Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:536

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
20-004018-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Vijf jaren gevangenisstraf. Aanvulling bewijsvoering.

Drugsdeal met onverwachte wending. Ten gevolge van het steken door verdachte is bij aangever een slagaderlijke bloeding in zijn hals ontstaan en een zeer forse snijwond over zijn linkerwang vanaf het midden van het onderooglid tot in de hals. Blijvend functieverlies mondhoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004018-14

Uitspraak : 16 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 17 december 2014 in de strafzaak met parketnummer

01-839052-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd te Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangever] is gedeeltelijke toewijzing gevorderd met toewijzing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door en namens verdachte is verzocht hem vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. In dat verband is eveneens verzocht de [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij [aangever] en met aanvulling van de bewijsvoering.

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof van 2 februari 2017 – kort gezegd – betoogd dat de verklaringen die [getuige 1] heeft afgelegd onbetrouwbaar zijn omdat deze niet consistent zijn. Bovendien heeft [getuige 1] tegenover de raadsheer-commissaris en het hof zeer aarzelend verklaard, hetgeen eveneens van invloed is op de betrouwbaarheid van die verklaringen. De verklaringen die [aangever] heeft afgelegd kunnen volgens de raadsman evenmin tot het bewijs worden gebezigd, omdat die verklaringen op wezenlijke punten bestaan uit conclusies en niet op eigen waarnemingen. Nu de verklaringen van [getuige 1] en [aangever] niet kunnen bijdragen tot het bewijs van het ten laste gelegde en overigens geen bewijs voorhanden is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, dient de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Getuige [getuige 1] is zowel door de politie als door de raadsheer-commissaris als ter terechtzitting door het hof gehoord. Aanvankelijk is hij aangemerkt als medeverdachte, maar het openbaar ministerie heeft zijn zaak geseponeerd. Het hof heeft geconstateerd dat [getuige 1] in zijn verklaringen op essentiële onderdelen, te weten voor zover het gaat over de persoon die [aangever] met een mes heeft gestoken, consistent heeft verklaard. Dat de verklaringen die [getuige 1] heeft afgelegd op ondergeschikte punten van elkaar verschillen maakt niet dat die verklaringen onbetrouwbaar zijn. Het hof heeft bij dat oordeel mede betrokken dat het ten laste gelegde feit inmiddels dateert van 11 januari 2013 zodat het geen opzien baart dat de door [getuige 1] afgelegde verklaringen niet tot in detail gelijkluidend zijn.

De omstandigheid dat [getuige 1] de voor verdachte belastende verklaringen enigszins aarzelend heeft afgelegd, maakt evenmin die verklaringen onbetrouwbaar zijn. [getuige 1] werd aanvankelijk immers aangemerkt als medeverdachte. Bovendien blijkt uit het

e-mailbericht van [getuige 1] gericht aan de advocaat-generaal van 24 juni 2016 dat hij zich er niet prettig bij voelt dat hij opnieuw als getuige is opgeroepen in de strafzaak tegen de verdachte en dat hij bang is voor represailles van de zijde van verdachte, terwijl [getuige 1] op 7 september 2015 eveneens heeft verklaard zich niet prettig te voelen in zijn rol als getuige in de strafzaak tegen verdachte. Tegen deze achtergrond acht het hof het begrijpelijk dat [getuige 1] zijn woorden en formuleringen zorgvuldig kiest.

Voor wat betreft de door [aangever] afgelegde verklaringen is naar het oordeel van het hof relevant dat [aangever] vanaf de fotoconfrontatie bij de politie op 5 februari 2014 tot en met de procedure in hoger beroep consistent heeft verklaard dat hij verdachte herkent als de persoon die hem heeft gestoken. De enkele omstandigheid dat [getuige 1] nabij [aangever] en de verdachte stond maakt dat niet anders.

Nu de verklaringen van [getuige 1] en [aangever] elkaar bovendien over en weer versterken heeft het hof geen reden om aan die verklaringen te twijfelen. Het hof heeft die verklaringen dan ook voor het bewijs van het primair ten laste gelegde gebezigd.

Aanvulling bewijsvoering

De bewijsvoering van het onder primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling.

Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de hierna genoemde bewijsmiddelen.

- De verklaring van [aangever] afgelegd ter terechtzitting van het hof van 13 juli 2016 voor zover inhoudende:

Ik weet zeker dat het verdachte was die heeft gestoken. Ik vergeet dat gezicht nooit meer. Ik weet het 100% zeker.

Die [voornaam getuige] die er nu niet is (het hof begrijpt: [getuige 1] ) is niet de steker geweest. De verdachte is de steker geweest. U, voorzitter, vraagt mij hoe lang ik [getuige 1] kende. Niet lang, ik kende hem een aantal weken. Hij was een nieuwe leverancier van me. De man die hier in de zittingszaal als verdachte zit, is de steker. Dat weet ik zeker.

- De verklaring [getuige 1] afgelegd ter terechtzitting van het hof van 2 februari 2017, voor zover inhoudende:

U, voorzitter, houdt mij voor dat de bedoeling was om op 11 januari 2013 een XTC- transactie te laten plaatsvinden. Dat is juist. Ik had het telefoonnummer van de potentiële koper en heb contact gehad met hem. Verdachte en ik gingen naar Deurne. De potentiële koper met wie ik de afspraak had gemaakt kende ik niet lang. Hij wilde de XTC meenemen zonder te betalen. Hij rende weg. Er was nog iemand anders bij die ik niet kende. Die persoon rende ook weg.

We kwamen bij de jongen. Ik heb erbij gestaan, vlakbij, die jongen had de pillen nog vast. Verdachte was aan het vechten met die jongen. Toen ze aan het vechten waren, pakte ik het mes uit mijn jas. Ik gaf het aan verdachte.

Ik hoorde het slachtoffer roepen: "Wat heb je gedaan?" Toen draaide ik mij om en zag ik dat verdachte het slachtoffer in zijn gezicht had gesneden. Ik stond er niet heel ver vandaan.

- Het proces-verbaal van verhoor van getuigen van 7 september 2015 opgemaakt door de raadsheer-commissaris strafzaken in dit hof, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1],

De reden dat ik daar was, was een drugsdeal. Ik had een afspraak gemaakt met die jongen, [voornaam aangever] , geloof ik. Die afspraak was via telefonisch contact tot stand gekomen. Ik ben daar samen met [verdachte] naartoe gegaan.

[aangever] probeerde de drugs van [verdachte] te stelen. Toen is [verdachte] er achteraan gegaan, want [aangever] rende weg. Toen ben ik er achteraan gegaan. [verdachte] en [aangever] waren in gevecht. Ik pakte dat mes en gaf het aan [verdachte] , omdat [aangever] de drugs niet los wilde laten. Ik heb de drugs toen uit zijn handen gepakt en ik ben omgedraaid om aan te lopen. Ik heb me op een gegeven moment omgedraaid en ik zag dat [aangever] bloedde. Ik hoorde met angst: "Wat heb je gedaan?" Daarop heb ik mij omgedraaid om te kijken.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft aangever met een mes in zijn gezicht gestoken/gesneden. De aanleiding tot dit handelen van verdachte was in de kern een drugsdeal die een onverwachte wending nam. Ten gevolge van het steken door verdachte is bij aangever een slagaderlijke bloeding in zijn hals ontstaan en een zeer forse snijwond over zijn linkerwang vanaf het midden van het onderooglid tot in de hals. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de stukken die aangever als benadeelde partij heeft ingediend volgt dat sprake is van een blijvend functieverlies van de mondhoek van aangever. Ook blijkt daaruit dat aangever nog steeds de lichamelijke en psychisch nadelige gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. Verdachte heeft zich ten tijde van het feit en ook nadien echter in het geheel niet bekommerd over de gevolgen die zijn handelen heeft gehad voor aangever.

Het hof heeft bij de strafoplegging eveneens ten nadele van de verdachte in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 november 2016, reeds eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van geweldsdelicten.

Daarnaast is artikel 63 Sr van toepassing, onder meer vanwege de zaak met parknetnummer 20-000363-14 die gelijktijdig maar niet gevoegd is behandeld en die heeft geleid tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts is het hof, na onderzoek van de zaak, het volgende gebleken met betrekking tot de redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in artikel 6 EVRM:

  • -

    Op 17 december 2014 is door de rechtbank vonnis gewezen.

  • -

    Op 22 december 2014 is door verdachte hoger beroep in gesteld tegen het vonnis.

  • -

    De appelmemorie dateert van 8 januari 2015. Onder meer is verzocht tot het horen van [aangever] , [getuige 1] en [getuige 2]

  • -

    Het dossier is bij het hof binnengekomen op 5 maart 2015.

  • -

    Op 21 april 2015 vond de eerste behandeling van de zaak plaats bij dit hof. Dit betrof een regiezitting. De zaak werd gelijktijdig maar niet gevoegd behandeling met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 20-004019-14. De zaak is aangehouden tot 23 juni 2105 met een verwijzing naar de raadsheer-commissaris voor het horen van [aangever] en [getuige 1] .

  • -

    Op 23 juni 2015 vond de tweede behandeling van de zaak plaats bij dit hof. Dit betrof een pro forma behandeling. De zaak werd gelijktijdig maar niet gevoegd behandeling met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 20-004019-14. De zaak is aangehouden tot 8 september 2015, in afwachting van de verhoren door de raadsheer-commissaris.

  • -

    Op 8 september 2015 vond de derde behandeling van de zaak plaats bij dit hof. Dit was een pro forma behandeling. De zaak werd gelijktijdig maar niet gevoegd behandeling met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 20-004019-14. De zaak werd aangehouden tot 1 december 2015.

  • -

    Op 1 december 2015 vond de vierde behandeling van de zaak plaats bij dit hof. De zaak werd gelijktijdig maar niet gevoegd behandeling met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 20-004019-14. De zaak werd pro forma behandeld en aangehouden tot 10 december 2015.

  • -

    Op 10 december 2015 vond de vijfde behandeling van de zaak plaats bij dit hof. De zaak werd inhoudelijk behandeld. Verdachte heeft zijn procespositie veranderd en ter terechtzitting een verklaring afgelegd die aanleiding gaf [aangever] en [getuige 1] nader te horen ter terechtzitting van het hof. Het hof heeft de zaak om die reden voor onbepaalde tijd aangehouden en de oproeping van voornoemde getuigen ter terechtzitting van het hof bevolen.

  • -

    Op 13 juli 2016 vond de zesde behandeling van de zaak plaats bij dit hof. De zaak werd pro forma behandeld. De zaak werd aangehouden tot 5 oktober 2016, met bepaling van de inhoudelijke behandeling op 26 oktober 2016.

  • -

    Op 5 oktober 2016 vond de zevende behandeling van de zaak plaats bij dit hof. De zaak werd pro forma behandeld. De zaak werd aangehouden tot 26 oktober 2016. Bepaald werd dat het e-mailbericht van [getuige 1] van 24 juni 2016 aan het dossier zou worden toegevoegd en dat onderzoek gedaan zou worden naar telefoongesprekken die verdachte vanuit detentie gepleegd zou hebben.

  • -

    Op 26 oktober 2016 vond de achtste behandeling van de zaak plaats bij dit hof. De zaak werd gelijktijdig maar niet gevoegd behandeling met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 20-000363-14 en aangehouden omdat de raadsman ziek was. De nieuwe (voortgezette) inhoudelijke behandeling werd bepaald op 2 februari 2017 en de zaak werd aangehouden tot de pro forma zitting van 24 november 2016.

  • -

    Op 24 november 2016 vond de negende behandeling van de zaak plaats bij dit hof. De zaak werd pro forma behandeld en aangehouden tot 2 februari 2017.

  • -

    Op 2 februari 2017 vond de tiende behandeling van de zaak plaats bij dit hof. De zaak werd gelijktijdig maar niet gevoegd behandeling met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 20-000363-14. De zaak werd verder inhoudelijk behandeld.

  • -

    Het arrest is gewezen op 16 februari 2017.

Het hof stelt vast dat tussen het instellen van het hoger beroep en het arrest van het gerechtshof 2 jaar en bijna 2 maanden is verstreken. Deze vertraging is evenwel in belangrijke mate ontstaan door de gewijzigde procespositie van de verdachte. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van het hof van 10 december 2015 heeft afgelegd maakte noodzakelijk de getuigen [aangever] en [getuige 1] opnieuw te bevragen. Verdachte heeft in hoger beroep immers voor het eerst verklaard dat niet hij maar [getuige 1] het slachtoffer [aangever] had gestoken/gesneden, waar hij eerder ontkende bij het voorval aanwezig te zijn geweest.

De eerstvolgende geplande inhoudelijke behandeling (die overigens buiten het reguliere rooster om werd gepland om de voortvarende behandeling van de zaak te bewaken) waar de betreffende getuigen gehoord zouden worden kon vervolgens geen inhoudelijke doorgang vinden in verband met ziekte van de raadsman van verdachte. De ontstane vertraging kan in verband hiermee aan de verdachte en de verdediging worden toegerekend. Het hof is dan ook van oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede gelet op de documentatie van de verdachte niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor duur van 5 jaar met zich brengt. De tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op die straf in mindering worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 21.949,52. Het hof heeft geconstateerd dat de benadeelde partij in de toelichting op de vordering de verschillende schadeposten heeft gevorderd, terwijl de optelling van de reis- en parkeerkosten en de kosten van de rapportage van de psycholoog niet correct heeft plaatsgevonden. Het hof zal bij de beoordeling van de vordering uitgaan van de afzonderlijk opgevoerde schadeposten en de optelling van de advocaat buiten beschouwing laten. De vordering van de benadeelde partij wordt daardoor niet verhoogd, nu de afzonderlijke posten zijn vermeld in de toelichting op de vordering.

Deze vordering bestaat uit de volgende posten:

Immaterieel € 15.000,00

Materieel

  • -

    Reiskosten € 146,34

  • -

    Parkeerkosten € 70,00

  • -

    Beschadigde kleding € 449,80

  • -

    Medische kosten € 737,40

  • -

    Kosten rapportage psycholoog € 94,50

  • -

    Inkomensverlies € 5.451,48

Totaal € 21.949,52

Daarnaast is een bedrag van € 1.500,00 gevorderd voor de kosten rechtsbijstand.

Ook is gevorderd de wettelijke rente vanaf 11 januari 2013.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 13.703,24. Dat bedrag bestaat uit de volgende posten:

Immaterieel € 12.500,00

Materieel

  • -

    Reis- en parkeerkosten € 171,34

  • -

    Beschadigde kleding € 200,00

  • -

    Medische kosten € 737,40

  • -

    Kosten rapportage psycholoog € 94,50

Totaal € 13.703,24

Daarnaast is een bedrag € 768,00 toegewezen voor de kosten rechtsbijstand.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. In hoger beroep is ten aanzien van de kosten rechtsbijstand verzocht toepassing te geven aan het liquidatietarief rechtbanken en hoven waarbij de vordering in categorie 2 valt.

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de vordering van [aangever] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Nu het hof tot een veroordeling is gekomen, behoeft die stelling geen nadere bespreking.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [aangever] als gevolg van verdachtes onder primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot na te melden bedrag. Het hof is van oordeel dat de volledige gevorderde immateriële schade voor toewijzing vatbaar is gelet op het letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen en de (blijvende) gevolgen die het bewezen verklaarde handelen heeft voor hem.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de volgende posten van gevorderde materiële schade toewijsbaar zijn:

  • -

    Reiskosten € 146,34

  • -

    Parkeerkosten € 70,00

  • -

    Beschadigde kleding € 200,00

  • -

    Medische kosten € 737,40

  • -

    Kosten rapportage psycholoog € 94,50

  • -

    Inkomensverlies € 5.451,48

Subtotaal materieel € 6.699,72

Totaal (immaterieel en materieel) € 21.699,72

De door de benadeelde partij gemaakte reis- en parkeerkosten zijn naar het oordeel van het hof volledig voor toewijzing vatbaar. De gedeclareerde parkeerkosten schat het hof ex aequo et bono op een bedrag van € 70,00, conform de vordering. De gevorderde reis en parkeerkosten komen het hof niet bovenmatig voor gelet op de veelheid van bezoeken die de benadeelde partij aan het ziekenhuis, de politie en andere hulpverleners heeft moeten maken.

Ten aanzien van de gevorderde schade voor de beschadigde kleding is enige afschrijving aan de orde bij gebrek aan stukken aangaande de waarde of aanschafdatum van die kleding. Het hof schat de schade aan de kleding van de benadeelde partij daarom, conform het vonnis van de rechtbank en de eis van de advocaat-generaal, op een bedrag van € 200,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

De gevorderde medische kosten en de kosten voor de rapportage van een psycholoog acht het hof voldoende onderbouwd en liggen daarom voor toewijzing gereed.

Het door de benadeelde partij gevorderde inkomensverlies is naar het oordeel van het hof

– anders dan de rechtbank – eveneens geheel volledig toewijsbaar, gelet op de onderbouwing daarvan in combinatie met de aard en de omvang van het door de benadeelde partij opgelopen letsel. Voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij 36 weken niet heeft kunnen werken en dat hij schade leed zoals gevorderd nu hij gedurende die periode een ziektewetuitkering heeft ontvangen in plaats van loon.

Rente

De toegewezen immateriële schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening en de gevorderde materiële schadevergoeding met de wettelijke rente vanaf 3 december 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Kosten rechtsbijstand

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand is het hof van oordeel dat deze beoordeeld dienen te worden aan de hand van het liquidatietarief salarissen in rolzaken kanton, nu de hoofdsom minder dan € 25.000,00 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente is daarbij niet meegenomen, nu dat bedrag niet in concreto is gevorderd.

In eerste aanleg was sprake van het opstellen en indienen van het voegingsformulier met bijlagen en het bijwonen van één terechtzitting, hetgeen werkzaamheden ter grootte van 2 punten oplevert.

In hoger beroep was sprake van het indienen van het wensenformulier. Gelet op de zeer beperkte aard van de werkzaamheden zal daarvoor geen punt worden toegekend.

Daarnaast waren inhoudelijke behandelingen gepland op 10 december 2015 (advocaat en benadeelde partij aanwezig), 13 juli 2016 (advocaat en benadeelde partij aanwezig), 26 oktober 2016 (advocaat en benadeelde partij tijdig afgebeld, niet verschenen) en 2 februari 2017 (advocaat en benadeelde partij aanwezig).

Het hof stelt vast dat mr. G.W.L.A.M. Koppen namens de benadeelde partij het woord heeft gevoerd op 2 februari 2017. Het hof is van oordeel dat het redelijk is om in hoger beroep 1 punt toe te kennen per zitting waarop de advocaat is verschenen. Het aantal punten in hoger beroep bedraagt daarmee 3 en het totale aantal punten gedurende de gehele procedure bedraagt 5. Nu sprake is van een vordering tot € 40.000,00 correspondeert elk punt met een bedrag van € 400,00. In totaal zal derhalve een bedrag van € 2.000,00 aan proceskosten voor vergoeding worden toegewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof van 2 februari 2017 verzocht tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Gelet op het oordeel van het hof zoals dat hiervóór is weergegeven ligt dat verzoek gereed voor afwijzing.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever] en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 21.699,72 (eenentwintigduizend zeshonderdnegenennegentig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 6.699,72 (zesduizend zeshonderdnegenennegentig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 2.000,00 (tweeduizend euro).

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 21.699,72 (eenentwintigduizend zeshonderdnegenennegentig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 6.699,72 (zesduizend zeshonderdnegenennegentig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 143 (honderddrieënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 16 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.