Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:537

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
200 199 018_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6463
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht.

WWZ.

Uitleg arbeidsovereenkomst (Haviltex). Nietig proeftijdbeding. Welke juridische grondslag mogelijk voor verzoek tot vergoeding wegens opzegging arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding? Vergoeding toewijsbaar op grond van artikel 7:677 lid 4 BW. Vervaltermijn artikel 7:686a lid 4 sub a BW niet van toepassing. Matiging vergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677, geldigheid: 2016-01-01
Burgerlijk Wetboek Boek 7 686a, geldigheid: 2016-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0191
JAR 2017/73 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
AR 2017/853
JAR 2017/73 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
RAR 2017/77

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 februari 2017

Zaaknummer : 200.199.018/01

Zaaknummer eerste aanleg : 5033157 AZ VERZ 16-86

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. F.E.J. Janzing te Wijchen,

tegen

[beheer] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [beheer] ,

advocaat: mr. C.P. van den Eijnden te Tilburg,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 13 juni 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2016;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2016;

  • -

    een fax namens mr. Janzing d.d. 4 januari 2017 met als bijlage een afschrift van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd;

- de op 6 januari 2017 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Janzing;

- namens [beheer] de heer [medewerker van beheer] , bijgestaan door mr. Van den Eijnden.

  • -

    de ter zitting door mr. Janzing overgelegde pleitaantekeningen met daaraan gehecht de bestreden uitspraak zoals gepubliceerd in JAR 2016/233 (met noot Verhulp);

  • -

    de ter zitting door mr. Van den Eijnden overgelegde pleitaantekeningen.

Er is door partijen geen proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg overgelegd.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Op 11 februari 2016 is [appellant] in dienst getreden van [beheer] in de functie van Recruitment Consultant tegen een loon van € 2.400,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

  2. In de arbeidsovereenkomst staat onder meer het volgende vermeld:
    Artikel 1. Functie, duur, arbeidstijd en arbeidsplaats
    1.1 Werknemer treedt met ingang van 11 februari 2016 in dienst voor bepaalde tijd v van 6 maanden bij werkgever in de functie van Recruitment Consultant. De arbeidsovereenkomst eindigt derhalve van rechtswege, zonder dat opzegging is vereist, op 11 augustus 2016.



    (…)
    Artikel 2. Proeftijd
    2.1 De eerste maand na aanvang van deze overeenkomst geldt als proeftijd in de zin der wet.

    2.2 Gedurende de proeftijd heeft ieder der partijen het recht de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.”

  3. Op 10 maart 2016 heeft [beheer] de arbeidsovereenkomst met [appellant] mondeling met onmiddellijke ingang opgezegd met een beroep op het proeftijdbeding.

  4. Bij brief van 12 april 2016 heeft de advocaat van [appellant] aan [beheer] bericht dat de opzegging vernietigbaar is, maar dat [appellant] in plaats daarvan aanspraak maakt op schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 9 BW.

3.2.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg verzocht [beheer] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 12.960,- in eerste instantie op grond van artikel 7:672 lid 9 BW, met veroordeling van [beheer] in de proceskosten. Bij brief van 27 mei 2016 heeft [appellant] de grondslag van zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij zijn verzoek primair heeft gegrond op artikel 7:672 lid 10 BW, subsidiair op artikel 7:677 lid 4 BW en meer subsidiair op artikel 7:681 lid 1 BW.

3.2.2.

[beheer] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht [appellant] in de proceskosten te veroordelen.

3.3.

In de bestreden beschikking is het verzoek van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoek tot veroordeling van [beheer] tot betaling van schadevergoeding alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [beheer] in de proceskosten. Naar het hof begrijpt verzoekt [appellant] de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5.

[appellant] verzoekt [beheer] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Volgens [appellant] is het proeftijdbeding niet geldig. De grieven hebben betrekking op de juridische grondslagen die [appellant] aan zijn verzoek tot schadevergoeding ten grondslag heeft gelegd. Deze grieven kunnen alleen tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden indien er sprake is van een onregelmatige opzegging. Nu [beheer] mede als verweer heeft gevoerd dat tussen partijen een rechtsgeldige proeftijd is overeengekomen beding, zal het hof eerst beoordelen of er sprake is van een geldig proeftijdbeding.

3.6.

Ingevolge artikel 7:652 lid 4 BW kan er geen proeftijd worden overeengekomen indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor ten hoogste zes maanden. [appellant] stelt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor de duur van zes maanden. [beheer] betwist deze stelling. Volgens haar is de arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van zes maanden en één dag.

3.7.

Partijen hebben hun afspraken over de duur van de arbeidsovereenkomst vastgelegd in artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst. Voor de beantwoording van de vraag hoe artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst moet worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg zijn van betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. De uitleg dient niet plaats te vinden op grond van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen, al is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg wel van groot belang.

3.8.

Het hof stelt voorop dat artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst niet duidelijk is geformuleerd. In de eerste zin staat dat werknemer in dienst treedt voor bepaalde tijd van zes maanden. In de tweede zin staat er dat de werknemer met ingang van 11 februari 2016 in dienst treedt en dat de arbeidsovereenkomst derhalve van rechtswege eindigt op 11 augustus 2016. Daarbij rijst de vraag of met de zinsnede “op 11 augustus 2016” wordt bedoeld dat de arbeidsovereenkomst loopt tot of tot en met 11 augustus 2016.
Het hof is van oordeel dat [appellant] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat partijen een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden sec zijn overeengekomen. Daarbij neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking.
Gelet op het feit dat in de eerste zin wordt gesproken over een bepaalde tijd van zes maanden en in de tweede zin het woord “derhalve” wordt gebruikt, is het hof van oordeel dat een taalkundige uitleg erop wijst dat partijen een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden zijn overeengekomen en niet van zes maanden plus één dag. Dat er in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst een proeftijdbeding is opgenomen, is onvoldoende om te concluderen dat partijen een duur van zes maanden en één dag overeen wilden komen. Het hof is van oordeel dat indien [beheer] een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden en één dag overeen had willen komen, met het oogmerk daarmee af te wijken van artikel 7:652 lid 4 BW, van haar verwacht had mogen worden dat zij dit voor of bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst duidelijk met [appellant] zou hebben gecommuniceerd en (aansluitend) duidelijk in de arbeidsovereenkomst zou hebben vermeld.
Er is niet gesteld of gebleken dat duidelijk aan [appellant] is gecommuniceerd dat de duur van de arbeidsovereenkomst zes maanden en één dag betrof en waarom dit voor [beheer] van belang was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [medewerker van beheer] van [beheer] desgevraagd door het hof verklaard dat de medewerker die de arbeidsovereenkomst met [appellant] heeft gesloten zich niet kan herinneren of er is gesproken over een duur van zes maanden plus één dag en de heer [medewerker van beheer] verklaarde ook te denken dat daarover ook niets in de e-mail stond waarmee de arbeidsovereenkomst aan [appellant] is toegezonden.

3.9.

Gelet op het voorgaande dient artikel 1.1. van de arbeidsovereenkomst zo te worden uitgelegd, dat partijen een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden zijn overeengekomen. Dat heeft tot gevolg dat het in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst opgenomen proeftijdbeding nietig is op grond van artikel 7:652 lid 8 sub f BW.

3.10.

Nu het proeftijdbeding nietig is, is er sprake van een onregelmatige opzegging door [beheer] . [beheer] heeft de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussentijds opgezegd, terwijl de arbeidsovereenkomst geen tussentijds opzegbeding bevat. [appellant] verzoekt [beheer] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens deze onregelmatige opzegging, primair op grond van artikel 7:672 lid 10 BW, subsidiair op grond van artikel 7:677 lid 4 BW en meer subsidiair op grond van artikel 7:681 lid 1 BW.

3.11.

In zijn eerste grief voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat artikel 7:677 lid 4 BW geen grondslag voor zijn vordering biedt omdat in dat artikel is bepaald dat een vergoeding is verschuldigd in het geval een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die niet tussentijds kan worden opgezegd, in strijd met lid 1 is opgezegd. De verwijzing naar lid 1 ziet volgens de kantonrechter uitsluitend op een onverwijlde opzegging om een dringende reden.

3.12.

Het hof overweegt naar aanleiding van de eerste grief als volgt.
Artikel 7:677 lid 4 BW luidt:

“De partij die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd, in strijd met artikel 1 opzegt, is aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De kantonrechter kan de vergoeding, bedoeld in dit lid, matigen indien hem dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar tot niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden. De werknemer kan de kantonrechter verzoeken de opzegging te vernietigen.”

Lid 1 van artikel 7:677 BW luidt:
“Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.”

3.13.

Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis bij de Wet werk en zekerheid af dat de wetgever in deze wet duidelijkheid heeft willen verschaffen over de vraag of een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding vernietigbaar is. Daarbij heeft de wetgever er voor gekozen de gevolgen van de opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd te regelen in artikel 7:677 lid 4 BW (en niet in artikel 7:672 lid 9 BW, dat met ingang van 1 januari 2016 is vernummerd tot 7:672 lid 10 BW). Het hof verwijst naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:
“De regering merkt op dat met artikel 7:677, vierde lid, BW duidelijkheid wordt gecreëerd over wat geldt in geval sprake is van een tijdelijke arbeidsovereenkomst die niet tussentijds kan worden opgezegd (omdat deze geen tussentijds opzegbeding bevat). Artikel 7:672 (negende lid) BW heeft betrekking op een reguliere opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd en bevat in dat kader onder andere de wettelijke opzegtermijn. Het is juist dat het huidige artikel 7:677, tweede lid, BW eenzelfde term hanteert als de term die in het nieuwe artikel 7:672, negende lid, BW wordt gehanteerd, doch de regering wijst erop dat die terminologie in het wetsvoorstel bewust niet terugkomt in het nieuwe artikel 7:677, vierde lid, BW. Daar wordt expliciet bepaald wat rechtens is wanneer een partij die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd, in strijd met het eerste lid van dat artikel opzegt. De regering is dan ook van mening dat – anders dan in het huidige artikel 7:677, tweede lid, BW het geval is – de tekst van het wetsvoorstel de duidelijkheid verschaft die de regering op dit punt wenselijk acht. Dat hiermee sprake is van een gewenste verduidelijking wordt overigens ook in de literatuur erkend.4

4 D.J.B. de Wolff, De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd volgens het wetsvoorstel Werk en zekerheid, in: TRA 2014, aflevering 3, p. 30, waarin de auteur constateert dat in een nieuw artikel 7:677 lid 4 BW zal worden verduidelijkt welke sanctie staat op opzegging zonder een bevoegdheid tot tussentijdse opzegging en aangeeft dat de rechter intussen reeds op de nieuwe tekst kunnen anticiperen, nu thans niet (en op grond van het wetsvoorstel wel) duidelijk is of een onbevoegde tussentijdse opzegging door de rechter kan worden vernietigd.”
(Kamerstukken I 2013/14, 33838, E, p. 13).

3.14.

De wetgever heeft artikel 7:677 lid 4 BW niet willen beperken tot de gevolgen van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet, ondanks de verwijzing naar lid 1. Dit leidt het hof af uit de volgende passages uit de wetsgeschiedenis:

“Het vierde lid regelt wanneer er een vergoeding verschuldigd is bij een overeenkomst voor bepaalde tijd die geen tussentijdse opzegmogelijkheid kent. Dat is bijvoorbeeld het geval als (i) er geen sprake is van een dringende reden, (ii) de vormvoorschriften uit het eerste lid voor een rechtsgeldige opzegging op staande voet niet in acht zijn genomen (er is met andere woorden niet onverwijld opgezegd en/of niet onder onverwijlde mededeling van de reden), (iii) er is opgezegd met instemming die tijdig is herroepen of (iv) er net buiten de proeftijd is opgezegd. Geen vergoeding is, vanzelfsprekend, verschuldigd indien de wederpartij instemt met de opzegging of als er sprake is van een opzegging tijdens de proeftijd. De rechter kan de vergoeding matigen. Voor overeenkomsten voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd die wel een tussentijdse opzegbevoegdheid kennen, wordt hetgeen dan tussen partijen geldt, geregeld in artikel 7:672, negende lid, BW (nieuw). Verwezen wordt naar de toelichting bij dat artikel. In het huidige BW was een en ander geregeld in artikel 7:680.” (Kamerstukken II, 2013/14, 33818, 3 p. 115).

“Gevolgen van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet

Er is sprake van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet als een werkgever of een werknemer:

• de arbeidsovereenkomst niet onverwijld heeft opgezegd, of

• om een – naar later blijkt – niet dringende reden heeft opgezegd, of

• zonder onverwijlde mededeling van de dringende reden heeft opgezegd.

Als dit het geval is bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd, dan is de partij die niet rechtsgeldig opzegt aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben als deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De kantonrechter is bevoegd de vergoeding te matigen als deze hem gelet op de omstandigheden onbillijk voorkomt. Als de werkgever de werknemer een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet heeft gegeven dan kan de werknemer de rechter ook vragen om in plaats van het toekennen van een vergoeding de opzegging te vernietigen. Voor de goede orde wordt hierbij opgemerkt dat het voorgaande niet alleen geldt in de situatie van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet, maar ook in andere gevallen waarin een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder mogelijkheid van tussentijdse opzegging, niet rechtsgeldig wordt beëindigd.” (Kamerstukken II, 2013/14, 33818, 3 p. 50)

Het hof is van oordeel dat de wetgever in de laatste zin van deze passage met de zinsnede “het voorgaande” verwijst naar de gehele voorgaande alinea en niet alleen naar de voorgaande zin, zoals [beheer] aanvoert. De voorlaatste zin kan niet los worden gezien van de rest van de alinea. Bovendien zou het standpunt van [beheer] tot gevolg hebben dat de in artikel 7:677 lid 4 BW vermelde sanctie van vernietiging zou gelden voor alle gevallen waarin een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder mogelijkheid van tussentijdse opzegging niet rechtsgeldig wordt beëindigd en de in artikel 7:677 lid 4 BW vermelde sanctie van schadevergoeding alleen voor een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet. Het hof vindt in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen dat de wetgever de sanctie van de schadevergoeding voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding in een ander wetsartikel heeft willen regelen dan de sanctie van de opzegging.

3.15.

Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat artikel 7:677 lid 4 BW ten grondslag kan worden gelegd aan een verzoek tot schadevergoeding als het onderhavige. Zeker nu het in het onderhavige geval gaat om opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding met onmiddellijke ingang. Een dergelijke opzegging is op één lijn te stellen met een niet rechtsgeldige opzegging wegens een dringende reden, waarbij de dringende reden ontbreekt.

3.16.

[beheer] heeft nog verwezen naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis :
“Als het betoog van de regering juist is, kent het wetsvoorstel volgens de VAAN een lacune. Het nieuwe artikel 7:677, vierde lid, BW bestraft namelijk alleen een opzegging van een tussentijds niet-opzegbare arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in strijd met artikel 7:677, eerste lid, BW (onverwijlde opzegging wegens een dringende reden). Daaruit vloeit voort dat artikel 7:677, vierde lid, BW niet ziet op de situatie dat een tussentijds niet-opzegbare arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met inachtneming van een termijn wordt opgezegd. De VAAN vraagt of de regering bereid is deze onvolkomenheid in de reparatiewet te herstellen.” (Kamerstukken I, 2013/14, 33818, E, p. 13)

Het hof is van oordeel dat, voor zover deze lacune bestaat, de onderhavige situatie daar niet onder valt, aangezien [beheer] de arbeidsovereenkomst met [appellant] niet met inachtneming van een termijn maar met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Overigens meent het hof dat het bestaan van de door de VAAN geschetste lacune niet moet worden aangenomen, gelet op de hiervoor geciteerde parlementaire geschiedenis in samenhang met de omstandigheid dat de Wwz niet heeft beoogd om het recht op gefixeerde schadevergoeding bij een onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te wijzigen.

3.17.

[beheer] heeft, voor het geval het hof van oordeel is dat artikel 7:677 lid 4 BW wel als grondslag kan dienen van het verzoek tot schadevergoeding van [appellant] , een beroep gedaan op de vervaltermijn van, naar het hof begrijpt, artikel 7:686a lid 4 sub a BW. [beheer] heeft gesteld dat [appellant] pas op 27 mei 2016 artikel 7:677 lid 4 BW als grondslag voor zijn verzoek heeft aangevoerd, terwijl het dienstverband op 10 maart 2016 is geëindigd.

3.18.

Het hof overweegt naar aanleiding van het beroep op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW als volgt.
Met ingang van 1 januari 2016 luidt artikel 7:686a lid 4 sub a BW:

“De bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt:
a. twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een
verzoek op grond van de artikelen 672, lid 9, 677, 681, lid 1, onderdelen a, b en c, en
682, leden 1, 2 en 3, betreft;”

Intussen is bij wetswijziging “artikelen 672, lid 9” vervangen door “artikelen 672, lid 10”, maar dat is voor de beoordeling niet van belang.

Het dienstverband tussen partijen is geëindigd op 10 maart 2016. Bij verzoekschrift van 26 april 2016 heeft [appellant] verzocht [beheer] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [beheer] de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding heeft opgezegd op grond van een nietig proeftijdbeding. Bij brief van 27 mei 2016 heeft [appellant] de juridische grondslag van zijn verzoek aangevuld en artikel 7:677 lid 4 BW als subsidiaire grondslag aangevoerd. Het hof is van oordeel dat ook zonder deze wijziging het hof het verzoek tot schadevergoeding van [appellant] had kunnen en moeten toewijzen op grond van artikel 7:677 lid 4 BW. Het subsidiaire verzoek ziet op dezelfde feiten en feitelijke grondslag als het oorspronkelijke verzoek en het hof dient op grond van artikel 25 Rv de rechtsgronden aan te vullen. Nu het oorspronkelijke verzoekschrift binnen de termijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, is ingediend, staat de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW niet aan toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding van [appellant] in de weg.

3.19.

Op grond van het voorgaande slaagt de eerste grief en is [beheer] in beginsel aan [appellant] een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. [beheer] heeft verzocht deze vergoeding te matigen.
Ingevolge artikel 7:677 lid 4 BW kan de rechter de vergoeding matigen indien hem dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar tot niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden. Nu [appellant] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij met ingang van 9 mei 2016 bij een nieuwe werkgever werkzaam is en niet is gesteld of gebleken dat [appellant] er daarbij in inkomen op achteruit is gegaan, acht het hof het billijk de vergoeding te matigen tot het in geld vastgestelde loon voor drie maanden (overeenkomend met de periode van 11 april tot 11 juni 2016). Dit betreft een bedrag van € 7.776,- (driemaal € 2.400,- + 8% vakantietoeslag). Het hof zal dit bedrag toewijzen.

3.20.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van [appellant] tot veroordeling van [beheer] tot betaling van een vergoeding alsnog toewijzen tot een bedrag van € 7.776,-. Het hof zal [beheer] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [beheer] tot betaling aan [appellant] van een vergoeding van € 7.776,-;

veroordeelt [beheer] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 79,- aan griffierecht en op € 400,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 314,- aan griffierecht en op € 1.788,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, J.W. van Rijkom en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2017.