Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5392

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
200.205.209_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer: 200.205.209/01

zaaknummer rechtbank: C/03/211363 / FA RK 15-3197

beschikking van de meervoudige kamer van 7 december 2017 inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. Schoonbrood,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. I. Wudka.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 september 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 12 december 2016 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De man heeft op 23 januari 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 23 februari 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 17 oktober 2017 met bijlagen, ingekomen op 18 oktober 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 20 oktober 2017 met bijlagen, ingekomen op 24 oktober 2017.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 2 november 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 13 november 1980 te Geleen, thans gemeente Sittard-Geleen.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 7 februari 2017 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

In geschil is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de datum van de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand (naar later is gebleken: 7 februari 2017) bepaald op € 1.079,- per maand.

4.3.

De grieven van de vrouw zien op de draagkracht van de man.

De vrouw heeft haar verzoek vermeerderd en verzoekt - met vernietiging in zoverre van de bestreden beschikking - te bepalen dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wordt gesteld op € 2.750,- bruto per maand met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijk stand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

De man voert verweer en verzoekt het hoger beroep van de vrouw als ongegrond af te wijzen.

4.4.

De grief van de man ziet op zijn draagkracht. Hij verzoekt bij de bepaling van zijn draagkracht rekening te houden met een aflossing op een schuld van € 301,- per maand.

De vrouw voert verweer en verzoekt het incidenteel hoger beroep van de man als ongegrond af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 2.446,- netto per maand bedraagt en dat de vrouw een aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ten bedrage van € 1.595,- netto per maand, hetgeen overeenkomt met een bedrag van € 2.750,- bruto per maand.

5.2.

De vrouw stelt dat de man voldoende draagkracht heeft om de door haar verzochte partneralimentatie van € 2.750,- per maand te voldoen. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2013 tot en met 2015 en heeft dusdoende ten onrechte een bruto jaarinkomen van de man van € 39.172,- becijferd, hetgeen resulteert in een netto besteedbaar inkomen van € 32.127,- per jaar. De man heeft in het jaar 2015 bewust omzet laten liggen. Daarnaast hebben de man en zijn accountant met cijfers gemanipuleerd om op die manier onder de alimentatieverplichting uit te komen zoals die is vastgelegd in de tussen partijen gesloten overeenkomst van 12 december 2013. Uit de door de belastingdienst opgelegde naheffingsaanslagen over de jaren 2013 en 2014 blijkt dat de man feitelijk meer heeft verdiend dan hij aan de fiscus heeft opgegeven.

De man heeft voorts ter zitting van de rechtbank verzwegen dat hij naast zijn verdiensten uit de twee B.V’s en zijn eenmanszaak met ingang van 1 juni 2016 een inkomen genoot uit zijn dienstbetrekking als hoofd [dienstbetrekking] .

Ook over zijn inkomen in het jaar 2017 heeft de man onvoldoende gegevens overgelegd. Hij heeft naast zijn dienstbetrekking nog cursussen gegeven en inkomsten gegenereerd uit zijn eenmanszaak. De man heeft tevens geen stukken ingebracht met betrekking tot de opzegging van zijn arbeidscontract bij [het uitzendbureau] en de doorbetaling van zijn loon. Nu de man onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn inkomen, moet hij in staat worden geacht volledig in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien.

De overige grieven van de vrouw zien op de lasten van de man die de rechtbank in aanmerking heeft genomen.

5.3.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De rechtbank is op goede gronden uitgegaan van een gemiddeld bruto inkomen van de man over de jaren 2013 tot en met 2015 van € 39.172,- per jaar. De opgelegde naheffingsaanslagen houden geen verband met het feitelijk genoten inkomen van de man, maar liggen in de boetesfeer. De belastingdienst verwijt de man dat hij loon aan de BV’s heeft onttrokken. Tegen beide aanslagen heeft de man overigens bezwaar aangetekend.

De man betwist dat hij tegenover de rechtbank heeft verzwegen dat hij met ingang van 1 juni 2016 een betaalde baan had gevonden. Hij is pas per 13 juni 2016, dat is na de mondelinge behandeling bij de rechtbank, als hoofd [dienstbetrekking] in dienst getreden.

De man is op 6 april 2017 op non-actief gesteld als hoofd [dienstbetrekking] . Zijn contract met uitzendbureau [het uitzendbureau] loopt door tot 1 december 2017. Met ingang van 7 april 2017 krijgt de man 90% van zijn loon doorbetaald. Gedurende korte periodes is hij op andere werkplekken gedetacheerd geweest. Zijn inkomsten uit die tijdelijke banen zijn gekort op zijn loon.

Toen de man nog werkte als hoofd [dienstbetrekking] , had hij ook inkomen uit zijn eenmanszaak. HIj verdiende mondjesmaat bij met het geven van cursussen.

De man heeft geen stukken ingediend met betrekking tot zijn inkomen in het jaar 2017, omdat hij zich kon vinden in de uitgangspunten van de rechtbank betreffende de jaren 2013 tot en met 2015. Hij verzoekt die stukken over 2017 alsnog over te mogen leggen.

5.4.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de ingangsdatum van de eventueel door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie 7 februari 2017 is.

Uit de stukken en de mondelinge behandeling bij het hof blijkt dat de man met ingang van

13 juni 2016 tot 7 april 2017 via uitzendonderneming [uitzendonderneming] feitelijk werkzaam is geweest als hoofd [dienstbetrekking] . Hij is door de gemeente Maastricht met ingang van 7 april 2017 op non-actief gesteld in deze functie. De man heeft in hoger beroep wel de arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau overgelegd, maar hij heeft verzuimd om, voor zover het de periode van zijn functie als hoofd [dienstbetrekking] betreft, de jaaropgave over het jaar 2016 en salarisspecificaties over het jaar 2017 in de procedure te brengen, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van zijn inkomen en draagkracht door de vrouw, wel op zijn weg had gelegen.

De man heeft voorts geen stukken overgelegd met betrekking tot de door hem gestelde opzegging van zijn arbeidsovereenkomst met [het uitzendbureau] per 1 december 2017. Evenmin heeft hij stukken in het geding gebracht betreffende de door hem gestelde doorbetaling van 90% van zijn loon gedurende zijn op non-actiefstelling als hoofd [dienstbetrekking] .

Verder heeft de man, hoewel hij ter zitting heeft erkend dat hij naast het inkomen uit zijn dienstbetrekking als hoofd [dienstbetrekking] nog bijverdiende in zijn eenmanszaak [eenmanszaak] met het geven van cursussen, nagelaten om recente stukken aan het hof over te leggen die inzicht geven in de financiële positie van die eenmanszaak met ingang van 7 februari 2017, hetgeen gelet op de door de vrouw opgeworpen grieven daaromtrent wel op zijn weg had gelegen.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat de man, wat er ook verder zij van de financiële gegevens van de man en de waardering daarvan over de jaren 2013 – 2015, het hof onvoldoende in staat heeft gesteld zich een oordeel te vormen over zijn inkomen en daarmee over zijn draagkracht met ingang van 7 februari 2017, hetgeen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van zijn stellingen daaromtrent door de vrouw, wel op zijn weg had gelegen. Dat de man dit heeft nagelaten dient geheel voor zijn rekening en risico te komen en leidt ertoe dat de man in staat wordt geacht volledig in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien.

Aan het door de man ter zitting gedane verzoek om alsnog de hiervoor genoemde stukken aan het hof te mogen doen toekomen, tegen welk verzoek de vrouw bezwaar heeft gemaakt, gaat het hof voorbij, nu de man hiervoor ruimschoots, uiterlijk tot aan de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling op 2 november 2017, de gelegenheid heeft gehad.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van de grieven van partijen met betrekking tot de lasten van de man.

5.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

13 september 2016 voor wat betreft de aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 7 februari 2017 dient te voldoen een bedrag van € 2.750,- per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma - Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en P.M.M. Mostermans en is op 7 december 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.