstaande brengt met zich dat er in deze periode geen draagkracht resteert voor een door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de jongmeerderjarige. Het hof zal dan ook het inleidend verzoek van de jongmeerderjarige, voor wat betreft deze periode, afwijzen. Grief 1 van de man, voor zover die grief op de draagkracht van de man in deze periode ziet, slaagt derhalve.

*de periode met ingang van [de geboortedatum van de thans jongmeerderjarige 2] 2017

5.16.

Uit voornoemd besluit van de gemeente volgt dat de verhaalsbijdrage voor [de thans jongmeerderjarige 2] per [de geboortedatum van de thans jongmeerderjarige 2] 2017 is komen te vervallen omdat [de thans jongmeerderjarige 2] op die datum 18 jaar is geworden. De verhaalsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 138,- per maand is ongewijzigd verbleven. Nu de man ingevolge artikel 1:392 lid 2 BW in verbinding met artikel 1:395a onderhoudsplichtig blijft voor [de thans jongmeerderjarige 2] totdat [de thans jongmeerderjarige 2] 21 jaar wordt, zal het hof de resterende draagkracht van de man van € 245,77 - € 138,- = € 107,77 per maand gelijkelijk over [de thans jongmeerderjarige 2] en de jongmeerderjarige verdelen.

Het hof zal de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarige in deze periode vaststellen op een bedrag van € 53,89 per maand. Grief 1 van de man, voor zover die grief op de draagkracht van de man in deze periode ziet, faalt derhalve.

Draagkracht vrouw

5.17.

De vrouw heeft de volgende inkomsten:

- een WIA-uitkering van € 4.858,- op jaarbasis blijkens de jaaropgaaf 2015;

- een ZW-uitkering van € 1.059,- op jaarbasis blijkens de jaaropgaaf 2015;

- een aanvullende bijstandsuitkering van de gemeente 's-Hertogenbosch van € 7.355,- op jaarbasis blijkens de jaaropgaaf 2015.

5.18.

Het hof stelt vast dat – in alle perioden – het netto besteedbaar inkomen van de vrouw lager is dan € 1.300,- per maand. Het hof heeft daarbij reeds rekening met de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget waarop de vrouw voor de nog minderjarige kinderen aanspraak kan maken. Het hof zal daarom conform de draagkrachttabel uitgaan van een minimumdraagkracht van de vrouw van € 50,- per maand, welke draagkracht over de drie kinderen van de man en de vrouw dient te worden verdeeld. Grief 2 van de man slaagt gedeeltelijk.

Draagkrachtvergelijking

5.19.

De behoefte van de jongmeerderjarige bedraagt in 2016 € 285,67 per maand en in 2017 € 291,67 per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bezien, beschikken zij over onvoldoende draagkracht om in de volledige (aanvullende) behoefte van de jongmeerderjarige te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Zorgkorting

5.20.

Het hof zal aan de zijde van de man geen rekening houden met zorgkorting, nu vast staat dat er tussen de man en de jongmeerderjarige sedert de echtscheiding geen contact meer bestaat en ook niet te verwachten is dat hierin op korte termijn verandering komt.

Conclusie

5.21.

Het hof zal de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 20 mei 2016 vaststellen als in het dictum hierna vermeld.

Terugbetalingsverplichting

5.22.

Nu het hof in alle perioden tot een lagere kinderalimentatie komt dan de rechtbank heeft bepaald, ontstaat er voor de jongmeerderjarige een terugbetalingsverplichting, voor zover door de man daadwerkelijk de door de rechtbank opgelegde kinderalimentatie is voldaan. Het hof acht het echter aannemelijk dat de eventueel door de jongmeerderjarige ontvangen kinderalimentatie is aangewend voor het doel waarvoor deze is verstrekt, te weten levensonderhoud en studie. Het hof zal daarom aan de jongmeerderjarige geen terugbetalingsverplichting opleggen.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen.

Het hof heeft berekeningen van het netto besteedbaar inkomen van de man en van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juli 2016, behoudens voor wat betreft het bepaalde ten aanzien van de proceskosten,

en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de jongmeerderjarige met ingang van 20 mei 2016 tot 1 maart 2017 als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie een bedrag van € 245,77 per maand zal betalen;

wijst alsnog af het dit geding inleidende verzoek van de jongmeerderjarige over de periode 1 maart 2017 tot [de geboortedatum van de thans jongmeerderjarige 2] 2017;

bepaalt dat de man aan de jongmeerderjarige met ingang van [de geboortedatum van de thans jongmeerderjarige 2] 2017 als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie een bedrag van € 53,89 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat hetgeen de man ingevolge de bestreden beschikking teveel heeft betaald niet door de jongmeerderjarige behoeft te worden terugbetaald of door de man kan worden verrekend;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en H.J. Witkamp, bijgestaan door mr. E. Hulzink-Mimpen als griffier, en is op 7 december 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.