Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5380

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
16/03866
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6146, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Rechtbank heeft het beroep tegen de dwangsombeschikking terecht niet ontvankelijk verklaard omdat het vroegtijdig is ingesteld. Wel ziet het Hof in de gang van zaken reden om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht en de proceskosten vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2974
V-N 2018/9.16.6
Viditax (FutD), 14-12-2017
FutD 2017-3177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03866

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 september 2016, nummer BRE 16/551, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012, met dagtekening 24 juli 2015, opgelegde aanslag inkomstenbelasting (hierna: de aanslag), aanslagnummer [aanslagnummer] .H.26.01.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 15 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] , fiscaal-juridisch adviseur te [plaats 2] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en de heer [C] .
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 29 november 2017, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 170 vergoedt; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op, in totaal, € 1.113,75.

Gronden

1. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt door middel van het indienen van een formulier “Bezwaar particulieren”, gedateerd 19 augustus 2015. Zij heeft daarbij om een kostenvergoeding gevraagd. Bij uitspraak op bezwaar van 23 september 2015 is de Inspecteur inhoudelijk aan het bezwaar tegemoetgekomen; op de gevraagde kostenvergoeding is bij deze uitspraak niet beslist.

2. Bij formulier “Dwangsom Bij niet tijdig beslissen” van 27 oktober 2015 (hierna: het formulier), door de Inspecteur ontvangen op 30 oktober 2015, heeft belanghebbende een dwangsom geëist, met de volgende motivering:

“Aan het bezwaar is inmiddels tijdig tegemoet gekomen, door vernietiging van de aanslag. Op de aanvraag voor een kostenvergoeding ad € 243 is tot op heden niet beslist.”

3. De Inspecteur heeft bij brief van 24 november 2015 (hierna: de dwangsombeschikking) op het verzoek om een dwangsom gereageerd. Kort gezegd geeft de Inspecteur aan dat bij de uitspraak op bezwaar volledig is tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende, maar dat daarbij niet tevens is beslist op het verzoek om een kostenvergoeding. Belanghebbende kan tegen de uitspraak op bezwaar beroep indienen, waarbij zij zo nodig kan aangeven, dat het beroep beperkt is tot de beslissing omtrent de kostenvergoeding, zo vermeldt de Inspecteur in de dwangsombeschikking. Het verzoek om kostenvergoeding is volgens de Inspecteur geen afzonderlijke aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), doch een onderdeel van het bezwaar, zodat op dat verzoek de dwangsomregeling niet van toepassing is. Nu de (inhoudelijke) uitspraak op bezwaar is genomen vóór de indiening van de ingebrekestelling, komt belanghebbende niet in aanmerking voor een dwangsom, aldus de Inspecteur.

4. Bij brief van eveneens 24 november 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende aangekondigd, dat zij in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding van € 244. Belanghebbende stelt deze brief pas op 15 januari 2016 te hebben ontvangen.

5. Bij brief van 14 december 2015 gericht aan de Inspecteur, heeft belanghebbende gesteld dat het verzoek om kostenvergoeding - anders dan de Inspecteur in de dwangsombeschikking stelt - dient te worden beschouwd als een afzonderlijke aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Bij de uitspraak op bezwaar is uitsluitend inhoudelijk op het bezwaar beslist; op het onderdeel kostenvergoeding is nog (steeds) niet door de Inspecteur beslist, aldus belanghebbende. De Inspecteur heeft de brief van 14 december 2015 aangemerkt als bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking.

6. Bij besluit van 6 januari 2016 heeft de Inspecteur beslist dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de kosten van het bezwaar van € 244. Onderaan dit besluit is het volgende vermeld:

“Deze beslissing maakt onderdeel uit van de uitspraak op uw bezwaarschrift die u inmiddels heeft ontvangen of binnenkort zult ontvangen.”

Daarna volgt een rechtsmiddelverwijzing, waarin als volgt is vermeld:

“Indien u het met deze beslissing niet eens bent, kunt u binnen zes weken na dagtekening van de beslissing op het bezwaarschrift een beroepschrift indienen bij de rechtbank welke op de uitspraak op het bezwaarschrift is vermeld. De dagtekening van de beslissing op het bezwaarschrift is bepalend voor de beroepstermijn als genoemd in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.”

7. Bij brief van 23 januari 2016 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank, met het doel dat aan haar alsnog “de verschuldigde dwangsom” wordt toegekend.

8. Met dagtekening 9 maart 2016 heeft de Inspecteur een verweerschrift ingediend, waarin hij stelt dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar inzake de dwangsom had moeten afwachten, alvorens beroep in te stellen. De Inspecteur meent dat het beroep op grond van artikel 6:6, eerste volzin en onder a, van de Awb, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het vroegtijdig is ingesteld.
Voor het geval het beroep van belanghebbende wel ontvankelijk is, verwijst de Inspecteur naar het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2014, ECLI:NL:HR:3191, waaruit de Inspecteur concludeert dat het bestuursorgaan op grond van artikel 7:15, lid 3, van de Awb, bij uitspraak op bezwaar beslist op het verzoek om kostenvergoeding; een eventuele latere beslissing op het verzoek om kostenvergoeding completeert slechts de eerdere beslissing op het bezwaar. De beslissing op het verzoek om kostenvergoeding is slechts een deelbeslissing en geen zelfstandige beslissing op een aanvraag. Het verzoek om een kostenvergoeding is dus een onderdeel van het bezwaar en geen afzonderlijke aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De dwangsomregeling is daarom op het verzoek niet van toepassing. Voor zover belanghebbende in beroep komt tegen de dwangsombeschikking, is dit beroep volgens de Inspecteur niet ontvankelijk, omdat (nu niet beslist is op bezwaar tegen de dwangsombeschikking) niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 7:1 van de Awb, aldus de Inspecteur.
Subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt, dat belanghebbende ook niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, als genoemd in artikel 6:12, lid 2 van de Awb.

9. Op 9 mei 2016 heeft de Inspecteur afwijzend beslist op het (in de brief van 14 december 2015 gelezen) bezwaar van belanghebbende tegen de dwangsombeschikking.

10. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift tegen de dwangsombeschikking voortijdig (vóórdat de uitspraak op bezwaar is gedaan) is ingediend. Nu belanghebbende in beroep niet uitdrukkelijk heeft aangegeven op te komen tegen de (inmiddels gedane) uitspraak op bezwaar van 9 mei 2016, is het gebrek dat voortijdig beroep is ingesteld, naar het oordeel van de Rechtbank, ook niet hersteld.

11. In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat zij beroep heeft ingesteld, omdat de Inspecteur niet tijdig heeft gereageerd op haar ingebrekestelling van 27 oktober 2015.

Overigens betwist belanghebbende dat haar brief van 14 december 2015 een bezwaar zou zijn tegen de dwangsombeschikking.

12. De Inspecteur stelt in zijn verweerschrift in hoger beroep dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de Inspecteur is de dwangsombeschikking tijdig afgegeven en was de brief van 14 december 2015 van belanghebbende wel aan te merken als bezwaar tegen de dwangsombeschikking. De Inspecteur acht het tegen de dwangsombeschikking ingediende beroep, evenals de Rechtbank, voortijdig ingediend en niet gericht op de uitspraak op bezwaar van 9 mei 2016.

13. Het Hof overweegt ter zake als volgt. Op grond van artikel 7:15, lid 3, Awb, beslist het bestuursorgaan op een verzoek tot vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar, welk verzoek gedaan dient te worden voordat op het bezwaar is beslist, bij de uitspraak op bezwaar. Vast staat dat de Inspecteur dat in dit geval heeft nagelaten. Indien de Inspecteur in een zodanig geval later alsnog, afzonderlijk, beslist op het verzoek om vergoeding van kosten - zoals in dit geval is geschied bij de brief van de Inspecteur van 6 januari 2016 - dient dat besluit op één lijn te worden gesteld met een (afzonderlijk) besluit op bezwaar, waartegen afzonderlijk beroep bij de Rechtbank kan worden ingesteld.

14. Belanghebbende is bij het formulier van 27 oktober 2015 afzonderlijk opgekomen tegen het niet nemen van een besluit over de kostenvergoeding (hetgeen had dienen te geschieden bij de uitspraak op bezwaar van 23 september 2015). Naar het oordeel van het Hof had de Inspecteur dit formulier, gelet op de toelichting daarop door belanghebbende, kunnen doorsturen naar de Rechtbank met het verzoek om dit formulier, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb, als beroepschrift in behandeling te nemen. Ook belanghebbende zelf had in een aan de Rechtbank gericht beroepschrift kunnen opkomen tegen het niet nemen van het besluit over de kostenvergoeding door de Inspecteur.

15. Het voorgaande is echter niet gebeurd; met het formulier van 27 oktober 2015 heeft de dwangsomprocedure een aanvang genomen. In dat kader heeft de Inspecteur op
24 november 2015, naar het oordeel van het Hof tijdig, want vóór 8 januari 2016, zijnde tien weken na ontvangst van het formulier op 30 oktober 2015, de dwangsombeschikking afgegeven.

16. De brief van 14 december 2015 van belanghebbende richtte zich vervolgens tegen het nog steeds uitblijven van een besluit op het verzoek om de kostenvergoeding. Dat besluit is op 6 januari 2016 genomen. Het bij schrijven van 23 januari 2016 ingediende beroep kon logischerwijs echter geen betrekking meer hebben op het uitblijven van een besluit op het verzoek om de kostenvergoeding: dat besluit was immers op 6 januari 2016 reeds genomen.

17. In beroep heeft belanghebbende bepleit dat aan haar alsnog de verschuldigde dwangsom dient te worden toegekend. Zowel de Inspecteur als de Rechtbank hebben de brief van belanghebbende van 14 december 2015, naar het oordeel van het Hof terecht, aangemerkt als bezwaar tegen de dwangsombeschikking: de brief bevat immers alle essentialia om als bezwaar gekwalificeerd te worden. Indien deze brief - zoals belanghebbende bepleit - niet als een zodanig bezwaar wordt aangemerkt, heeft belanghebbende beroep ingesteld zonder daaraan voorafgaand bezwaar. Het beroep zou op die grond niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

18. Nu belanghebbende stelt dat haar beroep betrekking heeft op de dwangsom, heeft de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof, terecht geoordeeld dat het beroepschrift tegen de dwangsombeschikking voortijdig (vóór het doen van uitspraak op bezwaar) is ingediend.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:10, lid 1, van de Awb, blijft niet ontvankelijkheidverklaring alsdan achterwege, indien het besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen, dan wel nog niet tot stand was gekomen, doch de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan. De beslissing van de Rechtbank is juist. Het hoger beroep is daarom ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht en de proceskosten

19. Hoewel het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof in de gang van zaken, waarbij de Inspecteur ten onrechte niet bij de uitspraak op bezwaar doch geruime tijd daarna heeft beslist op het verzoek tot vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar, reden om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 en € 124 vergoedt en de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

20. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak), is € 618,75 voor de procedure bij de Rechtbank en op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak), is € 495 voor de procedure bij het Hof.

21. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

Slot

Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 4 december 2017.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.